Hoofdstuk 15 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 17


De Weg der Behoudenis

XVI. De weg der behoudenis



De volgorde.

Wij moeten nu enige dingen samenvatten en ordenen. De stof is zo uitgebreid, dat het nodig is een overzicht te geven van de geopenbaarde weg der "zaligheid", d.i. behoudenis.

Voor de ongelovige is de eerste stap: uit de schepping en door middel van zijn lichaam en zijn ziel God te leren kennen en verheerlijken (Hand. 14:15, 17; Rom. 1:19, 20). Hij kan daarin door andere schepselen geholpen worden. Paulus was tot allen (Joden en volken) gezonden om hun ogen te openen (Hand. 26:18). God kan echter op allerlei andere wijzen werken. Veel zal afhangen van de bedeling of de omstandigheden. Zo waren de wonderen eens krachtige middelen. Zo kan Hij nu onder de onbeschaafde volken ook bijzondere middelen gebruiken.

Nu lezen we:

  • Heb. 11:6 "Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken".
Het geloven, dat God "is", kunnen wij ook rekenen als geloof "tot" (pros) God (1 Thes. 1:8), d.i. in de richting van God, zonder dat daarom het doel goed onderscheiden wordt. Het God zoeken en naderen en daarna dienen, wordt voorafgegaan door het zich afkeren van ("apo" d.i. weg van) de afgoden tot ("pros" d.i. in de richting van) God, 1 Thes. 1:9. Het spreekt vanzelf, dat "afgoden" op allerlei toepasselijk is dat men boven God stelt.

Hoe verder men komt op de weg der behoudenis, des te meer gaat, zoals we reeds gezien hebben, het geloof en de bekering omvatten en dit wordt in het Grieks op eenvoudige wijze uitgedrukt door het gebruik der voorzetsels pros, epi, eis, en. We moeten nu de gegevens, die we vroeger reeds afzonderlijk voor het geloof, de bekering en de omkering nagingen, bijeenvoegen en ordenen.

Het zal daarbij nuttig zijn een en ander voor ogen te houden.
  1. Geloof, bekering en omkering zijn zeer nauw met elkaar verwant, als het voorwerp hetzelfde inhoudt. Men bekeert zich en keert zich om naar men werkelijk gelooft.
  2. Daar de Zoon het "uitgedrukte beeld" van Gods zelfstandigheid is (Heb. 1:3), omhelst geloof en omkering in verband met de Heere mr dan geloof en omkering in verband met God, voor zover men Hem uit de schepping kan kennen.
  3. Men moet rekening houden met de tijd waarin de mens leeft. Terwijl Abrahams geloof "op" (epi) God tot rechtvaardigheid gerekend wordt, moet er nu geloof in (en) Christus Jezus zijn om tot de rechtvaardigheid te komen. Van zelf wordt mr verlangd als er mr geopenbaard is. Gen. 15:6 heeft "in" de Heere. Het geloof van Abraham betrof overigens niet bloot God als Schepper, maar God Die de doden levend maakt.
  4. Als het Christus betreft, is er natuurlijk een groot verschil in de geloofsinhoud, naarmate men in Hem gelooft als mens, als Messias, als Zoon Gods, als uit de doden Opgestane en Verheerlijkte, als Hoofd van het Samen-lichaam enz. Al wordt dezelfde naam en hetzelfde voorzetsel gebruikt, toch kan de tekst nog wel op een onderscheid wijzen. Als de opgegeven titel verschilt, moeten we daar rekening mee houden.
Behalve de vorige aanduidingen, die ons kunnen helpen en ons kunnen beletten mis te lopen, hebben we een groot aantal teksten, die toelaten alles nauwkeurig te rangschikken.

Het is wenselijk goed vast te stellen, waar we de wedergeboorte moeten plaatsen en hiertoe hebben we minstens twee duidelijke gegevens. Vooreerst Hand. 11:17, dat we als volgt in het Grieks lezen:
  • "Indien dan God aan hen gelijke gave geeft als aan ons, ook wanneer gelovende op de Heere Jezus Christus".
Die gave staat in die bedeling in verband met de wedergeboorte. Geloof "op" (epi, acc. d.i. tot het bereiken van) de Heere gaat dus gepaard met wedergeboorte.

Vervolgens hebben we 1 Joh. 5:1, dat we zo letterlijk mogelijk weergeven:
  • "Een iegelijk, die gelovende is (d.i. nu), dat Jezus is de Christus, is geboren geworden (dat geschiedde vroeger reeds) uit God" (Het Grieks heeft hier een voltooide tijd).
Volgens Joh. 11:25-27 stemt geloof dat Jezus is de Christus (de Zoon Gods) overeen met geloof "tot-in " (eis) Jezus. Dat geloof moet dus door de wedergeboorte vooraf gegaan zijn.

Hier zien we de werking van de Heilige Geest in de mens, Joh. 3:6, 8. Niemand kan zeggen, dat Jezus de Heere is, dan door de Heilige Geest, 1 Kor. 12:3. Die werking heeft slechts plaats na de wedergeboorte.

De omkering in de richting van de Heere (pros) van 2 Kor. 3:16 en die Isral betreft, kunnen we plaatsen na de omkering "op" God, waartoe de volken uitgenodigd werden (Hand. 14:15; 15:19; 26:18, 20). We mogen inderdaad aannemen, dat Isral wel zo ver gekomen was, al keerden ze zich nog niet tot de Heere.

Zo komen we dan reeds tot de volgende lijst:
  • Geloof en omkering tot (pros) God.
  • Geloof, bekering en omkering op (epi) God.
  • Omkering tot (pros) de Heere.
  • Geloof en omkering op (epi, acc.) de Here.
  • WEDERGEBOORTE
  • Geloof tot-in (eis) de Heere.
  • Geloof in (en) Christus Jezus.
We moeten nu nog plaatsen: geloof en bekering tot-in (eis) God. Uit 1 Petr. 1:21 moeten we besluiten dat zij die tot-in God geloven reeds wedergeboren zijn en uit Hand. 20:21 blijkt, dat bekering tot-in God nauw verwant is met geloof tot-in de Heere. We moeten verder nog onderscheiden tussen geloof tot-in de Heere (d. i. in verband met de aarde) en tot-in Christus Jezus (d.i. in verband met de hemelen). We kunnen onze lijst dus als volgt vervolledigen:
  • WEDERGEBOORTE
  • Geloof en bekering tot-in (eis) God
  • Geloof tot-in (eis) de Heere.
  • Geloof tot-in (eis) Christus Jezus
  • Geloof in (en) Christus Jezus.
Men kan opmerken, dat het zich omkeren in verband met God of de Heere, nooit gebruikt wordt na de wedergeboorte.

Er is dan reeds een gemeenschap met God. Wel spreken twee teksten van een omkeren van gelovigen, doch in een (Gal. 4:9) is het ten opzichte van de eerste beginselen en in de tweede (Jak. 5:19, 20) is het iemand, die een zondaar omkeert, niet zichzelf. "Bekeren" of "bekering" wordt meermalen gebruikt voor mensen die reeds wedergeboren zijn (zie b.v. 2 Tim. 2:25 in verband met het erkennen der waarheid). Het gaat dan om de wandel, niet hun positie voor God.

Voorzover we weten is er slechts n tekst, die niet in de opgegeven lijst past, namelijk Filemon 5. Hier staat geloof "pros" de Heere Jezus en het gaat zeker over een wedergeborene. Er is echter enige onzekerheid in de handschriften en de Alexandrinus gebruikt hier tot-in (eis). Als we deze lezing aannemen, is er volledige overeenstemming met onze lijst.

We kunnen die lijst nu nog verder aanvullen en controleren door andere teksten na te gaan. We nemen er slechts enkele en stellen de lezer voor zelf verder te onderzoeken.
  • Rom. 10:13-17 "Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? en hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? en hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Zo is dan, het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods".
De volgorde is dus hier:
  1. Het evangeliseren (v. 15) door van door God gezonden mensen;
  2. het horen;
  3. het geloven tot-in (eis) Christus;
  4. het aanroepen van Christus;
  5. het behouden worden.
In Hand. 26:18 vinden we het openen der ogen, het omkeren "op" God, de vergeving van zonden, het geloof "tot-in" Christus en het een erfdeel hebben onder de geheiligden.

Mark. 1:15 zegt: "Bekeert u en gelooft het Evangelie". Het is gericht tot Joden, die reeds in God geloven. Met het oog op het nabij zijnde koninkrijk, moesten zij zich tot God bekeren. Zo zouden zij een toegerust volk worden (Luk. 1:16, 17). Dan konden ze later in Christus geloven.

Uit Joh. 5:38-47 leren wij, hoe ze Gods eer moeten zoeken vr ze Jezus kunnen aannemen en Hem geloven.

Joh. 14:1 zegt, dat op het geloof "tot-in" God, geloof "tot-in" Christus moet volgen.

Dat na de wedergeboorte of geloof "op" de Heere Jezus Christus, de behoudenis (tot het koninkrijk) volgt, leren wij ook uit Joh. 3:3 en Hand. 16:31.

Hand. 2:38 spreekt ervan hoe op-God-gelovige Joden, die in het hart getroffen zijn door het evangelie dat Jezus is de Christus, tot bekering vermaand worden en bij de doop in de naam van Jezus Christus (dus geloof), de gave des Heiligen Geestes, dus de wedergeboorte, ontvangen. Vers 39 zegt dan, dat de belofte (deze omvat de wedergeboorte) hen toekwam, en hun kinderen, en allen die verre zijn, zo velen de Heere onze God er toe roepen zal. Wij nemen dit voor al de Isralieten, die reeds "op" God geloofden en zo bereid waren voor de wedergeboorte. Het is leerzaam hiernaast Joh. 10 te lezen (en andere delen), dat van de Herder en de schapen spreekt. Men weet dat in de Hebreeuwse Schriften alleen de Isralieten "schapen" genoemd worden. Wij nemen die uitdrukking in het bijzonder voor de op-God-gelovige Joden. De Herder roept ze bij name en de schapen volgen Hem, omdat zij Zijn stem kennen. Zodra die op-God-gelovigen inderdaad die goede boodschap horen, nemen zij ze aan (zie ook 1 Joh. 4:6). Als zij de "deur" ingaan, d.i. tot-in de Heere Jezus Christus geloven, zullen zij behouden worden. Er waren van die schapen te Jeruzalem (deze stal, Joh. 10:16) en ook andere (van dezelfde soort) buiten Jeruzalem (hen, die verre zijn, Hand. 2:39), die moesten geleid worden tot een kudde. Zij die niet geloofden, waren Zijn schapen niet (Joh. 10:26). Aan de schapen geeft Hij het eeuwige leven (dus moeten zij door wedergeboorte tot geloof tot-in Christus komen).

Hand. 8:14 spreekt van hen, die het woord Gods hebben aangenomen, doch nog niet wedergeboren waren (v. 16). Zij ontvingen heilige geest door handen oplegging.

Uit de geschiedenis van Cornelius kunnen wij ook iets leren. Hij was "godzalig" en "vrezende God". Hij geloofde reeds op (epi) God. Nu komt Petrus met het evangelie en wij zien de werking van de Heilige Geest (wederg.) na geloof en bekering op (epi, acc.) de Heere (Hand. 11:18).

Het evangelie is een kracht tot zaligheid een iegelijk die gelooft, Rom. 1:16.

Door geloof in (en) Christus Jezus komt men tot het zoonschap en de gerechtigheid (Hand. 13:39; Gal. 3:26). Zij zijn met Christus gestorven en hun geloof rust in Hem. Zij die tot-in Christus Jezus geloven moeten nog gerechtvaardigd worden (Gal. 2:16).

We voegen nu alles te samen in de volgende tabel, waar we behalve de aardse en hemelse sferen, die ons tot het kind- en zoonschap brengen, nog de over-hemelse bijvoegen. Hier is volle gemeenschap, vereenzelviging met de mystieke Christus.

In een later hoofdstuk spreken we over de verschillende "behoudenissen".


De weg der behoudenis

Het openen der ogen.
Hand. 26:18, 20.
Geloven dat God "is";
geloof en omkering tot (pros) God.
Heb. 11:6; 1 Thes. 1:8, 9
(De deur des geloofs.)
Hand. 14:27
Geloof, bekering en omkering van ijdele dingen en van satan op (epi) God.
Hand. 14:15; 15:19; 26:18, 20; Heb. 6:1
Omkering tot (pros) de Heere.
2 Kor. 3:16.

....................................................................................

Vergeving van zonden en misdaden
Geloof en omkering op (epi, acc.) de Heere.
Hand.9:35, 42; 11:17-21; 16:31
De Geest gegeven aan hen, die Hem gehoorzaam zijn.
Hand. 5:32
WEDERGEBOORTE. Kind van God.
1 Joh. 5:1; 1 Joh. 1:12, 13
Geloof en bekering tot-in (eis) God.
Joh. 14:1; Hand. 20:21; 1 Petr. 1:21
Geloof tot-in (eis) de Heere, geloof dat Jezus is de Christus. Aionisch leven op aarde.
Joh. 3:16; 6:40; Joh. 11:25-27

....................................................................................

Der zonde doodGeloof tot-in (eis) Christus Jezus.Gal. 2:16
Geloof in (en) Christus Jezus.Hand. 13:39; Gal. 3:26
Zoonschap, Gerechtigheid.
Aionisch leven in de hemel.
Rom. 6:23

....................................................................................

Zonden en misdaden kwijtgescholden.

Der zonden dood.
Volledige gemeenschap.
Het samen-lichaam.
De Gemeente der verborgenheid.
Ef. 2:1, 5; 3:6; 4:32



Door de stippellijnen ........ hebben we gepoogd de verschillende sferen van gemeenschap af te scheiden. Men neme deze grenzen echter niet te scherp.

Misschien zal men ons tegenwerpen, dat we die sferen in het geheel niet mogen scheiden en dat er slechts een geleidelijke vooruitgang is in het geestelijke leven. We zien echter dat God steeds scheidingen maakt en dan ook spreekt van het recht "snijden" van het woord der waarheid. Dat wijst er op dat er zeer bepaalde grenzen zijn en we zien die dan ook in de aionen en bedelingen. Van zelf is er een ontwikkeling van Gods plan en volgt het een op het ander. Toch gaat dit niet geheel geleidelijk, doch met afgebakende tijden en omstandigheden. Verder vergelijken we de gelovige met een schoolknaap. In de school zijn er verschillende en wel begrensde klassen, al is de een de voorbereiding tot de andere. Min of meer in die geest zien we ook de verschillende sferen van gemeenschap en zegening. Alle gelovigen te samen kunnen wel als een grote eenheid gezien worden (dat is dan wat men dikwijls "gemeente" noemt), in onderscheiding met hen "die buiten zijn", met "de wereld". Allen zijn minstens kinderen Gods, maar toch moeten we ze in groepen verdelen, zoals de leerlingen ener school (die een eenheid vormt) in klassen verdeeld zijn.

Dat er bij de sferen ook zeer bepaalde grenzen bestaan, is duidelijk, want de aardse sfeer begint moet de wedergeboorte, de hemelse sfeer bij het sterven met Christus en de overhemelse bij het een dode zijn ten opzichte der zonden (1).

De gelovige is daarom niet altijd geheel bewust van de overgang van sfeer tot sfeer, doch dat bewijst niets tegen die verdeling. De praktijk leert zelfs, dat dergelijk bewustzijn van een plotselinge overgang er wel kan zijn. Men kent niet alleen treffende gevallen van plotselinge bekeringen van ongelovigen (wedergeboorte), maar ook zijn er die het sterven met Christus als een heel bijzonder feit in hun geloofsleven ondervonden hebben. Vroeger worstelden ze tegen de zonde, nu houdt plotselings alle strijd op, want ze zijn der zonde dood.

De Berullianen der Roomse kerk (2) en de Protestanten, die van een "overwinningsleven" spreken, leggen de nadruk op dit sterven met Christus en het daarop volgende leven in Hem. De hogere gemeenschap van het "samenlichaam" komt daarbij gewoonlijk niet tot haar recht. Voor hen, wier ogen verlicht worden en die iets van de grote verborgenheid zien, is er ook hier een min of meer plotselinge overgang.

Het spreekt vanzelf, dat ieder de weg der behoudenis meer of minder snel kan afleggen en dat verschillende trappen om zo te zeggen kunnen samenvallen en niet bewust onderscheiden worden. God gebruikt allerlei middelen om de mensen vooruit te stuwen op die weg. Veel kan afhangen van de bedeling, de tijd en de omstandigheden waarin men leeft. Er zijn tijden, zoals nu, waarin God om zo te zeggen zwijgt. Toch menen wij, dat de normale door God geopenbaarde weg in alle bedelingen dezelfde is. De wijze waarop hij doorlopen wordt, de snelheid, de werking Gods, kunnen echter veel verschillen. Voor velen wordt ook de weg slechts ten deele afgelegd gedurende hun leven in onze aioon.

Wij wensen hier bijzonder de nadruk te leggen op Gods vrijmacht. Als Hij Zelf de weg der behoudenis heeft aangegeven, en Hij deze dan ook toepast, kunnen wij wel de nadruk leggen op die weg, zonder gevaar iets af te doen van Zijn soevereiniteit. Wat wij echter niet mogen doen, is te beweren, dat Hij niet anders kan werken. De gewone geopenbaarde weg vinden wij in de Schriften en daaraan moeten wij ons houden. Op een andere weg mogen wij niet rekenen. Maar dit alles belet niet, dat God wel een andere kan kiezen als Hij dat nodig vindt. Wij zullen later zien, dat Hij ook op heel bijzondere wijze kan ingrijpen, als Hij b.v. iemand een opdracht wil geven om Zijn voornemen uit te werken.

Wat men vooral van de gewone weg der behoudenis moet weten, is dat er geloof en bekering tot God moet zijn, vr er wedergeboorte is en dat zonder wedergeboorte er geen geloof in Christus kan zijn.

Wij menen dus, dat de gewone weg der behoudenis door een reeks verschillende posities loopt. Gods vrijmachtig besluit plaatst ons, buiten onze wil en medewerking om, in een zekere positie. Dan moeten wij door het geloof aannemen, in bezit nemen, wat God ons in die positie aanbiedt, wat de Heere Jezus Christus voor ons verworven heeft. Er wordt van ons verwacht, dat wij in overeenstemming met die positie naar Gods verlangen zullen wandelen. Aan elke positie is een hoop verbonden, die allen toekomt die in deze positie geplaatst zijn.

Onze werken moeten dan de vrucht zijn van ons geloof in wat God voor ons gedaan heeft. Het zijn geloofswerken, door Hem mogelijk gemaakt, omdat Hij er ons de kracht toe geeft. Op die werken kan een loon volgen, het genadeloon. Het is de prijs, die niet noodzakelijk allen ten deel valt.

Wij zullen later meer uitvoerig zien, dat wettische werken de dingen juist andersom stellen. Zij worden uitgevoerd in eigen kracht en hebben tot doel de positie te verwerven. Men mene dus niet, dat wij werkheiligheid in Roomse zin, of lange perioden van ervaringen in protestantse zin voorstaan en nodig achten eer men mag geloven Gods genade deelachtig te zijn. Men mene niet, dat wij beweren, dat God ons in een nieuwe positie plaatst, omdat wij zo goed in die vroegere gewerkt hebben. Wij menen echter wel, dat God in de regel niemand in een hogere positie zal plaatsen als hij zelfs niet wandelt naar zijn eerste positie. Want dan doet hij Gods wil niet en zondigt en God kan hem in die weg niet aanmoedigen noch zegenen. Wij menen ook, dat het Gods belofte is iedereen vooruit te helpen en we dus, als we Zijn weg volgen niet op Hem behoeven te wachten. Alle zonde en achteruitblijven heeft zijn oorzaak in de traagheid, de onwil, het weerstaan van de gelovige, niet in een niet werken van God.

Voor ons is God de mens dus altijd voor. Steeds moet de mens slechts uitwerken wat God reeds volbracht heeft. Nooit kan de mens uit Zichzelf iets verdienen. Wat God voor ons vrijmachtig gedaan heeft, onze positie, is de grond, ons geloof is de wortel en onze werken zijn de vruchten. Dragen wij vruchten, dan kan God, als dat in Zijn voornemen past, ons hoger plaatsen uit zuivere genade. Onze positie is dus geen doel, maar een uitgangspunt. Bij de werkheiligheid is de mens de grond, zijn werken de wortel en de positie zou de vrucht moeten zijn. De werkheiligheid en het letten op bevindingen vestigen de blik op onszelf, terwijl wij op Hem moeten zien, Die ons alleen kan helpen.

Maar als dan de Schrift werkelijk van verschillende posities spreekt, dan moeten wij ze ook leren onderscheiden. Want God geeft ons wel de mogelijkheid naar de positie te wandelen, waarin Hij ons geplaatst heeft, maar niet naar een andere. Van ons wordt wel een waar geloof gevraagd in wat God ons aanbiedt, maar niet in wat Hij voor hogere sferen bestemt. Daarom ook is het zo nodig het Woord der waarheid recht te snijden. Omvat ons geloof wat voor ons bestemd is, dan zal dat geloof er ons toe leiden de kracht te ontvangen om Gods wil uit te werken. Dat geloof zal ons niet koud laten en zal niet verzwakken. Vermengt men echter wat God gescheiden heeft en tracht men te geloven en op zichzelf toe te passen wat God tot verschillende groepen zegt, dan kan ons geloof niet vast zijn, het zal telkens wankelen en moet steeds aangevuurd worden. Dan is ook de weg der behoudenis niet duidelijk afgetekend en is er kans dat wij blijven stilstaan of afdwalen.

Zoals we reeds deden opmerken, is ons geloof gekleurd naar het voorwerp des geloofs. Is de inhoud des geloofs verward en onzeker, dan is dat ook het geval met ons geloof. Dan doen we niets dan wankelen.

Men kan de vraag stellen hoe men kan weten dat God ons in een zekere positie geplaatst heeft. In de eerste plaats is een nauwkeurig Schriftonderzoek hier behulpzaam, doch het zal vooral de Heilige Geest Zelf zijn Die zo op ons inwerkt, dat we dit bewustzijn voor ons zelf verkrijgen als we maar ernstig willen luisteren. Van anderen kunnen we slechts vermoeden waar God ze geplaatst heeft, volgens hetgeen hun geloof schijnt te omvatten.

We voegen hier ook nog bij, dat men niet in een positie komt door kennis of geloof. Het is niet omdat we reeds een vage visie van iets hebben dat we er zijn en het is niet omdat anderen sommige zaken nog niet inzien dat ze er niet zijn. Het in een positie plaatsen is geheel Gods werk voor ons. Daarna kunnen we er kennis van krijgen, er in geloven en er naar wandelen. Dit alles in Gods kracht, naar wat Hij mogelijk maakt.


Een vergelijking.

Het is met enige weifeling, dat we hier een vergelijking geven, die onze gedachten meer tastbaar kan voorstellen. Men denke er echter aan, dat een vergelijking altijd gebrekkig is. De verschillende posities waarin een mens kan geplaast worden, vergelijken wij bij de verdiepingen van een huis. Het gelijkvloers is b.v. de sfeer van de natuurlijke mens. Hier kan hij alles doen wat tot die sfeer behoort, omdat de heer des huizes daartoe de nodige middelen gegeven heeft. Wij drukken dit uit door te zeggen, dat hij zich vrij in elke horizontale richting, op zijn niveau, kan bewegen. De heer verwacht dat hij op deze verdieping alles zal doen wat met zijn positie overeenkomt. De heer wil hem echter verder helpen dan het gelijkvloers en spreekt hem, door middel van allerlei middelen die tot zijn sfeer behoren, van de hogere dingen. Met zijn "natuurlijke" vermogens, die hij van de heer ontvangen heeft, kan hij die dingen wel niet begrijpen, maar door die voorlichting toch bewust worden dat er een hogere verdieping is en dat het ware leven niet op zijn niveau ligt. Zijn neiging is echter uit eigen macht naar boven te klimmen, maar dat gaat niet. Al is hij vrij zich horizontaal te bewegen, in verticale richting vermag hij niets. Ook hier toont de heer des huizes hem echter weer de weg: als hij de lift instapt, of in die lift wil blijven, waar de heer hem desnoods geplaatst heeft, kan hij door een kracht die buiten hem ligt, opgenomen worden tot een hogere positie. Op de lift kan hij zelf stappen, want deze ligt op zijn niveau, er is maar een horizontale beweging voor nodig en die kan hij uitvoeren door de mogelijkheid die de heer hem uit genade geschonken heeft.

De heer zet hem dus gewoonlijk niet op de lift, maar leidt hem er heen. De mens kan altijd weerstaan. (Wij spreken hier niet over bijzondere gevallen, die wij verder onderzoeken, als wij over uitverkiezing spreken). Het opstijgen is geheel buiten de mens om. Het is iets dat hij gewild heeft en dus vanzelf niet weerstaat. Er is misschien veel teleurstelling en ondervinding nodig voor hij inziet niet uit eigen kracht naar boven te kunnen gaan en hij gebruik leert maken van de lift.

Als de heer hem vrijmachtig op een andere verdieping zet, ontvangt hij tegelijkertijd al wat nodig is om de dingen dezer nieuwe sfeer te begrijpen en volgens zijn nieuwe positie te wandelen. Zo kan hij weer, uit genade, op de lift stappen om tot hoger sferen te komen.

Blijft hij op een verdieping, dan is zijn lot aangepast aan de toestanden van die verdieping. Komt hij in opstand, dan krijgt hij straf.

Het gelijkvloers van onze vergelijking komt b.v. overeen met de toestand van de natuurlijke mens. In zijn sfeer kan de natuurlijke mens komen tot geloof en omkering "tot" en "op" God. Niet uit eigen kracht, maar door de mogelijkheid, die God hem daartoe gegeven heeft. Daar die mogelijkheid in hem ligt, geschieden die dingen niet buiten hem om. God dwingt hem niet op de lift te gaan en op te stijgen. Het hangt van mens af zich zover te laten leiden. Al zou God hem in de lift plaatsen, hij is nog vrij er af te gaan.

Als hij echter tot de lift gekomen is of in de lift wil blijven, dan kan de wedergeboorte volgen. Hierbij is de mens passief, kan zelf niets doen, omdat hij daartoe het vermogen niet heeft ontvangen. De wedergeboorte is onweerstandelijk in die zin, dat hij het gewild heeft en dus niet meer weerstaat.

Door de wedergeboorte komt hij in een andere sfeer en heeft nu ontvangen wat nodig is om de geestelijke dingen te begrijpen en naar zijn nieuwe positie te wandelen. Zo komt ook het geloof "tot-in" Christus. Al wat tot zijn sfeer behoort, moet hij weer door het geloof aanvaarden en dan kan God hem nog hoger plaatsen in de hemelse en over-hemelse sferen.

Wij herhalen, dat hij in zijn natuurlijke positie niet kan geloven, dat Jezus is de Christus, hij heeft daartoe het vermogen nog niet ontvangen. Maar hij kan wel in God geloven en zich "op" God bekeren en zo aanleiding geven door God wedergeboren te worden. Dan kan hij tot-in Christus geloven.

Nooit komt hij tot iets uit eigen kracht. De horizontale beweging, zijn wandelen in zijn sfeer, kan hij slechts door de kracht die God hem, daartoe geeft. De vertikale beweging, het opstijgen tot een andere sfeer, geschiedt door een kracht die geheel buiten hem ligt. Als hij naar Gods wil wandelt, doet hij geloofswerken. (Zie het hoofdstuk over genadeloon). Later bespreken wij bijzondere gevallen waar God iemand, voor zo veel wij kunnen oordelen, nog op andere wijze in een nieuwe positie plaatst. Dat is dan om een bijzondere opdracht te vervullen, ten bate van anderen. Het is niet de gewone weg der behoudenis.

Bij deze vergelijking moet men ook nog in het oog houden, dat de lift niet noodzakelijk altijd werkt. God is tot niets verplicht. Wel toont de Schrift dat Hij velen wederbaart en het "zaligmakend" geloof schenkt als ze zich bekeerd hebben. Maar Hij behoeft dat niet te doen en doet het ook niet altijd. Ten minste niet onmiddellijk. Ook hier is het onderscheiden der bedelingen en aionen van groot belang. In sommige leidt Hij de mensen op krachtige wijze tot de lift. In andere zwijgt Hij in vele opzichten. De heidenvolken zijn steeds een probleem geweest. Waarom hebben zij niet dezelfde gelegenheid als anderen om de heilswaarheden te horen? Wij zien de oplossing in het Voornemen der aionen. God volgt een weg. Isral zou Zijn instrument zijn. Maar Isral faalt. Zo toont Hij nu allen nog de gevolgen van het niet uitvoeren van Zijn wil. Eens komt Isral toch tot het uitvoeren Zijner opdracht en dan hebben de volken hun volle deel aan Gods heil. Intussen zal God het wel z schikken, dat tenslotte toch geen enkele persoon benadeeld is. Niemand mist de gelegenheid zich tot God te bekeren (zie het hoofdstuk over bekering). Als hij tijdelijk niet verder kan komen op de weg der behoudenis, daar hij niets weet van de Behouder, zal God hem dit niet toerekenen, maar hem misschien juist schadeloos stellen voor dit tijdelijk gemis.


Een tweede vergelijking.

We kunnen ook een andere vergelijking gebruiken. Er zijn lagere, middelbare en hoge-scholen. Elk dezer kunnen we aanzien als een positie, waarin kinderen, jongelingen en volwassenen geplaatst zijn. De weg van het onderwijs gaat dan van de ene positie tot de andere. In elke school zijn er verder nog verschillende klassen, dus nog een onderverdeling der positie.

Wat geschiedt er nu met de leerlingen? Laat ons een bepaalde klas in een bepaalde school nemen. De leerling is er geplaatst, opdat hij zou opwassen tot het hoogste wat in die klas onderwezen wordt. Al is hij in een zekere positie geplaatst, daarom heeft hij nog niet onmiddellijk, wat met die positie overeenkomt. Hij moet juist leren dit alles in bezit te nemen. Daartoe wordt hem alles aangeboden wat hem kan behulpzaam zijn; hij ontvangt de mogelijkheid te doen, wat van hem verlangd wordt. Nu verwacht men ook, dat hij daarvan zal gebruik maken en naar zijn positie zal wandelen. Doet hij zijn best en gebruikt hij die genadegaven, dan kan hij zijn doel bereiken en behalve het ontvangen van een beloning, ook in een hogere klas geplaatst worden. Dit laatste behoeft niet noodzakelijk, maar zal in de regel wel geschieden. De leerling kan wel een genadeloon verdienen in zijn klas, maar verdient niets wat er boven uit gaat, b.v. het plaatsen in de hogere klas. Als hij niet werkt zoals het behoort, kan men hem vanzelf niet hoger plaatsen, want dat zou eenvoudig de luiheid aanmoedigen. Daarbij zou het hem niet helpen, want in die hogere positie begrijpt hij toch niets van wat geleerd moet worden. Zijn wandel kan hem dus beletten verder te gaan. Benut hij goed de lessen die hij leren moet, dan kan dit hem een genadeloon doen toekomen. Het hoger plaatsen zelf ligt buiten hem.

In elke klas doen de onderwijzer en de ouders alle moeite om de leerling vooruit te helpen. Zij maken het hem zo gemakkelijk mogelijk en dringen voortdurend aan op vlijt enz. Zij wijzen hem terecht en straffen ook als dat nodig en nuttig kan zijn. Maar tenslotte hangt toch alles af van de leerling. Deze kan zich steeds verzetten en als hij niet wil leren, dan is alle moeite verloren. Het werken in een gegeven klas, de wandel in een zekere positie, hangt dus af van de leerling. Het plaatsen in een hogere positie hangt af van de onderwijzer en de ouders. Hier kan de leerling alleen belemmerend of belettend werken, niet verdienend.

Behalve die regelmatige weg, is het niet uitgesloten, dat er andere zijn. Men kan zich b.v. zeer goed het geval voorstellen, waar de onderwijzer sommige leerlingen op een zeer bijzondere wijze voorbereidt, omdat hij ze een bijzondere opdracht wil geven ten opzichte van de andere leerlingen. Zij kunnen hem misschien in een of ander bijstaan de anderen vooruit te helpen. Dat zijn uitverkorenen.

Het in een positie plaatsen is uit genade, buiten de mens om, buiten zijn verantwoordelijkheid, door Gods besluit. Het wandelen in de positie hangt van de mens af, het betreft Gods verlangen.

In de weg van het onderwijs wordt alles aan het kind geschonken: het leven; de gezondheid; de verstandelijke vermogens; ouders, die voor het kind zorgen; onderwijzers, die het helpen; een school en al wat verder nog nodig mocht zijn. Dit alles komt niet van het kind, het moet er alleen gebruik van maken en zijn eigen wil niet volgen. Zo is het ook met de weg der behoudenis: alle dingen zijn van God en de mens moet ze maar aannemen. Hierin is hij verantwoordelijk.

Een leerling moet niet zeggen, dat hij nog op iets wacht om verder te komen. Dat zou tonen, dat hij een eigenwillige weg, die niet voorbereid is, wil volgen. Neen, alles is gereed en zo er stilstand is, dan ligt de schuld alleen bij de leerling. Volgt hij getrouw de voorgeschreven weg, dan kan hij snel vooruit komen, loon verdienen; in een hogere positie geplaatst worden en boven alles, zijn onderwijzer en ouders verblijden.

In de regel moet de geloovige niet op God wachten. Het is het schepsel dat altijd te traag is en van zichzelf geen afstand wil doen. Zo is er stilstand op de weg der behoudenis. Paulus zij hier ons model. Hem navolgende zullen we in korte tijd de weg der behoudenis doorlopen en God verheerlijken.


Voetnoten:

(1) Zie ook "Om en over de Verborgenheid - Vierde Viertal".

(2) Berullius leefde in de 17e eeuw. Waarschijnlijk werd hij vooral benvloed door het lezen van het Nederlandse of Vlaamse werk: Die grote evangelische Peerle (1602), dat een grote invloed uitoefende op de geestelijke wereld. Zie: Aanhangsel Nr 2.


Hoofdstuk 15 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 17



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden