Hoofdstuk 12 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 14


De Weg der Behoudenis

XIII. Over Bekering



Wat is bekering?

Luk. 17:3, 4 geeft ons een goede aanwijzing voor de betekenis van het woord bekeren. "Het is mij leed" is namelijk letterlijk: "Ik bekeer mij". Het is een ernstige wijziging ten goede in onze stemming en deze gaat vanzelf gepaard met berouw. Het is een tot zichzelf inkeren, tot andere gedachten komen. Het moet niet een gedeelte van de mens in beslag nemen: het gevoel, het verstand enz., maar de gehele inwendige mens: het hart. Geloof en bekering moeten alzo onafscheidbaar zijn.

Men weet, dat de St. Vertaling ook een ander Grieks woord door "bekering" vertaalt. Het is dan meer een "omkeren", hetzij letterlijk zoals in. Mat. 9:22, hetzij geestelijk. Het is dan het gevolg der bekering. Beide bekering en omkering zijn dus nauw met elkander verwant, doch onderscheiden. Hand. 3:19 zegt dan ook:

"Bekeert u dan en keert u om" (Griekse tekst).


Verschillende bekeringen.

De bekering kan natuurlijk in betrekking staan tot vele dingen. De Griekse Schriften spreken echter voornamelijk van bekering in verband met zonden, oordeel en het koninkrijk. De bekering betreft ongelovigen, IsraŽl en gelovigen in het algemeen. (Zie: "Wat de Concordantie leert".)

Zo lezen wij van de lieden van Ninevť, dat zij zich tot God bekeerden (Mat. 12:41; Jona 3:5, 8, 10). De ongelovigen worden uitgenodigd zich om te keren:

  • "van deze ijdele dingen ... tot den levenden God", Hand. 14:15
  • "van de duisternis tot het licht, en van de macht des Satans tot God", Hand. 26:18
  • "van de afgoden ... tot God", 1 Thes. 1:9
Van IsraŽl weten wij, dat het in God geloofde, maar zich ook moest bekeren.

Ook zij, die in Christus geloven, worden soms uitgenodigd zich te bekeren (2 Kor. 7:9, 10; 12:21; 2 Tim. 2:25; Heb. 6:6).

Wij onderscheiden zo:
  1. Bekering en omkering tot God.
  2. Bekering en omkering tot Christus, van hen die reeds in God geloven.
  3. Bekering tot geheel Gods wil, van hen die in Christus geloven.
In verband met hetgeen wij verder zullen onderzoeken over de weg der behoudenis, is het nodig nog verder te onderscheiden en verschil te maken tussen de volgende vier soorten "omkeringen":
  1. Omkering in de richting van God (1 Thes. 1:9). Hier is het voorzetsel "pros" gebruikt, dat de richting aangeeft zonder dat het doel daarom goed gekend wordt.
  2. Omkering tot het bereiken van God (Hand. 14:15; 15:19, 26:18, 20). Het voorzetsel "epi" (met de accusatief) is hier gebruikt. Het doel wordt beter gekend.
  3. Omkering in de richting van de Heere (2 Kor. 3:16). Zoals in Nį 1 is hier "pros" gebruikt.
  4. Omkering tot het bereiken van de Heere (Hand. 9:35; 11:21). Zoals in Nį 2 is hier "epi" gebruikt.
Voor wat betreft de "bekering" vinden we in Hand. 26:20 de bekering "op" (epi) God en in Hand. 20:21 de bekering "tot-in" (eis) God. Dat is een bekering niet alleen in de richting van God, maar een die ook haar doel bereikt heeft (1). Van de gelovige IsraŽlieten wordt in 1 Petr. 2:25 gezegd, dat ze zich tot (epi) de Herder omgekeerd hadden. Het spreekt vanzelf dat de gelovige niet noodzakelijk al die schakeringen duidelijk behoeft in te zien en zich volkomen bewust behoeft te zijn tot welke bekering of omkering hij gekomen is. Dit alles gaat "vanzelf" in de praktijk. Als men over de dingen gaat nadenken is het echter van groot belang een en ander te onderscheiden omdat de Schrift dat ook doet. Bekering is zeer nauw verbonden aan geloof. Het omkeren moet het gevolg zijn van geloof en bekering.



Wil God de bekering van alle mensen?

Door "wil" verstaan wij hier, niet een besluit, maar een verlangen. Laat ons eerst enkele teksten lezen, die in het bijzonder op dit geval toepasselijk zijn:

  • Luk. 24:47 "En in Zijnen naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken".
Bekering moest "uitgeroepen" (kerussoo) worden onder alle volken.
  • Hand. 11:18 "Zo heeft dan God ook den Heidenen de bekering gegeven ten leven".
Tot de scharen te Lystra en andere in-God-ongelovigen, zegt Paulus:
  • Hand. 14:15 "Dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren (omkeren) tot den levenden God"
  • Hand. 17:30 "God ... verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren".
Zie ook de noot bij Hand. 17:27 onder "Wat kan de gevallen mens van God kennen?".
  • Hand. 26:20 "en den Heidenen verkondigt, dat zij zich zouden beteren (bekeren), en tot God bekeren (omkeren)".
  • Rom. 2:4 "niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?".
Dit laatste zegt Paulus tot alle mensen (v. 1).

2 Petr. 3:7-9 is ook een zeer belangrijke tekst. Het gaat over het feit, dat de belofte van de komst van Christus (v. 4) niettegenstaande de spotters, toch verwezenlijkt wordt. Daarna komt het oordeel en de verderving der goddeloze mensen. Die komst is om zo te zeggen tegen gehouden door het zich niet bekeren van IsraŽl. Dit volk moet zijn plaats innemen in Gods voornemen. Intussen is God lankmoedig om reden van het feit, dat die IsraŽlieten hun taak van wereldbekering niet vervullen. Ten slotte zal niemand schade behoeven te lijden omdat Gods volk zich niet bekeert. God heeft dan ook niet besloten dat iemand verderve in de dag des oordeels als de tegenwoordige hemelen en aarde zullen voorbijgaan (2). Hij is dus lankmoedig tot het einde van de toekomende aioon, tot het gericht van de grote witte troon. Het is vooral het tweede deel van v. 9 dat onze aandacht vergt. Zo letterlijk mogelijk vertaald, zegt het Grieks:
"maar is geduldig om reden van u, niet besluitende dat iemand verderve, doch (besluitende) allen de mogelijkheid (capaciteit) te geven tot bekering".
Daar het belang van die Schrift zeer groot is, geven wij enigszins uitvoerig de redenen op, waarom wij zo vertalen.

Wij schrijven "om reden van" in plaats van "over", omdat de meeste handschriften "dia" met de accusatief hebben. (Namelijk: Alexandrinus, SinaÔticus, Griesbach, Lachmann, Tregelles in kanttekening).

Wij schrijven "u" in plaats van "ons" omdat de voornaamste handschriften "u" hebben. Dat zijn dus degenen aan wie de brief gericht is, namelijk de "verstrooide vreemdelingen" (1 Petr. 1:1), waaraan Petrus reeds een eerste brief geschreven had (2 Petr. 3:1). Jakobus noemt hen "de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn" (Jak. 1:1). Het zijn de gelovige Joden buiten Jeruzalem.

"Niet" is de vertaling van "", dat niet absoluut is, maar hier iets tijdelijks betreft. Het is hier minstens tot het einde der toekomende aioon.

"Besluitende" schrijven wij in plaats van "willende" omdat het gebruik van "boulomenos" niet slechts een verlangen aanduidt, maar een onveranderlijk besluit (3).

In plaats van "verloren gaan" schrijven wij "verderven", omdat hetzelfde Griekse woord zo vertaald werd in v. 7 en men dan duidelijker het verband ziet.

"Mogelijkheid te geven" vervangt "komen". Het werkwoord "koorŤsai" wordt onder meer gebruikt in de volgende teksten: Mark. 2:2 (bevatten); Joh. 2:6 (houdende); Joh. 8:37 (plaats); Joh. 21:25 (bevatten); 2 Kor. 7:2 (plaats). Het heeft steeds de zin van plaats, inhoud, capaciteit. In het vers dat wij hier onderzoeken staat het in de eerste aorist, bedrijvende vorm. Het is hier God die besluit en handelt en wij menen dat "capaciteit te geven" het best de zin uitdrukt.

Uit deze tekst kunnen wij twee dingen besluiten:
  1. God heeft niet besloten (ten minste tot op het einde der volgende aioon) dat iemand verderve.
  2. God heeft wel besloten aan allen de mogelijkheid tot bekering te geven. Dat is dus tot dat de hemelen, die nu zijn, zullen voorbijgaan. Het gebruik van de aorist toont, dat het een doorlopende werking Gods is. God leidt tot bekering, geeft de mogelijkheid tot bekering, verwacht dus bekering. Alles hangt nu af van de mens. Hier ligt zijn verantwoordelijkheid. De gelegenheid tot bekering wordt aan alle mensen gegeven tot op het einde der volgende aioon.
Men lette er wel op, dat wij hier spreken van de bekering in betrekking tot God. De bekering in betrekking tot Christus is iets anders. De eerste verwekt God door allerlei uitwendige middelen, en bereikt dus alle mensen zonder onderscheid. De tweede verwekt Hij door een inwendige werking en is begrensd tot in-God-gelovigen. Later onderzoeken wij dit verder.

Uit 1 Tim. 2:4
  • "God ... welke wil (verlangt), dat alle mensen zalig (behouden) worden"
zien wij ook weer Gods verlangen aangaande de bekering, omdat deze de behoudenis moet vooraf gaan. Wij kunnen verder ook Tit. 2:11 aanhalen:
  • "want de zaligmakende genade Gods is verschenen (of: verschijnt) aan alle mensen".
Die genade blijft tot op het einde der volgende aioon. God is vanzelf vrijmachtig die genade uit te delen zoals dat het beste is. Hij kan daartoe ook allerlei middelen gebruiken, inbegrepen wonderen, zoals in de tijd der "EvangeliŽn". In verband hiermee is Mat. 11:20, 21 leerzaam.

Wij hebben gezien, dat de Hebreeuwse Schriften bekering vroegen van IsraŽl als volk. Maar ook de persoonlijke bekering was toen reeds Gods verlangen. Men leze b.v. Ezech. 18:21, 32:
  • "Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijne zonden ... hij zal gewisselijk leven ... Want ik heb geen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere Heere, daarom bekeert u en leeft".
Uit het vorige kunnen wij besluiten, dat God allerlei middelen aanwendt om de mensen tot bekering te leiden. De aard en de intensiteit dezer middelen kan afhangen van de bedeling en de omstandigheden. God vraagt bekering omdat Hij daartoe de mogelijkheid geeft. Hij vraagt van ons niet het onmogelijke. De weg der behoudenis begint met geloof en bekering in betrekking tot God, dat is voor alle mensen. Daarna kan geloof en bekering in betrekking tot Christus volgen.

Uit 2 Petr. 3 zien wij, dat er geen "besluit der verwerping" is. Het zou geen zin hebben aan alle mensen goede boodschappen te laten verkondigen en ze tot bekering uit te nodigen, als God van te voren besloten zou hebben ze te "verdoemen". Dat God nu het verloren gaan van sommigen vooruit kent en hun toch die boodschappen laat verkondigen, is iets geheel anders. Zij gaan dan verloren tegen Zijn verlangen in, niettegenstaande de mogelijkheid en gelegenheid, die Hij gegeven heeft. Het vooruit kennen belette hun niet te geloven en zich te bekeren. God volgt de weg der vrijheid. Hierover onderzoeken wij later een en ander meer uitvoerig.



Bekering of geloof?

Men heeft terecht opgemerkt, dat, terwijl geloof in verband staat tot de Vader en de Zoon, bekering in betrekking staat tot onszelf, onze zonde en nodig is met het oog op een oordeel. Het zijn om zo te zeggen de twee zijden van dezelfde zaak. Als een der beide vermeld wordt, is de andere er ook. Men herleze wat we vroeger over het geloof "met het hart" schreven. Zonder bekering tot iets, is er ook geen geloof in dat zelfde iets, wel natuurlijk in iets anders (4). Men kan dan ook opmerken dat, behalve een paar uitzonderingen, de woorden bekeren en bekering niet gebruikt worden in het Evangelie van Johannes en in de brief aan de Romeinen, die juist zo belangrijk zijn voor de eerste stappen des geloofs. Is het omdat de bekering op hen niet toepasselijk is? In genen dele. Het is omdat hier de aandacht meer valt op wat men in God heeft dan op het oordeel dat de ongelovige wacht. Toch blijft dit laatste niet buiten bespreking (Rom. 1:21, 32; 2:2, 6 enz.).

Geloven wil ook zeggen, dat men inziet welke de verhouding is tussen God en ons, hoe Hij alles is en wij niets. Zo is de bekering dan onafscheidbaar van het geloof als men voor beide slechts juist dezelfde inhoud neemt. Hoe meer het geloof omvat, des te meer omhelst ook de bekering. Hoe hoger de positie is, des te beter ziet men zijn eigen onmacht.

Dikwijls zal het gebeuren dat we niet naar onze positie wandelen. Waarom? Juist, omdat we niet bewust geloven, omdat we onze positie uit het oog verliezen, ons geloof als het ware vergeten. Dan is er bekering nodig om in de juiste verhouding hersteld te worden. Maar men kan even goed zeggen dat er geloof nodig is. We hebben wel in beginsel geloofd, ons bekeerd, maar nu moeten we dat ook in de praktijk uitwerken en in stand houden. In de praktijk kan het dan soms schijnen alsof bekering volgt op geloof.

Toen het Koninkrijk nabij was (EvangeliŽn-Handelingen) werd de bekering van IsraŽl gevraagd, mede om verlost te worden uit de "toekomende toorn". De waterdoop was er een uitwendig teken van. Hier valt de nadruk op de bekering en minder op het geloof, omdat vooral het oordeel in het zicht is.

Slechts weinige teksten spreken van de bekering der volken. Hiervoor zijn minstens twee redenen:

  1. IsraŽl staat op de voorgrond.
  2. Vůůr de bekering "op" de Heere, moet er geloof "tot" en "op" God zijn. IsraŽl geloofde reeds "op" God en kon zich dan bekeren, terwijl de meesten uit de volken eerst nog "op" God moesten geloven.
Door het geloof komt men in een zekere verhouding te staan ten opzichte van God. In die positie maakt God, hetzij door middel van de schepping, hetzij door een inwendige werking, vele dingen bekend en toont ons ook waarin wij zondigen. Hij verlangt, dat wij naar onze positie wandelen, dus dat wij ons bekeren en onze schuld belijden als wij afgeweken zijn. Door belijdenis zullen wij vergeving krijgen. Daarvan hebben wij voorbeelden in de Hebreeuwse en Griekse teksten (Ps. 51; Luk. 15; 1 Joh. 1:9; zie ook 2 Kor. 7:9, 10; 12:21). Die bekering herstelt ons in de rechte verhouding die bij onze positie past. Het verloren schaap, de penning, de zoon van Luk. 15 blijven schaap, penning en zoon al zijn ze "verloren". Zij moeten geen schaap, penning of zoon worden, maar in de ware verhouding hersteld worden: het schaap moet bij de kudde, het geldstuk in de beugel, de zoon in gemeenschap met de vader. Die verhouding kan hersteld worden niet door onze verdiensten, maar op grond van het dierbare bloed van Christus.

IsraŽl stond in een zeer bijzondere positie, uit hoofde van Gods verbond met hen. Ook hier was bekering nodig. De tollenaar (d.i. een die zich in dienst van de vijandige natie gesteld had) en de zondaar (d.i. een die de zonde-offers der wet niet had gebracht) moest zich als zodanig erkennen, zich bekeren en zijn zonde belijden. Maar dat belet niet dat een uit de volken zich overeenkomstig zijn positie ook moet bekeren, en zich b.v. van de afgoden moet afkeren.

Sommigen hebben toch gemeend, dat er in onze bedeling geen bekering gevraagd wordt, maar wel geloof in Christus. Men zegt, dat God alles gedaan heeft en wij het nu slechts moeten aannemen door het geloof. Het probleem der zonde is voor hen opgelost in de zin, dat niemand meer om zijn zonden verloren gaat, maar alleen om ťťn zonde: niet geloven in Christus. Bekering zou geen zin meer hebben, want God rekent hun zonden niet meer toe. Wij komen later op deze kwestie terug, maar merken hier op, dat die opvatting op minstens vier onschriftuurlijke begrippen berust:
  1. De Schrift zou geen bekering vragen van de volken, alleen van IsraŽl.
  2. De Schrift zou van alle mensen onmiddellijk geloof in Christus vragen.
  3. Christus zou in de plaats van alle mensen gestorven zijn.
  4. In onze tijd zou men slechts met ťťn bedeling behoeven rekening te houden.
Voor het eerste punt is het voldoende te wijzen op Hand. 11:18; 14:15; 17:30 en 26:20.

Het tweede punt hebben wij in het voorgaande kort behandeld en zullen wij verder nog onderzoeken. Het eerste wat van een ongelovige gevraagd wordt, is geloof en bekering in betrekking tot God. Door God geholpen, moeten wij de weg der behoudenis zo ver bewandelen, dat niets Hem belet ons weder te baren. Slechts dan kunnen wij "tot-in" Christus geloven. Een in-God-ongelovige kan niet in Christus geloven.

Het derde punt behandelen wij later. De Schrift zegt nooit dat Christus in de plaats van alle mensen gestorven is. Hij stierf ten bate van allen en de gelovigen stierven met Hem (5).

Het vierde punt kunnen wij hier maar even aanroeren. De betekenis van "bedeling" is "rentmeesterschap", zoals het Griekse woord dan ook in Luk. 16:2 vertaald is. In 1 Kor. 9:17 is het door "uitdeling" weergegeven, in Ef. 1:10 en 3:2 door "bedeling", in Ef. 3:9 door "gemeenschap". Terwijl een aioon alle dan levende schepselen betreft en een bijzondere wereld-ontwikkelingsgang aangeeft, betreft een bedeling maar een groep mensen. Neem. b.v. Paulus' rentmeesterschap dat Gods Woord "vervulde" (Kol. 1:25) d.i. vol maakte. Die bedeling omvatte zeker niet de ongelovigen, noch IsraŽl. Al opent God nieuwe sferen van gemeenschap met Hem, allen volgen niet door het geloof. Zo kunnen er tegelijkertijd verschillende bedelingen zijn. Men ziet het zeer duidelijk in Handelingen, als aan de ene zijde de 12 Apostelen een rentmeesterschap hebben in betrekking tot het koninkrijk, de aardse sfeer en Paulus tegelijkertijd reeds een opdracht heeft in betrekking tot de hemelse sfeer (nog niet tot de overhemelse)(6).

Zo is er dan ook in onze tijd iets dergelijks. De bedeling der verborgenheid staat wel op de voorgrond, zij kenmerkt onze tijd, maar daarom verlaat God de andere mensen niet. Gods genade strekt zich b.v. nog altijd uit over de ongelovigen: zij moeten in de eerste plaats gebracht worden tot geloof in God. Zo zijn er anderen die nu nog in de geest in bedelingen leven, die vroeger meer op de voorgrond stonden, doch nu nog in zekere zin doorlopen. God verbreekt niet alle gemeenschap met hen, al blijven ze in deze bedelingen staan. Als een ongelovige tot lid der Gemeente der verborgenheid komt, heeft hij in de geest al die bedelingen doorgemaakt. Wij zullen inderdaad zien hoe zijn weg gaat langs wedergeboorte en kindschap, tot rechtvaardigheid en zoonschap en dan tot het volwassen man zijn.

Deze dingen vragen ernstige overweging en wij hopen er later in afzonderlijke stukken op terug te komen. Intussen kan men inzien, dat er in onze tijd wel degelijk geloof en bekering kan gevraagd worden buiten IsraŽl. Bekering betreft niet allen, b.v. niet hen die zich reeds bekeerd hebben, maar betreft wel hen, wie ze ook zijn, die zich nog niet bekeerd hebben, welke ook de kenmerkende bedeling is van de tijd waarin ze leven. Daarom is bekering nog niet een moeilijk werk, dat we in eigen kracht moeten volbrengen. Het komt er maar op aan gebruik te maken van Gods kracht en Hem niet te weerstaan. Het is geen hindernis op de weg der behoudenis, doch de uitdrukking van onze rechte verhouding tegenover God. Het is ook een getuigenis tegenover de gehele schepping en een verheerlijking Gods.

Men ziet welk belang er is de dingen te onderscheiden, zodat men aan de mensen ener bepaalde sfeer vooral dat voorstelt wat hen aangaat. Hoeveel kwaad is er niet gedaan met b.v. op in-God-ongelovigen teksten toe te passen, die in-God-gelovigen aangaan.



Geloof alleen?

We hebben reeds gewezen op het verschil tussen de opvattingen van Rome en van de Hervorming. De uitdrukking "geloof alleen" is heel goed als men hierdoor wil uitdrukken dat er geen eigenmachtige werken bij het geloof moeten komen om behouden te worden. Die formule is echter onjuist als men hierdoor zou willen aangeven dat er geen liefde, bekering, belijdenis, geloofswerken bij behoren. We spraken reeds van hen, die beweren dat er van ons eigenlijk geen bekering meer gevraagd wordt, maar alleen geloof. Men zou volgens hen nooit mogen zeggen: "geloof en bid", "geloof en belijd uwe zonden", "geloof en belijd Christus voor de mensen", "geloof en wees gedoopt", "geloof en bekeer U". Toch kunnen ze hun standpunt niet consequent volhouden, want ze moeten er onmiddellijk bijvoegen dat het "behoudend" geloof niet zuiver "historisch" is, maar wel een steunen op Christus, een afhangen van Zijn genade, een aannemen van Hem, een geloof in wat God van Zijn Zoon zegt. Ze veroordelen de uitdrukking: "geloof en bekeer U", maar zeggen dat de bekering deel uitmaakt van het geloof.

Wat moeten we hiervan denken? Men kent ons standpunt. We zijn het volmondig eens als men door "geloof alleen" wil uitdrukken, dat wij zelf niets moeten werken, noch kunnen verdienen. We kunnen echter niet meegaan met de gedachte, dat geloof samengesteld kan zijn uit andere dingen. Geloof is steeds geloof, doch als het voorwerp des geloofs Christus is, dan zal er op onafscheidbare wijze ook bekering bij behoren. Geloof "op" de Heere is niet omkering "op" de Heere, doch die twee kunnen alleen paarsgewijze bestaan, het een gaat niet zonder het ander. Als men meent dat die twee wel afgescheiden kunnen worden, zoals Rome dat doet, dan moet men wel zeggen dat geloof alleen niet voldoende is. Als men echter ziet dat zulk geloof het hart, de gehele inwendige mens betreft, dan is de bekering er noodzakelijk aan verbonden en kan men heel goed spreken van geloof en niet van de bekering, of omgekeerd al naar de aandacht meer gevestigd is op het voorwerp des geloofs, of op de gelovige zelf.

Na hetgeen we over geloof en bekering gezien hebben, is het ook duidelijk, dat men niet losweg van geloof moet spreken, zonder nader te bepalen wat men meent. Zo moet men ook de behoudenissen onderscheiden, zoals we dat verder zullen doen. Van de ene positie op de weg der behoudenis komt men tot de andere door zuivere genade, door middel van het geloof. Hoe hoger de positie, hoe meer het geloof gaat omvatten en telkens zal aan dat geloof ook een overeenstemmende bekering, omkering, verlangen, hoop, enz. verbonden zijn.

We willen nu in het kort de gewraakte uitdrukkingen onderzoeken.

  1. "Geloof en bid". Men zou eerst moeten zeggen, wat men onder "bid" verstaat. De St. Vert. gebruikt het werkwoord bidden voor niet minder dan 11 verschillende Griekse woorden, die allerlei schakeringen aangeven: verlangen, wensen, begeren, vragen, verzoeken, smeken enz. (Zie: "Wat de Concordantie leert".)

    Bij elk geloof behoort een verlangen naar de genadegaven die er in vervat zijn. Dit verlangen kan ook in het gebed uitgesproken worden en in die zin kan men heel goed zeggen: "geloof en bid". Wil men door die uitdrukking echter te verstaan geven dat er een bidden en smeken moet zijn, dat tot doel zou hebben God over te halen iets te doen, dan is ze niet gepast en een hinderpaal op de weg der behoudenis. We moeten God niet uitnodigen genadig te zijn. "Begeer en u zal gegeven worden", Luk 11:9 en dat betreft zelfs heilige geest, (v. 13) de gave van de Heilige Geest.

  2. "Geloof en belijd uw zonde". Als men de belijdenis als iets kunstmatigs aanziet, dat bij het geloof moet komen, dan is ook dit weer een hinderpaal en ook niet nodig of nuttig ter behoudenis. Men belijdt ook zijn zonde niet om tot een hogere positie te komen als een soort verdienstelijk werk. De belijdenis zal gewoonlijk meer het wandelen in een positie betreffen. Heeft men niet naar Gods wil gehandeld, dan kan een oprechte belijdenis ons weer in de rechte verhouding ten opzichte van God plaatsen. Het bewustzijn van zonde en de daarop volgende (misschien stilzwijgende) belijdenis, drijft ons tot God. Uit genade komt God ons tegemoet en geeft ook de mogelijkheid tot dieper, meer omvattend geloof. Dit is waar voor alle tijden. Het is echter zeer belangrijk de sferen te onderscheiden. Van een in-God-ongelovige verlange men geen bewustzijn van zonde en belijdenis, zoals men dat alleen van een wedergeborene mag verwachten. Voor hem is het nog maar een vaag gevoel en staat zeker geloof tot God meer op de voorgrond. In die zin heeft men gelijk te zeggen, dat het verkeerd is de nadruk te leggen op belijdenis van zonde.

  3. "Geloof en belijd Christus voor de mensen". Een geloof in Christus gaat vanzelf gepaard met een belijdenis van Hem, tenzij hiertoe geen gelegenheid bestaat. Men komt echter niet tot het aionische leven omdat men Hem belijdt, in de zin dat die belijdenis een soort eigenmachtig werken en verdienen zou zijn. De belijdenis behoort bij het geloof zoals alle geloofswerken. Van een die slechts in God gelooft, mag men ook zulk een belijdenis niet vragen. Eerst moet hij wedergeboren zijn.

  4. "Geloof en wees gedoopt". Geloof en waterdoop zijn onafscheidbaar in het Koninkrijk. Zie Mat. 28:19 en Mark. 16:16. Die uitdrukking moet men nu niet gebruiken, tenzij men spreekt van het geloof in Christus Jezus, dat gepaard gaat met de doop tot in de dood (Rom. 6:23).

  5. "Geloof en bekeer U". Dit hebben we reeds besproken. Geloof en bekering gaan samen als beide hetzelfde voorwerp omvatten. Dat dus zeer dikwijls alleen van geloof gesproken wordt, is nog geen bewijs dat er ook niet telkens bekering moet zijn. Die uitdrukking wil echter niet zeggen dat de mens eigenlijk aan twee op zich zelf staande vereisten moet voldoen: geloof en daarbij onafhankelijk ook bekering. De bekering moet ook aan het geloof niet vooraf gaan. Dit kan alleen als het voorwerp der bekering verschilt van dat van het geloof. We gaven reeds als voorbeeld: Hand. 20:21 en 26:18.
Het blijkt steeds weer hoe nodig het is tot in de kleinste dingen getrouw te blijven aan de Schrift. Alleen op die basis kan er eenheid zijn. De tegenwoordige verwarring bewijst hoe men is afgeweken.



Voetnoten:

(1) Voor het gebruik en de betekenis der Griekse voorzetsels raadplege men "Wat de Concordantie leert".

(2) Het betreft hier niet het verderf gedurende de toekomende aioon, het verderf in de gehenna. Wel echter het verderf in de poel des vuurs van Op. 20:15, na het oordeel van de grote witte troon vlak vůůr de nieuwe hemel en aarde. Het verderf in de gehenna is het gevolg van het oordeel gedurende de volgende aioon en bestaat in het verbranden van het lichaam. In die aioon kan zich de ziel (die vooral de zetel van het gevoel is) geheel ontplooien en deel hebben aan de zegeningen van het koninkrijk. Als zij dan in de gehenna geworpen worden, verliezen zij die dingen, is hun ziel "verdorven". Zij, die in onze aioon iemand doden, kunnen de ziel niet doden, want door de opstanding zullen zij deel hebben aan het koninkrijk of aan hogere sferen. Zie Mat. 10:28.

In onze eeuw mag de ziel geen overwegende rol spelen, men moet zijn ziel verliezen om ze in de toekomende aioon te vinden, te behouden, te doen leven. (Zie Mat. 10:39; 16:25; Mark. 8:35; Luk. 9:24; 17:33; Joh. 12:25.)

Zie verder ook: "Wat is de mens?". De schriftuurlijke ziel is niet de eigenlijke mens, maar vooral de zetel van het gevoel. Wat wij gewoonlijk ziel noemen, gelijkt meer op wat de Schrift "geest" noemt.

(3) Zie: "Wat de Concordantie leert". Ook het latere hoofdstuk: "Besluit en verlangen".

(4) Een paar voorbeelden waar het voorwerp van geloof en bekering niet hetzelfde is en die twee dus niet noodzakelijk samenvallen:

  • Hand. 20:21. Eerst bekering (tot-in God), dan geloof (tot-in de Heere).
  • Hand. 26:18. Eerst bekering (op God), dan geloof (tot-in de Heere).

(5) Zie ook: "Wat de Concordantie leert".

(6) Zie voor de drie sferen het tijdschrift "Uit de Schriften", Deel II, Nr 3, blz. 35 en 36; Deel III, Nr 2, blz. 31; de Bijlage bij Deel II, Nr 5 en "Om en Over de Verborgenheid" (vierde viertal)". Over het begin der Gemeente: "Begint de Gemeente met Pinksteren?". Over de bijzondere gemeente onzer bedeling: "Het Voornemen der Eeuwen en de Gemeente der Verborgenheid" en "Om en over de Verborgenheid".




Hoofdstuk 12 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 14



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden