Hoofdstuk 8 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 10


De Weg der Behoudenis

IX. Hoe komt de gevallen mens terug tot God?



Is de mens geheel krachteloos en boos?

Ons onderzoek over de gevallen mens toont dat zijn toestand verschrikkelijk is. Onze vraag is nu: kan hij dat zelf inzien, kan hij zichzelf als zondaar erkennen? Vr hij dat inziet, vr hij zich bewust wordt dat hij iets derft, moet hij weten dat er iets is dat hem ontbreekt. Vr hij kan denken aan ongerechtigheid, moet hij iets weten van de gerechtigheid. In het kort, vr alles moet hij iets van God kunnen kennen. Kan hij dat met de middelen waarover hij, door Gods genade, nog beschikt? Als sommige mensen God leren kennen en in Hem geloven, is dat, ten minste ten dele, uit hen, of is het God, Die ze, buiten hen om, zo benvloedt, dat ze wel moeten zien? Kan de "natuurlijke" mens zelf niets van God leren kennen, als God door de uitwendige dingen werkt, zonder bijzondere inwerking? Dat is de vraag.

Laat ons nagaan of er iets in de Schriften staat, dat ons hier helpt. Men kan zich vooreerst afvragen of Adams kinderen nog iets hebben van het "beeld Gods". Wij willen hier niet onderzoeken wat dat eigenlijk is, want dat zou ons veel te ver voeren. Wij vergenoegen ons op te merken, dat Gen. 9:6 doet veronderstellen, dat de mens na de zondvloed nog altijd iets van dat beeld had. Het bloed des mensen mocht niet vergoten worden, omdat God de mensen naar Zijn beeld gemaakt had. Dat was niet alleen als herinnering aan het beeld, maar zeker omdat de mens dan nog iets van het beeld had.

Er is echter meer. Wij spraken reeds menigmaal over Rom. 3:23, maar nu moeten wij dit vers nog eens met bijzondere aandacht overlezen, na ook de Griekse tekst geraadpleegd te hebben.

  • Rom. 3:23 "Zij derven de heerlijkheid Gods".
Het woord "derven" drukt geen volledig niet-hebben uit. Men zie slechts Heb. 12:15: "dat niet iemand verachtere van de genade Gods". Het woord "verachtere" is in het Grieks hetzelfde als in Rom. 3:23 door "derven" vertaald. Deze woorden worden tot gelovigen gesproken, die zeker iets hebben van de genade Gods. Rom. 3.23 zegt dus niet, dat alle mensen niet de minste heerlijkheid hebben, maar dat zij van de heerlijkheid niet genoeg hebben. Alle heerlijkheid is niet verdwenen: er blijft nog iets over van Gods beeld.

In elke positie is er een zekere mate van heerlijkheid. Als men die heeft, is er geen zonde. Als men van die heerlijkheid derft, is er zonde. Zo met Adam: zolang hij naar zijn positie wandelde, dierf hij niet van de heerlijkheid der positie.

Maar zegt Rom. 5:6 niet dat wij eens "krachteloos" waren? Wat is "krachteloos"? Zeven maal geeft de St. Vert. het Griekse woord weer door "krank", 17 maal door "zwak" en slechts in Rom. 5:6 door "krachteloos". Uit al die teksten ziet men, dat het een toestand aangeeft, die verre van normaal is, maar nooit is de gedachte dat er in het geheel geen kracht meer zou zijn.

Men verwijst soms ook naar Gen. 6:5 en 8:21. De eerste tekst zegt eenvoudig, dat het mensdom vr de vloed "alleenlijk boos was". Noach was echter een uitzondering, hij vond genade in de ogen des Heeren (v. 8) en was een "rechtvaardig, oprecht man" (v. 9). Daar wij van Noach afstammen, zijn die eerste woorden niet op ons toepasselijk.

De tweede tekst zegt niet dat de mens "alleenlijk" boos was, zoals Gen. 6:5, maar eenvoudig wat wij reeds in de Griekse Schriften gezien hebben: "Het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan".


De geestelijke dood.

Nu komen we tot de kwestie van de "geestelijke dood". Eerst moeten we echter een paar woorden zeggen over "leven".

De Schrift gebruikt voor "leven" de twee woorden "zo" en "bios". Het eerste is het leven in zichzelf, de levenskracht. Het tweede is de openbaring van het leven.

Over "bios" zullen we hier niet veel zeggen. Dit woord kan de levenswijze aanduiden, zoals in Luk. 8:14; 1 Tim 2:2; 2 Tim. 2:4; 1 Joh. 2:16, ofwel wat tot het leven nodig is, zoals in Mark. 12:44; Luk. 8:43; 15:12, 30; 21:4; 1 Joh. 3:17.

Door "zo" verstaat men de levenskracht die een organisme in werking zet en zo in gemeenschap stelt met zijn omgeving. Het is het omgekeerde van "thanatos", dood, waar die kracht ontbreekt en het organisme dan ook niet meer kan werken.

Het ligt voor de hand onderscheid te maken tussen het gewone leven, de kracht die het stoffelijke lichaam in beweging zet en het geestelijke leven. Het eerste is voldoende om de mens in gemeenschap te stellen met de schepping. Het tweede is nodig om in gemeenschap te staan met God. Het eerste is nauw verwant met de ziel en de zinnen, het tweede met de geest. De volle ontplooiing van beide levens begint in de toekomende aioon: die van de ziel zowel als die van de geest. Zij die tot de aardse sfeer behoren en dan op aarde leven, delen in de stoffelijke zegeningen van die aioon, het aardse aionische leven. De hemelse sfeer heeft deel aan het hogere aionische leven.

Nu kan men ook voor de dood een dergelijk onderscheid maken. Er is vooreerst de gewone dood, die het lichaam en de ziel treft en vervolgens de dood in verband met de geest. De eerste heeft tot gevolg dat er geen gemeenschap is met de schepping, de tweede: dat er geen gemeenschap is met God. Beide zijn een gevolg der zonde, d.i. der ongerechtigheid. Men zou kunnen zeggen dat zij een "natuurlijk" gevolg der zonde zijn. Oordeel en straf zijn slechts voor bewuste en gewilde zondaren (Heb. 10:26-32). Voor Adam was de dood een gevolg van oordeel; voor ons echter niet, want wij hebben persoonlijk Adams zonde niet gewild en zijn er persoonlijk niet verantwoordelijk voor. De dood is dus voor ons geen straf. We zijn echter Adams kinderen en als zodanig, als familielid, door onze natuurlijke gemeenschap, delen we in zijn zonde en dragen er de gevolgen van (zie ook hoofdstuk 2 en Aanhangsel N 3).

Alle leven komt van God. Als de gemeenschap verbroken is, moet de dood "van zelf", maar daarom niet plotseling, volgen. God had tot Adam gezegd: "stervende zult gij sterven". Dat duidt een proces aan. De afgehakte tak blijft nog een tijd leven, maar dat is eigenlijk maar een sterven. Het einde van de mens, die van God gescheiden leeft, is de dood, die lichaam, ziel en geest omvat. De Schrift spreekt daarom ook van de behoudenis van de geest (1 Kor. 5:5).

Wij achten het onnodig hier teksten op te geven voor de gewone dood. De toestand waarin onze geest niet in betrekking staat met Gods Geest, wat men dan ook soms de "geestelijke dood" heeft genoemd, vinden wij in menige plaats aangegeven. Zo b.v. in:
  • Joh. 5:24 "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven".
  • 1 Joh. 3:14 "Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeder liefhebben: die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood".
Men meent ook dikwijls de "geestelijke dood" in Ef. 2:1, 5 en Kol. 2:13 te vinden. Laat ons deze teksten zo letterlijk mogelijk uit het Grieks vertalen:
  • Ef. 2:1 (Grieks) "En gij zijnde doden der (tois) misdaden en der (tais) zonden van u".
  • Ef. 2:5 (Grieks) "Zijnde wij doden der (tois) misdaden".
  • Kol. 2:13 (Grieks) "En gij doden zijnde der (tois) misdaden en der (t) voorhuid des vleses van u".
Soms voegt een handschrift wel "in" bij, vr "der", doch in verreweg de meeste gevallen heeft men de tekst zoals we hem geven. Het is dus letterlijk "der zonden", of "ten opzichte van de zonden" en niet "door de zonden", "in de zonden" of "krachtens de zonden". Het gaat hier niet over de vroegere toestand, toen ze nog in de zonden wandelden, maar over hun tegenwoordige toestand: nu ze als doden zijn ten opzichte van de zonden, er niet meer in leven, worden ze ook mede-levendgemaakt. Als men een visie heeft van de bijzondere positie der Gemeente der verborgenheid, dan kan men inzien, dat in Ef. 2 en Kol. 2 van iets gesproken wordt, dat verder gaat dan hetgeen de hemelse sfeer kenmerkt. Het gaat namelijk verder dan het "der zonde gestorven zijn" van Rom. 6:2. Het betreft niet alleen de wortel: de zondE, maar ook de vruchten: de zondEN. Daarom zegt dan ook Kol. 3:9: "Uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken".

Daar de meeste uitleggers hier denken aan de "geestelijke dood", is het misschien nodig meer uitvoerig aan te geven waarom we ze hier niet kunnen volgen. Ten eerste moet men de genspireerde woorden geweld aandoen, want "der zonden" is wel "ten opzichte van de zonden" maar niet "door de zonden". Ten tweede gebruikt 1 Petr. 2:24 ook "tais hamartiais" zoals Ef. 2:1 en kunnen we hier onmogelijk lezen: "opdat wij, door de zonden afgestorven zijnde". Deze tekst laat duidelijk zien, ook aan hen die geen Grieks kennen, dat hier zowel als in Ef. en Kol. alleen "der zonden" kan gelezen worden. Ten derde moeten we in al de overige plaatsen, die het meest op die van Ef. en Kol. gelijken, ook "der" lezen. "Door" of "krachtens" past minder of is geheel onmogelijk.

Men oordele zelf:
  • Rom. 6:2 "Wij, die der (t) zonde gestorven zijn".
  • Rom. 6:10 "Dat is Hij der (t) zonde eenmaal gestorven".
  • Rom. 6:11 "Dat gij wel der (t) zonde dood zijt".
  • Rom. 7:4 "Gij zijt ook der (too) Wet gedood". (Zie ook Gal. 2:19).
Het verschil met Ef. en Kol. ligt alleen in het gebruik van het enkelvoud.

Ten vierde heeft het Grieks in Ef. 2:1, 5; Kol. 2:13 niet: "daar gij ... waart", d.i. een verleden tijd, maar wel: "gij ... zijnde" dus een tegenwoordige tijd. Het gaat dus over wat ze nu zijn en men kan toch zeker niet zeggen dat ze nu in, door of krachtens hun zonden dood zijn.

De reeds vermelde teksten (Joh. 5:24 en 1 Joh. 3:14) zijn echter voldoende om ons te leren dat de niet wedergeborenen "geestelijk dood" zijn in de zin, dat ze geen rechtstreekse gemeenschap hebben met God. Dit belet hen echter niet in contact te zijn met de schepping en in hun natuurlijke sfeer nog genoeg leven te hebben (al zijn ze "stervende" 1 Kor. 15:22) om iets van God te zien.

Wij besluiten dus, dat de Schrift niet zegt, dat de natuurlijke mens geheel krachteloos en boos is. Wij willen hier niet verder gaan dan de Schrift. In de sfeer waarin hij gekomen is, kan hij nog iets doen en onderscheidt zich in die zin van de dieren. Wat hij kan, gaan wij verder na.


Wat kan de gevallen mens van God kennen?

Uit het vorige zien wij, dat Gods Woord toelaat te veronderstellen, dat de mens uit zichzelf nog iets van God kan kennen. Wij moeten nu verder onderzoeken wat hij wel en wat hij niet kan. Vooreerst het laatste:
  • 1 Kor. 2:14 "Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden".
Dit vers zal in kracht winnen als we acht geven op de "gezonde" woorden van de Heilige Geest. Tweemaal is hier "niet" gebruikt en wel het absolute "ou", niet het tijdelijke of relatieve "m" (Zie "Wat de Concordantie leert). De geestelijke dingen, kan de natuurlijke (ziellijke) mens niet kennen. Daartoe moet eerst zijn geest weer in verbinding zijn met God.

Hij kan heel godsdienstig zijn, veel houden van "moraal", en vele dingen doen die de Schrift als standaard vooruit zet. Hij kan daarover schrijven en prediken. Maar de geestelijke dingen begrijpt hij toch niet en nog minder de "diepten Gods" (1 Kor. 2:1O).

De niet wedergeboren mens hoort de woorden Gods niet:
  • Joh. 8:47 "Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet (ou), omdat gij uit God niet zijt".
Zie ook: 1 Joh. 4:6. Hoogstens kan men aannemen dat het "uit God" zijn, begint bij het geloof en de bekering "op" God waarover we verder spreken.

Wat de natuurlijke mens echter wel kan, lezen we in:
  • Hand. 14:15, 17 "Wij verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel, en de aarde, en de zee, en al hetgeen in dezelve is ... hoewel Hij nochtans Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid".
Men kan hierbij opmerken, dat die dingen het lichaam en de ziel betreffen, niet de geest.
  • Hand. 17:27 "Aardbodem ... tijden ... woning; opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons".
Als God van hen vraagt dat ze Hem zoeken, dan is het omdat ze dat kunnen doen. Maar daar mag het niet bij blijven. God vraagt in vs. 30 dat ze zich ook bekeren. Het woord, door "verkondigt" vertaald, is in het handschrift Alexandrinus: "beveelt" (zoals in 1 Thes. 4:11; 2 Thes. 3:10 enz.). Daarbij zegt het Grieks in vs. 31 letterlijk: "geloof aanbiedende aan allen" in plaats van "verzekering (daarvan) doende aan allen". Het Griekse woord "pistis", door "verzekering" vertaald, is op bijna alle andere plaatsen door "geloof" vertaald. De betekenis van het Griekse woord, door "doende" vertaald, is goed te zien uit Luk. 6:29: "Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere".

Niemand behoeft door het oordeel getroffen te worden, God maakt geloof en bekering mogelijk, zoals wij ook nog heel in het bijzonder zullen zien als we 2 Petr. 3:7-9 behandelen onder de titel "Wil God de bekering van alle mensen?".

Verder zien wij nog wat de natuurlijke mens kan, uit:
  • Rom. 1 :19, 20 "Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn".

Bij de vertaling van dit vers merken we alleen op, dat "geopenbaard" eigenlijk "kenbaar gemaakt" wil zeggen. Het verschil is zeer belangrijk. Een openbaring (apokalupsis) is een rechtstreekse mededeling van God tot het schepsel. Een kenbaarmaking (faneroosis) is gewoonlijk door de schepping tot het schepsel. Zo weet men, dat de grote verborgenheid aangaande het samen-lichaam alleen aan Paulus geopenbaard werd (Ef. 3:3) en door hem deze en andere dingen aan de "heiligen" kenbaar gemaakt werden (Kol. 1:26; 4:4). In Rom. 1 is het ook geen rechtstreekse "openbaring" want er was geen gemeenschap. Wat er te kennen was, kwam door de schepping, dus door lichaam en ziel. Niet door een rechtstreekse inwerking op de geest.

Ten tweede is "eeuwige" eigenlijk "onmerkbare". Gods kracht en goddelijkheid kon niet rechtstreeks gemerkt worden, maar alleen uit de schepselen.

Hoe diep gevallen ook, de mens kan dus uit de schepping iets kennen van God. En wel: Zijn kracht en goddelijkheid. Ten opzichte van Gods gaven voor lichaam en ziel moeten zij Hem verheerlijken. Zij hebben het niet gedaan maar konden het doen en daarom werden zij gestraft. God spreekt tot ieder op een wijze die aan zijn toestand aangepast is. Tot de natuurlijke mens spreekt Hij door middel van de stoffelijke schepping, omdat zij in deze sfeer zijn geboren. Die stem kunnen ze horen en beantwoorden. Gods toorn komt niet over hen, omdat zij der heerlijkheid derven, daar hebben zij persoonlijk geen schuld aan. Maar wel omdat zij God kennende, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt hebben. Hun verantwoordelijkheid begint bij wat voor hen kennelijk en doenbaar is. God straft of toornt niet om de zonde, maar om de zonden. De zonde belette hun tot God te komen en zou zeker tot de dood voeren, maar dat is eenvoudig een gevolg, niet een straf. De zonde is een gebrek aan heerlijkheid waarvoor wij persoonlijk niet verantwoordelijk waren, maar de zonden waren overtredingen van wat hun reeds kenbaar gemaakt was en deze waren strafbaar.

De woorden "ongerechtigheid" en "recht" in Rom. 1:18 en 32 laten zien, dat het bij de natuurlijke mens niet bij een opmerken der schepping blijft, maar dat hij door zijn ziel en geest al heel wat kon "weten". Het is merkwaardig dat hier het Griekse woord "epiginooskoo" gebruikt is. Zo is ook in v. 28 "epignoosis" gebruikt. Het is niet de gewone kennis, maar rechte kennis (over-kennis) (Zie "Wat de Concordantie leert").

Toen wij een en ander over de natuur van de mens onderzochten, hebben wij reeds gezien, dat de heidenen (volken) van nature de wet kunnen doen (Rom. 2:14, 27). Uit de natuur weten zij, dat het een oneer is voor de man, lang haar te dragen (1 Kor. 11:14). Zie ook Luk. 11:31, 32. We lezen in Rom. 2:15 van het geweten dat in betrekking met de geest staat. Al is deze niet meer in gemeenschap met God, toch is er nog iets overgebleven dat hen helpt Gods wil te kennen, al is hun geweten besmet (Tit. 1 :15).

Men heeft soms gezegd, dat al wat een onbekeerde doet, zondig is. Dat wordt echter tegengesproken door Rom. 2:27: "en zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt ...". Zonde is onwettelijkheid (1 Joh. 3:4). Als de mens nu op natuurlijke wijze de wet doet, dan is dat een rechtvaardige daad en niet een zondige. Rom. 14:23 "al wat uit het geloof niet is, dat is zonde" is hier niet mee in tegenspraak, want het betreft daar gelovigen en moet gelezen worden in verband met het vorige. Men kan dit vers niet absoluut op alle gevallen toepassen.

Men meent misschien, dat Ef. 2:3 "doende den wil des vleses", ons weerspreekt en dat de niet wedergeboren mens alleen die vleselijke wil doet en dus nooit iets dat kan overeenstemmen met Gods wil. Het werkwoord "doen" is hier echter niet "prassoo" (geregeld doen), maar "poieoo". De twee zijn in Rom. 7:15 gebruikt: "hetgeen ik wil, dat doe ik niet geregeld (prassoo) , maar hetgeen ik haat, dat doe ik (poieoo = d.i. soms of dikwijls). Zie ook het hoofdstuk "Niemand is goed, dan n" in "Wat de Concordantie leert".


De mens kan zichzelf niet behouden.

Al menen wij, dat er in de mens nog iets van Gods beeld is, en hij ten opzichte van zijn sfeer iets goeds kan doen, daarom geloven wij niet dat de mens zichzelf kan behouden. Wat hij kan, betreft niet de geestelijke dingen. Die zijn voor hem gesloten. Hij kan uit eigen macht niet geloven tot gerechtigheid. Terecht zegt Joh. 6:44:

  • "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader hem trekke".
Hij kan niet in Christus geloven, maar hij kan wel naar zijn positie wandelen, denken en werken. Hij komt door zijn natuurlijke middelen tot geloof in God, tot het erkennen van een standaard van gerechtigheid. Doet hij wat hij kan, dan zal God het hem gemakkelijk maken. "Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven" zegt Spr. 3:34. Door het kennen van Gods macht en gerechtigheid, kan de mens zijn eigen zwakheid en ongerechtigheid beginnen in te zien. Zo zal hij zich dan tot God wenden om hulp, om dat te kunnen wat hij met zijn natuurlijke middelen niet kan. Hij zal God zoeken en "die zoekt, die vindt" lezen we in Mat. 7:8. We zullen verder zien in betrekking tot bekering, dat God bekering verlangt en er de mogelijkheid toe geeft aan allen die ze verlangen. Wij zullen ook zien hoe God ze tot bekering leidt.

Men lette erop, dat "onbekeerlijk hart" in Rom. 2:5, niet wil zeggen een hart dat zich niet kan bekeren, maar een hart zonder bekering.

Al is dan de natuurlijke mens geheel onmachtig door zijn natuurlijk licht zichzelf te behouden, hij kan komen tot geloof in God, en zo door Gods goedertierenheid, geleid worden tot bekering. En dan kan het verder gaan langs wedergeboorte tot geloof in Christus, rechtvaardigheid en heerlijkheid.


Tegenwerpingen.

Wij zijn niet de eerste die tot een dergelijke conclusie gekomen zijn. Daarentegen hebben anderen die gevolgtrekkingen bestreden. De volgende teksten zouden dan moeten bewijzen dat onze opvatting verkeerd is: Ps. 147:19,20; Hand. 14:16; 16:6, 7. Dit schijnen de krachtigste argumenten te zijn. Men leze echter die Schriftdelen om in te zien hoe zwak die tegenwerpingen zijn. Dat Isral een bijzondere opdracht kreeg, wil toch niet zeggen, dat anderen tot niets kunnen komen. Dat de Heilige Geest Paulus verhinderde het woord in Azi te spreken of naar Bithyni te reizen, bewijst toch niet, dat ongelovigen God niet kunnen leren kennen? Geloven wij dan niet in uitverkiezing en het ingrijpen van God? Zeer zeker, en wij hopen dat ook verder te behandelen, maar daarom is niet alles uitverkiezing en worden niet allen bijzonder door de Heilige Geest geleid.

Voor ons kan de mens geheel uit zichzelf niets. Hij kan al vooreerst zichzelf niet doen geboren worden, noch zijn positie uitkiezen, noch van een positie tot een hogere overgaan. Maar ook in een sfeer waarin hij zich op een gegeven tijd bevindt, kan hij alleen iets doen, omdat God hem daartoe de mogelijkheid gegeven heeft en hem voortdurend bearbeidt. Wat wij dan zeggen is, dat de meeste mensen vrij zijn in die positie te wandelen naar Gods wil of niet, gebruik te maken van Gods gaven of niet. Later zullen we zien, dat er buiten die gevallen andere kunnen zijn, waar God ingrijpt buiten de wil van de mens om. Dat de gehele schepping door God als een poppenspel zou behandeld worden, nemen wij echter niet aan, want hiervoor is geen grond in de Schriften.

Hoofdstuk 8 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 10



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden