Om en Over de Verborgenheid

Vierde Viertal

door

S. van Mierlo


I. Schetsen

Gods Voornemen en de weg der behoudenis worden ons in Gods Woord niet op stelselmatige wijze uiteengezet. We hebben wel overal aanduidingen, maar om er een overzicht over te hebben, moet men die verspreide opgaven verzamelen en ordenen. zo vormt zich wat we hier een "schets" zullen noemen. Die schets toont dan de grote lijnen en de eenheid der Schrift en kan in vele opzichten nuttig zijn, als men er slechts aan denkt, dat ze nooit geheel getrouw de waarheid weergeeft. Ze moet steeds aan de Schrift getoetst en dan verbeterd en aangevuld worden.

In het begin kan men zich tevreden stellen met de hoofdtrekken, als deze maar juist genoeg het algemene karakter weergeven. Wil men de dingen meer in het bijzonder nagaan, dan moet ook de schets nader afgewerkt worden. Men kan de waarheid benaderen, doch nooit geheel bereiken. Zo is het ook met de beste kunstenaars. Of ze nu een ruwe schets maken of een meer afgewerkt beeld, men kan steeds aantonen, dat de perfectie niet bereikt is. Hun werk kan daarom echter zeer nuttig zijn, als de tekening de dingen maar niet geheel misvormd heeft.

Zo gaat het ook met de Schrift. Ons algemeen overzicht, onze "schets" moet op juiste gegevens steunen en kan min of meer afgewerkt worden. Bij het afwerken bemerkt men dikwijls de gebreken en dan moet men weer een en ander herzien.

In de praktijk gaat het echter zo niet. Iemand heeft een schets gemaakt. Wat doet men nu? Men begint deze voorstelling als de zuivere waarheid te beschouwen en zo ontstaat een leer. In naam heeft men de schrift nog wel, maar in feite wordt alles getoetst aan de leer, die de vorm van een belijdenis kan aannemen of hebben. Het was misschien de bedoeling niet van de ontwerper der schets ze als finaal aan te zien, maar anderen hebben dat toch gedaan. Die schets was misschien het beste wat men in de gegeven omstandigheden kon verwachten en men kan hen, die ze samenstelden, hoogachten en prijzen. Maar dat is nog geen reden om de schets niet te herzien als nieuw onderzoek dit mogelijk gemaakt heeft. Dat herzien doet niets af van de kwaliteiten der vroegere ontwerpers.

Al blijven nu velen aan een vroegere schets vasthouden, toch is het gewoonlijk niet moeilijk voor een geestelijk en onderzoekend gelovige sommige gebreken der schets in te zien. Het gebeurt dan, dat hij een nieuwe schets maakt, die door anderen dan weer als de volle waarheid aangenomen wordt. zo vormt zich een nieuwe "Kerk" of sekte. De gehele "kerkgeschiedenis" toont, hoe men steeds nieuwe schetsen maakte en hoe ze nagenoeg alle bleven bestaan.

In de wetenschap heeft men iets dergelijks, doch daar laat men gewoonlijk de oude gebrekkige voorstellingen los om de nieuwere, die meer de waarheid benaderen, in de plaats te stellen. Men acht de vroegere geleerden toch nog heel hoog, maar het spreekt van zelf, dat men niet bij hun gedachten kan blijven als er, door naarstig onderzoek, nieuw licht valt op een zaak.

In de godsdienstige wereld is het echter geheel anders. Waarom? Een der redenen moet men zoeken in Satans werkzaamheid. Hij toch is de god dezer eeuw en wil alles dooreenwerpen en de mensen verblinden en verduisteren. Hij werkt vooral op godsdienstig terrein en doet er zich voor als een engel des lichts. Hij wil vooral de mensen weghouden van het Woord, het geschrevene en het levende. Een zijner methoden is een schets tot middelpunt te nemen in plaats van de Schrift. Hoe gebrekkiger de schets is, hoe beter. Anderen zullen dan wel zien, dat er iets aan die schets hapert en daar deze als "de" waarheid voorgesteld wordt, is er dan veel kans dat ze alles verwerpen, inbegrepen de Schrift. zo bereikt Satan een dubbel doel: de gelovigen van Christus afleiden en ongeloof, afval en kritiek bevorderen.

Hij doet dan de mensen geloven dat ze zeer goede redenen hebben om aan de een of andere schets vast te houden, zo dat ze er zelfs niet aan denken ze nog eens te herzien of weigeren dat te doen als het hun voorgesteld wordt. We willen hier slechts een van die redenen onderzoeken. Velen willen blijven bij wat ze van hun ouders geleerd hebben of waarvoor de "vaderen" hun leven over hadden. Wat zullen we daarop antwoorden? Is het inderdaad niet waarschijnlijk, dat de voorstelling der eerste Christenen de meest juiste was? Zij toch waren in contact met de Apostelen. En als er later afwijkingen geweest zijn, moeten we dan niet terug naar die eerste Christenen en naar de Hervormers? Kunnen wij beweren het beter te weten? Zullen wij ons boven die heilige mannen plaatsen? Men ziet hoe het dan voorgesteld wordt alsof het gevaarlijk is van die vroegere opvattingen af te wijken en hoe zij, die het doen, van hoogmoed beschuldigd worden. Die vroegere schetsen, die tot op een zeker punt nuttig waren, worden dan een hindernis. En als er toch zijn die uit die strik loskomen, dan worden ze al licht in een andere gevangen.

Wat is nu de zwakke plek van al die schijnredenen? Men verliest uit het oog, dat de grote meerderheid in de eerste eeuwen niet de volle waarheid had. Men houdt geen rekening met het feit, dat nagenoeg allen Paulus verlieten (2 Tim. 1:15; Fil. 2:20, 21; Kol. 4:11). Al de geschriften der eerste eeuwen tonen duidelijk die afval. De "Kerk" verving IsraŽl, de 12 Apostelen IsraŽls werden gevolgd, de profetie vergeestelijkt en het grootste deel der Schrift van zijn kracht beroofd. Paulus' brieven werden nagenoeg geheel uit het oog verloren. De "schets" dier mensen was niet alleen onvolledig, maar geheel misvormd. We hebben dat nader aangetoond in onze brochure "De Strijd". Men ziet dus, dat men niet is uitgegaan van een volmaakte schets, omdat men geen rekening gehouden heeft met Paulus.

Het is dus niet alleen mogelijk, maar noodzakelijk die schets te herzien. Het is niet voldoende ze af te werken, ze moest ook in de grondlijnen gewijzigd worden. En het is geen hoogmoed die daartoe drijft als men zich juist heel diep neerbuigt voor de gehele Schrift, recht gesneden. Men verwerpt of vergeestelijkt dan niet een deel ter wille van een ander deel, maar men maakt ernst met de volledige ingeving. Men houdt daarbij heel goed rekening met wat de "vaderen" leerden en sluit in de nieuwe schets in wat er volgens de Schrift juist was in de oude.

Vele vroegere schetsen zijn nuttig voorzover ze een of andere waarheid uiteenzetten. Ze lieten echter nog niet genoeg het hele Woord tot zijn volle recht komen. Ze geven ook aanleiding tot moeilijkheden en tegenstrijdigheden. De meest primitieve schets stelt het voor alsof we in de toekomst maar alleen een "hemel" en een "hel" hebben. Er is dan maar ťťn sfeer van zegening: de hemel. Daartoe behoren alle gelovigen dan toe. Later kwam men tot twee sferen van zegening: de aarde voor IsraŽl en de hemel voor de "gemeente". Dat was een belangrijke schrede voorwaarts, maar wel bezien, worden zo de moeilijkheden niet opgelost. Onze schets omvat drie sferen: de aarde voor IsraŽl en de volken, de hemelen voor het geestelijke zaad van Abraham en de overhemelse, aan Gods rechterhand, voor de gemeente die Zijn lichaam is. Dit is een tijdelijke toestand, eenmaal is God alles in allen.

We hebben hierboven reeds iets gezegd van de gevolgen der eerste schets. Daarbij kwamen dan nog al de misbruiken, zoals de godsdienstoorlogen, kettervervolging enz. die voortvloeiden uit een onschriftuurlijke opvatting en nu nog zo dikwijls aanleiding geven tot het verwerpen van de Schrift en al wat van God is.

Het stelsel van de twee sferen was al beter en liet meer dingen tot hun recht komen. Toch had men hier ook nog vele onoverkomelijke moeilijkheden: het volgen der wet gedurende Handelingen, zelfs door Paulus; de wonderen, krachten, talen, tussenkomst van engelen, gemeenschap der goederen, onmiddellijk gericht, inzettingen, zichtbare gemeente enz. gedurende de gehele periode der Handelingen, terwijl die in onze tijd niet te zien zijn. Er zijn ook allerlei onlogische elementen in. Men beweert niet, zoals in het eerste stelsel, dat de "gemeente" in de plaats van IsraŽl komt, maar toch wil men het Nieuwe Verbond vasthouden, dat met IsraŽl gesloten wordt (Jer. 31:31). Men wil ook de 12 Apostelen van IsraŽl volgen. Daar men in de Schrift niet genoeg aanduidingen vindt om hun ceremonieŽn en organisatie getrouw waar te nemen, voert dit dan tot allerlei twist en verdeeldheid. Wat Paulus als verborgenheid in God aangeeft, zou men reeds in het O.T. kunnen vinden. Ook dit stelsel laat Paulus' rentmeesterschappen niet tot hun recht komen. Het hogere wordt omlaag gehaald. Verder leidt men er menige valse hoop uit af, door verkeerde toepassing ener waarheid: b.v. de opname vůůr de verdrukking, het bij Christus zijn van alle gelovigen, vlak na het sterven.

In onze vroegere uitgaven hebben we reeds een en ander over onze schets der drie sferen gezegd (1).

We willen hier nu slechts een en ander kort samenvatten, na eerst enige redenen gegeven te hebben, die er ons toe brachten onderscheid te maken tussen de aardse en de hemelse en tussen de hemelse en overhemelse sferen. Het zal tevens een kort antwoord zijn aan hen, die ons, onder meer, verwijten: de gemeente te verdelen, Gods Woord in stukken te snijden en gedeeltelijk voor de christenen te verwerpen, een afzonderlijke gemeente te vormen op grond van dingen die slechts hogere openbaringen zouden zijn voor een reeds bestaande gemeente.


II. Het verschil tussen de aardse en hemelse sferen

Men kan allen, die in Christus geloven, aanzien als ťťn groep vormende. Allen zijn wedergeboren en dus minstens kinderen Gods. Zij zijn allen uit God. Die groep kan men de "gemeente" noemen, doch dan behoren er ook O.T. ische en Koninkrijk-gelovigen toe. In die zin is er zeker een eenheid. Het komt er nu op aan na te gaan of die algemene groep in de Schrift niet verdeeld wordt in meer bijzondere groepen. Reeds het stelsel der twee sferen wijst hierop, want beide, de aardse en de hemelse, geloven in Christus. Men onderscheidt hier ook reeds een "gemeente" die opgenomen wordt, terwijl andere gelovigen niet opgenomen worden.

Het is duidelijk dat een "kind" moet opwassen dan dat dit min of meer geleidelijk gaat. zo is men ook geneigd te besluiten, dat de gemeente zich ontwikkelt en dat er steeds meer over haar geopenbaard wordt zonder dat men ze daarom mag verdelen. Als we de mens nagaan, dan is hier wel geleidelijke groei van lichaam en geestelijke vermogens en toch kan men zeer wel een scherp onderscheid maken tussen b.v. een scholier, een hogeschoolstudent en een dokter. Ook in de school zijn wel begrensde klassen. Men ziet dat beide, groei en scherp begrensde "posities", wel kunnen samengaan. We geven hier nog een voorbeeld van. Iemand zoekt een plaats en wordt aangenomen. Het ene ogenblik maakt hij nog geen deel uit van de onderneming, het andere wel. Al is hij maar een seconde ouder, toch is er een plotselinge overgang: hij wordt in een positie geplaatst. Het is in een dergelijke zin, dat we ook in de Schrift die hoofdposities, drie sferen van zegening onderscheiden voor de gelovigen. Laat ons hierover iets nagaan.

Rom. 6:8 zegt: "Indien wij nu met Christus gestorven zijn". Hier hebben we een scherpe grens. Rom. 7 beschrijft de toestand van een gelovige, die gevangen is van de wet der zonde (v. 23), terwijl Rom. 8 spreekt van de gelovige, die vrijgemaakt is van die wet (v.2, zie ook Gal. 4:1-5). Deze laatste worden "zonen" genoemd (v. 14 Gr. tekst. Ook in Gal. 3:26; 4:6, 7) Allen zijn wedergeboren en dus "kinderen Gods", doch de laatste zijn opgegroeid en ontvangen nu een geest van zoonschap (v. 15 Gr. tekst. Ook in Gal. 4:5) Hier was een ingrijpen Gods, want er wordt ook gesproken van een "nieuwe schepping" (Gal. 6:15; 2 Kor. 5:17) Zij zijn " in Christus" (Gall. 3:28), geloven "in" Christus (Gal 3:26). De geest woont in hen (Rom. 8:9, 11; 1 Kor. 3:16) en zij worden door Hem geleid (Rom. 8:14). Zij zijn niet meer in het vlees (Rom. 7:14, 2 Kor. 5:16). Al zijn ze naar de positie ten opzichte van de zonde gestorven, naar de wandel moeten ze daar nog toe komen. Daarom worden ze nog vermaand in Rom. 6:11; 8:12 enz.

Als we de toekomende eeuw beschouwen, komt dit verschil ook duidelijk aan het licht. zowel op aarde als in de hemelen zijn er die in Christus geloven. En toch is hun sfeer geheel anders. IsraŽl is dan in de "wedergeboorte" en beŽrft de aarde (Dan. 7:27 enz.) Zij worden vergeleken bij het "stof der aarde" in Gen. 17:7, 8 en worden "in" Abraham gezegend. Terugziende op de tijd als ze nog onder de volken (de "zee") zijn, worden ze in Hebr. 11:12 vergeleken bij het zand der zee. Daarentegen heeft men anderen, die overeenkomen met de "sterren des hemels" van Gen. 15: 4-6, die "met" Abraham gezegend worden, Gal. 3:9, 14 Hier zijn de erfgenamen, niet van het Land maar van de wereld, die dus aarde en hemel omvat (Rom. 4:13; Gal. 3:29; 4:7). Hier is ook het "geestelijk zaad" van Rom. 4:6,7, 11-22 en het hemelse Jeruzalem van Heb. 12:22; Gal. 4:21-31. Als men met deze visie de Schrift doorleest vindt men nog vele andere verschillen tussen die twee sferen, al worden die soms bedekt door een vertaling die niet getrouw genoeg de woorden van de Heilige Geest weergeeft.

De opdracht van de 12 Apostelen IsraŽls is vooral dit volk tot de wedergeboorte te brengen, In de toekomende eeuw, in de "wedergeboorte" oordelen (leiden) ze dan ook de 12 stammen IsraŽls (Mat. 19:28) Men denke hier aan, als men hun geschriften leest. Gedurende Handelingen daarentegen spreekt Paulus weinig over de aardse sfeer en veel over de hemelse. Gedurende die periode bestaan dus, zowel als gedurende het Koninkrijk beide sferen tegelijkertijd. Alle mensen worden als zondaars geboren en moeten door de wedergeboorte gaan vůůr ze tot het zoonschap komen. Al is gedurende een zekere tijd de aandacht vooral gevestigd op de hemelse sfeer, en kan men van een bedeling der rechtvaardigheid en verzoening spreken, toch bestaat de lagere sfeer daarom niettemin. Als we zeggen:"lagere sfeer", dan versta men ons niet verkeerd. De christenen der hemelse sfeer zijn geen "betere" christenen dan de andere, evenmin als de gelovigen in het algemeen geen "betere" mensen zijn dan de ongelovigen. Als er een onderscheid is, dan is het niet door hun min of meer waarde hebben in zich zelf, want ze waren allen zondaren, maar omdat ze door Gods genade verder gekomen zijn. Ze hebben gebruik gemaakt van wat hen werd aangeboden en wat ze door Gods bekwaam making konden aanvaarden.

Men ziet dus, dat we heel goed een aardse gemeente en een hemelse gemeente kunnen onderscheiden. Men ziet ook onmiddellijk, dat Pinksteren niets met de hemelse sfeer te doen had. In zekere zin behoorden vele O.T.-ische gelovigen, zoals Abraham er reeds toe en in die zin begon ze reeds vůůr Pinksteren, maar ze treedt eerst op de voorgrond, als Paulus er in de loop van Handelingen over begint te spreken. De uitstorting des Geestes was iets dat aan IsraŽl beloofd was (Jes. 44:2; Ezech. 36:25-27; JoŽl 2:28-32) en die belofte begon toen vervuld te worden in de 9 eerste hoofdstukken van Handelingen, dus tot ongeveer TIEN jaar na Pinksteren, is er geen sprake van een gelovige uit de volken. Dat de gelovigen der hemelse sfeer ook onder de invloed van de Heilige Geest staan, wil nog niet zeggen dat daarom Pinksteren hen in het bijzonder betrof. Sommige Pinkstergelovigen konden later ook wel tot de hemelse sfeer overgaan, maar dat neemt nog steeds niet weg, dat Pinksteren zelf een Joods feest was en alleen IsraŽl en de aardse sfeer betrof. De verwachting was niet de opname, maar de wederkomst van Christus om te zitten op Davids troon, zie Hand. 3:19-21 en 2:30, dus tot oprichting van het Koninkrijk aan IsraŽl, Hand. 1:7. We gaan echter op dit onderscheid tussen deze twee sferen niet verder in. Velen beginnen het reeds in te zien. Wel menen we nog iets te moeten zeggen over het recht snijden van het Woord.

Als er minstens twee groepen gelovigen zijn, dan spreekt het ook van zelf, dat al wat tot een dier groepen gericht is. niet noodzakelijk ook over die andere groep gaat. Als Paulus zich in het bijzonder tot de hemelse groep richt, wil dat dan zeggen, dat het overige der Schrift geen waarde meer heeft? Als we de Schrift recht snijden, wil dat zeggen, dat we er stukken uitsnijden? Als we van sommige delen zeggen, dat ze niet over de hemelse groep handelen, dan blijven die delen toch nog steeds nodig om tot de hemelse groep te leiden, om ons de gehele weg der behoudenis te leren, om Gods voornemen te begrijpen enz. "Al de Schrift... is nuttig" daar houden we ons juist zeer strikt aan. Maar daarom is alles niet tot allen gericht. Zij die IsraŽls toekomst zien, menen toch niet dat het O.T. geheel tot hen gericht is? Dat veel kan toegepast worden, loochent verder ook niemand, maar die toepassing moet dienen om geestelijk verder te komen.

Daar komt nog iets bij. We moeten steeds IsraŽl van de Volken onderscheiden. Wat tot IsraŽl gericht is, kan men zo maar niet altijd op anderen toepassen en als we dus Brieven hebben zoals HebreeŽn, Jakobus, Petrus, Johannes, Judas, Openbaring, die IsraŽl betreffen, moet men steeds voorzichtig zijn met de toepassing op andere gelovigen. Ook Joden die in Christus geloven zijn Christenen en we moeten dus in zekere gevallen onderscheid maken tussen Christen-Joden en Christenen uit de volken. Dat is b.v. het geval met de wet en alle uitwendige ceremoniŽn die alleen aan IsraŽl gegeven waren en b.v. gedurende Handelingen en in het Koninkrijk nog de Christen-Joden moesten gevolgd worden. Ook met alle dingen, die in verband staan met hun opdrachten, die ze als priesterlijk volk te volbrengen hebben. Daar in onze bedeling, sinds het einde van Handelingen, de Joden als zodanig tenzijde gezet zijn, vallen van zelf al die Joodse dingen weg, zelfs voorhen, die naar het vlees IsraŽlieten zijn. Toch zijn ook de brieven, handelende over de besnijdenis, nuttig voor ons.


III. Het verschil tussen de hemelse en overhemelse sferen

Misschien neemt men wel de verdeling tussen de aardse en hemelse sfeer aan, maar meent men, dat de Schrift van geen verdere indeling spreekt. De "gemeente" zou in Handelingen reeds beginnen en na Handelingen doorgaan. Al wat er dan nieuw zou zijn, zijn enkele verdere openbaringen. De gemeente van Handelingen zou eenvoudig verder onderwezen en geleid worden. Van een nieuwe, afgescheiden groep zou geen sprake zijn. Soms zegt men ook, dat Handelingen wel niet van de hogere openbaringen spreekt, maar dat de Brieven die Paulus in die periode schreef, toch ook reeds de positie betreffen waarvan de gevangenschapsbrieven spreken. Laat ons zien of we dat standpunt kunnen vasthouden.

Het is een feit, dat reed hemelse sfeer ťťn in Christus was. Daaruit meent men te kunnen besluiten dat de eenheid van Efeze toen reeds bestond. Voor ons is het juist een argument, dat aantoont, dat de positie van Efeze toen nog onbekend was. Volgens Gal. 3:27, 28 was er reeds gedurende Handelingen in Christus noch Jood noch Griek. Van geestelijk oogpunt was er geen verschil. De gelovige uit de volken stond geheel op gelijke rang met de gelovige IsraŽliet en had dezelfde geestelijke voorrechten. Ze waren door ťťn geest tot ťťn lichaam gedoopt (1 Kor. 12:13) een eenheid, die de Here toebehoorde. De hogere Abrahamietische beloften en al wat het O.T. zei van de dingen, die boven de aardse sfeer uitgingen, begonnen toen reeds vervuld te worden. Wat toen plaats had, was geen verrassing, geen verborgenheid, die van alle eeuwen verborgen was in God, want het kon, tenminste in kiem of in beeld, reeds in de Schrift gevonden worden. Men kan ons hier tegenwerpen dat Paulus in die tijd reeds van verborgenheden sprak. Inderdaad, maar het gaat dan over IsraŽls verharding (Rom. 11:25), Christus en de verzoening (Rom. 16:25), de geestelijke dingen, die door de natuurlijke mens niet kunnen verstaan worden (1 Kor. 2:7-16), het feit, dat bij de opname niet allen zullen ontslapen zijn (1 Kor. 15:51). Hier is zeker wel een ruimere omschrijving, een diepere inleiding, maar geen nieuwe positie geopenbaard. Galaten 3:29 zegt dan ook duidelijk, dat die van Christus zijn, Abrahams zaad en erfgenamen zijn. Rom. 4 spreekt van het wandelen in de voetstappen van het geloof van Abraham, dat hij had in de voorhuid. Hier loopt Paulus dus terug op een voor-israŽlietische periode en op een positie die niet verborgen is. Ze waren gegroepeerd om Abraham als geestelijk vader. De verdere openbaring was nu, dat ze daartoe eerst kwamen door Christus. In dit opzicht is er een voortschrijding. In kiem is dit vervat in Gen. 15:6 "Abraham geloofde in de Here" en Deze is de latere Christus.

Als we nu tot de gevangenschapsbrieven (Ef. Fil. Kol. 2 Tim.) komen, geschreven na Handelingen, worden we onmiddellijk getroffen door allerlei nieuwe dingen en woorden.

zo b.v.:

  • Ef. 1:3 Gezegend met alle geestelijke zegening in Christus
  • Ef. 2:16 Volmaakte verzoening (apokatallassoo)
  • Ef. 1:7 Volmaakte verlossing (apolutroosis)
  • Kol. 2:10 In Hem volmaakt
  • Ef. 1:3; 2:6; 6:11-17; Fil. 3:17-20 In de overhemelse
  • Kol. 3:3 Christus ons leven, verborgen in God.
  • Ef. 3:6 Samen-lichaam (sussooma)
  • Fil. 3:11 Uitopstanding (exananstatis)
  • en zo meer

Het gaat hier over de GROTE verborgenheid (Ef. 5:32), die vanaf alle eeuwen en geslachten verborgen was IN GOD (Ef. 3:9), maar NU bekend gemaakt is (Kol. 1:26) (1).

(1) Men lette er op, dat het Grieks niet "geopenbaard" heeft in Kol. 1:26. Het is "bekend gemaakt". Een openbaring betreffende goddelijke dingen, komt rechtstreeks van God. Het bekend maken geschiedde "nu" d.i. na Handelingen, door Paulus aan de heiligen.

Het gaat over ONNASPEURLIJKE rijkdommen (Ef. 3:8), die dus niet in het O.T. gevonden worden. "Vanaf" in Ef. 3:9 betekent: gehouden buiten de aionen en geslachten die vooraf gingen.

Gedurende Handelingen waren er reeds van IsraŽl en van de volken die in Christus een eenheid vormden, al waren ze in zekere opzichten naar het vlees gescheiden. Ze bleven nog steeds Jood of Heiden . Nu is er een hogere eenheid. De gemeenschap met Christus gaat over tot een vereenzelviging met Hem. Uit de nieuwe schepping wordt nu een nieuwe mens geschapen, volledig verzoend tot God (Ef. 2:15, 16, apokatallassoo, dat is niet het aannemen der vroegere verzoening, katallassoo, maar het aanbieden van een verzoening, die verder reikt en volkomen is). Deze positie is boven de vroegere, zoals het God alles in allen boven de laatste aioon verheven is. De vroegere eenheid had deel aan de beloften in Abraham, nu zijn de volken (waaronder IsraŽl, dat niet meer als afgezonderd volk in aanmerking komt) samen-erfgenamen, samenlichaam en samen-deelgenooten Zijner belofte IN CHRISTUS (Ef. 3:6). De vroegere gemeenschap gig tot het sterven met Hem, die tegenwoordige reikt tot het mede-levend maken, medeopwekken en mede-zetten in de overhemelse (Ef. 2:5,6).

De nieuwe mens die nu geschapen is, is een lichaam, waarvan Christus het Hoofd is (Ef. 1:22, 23; 2:15, 16). Niet een lichaam dat Hem, te midden der nieuwe schepping, slechts toebehoort, zoals in 1 Kor. 12:27 (waar "het" niet in de grondtekst staat) en dat, inbegrepen het hoofd, uit gelovigen bestaat (1 Kor. 12:21). Hier heeft men niet eenvoudig een "gemeente Gods", maar een gemeente "welke Zijn lichaam is, en de vervulling (volheid of aanvulling) Desgenen, Die alles in allen vervult "(Ef. 1:23). Hier is een volmaaktheid in Hem (Kol. 2:10), een voortekining van de finale toestand: God alles in allen. Het is niet meer het kindschap of het zoonschap, maar een volwassen man zijn, "de mate van de grote der volheid van Christus" (Ef. 4:13). Evenals er een verschil van positie en sfeer is tussen kind en zoon is er die tussen zoon en volwassen man. Allen moesten nu ook in de wandel tot een volwassen man komen.

Men ziet dus, dat het niet gaat over een inlijven der volken bij IsraŽl, want dit volk bestaat niet meer als zodanig. Het is niet het inenten op de Joodse olijfboom. Het gaat niet over het gelijkstellen van beide op geestelijk gebied, want dat bestond reeds vroeger en was uitwerking der beloften aan Abraham.

Het is niet te verwonderen, dat Paulus zegt, dat hij met deze openbaring Gods Woord "vervulde" (of: voleindigde, aanvulde) (Kol. 1:25). Aan hem alleen was dat rentmeesterschap toevertrouwd, aan hem alleen was die verborgenheid geopenbaard (Ef/ 3:33), in geen der andere Brieven lezen we iets over deze grote verborgenheid. Deze is niet dat de gemeente de Bruid is, maar betreft het een lichaam zijn met Christus.

In "De Weg der Behoudenis" spraken we over verschillende behoudenissen, die nauw verwant zijn met verschillende opstandingen. Ook hier ziet men weer het onderscheid tussen de hemelse en overhemelse groepen. De eerste heeft deel aan de opname van 1 Thes. 4 en 1 Kor. 15, na de grote verdrukking, terwijl die van de tweede reeds eerder kunnen opstaan en dan ook met Christus verschijnen (Kol. 3:4) als Hij tot de wolken nederdaalt en de hemelse groep Hem tegemoet gaat. Het Lichaam heeft een vroegere opstanding, de "uitopstanding uit de doden" van Fil. 3:11 (Gr. tekst). zo kunnen de leden reeds spoedig met Christus zijn, wat zeer verre het beste is (Fil. 1:23) Zij worden gelijkvormig aan het heerlijk lichaam van Christus (Fil. 3:21), terwijl de anderen slechts aan het beeld van de Zoon gelijkvormig worden (Rom. 8:29), d.i. een lichaam krijgen zoals Hij had tussen Zijn opstanding en hemelvaart. Het tegenwoordige gaat hier nog verre boven uit, en is het lichaam Zijner heerlijkheid, grondtekst Fil. 3:21.

We hebben reeds de teksten vermeld, die spreken van het zijn in de overhemelse. Waar zijn die overhemelse? Ef. 1:20, 21 zegt duidelijk, dat het aan Gods rechterhand is, "verre boven (of: over boven) alle overheid enz." Dat is niet in de hemelen, maar erop of er over, d.i. in de sfeer, die zich over de hemelen uitstrekt: het op- of boven-hemelse, zoals het Grieks het zegt in Ef. 1:3, 20; 2:6; 3:10; 6:12. In al deze teksten gaat het uitdrukkelijk over iets dat daar is, terwijl in andere, waar "epouranios" gebruikt is, het de oorsprong of aard kan aanduiden. Reeds in de Hebreeuwse Schriften zien we, dat Gods heerlijkheid boven de hemelen is, Ps. 113:4. Zelfs de hemel der hemelen kan God niet "begrijpen" d.i. God kan er niet wonen (1 Kon. 8:27). De Griekse Schriften zeggen dan ook, dat Christus is opgevaren boven al de hemelen, Ef. 4:10. Hij is hoger dan de hemelen, Heb. 7:26, want Hij is de hemelen doorgegaan, Heb. 4:14. De leder der gemeente der verborgenheid worden daar medegezet in Christus, Ef. 2:6. Uit dit alles blijkt, dat de overhemelse een bijzondere plaats is, over boven alles, aan de rechterhand Gods. Hier hebben we dus niet een openbaring van bijkomstige dingen, maar een andere positie dan die waarvan de Schrift vůůr Handelingen sprak n.l. de hemelse. De vroegere sfeer wordt niet nader toegelicht, maar een nieuwe sfeer wordt geopend. Nergens leert het O.T., dat aan Abraham die plaats beschoren is. Deze kon eerst toegekend worden (uit genade) nadat Christus daar Zelf had plaats genomen.

De positie, in Efese bekend gemaakt, verwarren met die van Rom. Cor. Thes., komt overeen met het verwarren van de toestand als God alles in allen is met die van de laatste aioon: de nieuwe schepping.

Als sommigen zeggen, dat we toch geen duidelijk en overtuigend bewijs hebben, dat er van een afzonderlijke sfeer gesproken wordt, dan antwoorden we, dat het een zaak van geloof is. Aan de ongelovige kan men nooit absoluut bewijzen, dat God bestaat, aan een "kind" van God dat er iets hogers is. Al schijnt IsraŽls herstel nog zo duidelijk in de Schrift te staan, toch is dat voor velen nog geen bewijs. God dwingt niet iets aan te nemen als door een mathematische formule Hij geeft slechts al wat nodig is om die dingen te geloven. zo maakt Hij het mogelijk de gehele weg der behoudenis in vrijheid te doorlopen.

Men mene ook weer niet dat we hen, die tot die hogere sfeer behoren aanzien als "betere christenen". Ook hier is alles genade, niets uit onze eigen waarde. Er is echter menigerlei genade. De ene verschilt van de andere. Wie dus van genade spreekt, moet deze onderscheiden.

De vraag is gesteld geworden of alle gelovigen van onze tijd niet tot die gemeente der verborgenheid behoren. Als men rekening houdt met het vorige, is het antwoord gemakkelijk. Het volwassen-man zijn ligt op het einde van de weg der behoudenis. Al is de eindpositie nu geopenbaard, daarom behoort ieder gelovige er nog niet toe en vervalt het begin en het midden van die weg nog niet. Alle mensen worden als zondaars geboren en willen ze tot de volledige gemeenschap met God komen, dan moeten ze door de wedergeboorte en het zoonschap gaan. Velen blijven ongelovig of blijven achter in de twee eerste sferen. In onze tijd zijn alle sferen dus vertegenwoordigd, al is het strikt genomen, Gods verlangen niet, dat men in de lagere te doorlopen sferen achterblijft, dus in een positie uit vroeger bedeling blijft staan. Paulus had na Hand. een nieuw rentmeesterschap ontvangen en het is nu de bedeling der verborgenheid, omdat de bovenhemelse sfeer nu op de voorgrond geschoven is. Zij die er niet toe komen, worden daarom niet van God verlaten en het is dus door Zijn lankmoedigheid, dat de andere sferen ook nu in zekere zin doorgaan, al is het niet Zijn verlangen dat men achterblijft. Had het schepsel van Zijn genade ten volle gebruik gemaakt, dan zou er geen hele reeks aionen nodig geweest zijn om tot de volmaakte toestand te komen. De weg der behoudenis wordt niet op mechanische wijze doorlopen alsof we slechts poppen waren. In elke positie verlangt God, dat we naar Zijn wil zullen wandelen. Doen we dat niet, dan plaatst God ons niet in een hogere positie, want Hij dwingt niet en kan ook de verloochening Zijner genade en onze eigenwillige wandel niet aanmoedigen. We leggen er echter ook de nadruk op, dat we daarom de hogere positie niet verdienen op grond van eigenmachtige werken. Men zie hierover "De Weg der Behoudenis". Steeds moet de mens dus aannemen wat hem in genade door God aangeboden wordt en doen wat God hem mogelijk heeft gemaakt. Dan kan God ook ingrijpen en in een hogere positie plaatsen.

Al is er dan een nieuwe bedeling, daarom behoren alle mensen nog niet tot wat die bedeling aanbiedt. Zo zullen ook in de toekomende eeuw, die der wedergeboorte, alle mensen niet van zelf wedergeboren zijn. Steeds is er geloof en bekering nodig en dat hangt ten dele van de mens af, want hij blijft steeds vrij God genade niet te aanvaarden. De uitwendige omstandigheden veranderen de inwendige mens niet. Er moet iets in die mens zelf geschieden, naar de mogelijkheid, die hem van God gegeven is. Om tot het zoonschap te komen, moet men "der zonder gestorven" zijn, Rom. 6:2. Om tot het volwassen-man zijn te komen, moet men "der zondEN dood" zijn, Ef. 2:1,5 en Kol 2:1 (1).

(1) Volgens de Gr. tekst. Zie De Weg der Behoudenis.

Hier is niet alleen de oude mens gekruisigd, zoals in Rom. 6:6, maar hij moet afgelegd worden (Ef. 4:22). Ook hier moet weer hun wandel met hun positie overeenstemmen. Ze worden dan ook in hoofdstuk 5 vermaand als kinderen des lichts te wandelen. Zij waaraan Paulus het woord richt, worden "getrouwen" genoemd (Ef. 1:1; Kol 1:2 St. V.:"gelovigen"). Zij verlaten Paulus niet, doch horen hem, zoals de " kinderen" Johannes hoorden (1 Joh. 4:6). Al is alles nu geopenbaard, daarom begrijpen allen het nog niet, want er zijn "verlichte ogen uw verstands' nodig om te weten welke zij de hoop Zijner roeping en welke de rijkdommen zij der heerlijkheid van zijn erfenis in de heiligen. Zie verder Ef. 1:17-23. Ze moeten bewust worden van hun positie.

Men ziet uit dit alles ook hoe ongerijmd het verwijt is dat we slechts een paar brieven overhouden van de Schrift en dat we het overige aan de gelovigen ontroven. Wat we trachten te doen, is de satanische warboel te ontwarren en te onderscheiden wat over de verschillende groepen handelt. Al zeggen we dan, dat de gevangenschapsbrieven alleen tot de gemeente der verborgenheid gericht zijn, dan verwerpen we daarom het overige niet. Andere delen zijn aan andere groepen gericht en alles blijft steeds nuttig voor allen. Het dient mede ter herhaling van wat God voor hen deed ter scherper aftekening van hun positie en ter controle hoever ze gevorderd zijn. Waar men zich ook bevindt op de weg der behoudenis, steeds heeft God voor ons een daaraan aangepaste boodschap. Het overige hadden we in het bijzonder vroeger nodig of zal later duidelijk tot ons spreken om ons verder te helpen. Alleen het recht snijden bewaart voor afval, ongeloof en kritiek.

Het is ten slotte ook duidelijk, dat de gemeente der verborgenheid niet met Pinksteren of in enig ander deel van Handelingen begint. Ze bestond in Gods voornemen vůůr de eeuwen, doch het eigenlijke begin, in de tijd, kan men eerst rekenen van af het ogenblik dat Paulus de verborgenheid aan de anderen had doen kennen. Met Pinksteren waren er, die in Christus gingen geloven en aldus blijk gaven wedergeboren te zijn. Later gingen ze misschien over tot de hemelse sfeer onder Paulus' prediking, om dan te komen tot de overhemelse na Hand. zo zijn ze dan, evenals Paulus, van heerlijkheid tot heerlijkheid gegaan.

In de onderstaande tabel hebben we enige dingen samengevat, die duidelijk het contrast tussen de sferen kunnen doen uitkomen. Wij verwijzen voor meer uitvoerige toelichtingen naar onze overige uitgaven. De drie sferen:


AARDSE SFEER
HEMELSE SFEER
OVERHEMELSE SFEER
Wedergeboorte Nieuwe schepping Nieuwe mens
Kind van God (slaaf) Zoon van God (vrij) Volwassen man
Vernieuwing van gemoed Oude mens gekruisigd Oude mens uitgedaan
Onder de zonden Der zonde dood Der zonden dood
In Abraham gezegend Met Abraham gezegend Belofte in Christus
Stof der aarde Sterren des hemels In de overhemelse
Vergeving van zonden Rechtvaardigheid Kwijtschelding, volle vergeving
Bedekking Verzoening Volle verzoening
Opstanding ten laatste dage Opname de Here tegemoet Uitopstanding, verschijning met Hem
Aards Jeruzalem Hemels Jeruzalem Burgerschap in overhemelse
BeŽrven de aarde BeŽrven de wereld Erfenis der heiligen in het licht
Aards eeuwig leven Hemels eeuwig leven Christus hun leven



IV. Besluit

Uit de Schriften kan men alles afleiden wat men wil, als men de teksten maar losweg uitkiest, uit hun verband rukt en naast elkaar plaatst. Tot het uiterste gedreven, komt men dan tot zoiets:

  • Mat. 7:5 "En heengaande verworgde zichzelven".
  • Luk. 10:37 "Doe gij desgelijks".

Men kan er ook de grootste tegenspraken in vinden als men het Woord niet recht snijdt. zo b.v.:

  • Mat. 10:5 "Gij zult niet heengaan op den weg der Heidenen".
  • Mat. 28:19 "Gaat dan henen, onderwijst al de volken".

We menen, dat onze schets op vaste gronden staat en onze gevolgtrekkingen ook gewoonlijk juist, zijn, omdat we zo goed mogelijk het Woord der waarheid recht gesneden hebben. En dat in allerlei opzichten. We hebben b.v.: de letterkundige verdelingen der Schrift in acht genomen, onderscheiden over wie een bepaald deel handelt, de aionen en bedelingen onderscheiden, de juiste betekenis der geÔnspireerde woorden trachten te begrijpen, rekening gehouden met de spraakfiguren, doch overigens letterlijk genomen wat God zegt, onderscheiden tussen uitleggingen en toepassing. Ook op grond van onderzoek van anderen hebben we aldus een hele reeks vaste gegevens gehad, die we tot een harmonieus geheel konden samenvoegen. Door een en ander komt dan nagenoeg de gehele Schrift tot zijn volle recht en blijkt, dat de heerlijkheid van Gods genade nog groter is dan men dikwijls meent. Delen van Gods Woord, die voor meerdere uitlegging vatbaar zijn, krijgen dan een meer bepaalde betekenis. Deze vloeit voort uit de andere delen der Schrift, waarmee de onzekere blijken in verband te staan. Het is dan geen willekeurige uitlegging.

We menen daarom echter niet, dat onze voorstelling nu in alle punten de zuivere waarheid is. We willen niet doen zoals de meeste: een schets tot vaste leer maken. We nodigen allen uit onze schets te verbeteren. Maar om dit te doen, is er ernstig onderzoek nodig en grondige kennisname van hetgeen we er over schreven. Het is verloren moeite als men een andere schets als grondslag nemende, gaat aantonen dat de onze daar niet mee overeenstemt. Men moet elke schets in zijn geheel nemen en dan rechtstreeks aan de Schriften toetsen, niet een deel van een schets met een deel van een andere.

Vindt men dit alles te moeilijk, dan vragen we welke andere oplossing of werkwijze men heeft. Er is wel die van Rome: de Kerk en de overlevering, die men maar slaafs moet volgen. Als de basis van dit stelsel maar niet steunde op de afval weg van Paulus en het stellen van de "kerk" in plaats van IsraŽl. En wil men de Schrift alleen, dan zij men consequent en steune weer niet geheel op een leer. We erkennen, dat de toestand een moeilijke is. Maar ook dit past in onze schets: want we bevinden ons nu in een boze eeuw, waarvan Satan de god is. We zijn niet in het Koninkrijk, zoals velen menen.

De gehele wereld ligt nu nog in den boze (1 Joh. 5:19) en we bevinden ons dus op vijandelijk terrein. Daarbij zwijgt God in de zin, dat er nu geen openbare, zichtbare tussenkomst van Hem is. Toch is er een uitweg: de Schrift onderzoeken in Gods kracht. Men moet met het eenvoudige beginnen en zich oefenen. Men kan in veel door anderen geholpen worden, zonder ze als onfeilbaar aan te zien. Hij die de waarheid lief heeft, zal door God verlicht worden en juist tot die mate van waarheid komen, die met zijn oprecht verlangen overeenstemt. We hebben nu de gelegenheid in het zuivere geloof God te verheerlijken, zoals dat niet meer mogelijk zal zijn in tijden wanneer er een zichtbare gemeente op aarde is, die de weg wijst en waar een openbaar ingrijpen van God de regel is.

Misschien werpt men ons tegen, dat we de mensen alle zekerheid ontnemen en er maar een "schets" voor in de plaats geven, iets onzekers, waarvan we zelf bekennen, dat het niet de volle waarheid is. Men moet echter ook hier de dingen niet vermengen, doch onderscheid maken tussen de vaste punten waarop de schets rust en de schets zelf. Al wordt ook de schets gewijzigd, die punten blijven. Hoe mťťr men zelfstandig onderzoekt, in Gods kracht, hoe meer vaste punten men krijgt en hoe juister de schets getekend kan worden. Een ongelovige heeft aan niets houvast. Een wedergeborene is volkomen zeker dat God "is", al kan hij zich daar omheen nog zo veel verkeerde voorstellingen maken. Een "zoon" twijfelt er niet aan, dat Christus voor hem gestorven is en heeft nog menig ander vast steunpunt, dat door niets beÔnvloed wordt. Er kunnen wel ogenblikken van twijfel zijn, maar ten slotte is zijn geloof in die dingen onverstoorbaar. Bij de volwassenen zijn er nog mťťr vaste punten, al kan de schets, die ze verenigt, nog veranderen. Men ziet dus het belang steeds onze gedachten aan de Schrift te toetsen en uit te zuiveren. Sommige dingen, die ons misschien schijnbaar tot veel zegen geweest zijn, vallen dan misschien wel weg, maar het zijn juist de minst schriftuurlijke, terwijl de ware steunpunten in aantal toenemen. Al geeft men een "schets" als waarheid, later blijkt ze toch gebrekkig en kan dan een schijnreden geven voor ongeloof en kritiek.

Hen, die niet inzien dat men zich zoveel moeite moet geven om de dingen "uit te pluizen" en die tevreden zijn met een "eenvoudig" evangelie, verwijzen we vooreerst naar de Schrift, die ons steeds uitnodigt zelf te onderzoeken en juist zoveel dingen geeft, die niet "eenvoudig" zijn. Zijn die misschien overbodig? Vervolgens naar de geschiedenis, die aantoont, dat alle ongeloof, kritiek, antichristelijke stromingen en veel maatschappelijk kwaad voortvloeien uit stelsels, die niet naar de Schrift zijn of het Woord niet recht snijden en toch de mensen opgedrongen werden. Dan wijzen we er op, dat men zonder eigen overtuiging nooit weet hoe te handelen en Gods wil te doen. Eindelijk verlieze men ook niet uit het Oog, hoe groot onze verantwoordelijkheid is, als we anderen willen helpen met een goede boodschap. We weten dat we het WOORD moeten prediken en tijdig en ontijdig moeten aanhouden (2 Tim. 4:2). We moeten ieder mens vermanen en leren in de WIJSHEID (Kol. 1:28). Maar hoe kunnen we dat doen als we zelf niet weten wat het Woord zegt en wat die wijsheid i&? Het is niet voldoende om er maar losweg op in te gaan, want dan heeft men wel een ijver tot God, maar niet met verstand. Ieder moet hier naar zijn eigen gaven en omstandigheden handelen. We erkennen, dat er in de spontane getuigenis van een "eenvoudige)) man veel waarde kan liggen, maar hij die zich gedrongen voelt niet alleen te getuigen, maar anderen te onderwijzen, moet eerst zelf onderwezen zijn en een eigen opinie .hebben, die met de Schrift overeenstemt. Al naar de omstandigheden zal hij ďmelkĒ of ďvaste spijzeĒ moeten geven, maar steeds moet dat geestelijk voedsel zuiver, d.i. Schriftuurlijk, zijn. Alleen wat uit des Heren mond is uitgegaan, doet leven (Deut. 8:3). De gevolgen van slecht voedsel kunnen zeer ernstig zijn, al worden ze soms eerst na een lange tijd gezien. Men rekene er ook mee, dat men zich kan vergissen in de dingen, die men als de meest eenvoudige aanziet en waarvoor dus niet veel onderzoek nodig schijnt te zijn. We geven hiervan een enkel voorbeeld.

Velen willen ďzielenĒ redden en verkondigen daartoe ďChristus en Dien gekruisigdĒ. Zij spreken dan noodzakelijk van de ďdingen, die des Geestes Gods zijnĒ en vergeten, dat een natuurlijke mens die dingen niet kan begrijpen (1 Kor. 2:14). Om te geloven, dat Jezus is de Christus, moet men reeds wedergeboren zijn (zie 1 Joh. 5:1 dat volgens het Gr. zegt: Een iegelijk, die gelovende IS, dat Jezus is de Christus, is geboren geworden uit God. Het laatste werkwoord is in een voltooide tijd). Als er vrucht op hun prediking komt, dan zijn het in het bijzonder zij, die reeds wedergeboren zijn, die nu van hun positie bewust worden en openlijk de Here willen belijden. Ze hebben dus eigenlijk niemand gered, doch de reeds geredden tot bewustheid gebracht van wat God reeds in hen deed, ze verder geholpen op de weg der behoudenis en alzo God verheerlijkt. De uitslag is zeer goed, maar stemt niet overeen met hun bedoeling en de uitslag ware misschien beter geweest, als ze duidelijk hadden ingezien wat ze deden. Zien ze het ďredden van zielenĒ aan als het meest belangrijke werk, dan hebben ze zulk werk niet verricht. Want het eigenlijke redden is voor hen het tot de wedergeboorte brengen. En dat deden ze juist niet. Dan hadden ze in-God-ongelovigen moeten wijzen op de wonderen der schepping om ze alzo wellicht te brengen tot geloof, bekering en verheerlijking van God. Want dit moet aanwezig zijn vůůr ze tot de wedergeboorte komen.

Ziet men ook niet te dikwijls op schijnbare resultaten als een goedkeuring van God? De tegenwoordige bedeling is echter juist gekenschetst door de afwezigheid van een openbare werking Gods. Ons enig richtsnoer moet zijn: Gods Woord, recht gesneden. Als we dat verkondigen, zorgt Hij voor het overige, hoe weinig zichtbare resultaten men ook moge zien. Het gaat ten slotte ook niet over ons en onze zegen, maar in de eerste plaats over Hem en Zijn verheerlijking. Het is een feit, dat nagenoeg niemand op stoffelijke en geestelijke steun kan rekenen als er geen zichtbare ďzegenĒ op zijn werk rust. Ook niet als hij de principes van het Protestantisme logisch wil doorvoeren en een eigen overtuiging wil hebben. Er moeten ďresultatenĒ bekomen worden en men moet met de massa meegaan. Het schijnt wel alsof hij, die onafhankelijk wil denken en spreken, in zijn eigen stoffelijke behoeften moet voorzien. Zo deed ook Paulus, die door allen verlaten werd, omdat hij geen succes had en van nieuwe dingen sprak.

We herinneren er ten slotte aan, dat we andere stelsels niet willen afbreken. Alles heeft ten slotte zijn nut, al is het niet naar Gods verlangen. Maar al zijn ze misschien een middel, ze mogen geen doel worden en niemand mag er in blijven staan. We willen ze dus niet afbreken, maar op een meer volledige en juistere schets wijzen. Laat ons de waarheid vasthouden in liefde om de heerlijkheid Zijner genade te prijzen, elk naar zijn vermogen en naar de wijze waarop God hem wil leiden.



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden