Straf, kastijding, pijniging, tuchtiging, wraak, vergelding | Inhoudsopgave | Ziellijk, geestelijk, vleselijk

Wat de Concordantie Leert



Leven en dood

De Schrift gebruikt voor "leven" de twee woorden "zoè" en "bios". Het eerste is het leven in zichzelf, de levenskracht. Het tweede is de openbaring van het leven.

Over "bios" zullen we hier niet veel zeggen. Dit woord kan de levenswijze aanduiden, zoals in Luk. 8:14; 1 Tim. 2:2; 1 Tim. 2:4; 1 Joh. 2:16, ofwel wat tot het leven nodig is, zoals in Mark. 12:44; Luk. 8:43; 15:12, 30; 21:4; 1 Joh. 3.17. Door "zoè" verstaat men de levenskracht die een organisme in werking zet en zo in gemeenschap stelt met zijn omgeving. Het is het omgekeerde van "thanatos", dood, waar die kracht ontbreekt en het organisme dan ook niet meer kan werken.

Het ligt voor de hand onderscheid te maken tussen het gewone leven, de kracht die het stoffelijke lichaam in beweging zet en het geestelijke leven. Het eerste is voldoende om de mens in gemeenschap te stellen met de schepping. Het tweede is nodig om in gemeenschap te staan met God. Het eerste is nauw verwant met de ziel en de zinnen, het tweede met de geest. De volle ontplooiing van beide levens begint in de toekomende aioon: die van de ziel zowel als die van de geest. Zij die tot de aardse sfeer behoren en dan op aarde leven, delen in de stoffelijke zegeningen van die aioon. De hemelse sfeer heeft deel aan het aionische leven in de hemel. (Zie Het eeuwige leven).

Nu kan men ook voor de dood een dergelijk onderscheid maken. Er is vooreerst de gewone dood, die het lichaam en de ziel treft en vervolgens de dood in verband met de geest. De eerste heeft tot gevolg dat er geen gemeenschap is met de schepping, de tweede dat er geen gemeenschap is met God. Beide zijn een gevolg der zonde, d.i. der ongerechtigheid. Men zou kunnen zeggen, dat zij een "natuurlijk" gevolg der zonde zijn. Oordeel en straf zijn slechts voor bewuste en gewilde zonden (Heb. 10:26-31).

Voor Adam was de dood een gevolg van oordeel; voor ons echter niet, want wij zijn niet verantwoordelijk voor de zonde. Door onze vlees-gemeenschap met Adam delen we in de gevolgen van het oordeel dat hem trof. (Zie Zondigen alle mensen in Adam).
Alle leven komt van God. Als de gemeenschap verbroken is, moet de dood "vanzelf", maar daarom niet plotseling volgen. God had tot Adam gezegd: "stervende zult gij sterven". Dat duidt een proces aan. De afgehakte tak blijft nog een tijd leven maar dat is eigenlijk maar een sterven. Het einde van de mens, die van God gescheiden leeft, is de dood, die lichaam, ziel en geest omvat. De Schrift spreekt daarom ook van de behoudenis van de geest (1 Kor. 5:5).

Wij achten het onnodig hier teksten op te geven voor de gewone dood. De toestand waarin onze geest niet in betrekking staat met Gods Geest, wat men dan ook soms de "geestelijke" dood heeft genoemd, vinden wij in menige plaats aangegeven. Zo b.v. in:

  • Joh. 5:24 "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven".

  • 1 Joh. 3:14 "Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben: die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.
In Rom. 5:12, 14, 17, 21 betreft het ook beide de gewone dood en de scheiding van God. Het laatste vers stelt ook de dood in tegenstelling tot het aionische leven en toont dus duidelijk dat het hier over méér dan de gewone dood gaat. Zo ook in:
  • Rom. 6:23 "Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere".
Dood staat tegenover "aionisch leven" en betreft de dood naar lichaam, ziel en geest. Zie verder Rom. 7:10, 13. Men ziet ook, dat de dood van onze Heere Jezus Christus verder gaat dan de gewone dood. In Rom. 5:10 heeft men weer de tegenstelling: dood-leven en waar het leven niet alleen het gewone leven is, moet dat ook het geval zijn met de dood, die hier aangegeven wordt.

Op het kruis werd Hij een vloek voor ons (Gal. 3:13), werd Hij zonde gemaakt (2 Kor. 5:21) en moest dus door God verlaten worden (Mat. 27:46). Hij stierf tegelijkertijd in twee opzichten: de gemeenschap met de schepping en met de Vader werd onderbroken. Maar de Vader zou Hem niet verlaten tot-in de Hadès (Hand. 2:27, 31) en zou Hem behouden uit de dood (Heb. 5:7). Vóór het kruis had Hij gemeenschap met Adam en het "oude mensdom". Hij nam de zonde op Zich en stierf voor de zonde. Bij Zijn opstanding is het "nieuwe mensdom" begonnen. In deze zin kan men dan ook het "heden heb Ik u gegenereerd" (Hand. 13:33) opvatten. Zie ook Kol. 1:18; Op. 1:5 en 1 Kor. 15:45-47. "Gegenereerd" is hetzelfde woord als "verwekt", dat in Hand. 13 meer voorkomt. Het heeft betrekking op Christus' opstanding.

En nu hebben de wedergeborenen het voorrecht ook met Hem te kunnen sterven (Rom. 6:3-12) en dan met Hem te kunnen leven. (Men lette erop dat dit nooit als een "opstanding" aangeduid wordt.) Men is dan "gerechtvaardigd van de zonde", dat is niet eenvoudig een vergeving van zonden, maar een positieve gerechtigheid, tegenover de negatieve ongerechtigheid. Bij de wedergeboorte begint de werking van de Heilige Geest in ons. Hij ontsluit ons zo het aionische leven. Want zo kan men tot-in Christus gaan geloven en met Hem het oude mensdom afsterven. Het kan dan zelfs gaan tot de positie waarvan Paulus in zijn gevangenschapsbrieven spreekt, en waar men werkelijk gerekend wordt als deel makende van het nieuwe mensdom.

Bij de gewone dood gaat men in de Hadès. Het lichaam heeft dan een bijzondere bestaanswijze, waar het niet meer gewoon stoffelijk is, niet leeft in de gewone zin van het woord, d.i. geen gemeenschap meer heeft met de schepping. De dode mens wordt bewaard tot de opstanding, hetzij ten leven, hetzij ten oordeel (2 Petr. 2:9). Indien het laatste, dan volgt er straf op het oordeel. De straf komt nooit vóór het oordeel en in de Hadès kunnen ze dus die straf niet uitboeten. Zij die reeds met Christus gestorven zijn, blijven ook bij de dood in gemeenschap met God in zo verre Hij ook in de Hadès is (Ps. 139:8).

De uitdrukkingen dood zijn en sterven worden ook gebruikt om een verbreking van gemeenschap aan te duiden ten opzichte der Wet (Rom. 7:4, 6; Gal. 2:19), der eerste beginselen (Kol. 2:20), der zonde (Rom. 6:2, 11). In 1 Tim. 5:6 is er geen gemeenschap meer met de geestelijke dingen. ("Levend" staat niet in de drie voornaamste handschriften).

Het kenmerkende van de dood is het ophouden van de werking van een organisme en de onderbreking der gemeenschap met de omgeving. Het gevolg kan verschillend zijn en wordt niet aangegeven door het woord "dood". Zo gebruikt men dezelfde uitdrukking voor mensen, dieren en planten en wil daarmee zeggen dat hun leven ophoudt. Meer niet. Wat er met de mens, het dier of de plant verder gebeurt, blijft buiten bespreking. Als de Schrift dan spreekt van een "tweede dood" zegt dit alleen, dat ze reeds door een "eerste dood" gegaan zijn. Wat die dood is, of de gevolgen anders zijn, wordt hier niet uitgedrukt. Daar echter de Schrift de "tweede dood" gelijk stelt met de "poel des vuurs" hebben we hier een bijkomende aanwijzing die ons iets meer zegt van de gevolgen.

Zoals we reeds gezien hebben in de studie over "Straf, enz." staat "vuur" steeds in verband met straf, kastijding, pijn, wraak. Dat deze "tweede dood" een plaats der pijniging is voor de duivel, het beest en de valse profeet ,zegt ons Op. 20:10. Wat het nu juist betekent voor de anderen, die in deze poel des vuurs geworpen worden, laat de Schrift onbeslist. Het schijnt echter wel duidelijk dat deze dood geen "rust" tot gevolg heeft, zoals de eerste. Straf voor bewuste en gewilde zonden moeten ze dragen, hetzij vóór, hetzij in die poel des vuurs. Mogelijk ook ten dele er vóór, ten dele bij het inwerpen. Wat dat vuur juist is, kunnen wij ons niet voorstellen. Wel dat het iets verschrikkelijks moet zijn.

Het Grieks gebruikt het woord "nekros" voor: een dode, of een dood lichaam. Wij zullen deze uitdrukking hier niet onderzoeken, doch alleen opmerken, dat ze gebruikt is in Ef. 2:1, en Kol. 2:13 waar de toestand geschilderd wordt van de leden van het "samen-lichaam". Zij zijn niet alleen gerechtvaardigd, door hun sterven met Christus, maar worden beschouwd als zijnde een dode ten opzichte van de zonden. Zij moeten er dus geen gemeenschap meer mee hebben. Het betreft hier niet de toestand van een ongelovige. Het Grieks toont dat duidelijk. (Zie hiervoor "De Weg der Behoudenis").



Straf, kastijding, pijniging, tuchtiging, wraak, vergelding | Inhoudsopgave | Ziellijk, geestelijk, vleselijk



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden