Hoofdstuk 13 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 15


De Weg der Behoudenis

XIV. De wedergeboorte



Wat is wedergeboorte?

De volgende Griekse woorden komen hier in aanmerking:

  • Palingenesia (wedergeboorte) Mat. 19:28; Tit. 3:5.
  • Anagennaoo (naar boven geboren) 1 Petr. 1:3, 23.
  • Gennaoo ... anoothen (van boven geboren; opnieuw geboren) Joh. 3:3, 7.
  • Gennaoo (geboren) Joh. 1:13; 1 Joh. 2:29; 3:9; 4:7; 5:1, 4, 18; 1 Kor. 4:15.
  • Apokueoo (baren) Jak. 1 :15, 18.
Wij schrijven de volgende teksten over, die ons zullen helpen in te zien wat wedergeboorte is:
  • Joh. 3:3 "Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien".
  • Joh. 3:6, 7 "Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden".
  • Joh. 3:12 "lndien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb".
  • 1 Joh. 2:29 "Een iegelijk, die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is".
Als uitgangspunt van ons onderzoek nemen wij Joh. 3. Onze natuurlijke geboorte is uit het vlees. De mens is alzo "vlees", in Adam, in de oude mens. Hij is zonder gemeenschap met God en bijgevolg zonder leven in zichzelf: zwak en stervende. Dat vlees kan uit zichzelf niets doen naar Gods norm, kan geen gerechtigheid doen. Hij die wel de gerechtigheid doet, is dus uit God geboren (1 Joh. 2:29). De onwedergeborene kan daarom echter wel iets goed doen in verband met zijn stoffelijke omgeving. De "oude mens" is slaaf der zonde. Hij kan niet geloven, dat Jezus is de Christus, niet behouden worden tot het koninkrijk Gods en geen aionisch (eeuwig) leven hebben. Die geestelijke dingen staan slechts onder het bereik van "geestelijke" mensen. Die "ziellijke" mens neemt niet aan wat van de Geest Gods is, omdat hij het niet kan verstaan (1 Kor. 2:13, 14). Zelfs de aardse dingen geloofden ze niet, hoe zouden ze de hogere dingen geloven? Wat moet er dan gebeuren? Een nieuwe geboorte, uit de Geest, uit God, van boven (Joh. 3:7) en ook naar boven toe (1 Petr. 1:3, 23), uit onvergankelijk zaad. De Geest is levendmakend en als wij er mee in verbinding staan, dan wordt onze geest en ziel bekrachtigd, ons gemoed vernieuwd en ons hart gereinigd. Er begint iets nieuws in ons: dat is de wedergeboorte. Het is een gemeenschap met Christus en we komen dan in contact met de geestelijke wereld. Alleen Gods kracht kan dit volbrengen.

In Joh. 3:5 leze men "geboren uit geestelijk water". Dat dit de kracht van de Heilige Geest aanduidt, ziet men uit Joh. 7:38, 39.


De wedergeboorte in de Hebreeuwse schriften.

Wij moeten even terugkomen op Joh. 3:10:

  • "Zijt gij een leraar van IsraŽl, en weet gij deze dingen niet?".
De Heere Jezus had gesproken over de geboorte uit de Geest en Nicodemus had daar, als leraar van IsraŽl, reeds iets van moeten weten. Het was dus iets, dat reeds geopenbaard was en wij moeten dat in de Hebreeuwse Schriften kunnen vinden. Nu lezen wij inderdaad op menige plaats over een vernieuwing van het hart en het uitstorten van heilige geest:
  • Deut. 30:6 "De Heere uw GOD zal uw hart besnijden".
  • Ps. 51:7, 12 "In onreinheid geboren. Schep mij een rein hart".
  • Jes. 44:3 "Ik zal Mijn geest op uw zaad gieten".
  • Jes. 57:15 "Levend maken van de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden.
  • Jer. 24:7 "Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen". Bekering.
  • Jer. 31:33 "Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven".
  • Jer. 32:39 "Ik zal hun enerlei hart geven ... om Mij te vrezen".
  • Ezech. 11:19 "Enerlei hart ... Nieuwe geest in het binnenste".
  • Ezech. 18:31 "Werpt weg overtredingen. Maak u een nieuw hart en een nieuwe geest" (v. 30 keert weder en bekeert u).
  • Ezech. 36:25-27 Reiniging. "En Ik zal u een nieuw hart geven en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlesen hart geven". Wandelen in inzettingen.
  • JoŽl 2:28-32 "Geest uitgieten over alle vlees".
Men ziet hier duidelijk de nationale wedergeboorte van IsraŽl beschreven en bemerkt, dat zij eerst kan komen na de bekering. Zij zou gepaard gaan met allerlei uitwendige tekenen. Ezech. 18:30, 32 spreekt daar in het bijzonder over. Het is bekering en omkering tot AdonaÔ Jehovah, een titel die vooral EzechiŽl gebruikt (214 maal). IsraŽl was toen in ballingschap en "Niet-Mijn-Volk" (Lo-ammi).

Er is ook sprake van de besnijdenis des harten. Men weet, dat de besnijdenis wijst op het uitdoen van het "vlees", de "oude mens". Hun hart moest uit die oude sfeer komen en de geest de overhand hebben. Dan zou er besnijdenis en vernieuwing des harten zijn. In Hand. 7:51 wordt de Joden nog verweten onbesneden van harte te zijn (ook van oren) en de Heilige Geest te weerstaan.

Wij zien dus hoe lang de nationale wedergeboorte, de gemeenschap met God reeds beloofd was. In Luk. 24:49 kondigt de Heere Jezus nu aan, dat de vervulling dier belofte nabij is: zij zouden te Jeruzalem aangedaan worden met kracht uit den hoge. In Hand. 1:4 vinden wij dit bevestigd en v. 5 voegt er bij, dat zij kort daarna zouden gedoopt worden in heilige geest (d.i. de kracht van de Heilige Geest). En wanneer geschiedde het? Op het Pinksterfeest, dat een feest der eerstelingen is. Een deel van IsraŽl werd toen vervuld met heilige geest (de kracht, Hand. 2:4). Het was het begin van de vervulling van JoŽl 2 (Hand. 2:17) en het overige dezer profetie had moeten volgen: het oprichten van het koninkrijk op aarde (zie ook de bovenvermelde teksten). Ook JoŽl stelt tot voorwaarde: bekering (JoŽl 2:12, 13). Na de eerstelingen had de oogst moeten volgen (Rom. 11:16). Zo zou dan de tijd der algemene wedergeboorte begonnen zijn, het koninkrijk (Mat. 19:28). Maar de massa van IsraŽl bekeerde zich niet en dit alles moet nu nog in de toekomst geschieden.

De kracht des Heiligen Geestes uitte zich toen en in betrekking tot de nationale wedergeboorte op een wijze, die aangepast was aan de omstandigheden. De toekomende aioon, waarin het koninkrijk valt, is inderdaad een tijd van tekenen en wonderen (Heb.2:4, 5; 6:5). Daarom is echter de persoonlijke wedergeboorte niet aan die dingen gebonden. De wedergeboorte op zichzelf is het begin van een inwendige vernieuwing. Dit geldt voor alle tijden. Het uitwendige hangt af van de omstandigheden, van de bedeling.


Het begin der nationale wedergeboorte

Nu moeten wij nog nagaan waarom vroeger geen heilige geest uitgestort werd, waarom er geen nationale wedergeboorte was. In Joh. 14:16 lezen wij:

  • "Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid".
Het woord "andere" duidt er Een aan van dezelfde soort (Zie: "Wat de Concordantie leert").

Deze goddelijke Trooster zou blijven "tot-in" de aioon, dat is de toekomende aioon waarop alle profeten IsraŽls blik gericht hadden. De Heere zei dit in verband met de grotere werken die zij zouden doen (v. 12). Die Trooster, de Geest der waarheid (of de ware Geest), zou hun leven geven en hun verstand openen, zodat zij zouden erkennen dat de Zoon in de Vader is en zij in Hem en Hij in hen. Hij zou hen ook indachtig maken, alles wat de Zoon gezegd had (v. 26) en hen in al de waarheid leiden (Joh. 16:13). Dit werd voor de eerstelingen met Pinksteren vervuld en zal ook voor geheel IsraŽl waarheid zijn als Christus, na hun bekering, te midden van Zijn Volk zal staan als Jehovah-Shammah (Ezech. 43:7; 48:35; Zef. 3:15-17).

Wat moest er dan gebeuren vůůr dat die Trooster kon komen? Joh. 14:12 zegt: "Ik ga heen tot de Vader" en v. 16 "en Hij zal u een anderen Trooster geven". Daar zij bedroefd waren over het heengaan van hun Heiland, sprak Hij verder:
  • Joh. 16:7 "Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden".
Wij merken hier op, dat het voorzetsel "pros" gebruikt is. De Heilige Geest zou in hun richting komen, maar daarom niet allen bereiken. Alleen hen, die zich omgekeerd zouden hebben. Vůůr de nationale wedergeboorte kon beginnen, moest de Heere Jezus dus eerst door dood en opstanding. Daarom zegt dan ook Petrus:
  • 1 Petr. 1:3 "Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren ... door (1) de opstanding van Jezus Christus uit de doden".
  • 1 Petr. 1:23 "Wedergeboren ... door het levende en eeuwig blijvende woord van God".
Wij moeten hier goed de persoonlijke wedergeboorte onderscheiden van de nationale wedergeboorte van IsraŽl. Eerst na de opstanding kon deze laatste beginnen. Pinksteren had alzo een voorbereiding moeten zijn van het Koninkrijk, van de tijd, die speciaal "de wedergeboorte" genoemd wordt (Mat. 19:28). Alles was gereed, alleen moest IsraŽl zich nog bekeren, opdat tijden der verkwikking konden komen (Hand. 3:19-21). Zoals wij reeds opmerkten, was het in die bedeling ook de tijd van uitwendige dingen, doch al ging de wedergeboorte toen gepaard met die zichtbare gaven, daarom wil dat niet zeggen, dat het altijd zo moet zijn.

De persoonlijke wedergeboorte is inderdaad in de eerste plaats een inwendige gebeurtenis. Deze is onafhankelijk van de bedeling. Lang vůůr het kruis, in onze tijd en ook in de toekomst kunnen er velen wedergeboren worden, zonder dat er daarom zichtbare gaven bij behoeven te komen. De wedergeboorte is iets noodzakelijks voor alle mensen om in gemeenschap met God te komen. De uitwendige dingen hangen af van de tijd, de bedeling, de omstandigheden.

Vanzelf is de persoonlijke wedergeboorte meer in het bereik van alle mensen, hoe vollediger de verborgenheid van Christus geopenbaard wordt en hoe verder God Zijn plan der eeuwen uitwerkt. In het bijzonder vormt Pinksteren een keerpunt en zijn ook de tegenwoordige tijden bij uitnemendheid die der genade Gods.

Later zien wij meer uitvoerig wat er vůůr de persoonlijke wedergeboorte moet geschieden. Hier vermelden wij slechts, dat reeds Jes. 57:15 spreekt van een levend maken van geest en hart (dus een wedergeboorte) van hen die nederig en verbrijzeld zijn. Ezech. 18:21, 31, 32 spreekt ook van bekering en dan van een nieuw hart en geest, en van leven.

Zo moet er vůůr de nationale wedergeboorte van IsraŽl ook eerst bekering tot God zijn. Zie b.v. Deut. 30:10; Jes. 55; Hos. 3:5; Zach. 1:3.


Kind en zoon Gods.

Als men uit God geboren is, dan is men vanzelf een "kind van God" (Joh. 1:12, 13; 1 Joh. 3:9, 10). Bij dit kindschap mag het echter niet blijven, want een kind verschilt niet van een slaaf (Gal. 4:1). Men staat dan nog "onder" de eerste beginselen als slaven (v. 3). Daaruit moet men door de Zoon Gods vrijgekocht worden, opdat men het zoonschap ontvange (v. 5).

Rom. 7 betreft de toestand van de pas wedergeborene, het "kind" van God: hij is nog gevangen onder de wet der zonde (v. 24). Rom. 8 spreekt dan van het zoonschap, het "in Christus" zijn (v. 1), vrijgemaakt van de wet der zonde (v. 2). Dan kunnen Gods rechtvaardige eisen in hen vervuld worden (v. 4). Deze wandelen door de Geest (v. 4) want zij worden door de Geest geleid (v. 14), de geest wordt rijkelijk over hen uitgestort (Tit. 3:5), ja de Geest kan in hen wonen (v. 9). Zo weten zij dan ook de dingen, die hen door God geschonken zijn (1 Kor. 2:12).

Men is zoon Gods door het geloof in (Grieks: en) Christus Jezus (Gal. 3:26). De kinderen, door hun geloof "tot-in", komen tot het koninkrijk en het aionische leven op aarde. De zonen tot de heerlijkheid in de hemelen. Zij zijn een "nieuwe schepping" (2 Kor. 5:17 grondtekst).

Het zal nodig zijn er de aandacht op te vestigen, dat de St. vertaling dikwijls "kind" schrijft in plaats van "zoon". Ziehier een reeks teksten, die voor ons onderzoek van belang zijn. We volgen de vertaling uitgegeven door J.N. Voorhoeve omdat zij meestal de Griekse tekst meer getrouw weergeeft.


ZOON
  • Luk. 20:36 "Er zijn zonen Gods, daar zij zonen der opstanding zijn".
  • Rom. 8:14 "Want zovelen door den Geest Gods geleid worden, die zijn zonen Gods".
  • Rom. 8:19 "Want de schepping verbeidt reikhalzend de openbaring van de zonen Gods".
  • Rom. 9:26 "Zullen zij zonen des levenden Gods genoemd worden".
  • Gal. 3:26 "Want gij allen zijt zonen Gods door het geloof in Christus Jezus".
  • Gal. 4:6, 7 "En omdat gij zonen zijt, heeft God den Geest zijns Zoons in onze harten uitgezonden, die roept: Abba, Vader! Zo zijt gij dan niet meer slaaf, maar zoon; en indien zoon, dan ook erfgenaam door God".
  • Heb. 2:10 "Vele zonen tot heerlijkheid leidende". Zie ook Heb. 12:5, 7, 8.

ZOONSCHAP
  • Rom. 8:15 "Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij wederom tot vreze; maar gij heb ontvangen een geest van zoonschap, door welken wij roepen: Abba, Vader!".
  • Rom. 8:23 "Verwachtende het zoonschap: de verlossing (apolutrosis) onzes lichaams".
  • Rom. 9:4 "Die IsraŽlieten zijn, van wie het zoonschap is, en de heerlijkheid".
  • Gal. 4:5 "Dat hij hen, die onder (de) wet waren, zou vrijkopen, opdat wij het zoonschap ontvangen zouden".
  • Ef. 1:5 "Die ons tevoren verordineerd heeft tot het zoonschap".


Men ziet hoe het zoonschap in betrekking staat met de opstanding en de heerlijkheid, Luk. 20:36; Rom. 8:19, 23; 9:26; Heb. 2:10 Nu heeft men de geest van zoonschap (Rom. 8:15), bij de opstanding heeft men het zoonschap zelf, de volledige verlossing van het lichaam (v. 23).

Het zoonschap was rechtens eerst voor IsraŽl, Rom. 9:4. Zij zouden aldus de volken er ook toe brengen. Maar door hun misdaad is die positie nu reeds in het bereik der volken gekomen.

Terwijl de "kinderen" nog "slaaf" zijn (Rom. 8:15; Gal. 4:1 Gr. tekst), nog "onder" de tuchtmeester, de wet (Gal. 3:24; 4:5), zijn de "zonen" vrijgekocht (Gal. 4:5), niet meer onder die tuchtmeester (Gal. 3:25).

De zonen zijn "erfgenamen" of inbezitnemers (Gal. 4:7). Eens komen ook de "kinderen" hiertoe (Rom. 8:17).

De leden der Gemeente, die Zijn lichaam is, waren reeds vroeger ("tevoren") verordineerd tot het zoonschap (Ef. 1:5 Griekse tekst). Nu zijn ze tot een hogere positie gekomen, moeten ze wandelen waardiglijk der roeping (Ef. 4:1) en dus ook naar de wandel tot een "volkomen" of volwassen man komen (Ef. 4:13).

In een volgend hoofdstuk gaan wij nog een en ander na, over wat er moet gebeuren vůůr de wedergeboorte en wat er op kan volgen. Men ziet echter reeds, dat zonder wedergeboorte (of een tijdelijke en buitengewone bekrachtiging) er slechts een stervende mens is, slaaf van satan. Na de wedergeboorte kan men verlost worden, gerechtigheid doen, de zonde dus niet doen, liefhebben en de wereld overwinnen door het geloof. Men kan dan "geestelijk" zijn in plaats van "vleselijk".

Velen geloven, dat de "gemeente" met Pinksteren begint, omdat er van toen af een buitengewone werkzaamheid des Geestes waar te nemen is. Maar van welke gemeente spreekt men dan? Als alle wedergeborenen er toe behoren, dan begint ze al lang vůůr Pinksteren. Wij weten echter, dat de Schrift van meer dan ene gemeente spreekt; men moet dus nader bepalen waarover men spreekt. De Schrift leert ons de gelovigen in verschillende groepen te verdelen. Elke groep heeft zijn bijzondere taak in het voornemen der eeuwen. Zoals wij verder ook nog zullen zien, behoren de "kinderen" tot de aardse sfeer, de "zonen" tot de hemelse, en de "volwassenen" tot de "over-hemelse" (Zie ook om en over de verborgenheid, vierde viertal).

Zij die deel uitmaken van de aardse sfeer zijn "slaven". Zie Num. 12:7 en Gal. 4:1. In de hemelse sfeer is men "vriend". Zie Jak. 2:23 en Joh. 15:15. In de over-hemelse sfeer is er vereenzelving en een samen-lichaam Ef. 3:6 Griekse tekst.

De Gemeente waarvan Paulus het rentmeesterschap kreeg na Handelingen, het "samen-lichaam", behoort tot de overhemelse sfeer. Deze gemeente kan pas "beginnen" nadat ze geopenbaard was, dus na Handelingen. De leden deze gemeente gaan zowel als de gelovigen der andere sferen door de wedergeboorte, maar dit is geen reden om die gemeente met Pinksteren te laten beginnen. Het kenmerkende van Pinksteren staat in verband met de aardse sfeer. Alleen wat Paulus in zijn gevangenschapsbrieven schreef, is speciaal tot de gemeente gericht, die Christus' lichaam is, het Samen-lichaam.


De wedergeboorte in onze bedeling

Wij hebben reeds opgemerkt, dat sommigen ten onrechte menen dat er in onze bedeling geen bekering gevraagd wordt, maar alleen geloof. Anderen menen dat men nu niet wedergeboren behoeft te worden. Dergelijke gedachten komen voort uit het verwarren van wat een aioon of bedeling kenmerkt met iets dat de mens persoonlijk betreft. De wedergeboorte is een kenmerk van de toekomende aioon omdat dan niet alleen IsraŽl nationaal zal wedergeboren worden, maar ook velen buiten IsraŽl tot de wedergeboorte zullen komen. Niets echter laat toe de persoonlijke wedergeboorte tot die aioon te beperken. Reeds in Handelingen was er een groepsgewijze wedergeboorte en reeds vůůr het kruis was er persoonlijke wedergeboorte. De mens, die van nature zondaar is, moet eerst wedergeboren worden om verder de weg der behoudenis te kunnen bewandelen. Dat moet dus in alle bedelingen plaats hebben. Tot de nieuwe schepping, het zoonschap, kan men slechts komen door geloof in Christus en dit is slechts mogelijk na de wedergeboorte, zoals wij nog verder zullen nagaan.

De ware oorzaak van veler verwarring ligt waarschijnlijk in het feit dat men alle gelovigen in dezelfde positie wil zien. Men let niet op het verschil tussen kinderen, zonen en volwassenen. Allen behoren dan tot ťťn "gemeente" iets waarvan de Schrift niet spreekt. Ziet men echter de weg der behoudenis en het voornemen der aionen, dan kan men ook de groepen onderscheiden, en inzien, dat de kinderen moeten opgroeien en de zonen ook tot een hogere positie moeten komen.

Men kan zeggen, dat de wedergeboorte niet tot onze bedeling behoort, in die zin dat de leden van het "samen-lichaam" de wedergeboorte ver achter de rug hebben. Het behoort voor hen, tot de dingen die achter zijn en die men moet "vergeten". Zo is ook het zoonschap iets dat men voorbij is, individueel genomen. Maar anderen zijn nog niet zo ver. Velen moeten nog wedergeboren worden, anderen moeten nog tot de nieuwe schepping komen, ook in onze bedeling. Zoals wij reeds opmerkten, gaan vroegere bedelingen dus nog in zekere zin voort. Vandaar allerlei soort gelovigen, vandaar schijnbaar een en al verwarring. God alleen ziet van boven uit de draden van het borduursel en weeft het voort naar Zijn gemaakt plan.

Het is echter verkeerd nu de wedergeboorte op de voorgrond te schuiven. Voor elke bedeling moet men het kenmerkende dier bedeling vooral in acht nemen. Het is verkeerd in onze bedeling bij de wedergeboorte te blijven staan. Maar het is niet verkeerd, alle natuurlijke mensen in onze bedeling te wijzen op de noodzakelijkheid der wedergeboorte als eerste stap op de weg der behoudenis.

Wij kunnen onze gedachten misschien nog verduidelijken door een vergelijking te maken met de aardse toestanden. In onze tijden is men gekomen tot allerlei kennis en toepassing. Maar de kinderen komen daarom niet onmiddellijk bij hun geboorte tot die dingen. Er zijn nog altijd scholen en universiteiten nodig. In een vroegere eeuw stond de school misschien op de voorgrond, nu reikt de kennis veel hoger, maar daarom kan men die school niet ontberen. Wat verkeerd zou zijn, is dat men nu niet verder zou willen komen dan die school.


Voetnoten:

(1) "Dia" staat niet in de Alexandrinus en Vaticanus.


Hoofdstuk 13 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 15



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden