Hoofdstuk 16 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 18


De Weg der Behoudenis

XVII. Vergeving van zonden en behoudenis



Vergeving van zonden.

Hoe belangrijk ook, wij zeggen er hier slechts enkele woorden over, ter aanvulling van hetgeen wij over de weg der behoudenis geschreven hebben. We komen hier later, op meer uitvoerige wijze, op terug.

Men lette er vooreerst op, dat drie Griekse woorden door "vergeven" vertaald zijn:

  1. "afiŤmi"
  2. "charizomai" en
  3. "paresis".
Het eerste is voorwaardelijk en tijdelijk. Zo worden iemands zonden bijv. vergeven als hij zich bekeert en belijdt (1 Joh. 1:9). Hij is dan nog niet noodzakelijk gerechtvaardigd en de vergeving kan om de een of andere reden teruggenomen worden, zodat zijn zonden nog steeds tellen. Men ziet dat uit de gelijkenis van Mat. 18:27, 32-35.

Het tweede is een genadiglijk geven of kwijtschelden. Zie bijv. Luk. 7:42. Dat hangt niet af van ons geloof, onze houding, maar van onze positie. Het is ook niet tijdelijk, maar blijvend.

Het derde woord wordt alleen gebruikt in Rom. 3:25 en betekent zoveel als voorbijgaan.

Verder lette men op het verschil tussen zonden en misdaden (om niet te spreken over "overtredingen", "ongehoorzaamheid" enz.). Zonde is algemeen, het missen van het doel. Misdaad is een bijzondere zonde, het betreft dan meer het niet wandelen naar de positie waarin men geplaatst is, het niet wandelen zoals men van iemand mag verwachten.

De vergeving betreft zonden en misdaden, de rechtvaardiging staat tegenover de zonde. De vergeving staat in verband met de wandel van de wedergeborene als hij nog zondaar, nog niet met Christus der zonde gestorven is. De rechtvaardige staat in verband met de positie van hem die tot het zoonschap gekomen is.

Het vergeven der misdaden vindt men in het "Onze Vader" (Mat. 6:12, 14, 15). In deze sfeer worden de misdaden slechts vergeven NADAT men die van anderen vergeeft. In de Gemeente der verborgenheid wordt er van de leden verwacht dat zij elkaar de misdaden kwijtschelden, gelijk God in Christus Jezus hen kwijtscheldt (Ef. 4:32). Kol. 2:13; 3:13 bevestigen dat voor de leden van het "samen-lichaam" alle misdaden kwijtgescholden worden. Ef. 1:7 en Kol. 1:14 drukken dat op een andere wijze uit: hier is sprake van vergeving (afesis), maar er staat, dat zij die vergeving "zijn hebbende". Het is dan niet meer voorwaardelijk, maar hun is, eens voor al, vergeven.

Wij hebben reeds gezien, dat zoonschap en rechtvaardigheid samenvallen. Een "rechtvaardige" is met Christus gestorven en wordt niet meer als zondaar aangezien en er is dan voor hem ook geen sprake meer van vergeving van zonden. Zijn wandel kan echter nog te wensen overlaten, daarom zijn er nog "misdaden", die vergeven moeten worden. In verband met de hemelse sfeer wordt niet meer gesproken over zonden, nog wel over misdaden (Gal. 6:1).

Na het zoonschap volgt het volwassen zijn. Dan is er noch voorwaardelijke vergeving van zonden, noch voorwaardelijke vergeving van misdaden, maar zoals wij gezien hebben, een "hebben" der vergeving en een "kwijtschelding". De volwassene kan echter als een zoon en zelfs als een kind wandelen. Dan stelt hij zich in die lagere sfeer en kan, als het ware, weer vergeving der zonden en misdaden nodig hebben.

De vergeving hangt in zekere zin van ons af al is ze mogelijk door het bloed van Christus; de rechtvaardiging en kwijtschelding zijn genadegaven en staan in verband met onze positie. Zij zijn "om niet" (Rom. 3:24).

Wij vatten alles samen als volgt:

KIND VAN GOD
Vergeving van zonden na geloof, bekering en belijdenis.
Vergeving van misdaden als men anderen vergeeft. (Mat. 6:12, 14, 15)
ZOON VAN GOD
Rechtvaardigheid
Der zonde gestorven.
VOLWASSEN MAN
Zonden en misdaden kwijtgescholden.
Men is voor beide "dood".


Behoudenis.

De Hebreeuwse Schriften spreken ons van behoudenis in verband met het redden uit de handen van vijanden, doch meer in het bijzonder met betrekking tot het herstel van IsraŽl en de opstanding der doden. Zie Ps. 14:7; 53:7; 68:20-22; 69:29-36; Jes. 25:8, 9; 49:6, 8 (Luk. 2:32 enz.); 49:20; 51:6, 8; 52:7 (Rom. 10:15).

De Griekse Schriften ontwikkelen dit alles en doen uitkomen dat er meerdere behoudenissen zijn.

We onderzoeken hier de woorden "soozoo" (behouden), "sooteria", "sootŤrion" (behoudenis) en "sootŤr" (behouder). Er is behoudenis "weg van" de zonden (Mat. 1:21) en "weg van" de toorn (Rom. 5:9), maar het betreft ten slotte toch altijd de dood, de opstanding en het oordeel. Zo heeft men de tegenstellingen: behouden-verderven (1 Kor. 1:18; 2 Kor. 2:15; 2 Thes. 2:10; Fil. 1:28; Jak. 4:12), behouden-oordelen (Joh. 3:17; 12:47), behouden-veroordelen (Mark. 16:16), behoudenis-dood (2 Kor. 2:16; 7:10).

De behoudenis betreft het verleden, het heden en de toekomst. Er is waarlijk een wŤg der behoudenis en 2 Tim. 1:9 zegt dan ook: "de ons Behoudende"; 1 Kor. 1:18 "ons, die behouden worden"; 1 Kor. 15:2 "door hetwelk gij ook zalig (behouden) wordt". Zo moeten we dan ook onze behoudenis uitwerken (Fil. 2:12).

We moeten ons begrenzen en willen slechts een en ander samenvatten over de verschillende toekomstige behoudenissen. We moeten dan ook van de opstandingen spreken, doch laten een meer uitvoerige behandeling over aan een andere reeks artikelen.


De behoudenis van IsraŽl.

1 Petr. 1:5 spreekt over de behoudenis die bijzonder IsraŽl betreft. Deze Brief, hoe nuttig hij ook is voor allen, is speciaal gericht tot de 12 stammen der Verstrooiing. Die behoudenis staat in verband met de openbaring van Jezus Christus (v. 7, 13). Zij betreft vooral de ziel (v. 9). In het koninkrijk (aangaande hetwelk de profeten onderzocht, nagevorst en geprofeteerd hebben v. 10), zullen ze deel hebben aan al de stoffelijke zegeningen van die tijd en deze betreffen in de eerste plaats de mens in de sfeer van de zinnen, van het gevoel. Als zodanig, als staande in de aardse sfeer, heet hij "ziel". Ze moesten "opwassen tot behoudenis" (1 Petr. 2:2) en zouden een "uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een volk des eigendoms" zijn (1 Petr. 2:9 en vergelijk Ex. 19:5, 6; Hos. 1:10; 2:23).

In verband met het "verliezen" en "behouden" der ziel, onderzoeke men ook de volgende teksten die we uit het Grieks vertalen. Overal is het woord "ziel" gebruikt. Men kan de ziel:

  • vinden en zo verliezen; verliezen en zo vinden, Mat. 10:39.
  • willen behouden en zo verliezen; verliezen en zo vinden, Mat. 16:25.
  • willen behouden en zo verliezen; verliezen en zo behouden, Mark. 8:35.
  • willen behouden en zo verliezen; verliezen en zo behouden, Luk. 9:24.
  • zoeken te houden en zo verliezen, verliezen en zo doen leven, Luk. 17:33.
  • liefhebben en zo verliezen; haten in deze wereld en zo bewaren tot-in aionisch leven, Joh. 12:25.
Men ziet hier hoe "vinden", "behouden", "doen leven" en "bewaren tot-in aionisch leven" met elkaar overeenstemmen. Over de behoudenis der ziel kan men verder zien: Heb. 10:39 en Jak. 1:21; 5:20.

Van IsraŽls behoudenis spreken ook: Hand. 5:31; 13:23; Rom. 11:26. Gods volk is het "verlorene" van Luk. 19:10 al is deze tekst ook van wijdere toepassing. Een overblijfsel zal behouden worden, Rom. 9:27 (Jes. 10:22).

De opstanding, die met deze behoudenis in verband staat, is de "hope IsraŽls" Hand. 28:20 (23:6; 24:21). Het is opstanding "ten laatste dage" (Joh. 6:39, 40; Dan. 12:1, 2). Zo komen ze tot het aionische leven (Zie 'Wat de concordantie leert') op aarde: Lev. 18:5; Dan. 12:2; Hab. 2:4; Mat. 19:26-29; Mark. 10:17-30; Luk. 10:25, 28; 18:18-30. Zie verder ook Mat. 25:40, 46; Joh. 3:15-21; 4:36; 5:24, 29a; 6:27-29, 40, 47, 54; 10:26-28; 12:25; Hand. 13:46, 48. In de grote verdrukking moeten ze tot het einde volharden, Mat. 24:13. Ze komen dan tot de ingang tot het aionische koninkrijk 2 Petr. 1:5-11 en de aionische heerlijkheid op aarde 1 Petr. 5:10.

Over die opstanding zie men ook Dan. 12:2; Luk. 14:14; 20:35, 36; Joh. 5:28, 29; 6:39-54; 11:25, 26.

In die tijd is er ook een oordeel, als de Zoon des mensen zit op de troon Zijner heerlijkheid Mat. 25:31-46. Die troon is op aarde Jes. 34:1, 2; Ezech. 39:21; JoŽl 3:1, 2, 11, 12. Het oordeel betreft de dan levende volken en de wijze waarop ze de "broederen des Heeren", dat zijn de gelovige IsraŽlieten, behandeld hebben. Deze volken kunnen deel hebben aan het Koninkrijk (v. 34), het aionische leven op aarde (v. 46) of niet. Over dit oordeel en die behoudenis kan men ook Op. 19:1, 2 onderzoeken.


De behoudenis der zonen Gods.

De behoudenis van IsraŽl, die met een opstanding gepaard gaat, heeft dus plaats vlak vůůr het Koninkrijk. In die tijd geschiedt ook de opstanding van hen, die reeds door de wedergeboorte tot de rechtvaardigheid, tot het zoonschap gekomen zijn en deel hebben aan het aionische leven in de hemel.

Dit is de behoudenis "tot volmaking" Heb. 7:25, de "zo groot een behoudenis" Heb. 2:3, de "betere opstanding" Heb. 11:35. Zie ook Rom. 8:23, 24; 13:11; 1 Thes. 5:8, 9; Heb. 9:28; Op. 12:10; 19:1.

Reeds in het O.T. stond ze sommigen voor ogen: Gen. 15:6; Heb. 11:35, 40 (volmaakt worden). Zij omvat zowel gelovigen uit IsraŽl als uit de volken. Al deze zijn "zonen" Gods, "sterren des hemels" Gen. 15:5, 6; Dan. 12:3; 1 Kor. 15:41, 42, broeders des Heeren Rom. 8:29. Ze worden gezegend MET (niet "in") Abraham Gal. 3:9, ze zijn Abrahams geestelijk zaad Gal. 3:29, behoren tot het Jeruzalem dat boven is Gal. 4:26, worden erfgenamen der wereld 1 Kor. 6:2; Rom. 4:13. Heel de schepping verwacht de openbaring dezer zonen Gods (Rom. 8:19) want dan wordt ze vrijgemaakt.

Aangaande de vraag of de opstanding van deze vůůr of na de grote verdrukking plaats heeft, zie in "Wat de Concordantie leert" het stuk over "Openbaring-Verschijning-Tegenwoordigheid".

We hebben hierboven reeds gesproken van twee toekomstige behoudenissen: die betreffende de wedergeboren IsraŽlieten en die aangaande hen die met Christus gestorven en zonen Gods zijn. De eerste hebben gedurende het Koninkrijk het aionische leven op aarde. De tweede hebben gedurende de toekomende aioon het aionische leven in de hemel, terwijl ze het nu reeds geestelijk bezitten. Voor de eerste was het "Evangelie der besnijdenis", voor de tweede het "Evangelie der voorhuid", al hadden er ook besnedenen deel aan, als ze niet meer bij hun vleselijke besnijdenis bleven staan. Voor elk dezer groepen is er ook een graad van gerechtigheid, zoals we verder zullen zien, De hemelsche sfeer is echter heel in het bijzonder die der gerechtigheid.


De behoudenis der gemeente.

Nu moeten we ook de overhemelse groep nagaan. De gedachte dat de "gemeente" niet door de verdrukking gaat is juist als men ze slechts toepast, niet op de "gemeente" genomen als omvattende alle gelovigen, maar op de Gemeente der verborgenheid, alleen door Paulus bekend gemaakt en wel nŗ Hand. 28. Het is het samen-lichaam van Ef. 3:6 (Griekse tekst). Zij verschijnen met Christus (Kol. 3:4) in de wolken en moeten vůůr Zijn verschijning opgestaan zijn. De anderen staan niet eerder op dan bij of na Zijn verschijning en de hemelse groep gaat Hem dan tegemoet in de lucht. Vooral zij, die de prijs van Fil. 3:14 behalen, namelijk de uitopstanding uit de doden (Fil. 3:11 Griekse tekst) staan vroeg op. Hun vernederd lichaam wordt veranderd en Zijn heerlijk lichaam gelijkvormig (Fil. 3:21) (1). Zij verwachten dus de Heere Jezus Christus als "Zaligmaker" (Behouder). Die Gemeente vormde op aarde nooit een zichtbare groep (2) en zal ook niet gemist worden, als al de leden zullen opgestaan zijn. Al was hun invloed op heel de schepping misschien groot, de andere gelovigen zijn zich niet of nauwelijks bewust van hun bestaan. Voor wat de aardse toestanden betreft, telt die opstanding dan ook niet mee en Op. 20:5, 6 kan de opstanding vlak vůůr het Koninkrijk dan ook heel goed de "eerste" opstanding noemen.


De behoudenis weg van de poel des vuurs.

Ten slotte moeten we nog iets zeggen over de behoudenis "weg van" de toorn (Rom. 5:9) der toekomende aioon en in het bijzonder van de poel des vuurs, na het oordeel van de grote witte troon. Wat we in Op. 20 lezen is in het bijzonder voor IsraŽl, maar toch weten we dat ook de volken er deel aan hebben. (Zie Luk. 11 :31, 32). Het betreft hier opgestane doden. Joh. 5:29 (evenals Dan. 12:1, 2) schijnt ook van deze opstanding te spreken in tegenstelling met die des "levens", die van vůůr de 1000 jaar.

Zij die aan de eerste opstanding deel hebben, komen niet in het oordeel (Joh. 3:18; 5:24). Van de hemelse groep wordt wel gezegd, dat ze voor de rechterstoel van Christus moeten verschijnen (Rom. 14:10; 2 Kor. 5:10), doch dan gaat het over het ontvangen van prijzen en beloningen naar hetgeen ze "gedaan" hebben, over "lof" (1 Kor. 4:5). Voor hen is er geen verdoemenis (Rom. 8:1), want ze zijn reeds geoordeeld in Christus toen ze met Hem stierven, ze zijn gerechtvaardigd van de zonde (Rom. 6:7). Het gaat hier over hun werken, niet over hun zonde. Voorzover die werken geloofswerken zijn, en niet in eigen kracht gedaan werden, krijgen ze een genadeloon.

Zij die voor de grote witte troon verschijnen, staan geheel voor eigen rekening en worden geoordeeld naar hun werken (Op. 2:23; 20:13; Rom. 2:6).

De vraag is nu: Wie wordt er bij deze opstanding des oordeels behouden en wie staat niet in het boek des levens en wordt in de poel des vuurs geworpen? Het is een heel ernstige vraag waarop de Schrift geen rechtstreeks antwoord geeft. Verder zullen we dat hier niet behandelen. We herhalen slechts dat teksten zoals 2 Thes. 1:8; 2:12 alleen toepasselijk zijn op hen, die God niet willen kennen en de waarheid niet willen geloven (Zie "Wat de Concordantie leert". Wij verwijzen hier ook naar blz. 107.). Mogelijk zijn het de opzettelijke en bewuste tegenstanders van God, Zijn haters Ps. 37:20; 68:2, 3; Heb. 10:27. Zij die de dingen van Rom. 1:28-32 geregeld doen ("prassoo" Rom. 1:32; 2:2) en er een welbehagen in hebben, zijn des doods waardig. Door hun hardheid en onbekeerlijk hart, hopen ze zichzelf toorn op, Rom. 2:5. Ze zijn niet te verontschuldigen, Rom. 1:20. Zij konden wel anders handelen, doch hebben het niet gewild.

Uit de verschillende behoudenissen ziet men ook, hoe vele EvangeliŽn er te brengen zijn. Niet alleen om zondaars te redden, doch om ze verder op de weg der behoudenis te leiden. Hoe ernstig zijn Paulus' woorden:

  • Kol. 1:28 "Christus ... Dien wij verkondigen, ieder mens vermanende en ieder mens lerende in alle wijsheid, opdat wij ieder mens volmaakt stellen in Christus".
  • 2 Tim. 4:2 "Predik het woord, houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk, wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer".
Vanzelf moet dat "met verstand" zijn (Rom. 10:2). Er staat: "roep uit (kŤrussoo) het woord", niet wat wij er, op een oppervlakkige wijze over denken.

Het hoofddoel zij in alles: God te verheerlijken en dat geschiedt, als we in volledige afhankelijkheid Zijn wil doen; daarvoor moeten we goed Zijn Woord onderzoeken en er ons waar mogelijk letterlijk, aan houden.


Voetnoten:

(1) Zie: "Wat de Concordantie leert". 1 Kor. 15:49 spreekt slechts van het "beeld"; 1 Joh. 3:2 van een "gelijken".

(2) Zie ook de brochure "De Strijd".


Hoofdstuk 16 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 18



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden