Levend Water

Is God
de Schepper van het kwaad?




................ Vrijgegeven gedeelte van de brochure


2. Is God de Schepper van het kwaad?

2.1 Wat voor kwaad?

Zij, die leren dat er geen persoonlijke Satan zou bestaan, zijn meestal verstrikt geraakt in kwesties en vraagstukken over de oorsprong van goed en kwaad. Ongewild komen zij tot de meest godslasterlijke uitspraken, zoals o.a. dat God de Schepper van het kwaad is. Meestal voert men direct hiertoe Jes. 45:7 aan, als het doorslaggevend bewijs.

5 Ik ben de HEERE, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent. 6 Opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben de HEERE, en niemand meer. 7 Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik, de HEERE, doe al deze dingen. (Jesaja 45, Statenvertaling verder afgekort: SV)

Zo op het eerste gezicht lijkt de hele kwestie in ťťn keer besloten te zijn en lijkt het onomstotelijk vast te staan, dat God de Schepper van het kwaad is.

"Deze verklaring door Jesaja is zo direct, ondubbelzinnig en duidelijk, dat zij een doorslaggevend antwoord biedt op de hele kwestie van de oorsprong van het kwaad", (J. v/d Westelaken, Bijbels Denken, 4e jrg., nr.9, blz. 10).

Als men echter nauwkeuriger de tekst onderzoekt, ontdekt men, dat deze conclusie te snel getrokken wordt. Het Hebreeuwse woord voor "kwaad" is ra . Het kan refereren:


aan het morele kwaad.
of
aan het ongeluk en het onheil als gevolg van het Gods oordeel over de zonde.



Het aantal tekstplaatsen waar ra wordt toegepast in de zin van "het morele kwaad" is ongeveer gelijk aan het aantal tekstplaatsen, waar het gebruikt wordt in de betekenis van rampspoed of oordeel, dat God als straf over de zondige mens brengt. Uit de tekst zelf moet dus telkens worden opgemaakt, of ra wordt gebruikt in morele zin of in bestraffelijke zin. Door eenvoudig te kijken naar de parallellen in de tekst van Jes. 45:7, wordt e.e.a. vanzelf duidelijk.

Ik formeer het licht en schep de duisternis;
Ik maak de vrede en schep het kwaad,
Ik, de HEERE, doe al deze dingen. (Jes. 45:7 SV).

Net zoals in de tekst "duisternis" staat tegenover het "licht", staat in de tekst "kwaad" tegenover "vrede". Als het de bedoeling zou zijn geweest te leren, dat God de Schepper is van het morele kwaad, dan had de tekst moeten luiden:

"Ik maak het goede en schep het kwaad".

Echter, dit staat er niet. Veel mensen lezen de tekst wel zo, alsof er staat: "Ik maak het goede en schep het kwaad", maar er staat duidelijk: "Ik maak de vrede en schep het kwaad". "Vrede" staat tegenover "oordeel, rampspoed, onheil, ongeluk". En in deze bestraffelijke zin wordt hier ra (kwaad) toegepast en niet in morele zin. God heeft niet het morele kwaad geschapen, maar hij zendt onheil, rampspoed en oordeel over hen die Hem ongehoorzaam zijn. Daarom kan Job zeggen in Job 2:10,

Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?

In dezelfde zin klaagt ook Jeremia in Klgl. 3:38. Voor de gelovige is alles wat hem in zijn leven overkomt, "heil en onheil", "geluk en ongeluk", "vreugde en verdriet", altijd eerst de Heer gepasseerd. Jes. 45:7 ondersteunt geenszins het idee dat God de Schepper is of de Auteur van het morele kwaad. Het leert, dat God een Enig God is, Die zowel vrede schenkt, als Die onheil en rampspoed zendt naar aanleiding van Zijn rechtvaardig oordeel over de mens. Dit was zeker onder het oude verbond met het volk IsraŽl het geval. Dit zien wij ook in Amos 3:6,

Wordt de bazuin in een stad geblazen, zonder dat de inwoners opschrikken? Geschiedt er een ramp in een stad, zonder dat de HERE die bewerkt? (Amos 3:6)

De context in Amos 3 handelt over het principe van oorzaak en gevolg.


Brult een leeuw in het woud, zonder dat hij prooi heeft?
Laat een jonge leeuw zijn gegrom horen uit zijn hol, tenzij hij iets heeft gevangen?
Schiet een vogel neer op het klapnet op de aarde, zonder dat er een lokaas voor hem is?
Vliegt het klapnet op van de grond, zonder dat het iets vangt?
Wordt de bazuin in een stad geblazen, zonder dat de inwoners opschrikken?
Geschiedt er een ramp in een stad, zonder dat de HERE die bewerkt?



Dus net zo: "Geschiedt er een ra, (hier dus correct vertaalt door de NBG met "ramp") - Geschiedt er een ramp, "onheil", in een stad, dan moet daar een oorzaak aan ten grondslag liggen. Want de HERE straft zonde en beloont gerechtigheid.


2.2 Het dualistisch denken over goed en kwaad

In de leer der alverzoening onderwijst men, dat God de Schepper van het kwaad is. Als je echter onderzoekt wat alverzoeners hierover leren en schrijven, dan ontdek je dat men helemaal geen bijbelse opvatting over "goed" en "kwaad" hanteert. De schrijvers nemen een begrip van "goed en kwaad" als uitgangspunt, dat de Bijbel niet kent. Men is hier klaarblijkelijk in een strik des duivels gevallen. Alverzoeners gaan er vanuit, dat er maar twee gedachten kunnen zijn over goed en kwaad:


Of goed en kwaad zijn elkaars tegenhangers. Het goede komt van God. Het kwaad komt van Satan.
Of zowel goed als kwaad zijn afkomstig van God.



Beide gedachten zijn echter onjuist en vreemd aan de Bijbel. Beiden komen voort uit het Perzisch dualisme en stoelen op de leer van Zoroaster (dit is Nimrod, de stichter van Babel). Als alverzoeners denken, dat zij met de tweede gedachte, een antwoord gevonden hebben t.a.v. de oorsprong van het kwaad, dan dienen zij zich te realiseren, dat men nog steeds goed en kwaad dualistisch tegenover elkaar zet, ook al maakt men God voor beiden verantwoordelijk. Alverzoeners zitten dus nog steeds gevangen in het Perzische dualistische denken, waartegen men zo ageren wil.

Het Perzisch dualisme is Babels leer over goed en kwaad. Het heeft zich over de gehele wereld verspreid en is diep geworteld in het denken van de mens. Vooral de Oosterse godsdiensten baseren zich hierop. Dit denken is gevaarlijk, want je raakt er direct in verstrikt. Men leert voortdurend dat er twee tegenpolen zijn, die elkaar nodig hebben en die met elkaar in balans moeten worden gebracht; positief en negatief; warmte en kou, man en vrouw, maar ook goed en kwaad. Maar met behulp van dit Yin-Yang principe wordt het kwaad in wezen goed gepraat! De redenering is als volgt.

"Het goede heeft het kwade nodig om goed te zijn, anders kennen wij het goede niet als goed. Het licht heeft de duisternis nodig om licht te zijn, anders kennen wij het niet als licht."

Dit is een heel gevaarlijke dualistische redenering, want zo wordt het kwaad goed gepraat en voorgesteld als iets noodzakelijks. Alverzoeners volgen deze zelfde redenering, als zij zeggen dat God Satan als tegenstander geschapen heeft om de zonde in de wereld te brengen zodat God later Zijn liefde kon openbaren. Satan is dan de knecht van God geworden. De oorzaak van het kwaad ligt dan niet meer bij een val van Satan in de zonde, maar indirect bij God Zelf, Die Satan als Zijn tegenstander geschapen zou hebben, want zo redeneert men: "God is toch de Schepper van het kwaad".

"Satan is een knecht van God, die Hij heeft aangesteld tot Zijn tegenstander. ..... Wanneer Satan een knecht van God is, die Hij heeft aangesteld om Zijn tegenstander te zijn, vervalt de voorstelling, dat hij gevallen is; ..... Hij heeft de wereld geschapen met de bedoeling, dat ze zondig zou worden en van de zonde verlost zou worden. ..... Om die zonde in de wereld te brengen, heeft God Satan tot een tegenstander geschapen", (naar A. Lukkien, De oorsprong van het kwaad, Bijbels Denken, 3e jrg., nr. 2, blz. 12-14).

Men maakt het kwaad en de zonde tot een hemelse schepping. Men vergoelijkt in wezen Satan en het kwaad. Men meent dat goed en kwaad twee zijden zijn van één munt. Zonder goed is er geen kwaad en zonder kwaad is er geen goed. Op deze wijze is het kwaad geen kwaad meer, maar een noodzakelijk onderdeel van het goede geworden. Op deze wijze is Satan geen Satan meer, maar een knecht van God geworden. Wij hebben dan plotseling twee knechten des Heren, die niet buiten elkaar kunnen, Christus en Satan, goed en kwaad, twee zijden van één munt. En op deze wijze is zonde geen zonde meer, maar een noodzakelijkheid, anders had God nooit zijn liefde aan ons kunnen openbaren. Zien wij hoe duivels deze redenering is? Want op deze manier wordt het kwaad goed gepraat en wordt Satan een onmisbaar onderdeel in Gods plan. De zonde wordt een noodzakelijkheid, want God zou zijn liefde alleen daar kunnen openbaren waar de zonde het zaad van de haat heeft gezaaid. Op deze wijze wordt zowel Satan als de mens geheel vrijgepleit.

Over deze duivelse stelling zijn al velen gestruikeld. Zo wordt men gevangen in het Perzisch dualistisch denken, "het denken van Babel". Maar zijn deze gedachten wel schriftuurlijk? Is dit denken een "Bijbels Denken"? Zijn de uitgangspunten en de conclusies wel correct? Is het werkelijk zo, dat als ik bijvoorbeeld in mijn gezin mijn liefde aan mijn eigen kinderen wil tonen, dat ik dan een crimineel inhuur, die ik mijn kinderen laat mishandelen? En dat ik dan verheugd ben, omdat ik nu eindelijk mijn kinderen kan laten zien, hoe lief ik ze heb, omdat ik ze dan ga verzorgen en vertroetelen! Gaat u zo om met uw kinderen? Ik hoop het niet! Maar volgens alverzoeners zou God nota bene wel zo omgaan met de mens! Want volgens hen zou God alleen op deze wijze ons Zijn liefde kunnen tonen? Wat een kromme redenering!

Wij hebben in de vorige paragraaf al gezien, dat God niet de Schepper is van het kwaad en dat dit berust op een verkeerde uitleg van Jes. 45:7. Echter wat leert de Schrift ons over goed en kwaad?


"Goed", het Hebreeuwse Tob komt zeven maal voor in het verslag van de schepping van Gen. 1:3 - 2:3.
"Kwaad', het Hebreeuwse Ra komt niet één keer voor in het verslag van Gen. 1:3 - 2:3.
"Kwaad", wordt pas in het verhaal van Genesis geïntroduceerd, als de mens moreel wordt beproefd, (Gen. 2:9).



Wat houdt dit in? Het feit dat "goed" zeven maal toegeschreven kan worden aan de schepping in zijn verschillende vormen zonder de noodzakelijkheid van "kwaad" als het tegenovergestelde, laat zien dat "goed" helemaal niet afhankelijk is van "kwaad" om goed te kunnen zijn. Duisternis mag de tegenstelling zijn van licht, maar licht is geheel niet afhankelijk van duisternis om licht te kunnen zijn. Daarom wordt ons verkondigd:

"God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis", (1 Joh. 1:5).

"Kwaad" wordt pas voor de eerste keer in Genesis genoemd in relatie met de beproeving van de mens, (Gen. 2:9). Hoewel het scheppingsverhaal (Gen. 1:3 - Gen. 2:3) handelt over de zon, de maan, de sterren, de dieren, de vogels, de vissen en zelfs de schepping van de mens, is "kwaad" totaal onbekend. Pas wanneer de mens opgeroepen wordt te kiezen, doet "kwaad" zijn intrede in het verhaal van Genesis.


2.3 Goed en kwaad zijn niet te scheppen

Het is dwaas om te spreken over een "wil" apart van de persoon die iets wil. Het is net zo absurd te spreken over "kwaad", alsof het ergens in het heelal bestaat, als een ding op zich. Je kan bijvoorbeeld niet naar de winkel gaan en zeggen: "Geeft u mij maar een onsje kwaad", of: "Doet u mij maar een half pondje goed". Er bestaat niet zoiets als "goed" en "kwaad" op zich. "Goed" en "kwaad" kan als zodanig niet geschapen worden. Het is mogelijk om "goede dingen" of "kwade dingen" te verrichten, maar als wij te maken hebben met "kwaad", dan hebben wij niet te maken met een substantie dat ergens in het heelal in grote hoeveelheden ligt opgeslagen, maar dan hebben wij te maken met iets, dat het resultaat is van gedachten, van verlangens, van keuzes en van een wil. Het is daarom onmogelijk te leren, dat God, "de Auteur of de Schepper is van het kwaad". Dat is een onzinnige uitspraak.

Trouwens indien God de Schepper van het morele kwaad zou zijn, zou dit betekenen, dat Adam gedwongen zou zijn, om ongehoorzaam te worden. Dit is geheel in tegenspraak met Gen. 2 en 3. Als Adam's ongehoorzaamheid eigenlijk betekent dat hij het dictaat van Zijn Schepper gehoorzaamde, dan is zonde niet langer zonde meer. Want een ongehoorzaamheid die in werkelijkheid gehoorzaamheid blijkt te zijn, kan er niet toeleiden, dat zeer velen zondaren geworden zijn. Dit is niet alleen in tegenspraak met Rom. 5:19, maar het is totale nonsens. Het ontkracht en het verkracht het verlossingswerk van Christus, die door de rechtvaardigheid van Eén zeer velen rechtvaardigt, (Rom. 5:19). Het is daarom Godslasterlijk om te verkondigen dat God de Schepper van het morele kwaad is.

De vraagstelling over de oorsprong van het kwaad is de vraagstelling over de persoonlijkheid. Een moreel wezen (een mens of engel) kan men verantwoordelijk houden voor zijn daden. En als een moreel wezen een verbod overtreedt en daardoor gestaft wordt, is het pertinent onjuist God te beschuldigen van de schepping van dat kwaad. God heeft alleen het verbod neergelegd en de strafmaat bepaald, maar God heeft dat kwaad niet geschapen! Een moreel wezen heeft het zelf voortgebracht. Hij is zelf verantwoordelijk voor zijn daden. Een moreel wezen is geen redeloos dier, maar voor zijn daden aansprakelijk. Daarom is de straf van God t.a.v. de overtreding volkomen terecht.

Wij dienen ons te realiseren, dat God morele wezens heeft geschapen, zoals cherubs, engelen, mensen, enz. Satan was voordat hij "de tegenstander" werd, een gezalfde overdekkende cherub, (Ez. 28:14 SV), of zoals de NBG vertaalt "een beschuttende cherub". Hij was onberispelijk in zijn wandel vanaf de dag dat hij geschapen werd, totdat hij tot zonde kwam, (Ez. 28:15-16). Ditzelfde is op te merken over de mens. Als wij kijken naar de mens als schepsel, dan kon God opmerken in Gen. 1:31,

En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.

Met de schepping van de mens was niets mis, zo ook niet met de schepping van de gezalfde overdekkende cherub in Ez. 28:12-15. Maar nogmaals cherubs, engelen, mensen, enz, zijn geschapen als morele wezens. Zij zijn niet geschapen zoals bijvoorbeeld de beesten, de vogels en de vissen, die volgens hun instinct handelen en wiens daden geen morele waarden hebben. God kon in Gen. 1:31 verklaren, toen Hij de herschepping in zes dagen overzag met als sluitstuk de schepping van de mens op de zesde dag, dat het "zeer goed" was. Maar in relatie tot het verbod aangaande de boom der kennis en in relatie tot de eigen morele natuur van de mens, was het voor God onmogelijk Adam en Eva "goed" te verklaren zonder een test en een bewijs. Moreel goed kan niet vantevoren gemaakt worden, het moet worden verworven. Zo kan ook niet moreel kwaad vantevoren geschapen worden.


2.4 Kennis van goed en kwaad

De eerste keer dat "kwaad" voorkomt in Gods Woord, wordt het genoemd in verbinding met het beproeven van een moreel wezen, de mens, (Gen. 2:9). Tot dat moment hebben wij nergens over "kwaad" gelezen. Wij dienen erop te letten dat de boom van Gen. 2:9 niet wordt genoemd "de boom van goed en kwaad", maar "de boom der kennis van goed en kwaad".

De gedachte is niet dat er van het "goed" of van het "kwaad" kon worden genomen van de boom. Want het goed en het kwaad zijn niet als een soort substantie vantevoren te scheppen of te maken en zij waren ook niet aanwezig in of aan de boom. Waar het hier omgaat, is de kennis van goed en kwaad. Deze kennis of dit begrip zetelde niet in de boom zelf, maar was verbonden met de respons van de mens t.a.v. het verbod. Zou de mens nemen van de vrucht van de boom of niet?

De hele vraag draaide rond de keuze van de mens en niet rond de natuur van de boom. Het doet er ook niet toe, wat precies de vrucht van de boom is geweest; de traditionele appel of iets anders. Waar het omging was, gehoorzaamt de mens de Here. Als de mens het gebod van God had gehoorzaamd, dan zou hij nochtans "goed" en "kwaad" hebben gekend. Maar dit zou een gezegende ervaring zijn geweest onder de begunstiging van God. De mens echter was ongehoorzaam en verwierf deze kennis onder Gods afkeuring. Dit eindigde met verlies, met verdriet, met schaamte en uiteindelijk met de dood.

Wanneer wij lezen over de verleiding van Adam en Eva, dan ontdekken wij dat hetgeen door God verboden wordt, aan Adam en Eva wordt voorgesteld als iets "goeds". Dit is de essentiële aard van kwaad. "Kwaad" draagt altijd een vals masker en lijkt "goed". De verleider begint met de aandacht te vestigen op de boom der kennis door te zeggen:

"God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof?" (Gen. 3:1)

Nadat Eva de verleider gecorrigeerd heeft, (vers 2 en 3), waarbij ze overigens de Here verkeerd citeerde door er iets bij te verzinnen, poneert de verleider:

4 De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, 5 maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad. (Gen. 3)

Nadat de slang "de schitterende" de interesse van de vrouw gewekt heeft, suggereert hij hier in feite, dat deze verboden boom haar in staat zal stellen om het doel van haar bestaan te bereiken: "Gij zult als God zijn", letterlijk "Gij zult als goden (Elohim) zijn". De meesten onder ons zullen dit misschien beschouwen als een godslasterlijke aanmatiging van de voorrechten van God. Maar vanuit een ander gezichtspunt gezien, dienen wij ons te realiseren, dat dit "zoals God zijn" het ware doel is van de verlossende genade, waaraan wij in Christus deel hebben gekregen. De verleiding doet nu echter bij Eva zijn werk en wij lezen:

En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at. (Gen. 3:6)

De veronderstellingen van Satans bewering worden door Eva overdacht en daarna geloofd. Als "kwaad" "goed" lijkt te zijn, dan is de zonde niet meer te voorkomen. Men kan zeggen dat de mens kwetsbaar is op drie niveaus: "zijn lichaam, zijn ziel en zijn geest". En als "kwaad" "goed" lijkt te zijn voor zowel lichaam, ziel en geest, dan zal de mens dit verlangen en het gevolg zal zijn, dat hij zondigt.


Zijn lichaam:
"Goed om van te eten"
Zijn ziel:
"Een lust voor de ogen"
Zijn geest:
"Begeerlijk om daardoor verstandig te worden"



2.5 Het kenmerk van geestelijke volwassenheid

Kennis van goed en kwaad is op zichzelf genomen gewenst. Het is een kennis, die behoort bij een volwassen moreel persoon. Wij vinden daarom in Hebr. 5:14 dat de bekwaamheid om te onderscheiden goed en kwaad het kenmerk is van de volwassenen.

Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad. (Hebr. 5:14)

Maar aan het verwerven van deze kennis is een tijdsaspect verbonden, want de vaste spijs is voor de volwassenen, niet voor de zuigelingen. Adam was echter nog maar een zuigeling wat zijn geestelijke groei betrof. En om in dit stadium al volwassen kennis te verkrijgen over goed en kwaad kon alleen maar zijn ondergang betekenen. Toen de verleider zei: "Uw ogen zullen geopend worden en gij zult als God zijn, kennende goed en kwaad", was zijn verklaring juist, ook al had hij de bedoeling te verleiden, want in Gen. 3:22 lezen wij:

En de Here God zeide: Zie, de mens is geworden als Onzer één door de kennis van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven. (Gen. 3:22)

De mens was "voor een korte tijd beneden de engelen gesteld", (Hebr. 2:7,9) ofschoon voorbestemd om boven de engelen gesteld te worden. Maar om vóór de gestelde tijd de geestelijke wereld binnen te treden, is in wezen een vorm van spiritisme en het overtreden van Gods gebod. Om universele kennis trachten te verkrijgen, terwijl men nog een zuigeling is, is rampzalig. Op een dag zal de mens "kennen, zoals hij zelf gekend is", maar hij moet bereid zijn om te wachten op Gods tijd. Adam was geschapen met die bedoeling, (Gen. 1:26). Stel dat hij God gehoorzaamd had en had gegeten van de boom des levens, die ook midden in de hof stond, (Gen. 2:9), dan was hij gegroeid tot de geestelijke volwassenheid. Hij zou dan vanzelf kennis van goed en kwaad hebben verkregen; kennis van welke daden moreel goed zijn en welke daden moreel kwaad zijn. Maar dan zou hij in tegenstelling met nu, het vermogen en het inzicht hebben verkregen, om het goede te doen en het kwade te laten. Hij zou dan werkelijk als God zijn, kennende goed en kwaad.

Dit wachten op Gods tijd speelde ook in de verzoeking in de woestijn. Het is het geopenbaarde voornemen van God, dat als de zevende engel bazuint, dat het Koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan Zijn Gezalfde, (Openb. 11:15). Maar als de Here Jezus toegegeven had aan de verzoeking van de boze om vóór de aangewezen tijd een greep te doen naar dit koningschap, dan zou dit in principe een zelfde daad zijn geweest, die Adam in de hof van Eden ten val bracht. Maar waar de mens faalde in een tuin van overvloed, daar triomfeerde de Heer in een woestijn van gebrek, (Matth. 4:8-9).

Wij dienen ons te realiseren dat "goed" voor zijn tijd en misplaatst, altijd schadelijk is. Bijvoorbeeld seksuele omgang binnen het huwelijk is eerbaar. Maar dat wat het gezegendst is binnen de grenzen van een huwelijk, kan zonde worden buiten deze grenzen, die God gesteld heeft. Zo kan seksuele omgang verworden tot overspel, hoererij, bloedschande, verkrachting, enz.

Wat omvat nu de kennis van goed en kwaad? Wij moeten niet de fout maken, de woorden van Gen. 2 te lezen alsof er staat "kennis van het goed" en "kennis van het kwaad". Buiten dat er niet een substantie is van "het goed" of van "het kwaad", staat kennis van goed niet los van kennis van kwaad. Het is onmogelijk dat men wel kennis van goed zou hebben, maar tegelijkertijd geen kennis van kwaad. Wij dienen ons te realiseren dat de boom beide vertegenwoordigt: "kennis van goed en kwaad". Kennis van goed en kwaad omvat het hele gebied van kennis. Hij die goed en kwaad kent, kent alle dingen. Dit werd duidelijk verstaan in de Oud-Testamentische tijden, zoals de vrouw van Tekoa aangeeft:

Ook dacht uw dienstmaagd: het woord van mijn heer de koning zal wel geruststellend zijn, want als een engel Gods, zo is mijn heer de koning, die horen kan wat goed is en kwaad. En de Here, uw God, zij met u. (2 Samuel 14:17)

Om de zaak een ander aanzien te geven, heeft uw dienaar Joab dit gedaan. Maar mijn heer is zo wijs als een engel Gods: hij weet alles wat op aarde geschiedt. (2 Samuel 14:20)

Wanneer wij de twee teksten met elkaar vergelijken, dan zien wij dat "goed en kwaad" en "alles wat op aarde geschiedt" synoniemen van elkaar zijn. Kennis van goed en kwaad omvat het weten en het kunnen beoordelen, zoals God kan, van alles wat op aarde geschiedt. Het kunnen onderscheiden en het kunnen beoordelen van goed en kwaad is het kenmerk van geestelijke volwassenheid.


2.6 Geen vantevoren besloten zonde

Als wij een terugblik werpen over dit hoofdstuk, dan is onze conclusie dat God niet de Schepper is van het morele kwaad. Moreel kwaad kan niet geschapen worden of ontstaan apart van morele wezens, die werkelijk iets doen, wat verkeerd is. Als wij spreken over het bestaan van kwaad gescheiden van de daden van hen, die verkeerd hebben gehandeld, dan zijn wij voor onszelf moeilijkheden aan het creëren, die er in werkelijkheid niet zijn. Goed en kwaad zijn geen dingen op zichzelf, maar termen die verwijzen naar daden van individueel aan te wijzen morele wezens zoals engelen (de overdekkende cherub) en mensen (Adam en Eva), die tot zonde kwamen en verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun daden.

Wij moeten het verhaal van de hof van Eden dan ook niet voorstellen als een soort geniepige, verraderlijke valstrik louter en alleen daar gelegd, dat de mens er wel in moest vallen. Wij moeten ons realiseren, dat de mens als een moreel schepsel getest moest worden. In de Wet lezen wij:

23 Indien gij u door deze tuchtiging nog niet tot Mij keert en u tegen Mij blijft verzetten, 24 dan zal ook Ik Mij tegen u verzetten en dan zal Ik u ook zevenmaal slaan wegens uw zonden, (Lev. 26)

Deze woorden zouden geheel hun betekenis verliezen, als het van tevoren al vaststond, dat Israël zich zou verzetten. Ja, als het van tevoren al verordineerd was, dat Israël op deze wijze zou handelen, dan zou hun "verzet" in werkelijkheid in overeenstemming zijn met Gods bedoeling. Maar dan zou zonde een onmogelijkheid worden en straf onrechtvaardig. Dit zou een verdraaiing van de feiten zijn en een kromme uitleg van de Schrift.

Op gelijke wijze stond het niet vantevoren vast, dat Adam en Eva zich tegen Gods gebod, (Gen. 2:15) zouden verzetten. Er is geen sprake van een vantevoren besloten zonde. Natuurlijk wist God van wat er in de natuurlijke loop der dingen onoverkomelijk zou geschieden. Maar wij mogen daarom nog niet beweren, dat God de zonde vantevoren verordineerd zou hebben! Dit is iets dat de slang met zijn sluwheid ons wil doen laten geloven. Nee, zo'n door alverzoeners verondersteld van te voren genomen besluit heeft God niet genomen. Dit is God vals beschuldigen. Het ondermijnt aan de ene kant Zijn Liefde en aan de andere kant Zijn rechtvaardig oordeel. Het maakt aan de ene kant van de zonde een onmogelijkheid en het ontkracht aan de andere kant het verlossingswerk van Jezus Christus, onze Here.




3. Bestaan er Demonen?

3.1 De oorsprong van demonen

Onder alverzoeners wordt tegenwoordig soms geleerd dat boze geesten, demonen e.d. niet bestaan. Ook dit punt willen wij nader in de Schrift onderzoeken. Wij zagen in de brochures "De Naderende Eindtijd" (LW 14, blz. 30-42 en "Van Babel naar Babylon" (LW 15, blz 14-21), dat de "zonen Gods" van Gen. 6:2 "engelen" waren. De Septuaginta vertaalt in Gen. 6:2 het Hebreeuws voor "zonen Gods" met het Griekse woord voor "engelen". De Hebreeuwse term komt maar zes maal in het O.T. voor:


2x in Genesis, (Gen. 6:2,4);
3x in het boek Job (Job 1:6; 2:1; 38:7), waar het heel duidelijk betrekking heeft op engelen;
1x in Dan. 3:25 in het enkelvoud, waar koning Nebukadnezar tot zijn ontzetting constateert, dat er geen drie mannen, maar vier wandelen in de brandende oven. Het uiterlijk van de vierde geleek op dat van een zoon der goden.



Dat de zonen Gods van Gen. 6:2 engelen waren, wordt in het Nieuwe Testament overduidelijk bevestigd door 2 Petr. 2:4-5 en Judas 6, zoals wij gezien hebben in de twee bovengenoemde brochures.

6 en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden; 7 zoals Sodom en Gomorra en de steden in hun nabijheid, die op gelijke wijze als genen haar hoererij hebben botgevierd en ander vlees achternagelopen zijn, daar liggen als voorbeeld, onder een straf van eeuwig vuur. (Judas 1)

Judas laat in zijn brief (geheel in lijn met Gen. 6:1-4), duidelijk zien dat de engelen hun oorsprong ontrouw werden en dat zij ander vlees, "menselijk vlees" achterna liepen. Zij vierden hun hoererij bot op dezelfde wijze als Sodom en Gomorra. Deze engelen werden hun oorsprong ontrouw, ja zij verlieten hun eigen woning. Misschien vat u dit op als u dit zo leest, alsof deze engelen hun huis, hun woonplaats, hun woonstede ergens in de hemel verlieten. Echter het Griekse woord voor "woning", dat Judas hier gebruikt, is een heel bijzonder woord. Het is het Griekse woord "oiketerion" en tot onze verbazing komt dit woord maar twee maal in de Bijbel voor, en wel hier in Jud 6 en daarnaast in 2 Cor. 5:2.

1 Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. 2 Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, 3 als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden. (2 Cor. 5)

De tekst 2 Cor. 5:2 openbaart ons, wat Judas precies bedoelde toen hij schreef, dat engelen hun eigen "oiketerion" woning verlieten. Deze eigen woningen waren geen gebouwde huizen ergens in de hemel, maar woonsteden in de betekenis van 2 Cor. 5:2. Het waren geestelijk lichamen, lichamen van een hogere orde dan de aardse lichamen, die Paulus hier vergelijkt met een aardse tent. Paulus verlangt hier in 2 Cor. 5:2-3 met zo'n geestelijk lichaam overkleed te worden.

Het was Bullinger die aantoonde dat het woord oiketerion vertaald door "woning" in Judas 6 en 2 Cor. 5:2, niet betekent dat de engelen hun verblijfplaats, hun huis ergens in de hemel verlieten, maar dat Judas bedoelde dat de engelen, "de zonen Gods van Gen. 6", hun geestelijke woning, hun lichaam, verlieten. Zij materialiseerden zich op aarde, werden aards, om zo seksuele omgang met de dochters der mensen te kunnen hebben. Vrijwillig verlieten deze engelachtige wezens hun geestelijk lichaam en gaven al de privileges en kenmerken op die aan deze hogere lichamen verbonden zijn. Zij gebruikten hun intrinsieke macht om te materialiseren en zich hierna op ongerijmde wijze te verenigen met de vrouwen op aarde.

Uit de verbintenis tussen deze engelen en de dochters der mensen kwamen de Gibbor, de geweldigen, de machtigen, voort, "de mannen van naam". Het was een geslacht van reuzen, een geslacht van half-goden: "half engel, half mens". De Griekse letteren en mythologie vertellen uitvoerig, hoe de zonen Gods "Zeus en de goden van de Olympus" zich op aarde gedroegen. De goden van de Olympus worden voor onze ogen geschilderd als wezens belust op seks en genot. Met name Zeus gaat de andere goden hierin voor. Zijn seksuele avonturen en uitspattingen zijn talrijk, evenals die van zijn mede-goden. De beroemde Griekse schrijvers, Sophocles, Plutarchus, Euripides, Homerus, enz., informeren ons uitvoerig over welke intriges, moord, overspel tussen de goden van de Olympus en hun nakomelingen "de halfgoden" voorkwamen. Je kan er boeken mee vullen, wat de Griekse schrijvers ook daadwerkelijk gedaan hebben. De wereld van de voortijd, de wereld van Noach, was zo boos en zo verdorven, (Gen. 6:5, 11-13), dat God die wereld oordeelde door de Zondvloed. Petrus maakt hier melding van en laat ons zien, dat God de engelen (2 Petr. 2:4) en de mensen (2 Petr. 2:5) niet spaarde.

4 Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; 5 en de wereld van de voortijd niet gespaard heeft, maar Noach, de prediker der gerechtigheid, met zeven anderen bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld der goddelozen bracht; (2 Petr. 2)

God spaarde de engelen niet, (vers 4) en God spaarde de wereld der goddelozen niet, (vers 5). Alleen Noach met zeven anderen werden gered door de ark en bewaard toen God de zondvloed over de wereld bracht. Dit houdt in dat alle mensen de dood vonden, behalve de acht mensen in de ark.

Maar heeft u zich wel eens afgevraagd wat er met de engelen geschiedde, die hun oorsprong ontrouw geworden waren? Vonden die ook de dood? Volgens Petrus en Judas niet! Hun broedsel, hun nakomelingen, de Gibbor, de geweldigen, de mannen van naam, "half engel, half mens" vonden de dood evenals de mensen, maar zij niet. Bijzonder in dit verband is dat de Griekse mythologie ons verteld, dat de halfgoden, de nakomelingen uit de seksuele omgang van de goden van de Olympus met de dochters der mensen, sterfelijk waren, maar dat de goden van de Olympus onsterfelijk waren. Dat engelen inderdaad onsterfelijk zijn, laat ook de Here Jezus ons zien in Luk. 20, waar Hij in een vraaggesprek is met de Sadduceeën over de opstanding.

35 maar die waardig gekeurd zijn deel te verkrijgen aan die eeuw en aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk genomen. 36 Want zij kunnen niet meer sterven; immers, zij zijn aan de engelen gelijk ..... (Luk. 20)

In het antwoord merkt de Here Jezus op dat zij die straks zullen opstaan, niet meer kunnen sterven. Hij vergelijkt deze opgestanen dan met de engelen, die onsterfelijk zijn. "Zij kunnen niet meer sterven, immers zij zijn aan de engelen gelijk". De engelen die geheel vrijwillig hun geestelijke lichaam verlaten hadden, ja zich van hun geestelijk lichaam met zijn mogelijkheden ontdaan hadden, stierven niet bij de zondvloed. Er is niets in de tekst van 2 Petr. 2:4 dat daarop wijst. Petrus laat ons zien dat God hen niet spaarde, maar zij vonden niet de dood. Petrus zegt in 2 Petr. 2:4 dat zij verwezen werden naar de afgrond.

Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren;

Het woord voor afgrond in het grieks, is het woord "Abyss", dat vele malen voorkomt. Het woord dat hier gebruikt wordt is echter niet "Abyss", maar "Tartarus". Dit woord "Tartarus" komt maar één maal in de Bijbel voor en wel hier in 2 Petr. 2:4. In de Griekse mythologie was de Tartarus de gevangenis van Cronos en de Titanen. Het was een verschrikkelijke duistere afgrond. B.B. Wale schrijft: "Waar en wat is de Tartarus? Dit is de enige tekstplaats waar het woord in de Schrift voorkomt. Wat is zijn betekenis? Hoe gebruikten de oude Grieken het in de dagen van de Apostelen. Wat verstonden zij er onder?"


Lucian zegt: "De atmosfeer wordt Tartarus genoemd".
Suidas zegt: "Het drukt uit de plaats in de wolken of in de lucht".
Parkhurst zegt: "Het schijnt ... dat met Tartarus in een fysieke betekenis de grenzen van deze stoffelijke schepping werd bedoeld".
Dr. Whateley zegt: "Het woord moet worden opgevat als onze donkere sombere aarde met zijn mistroostige donkere wolken, smerige dampen en nevelachtige atmosfeer".
Plutarchus zegt: "Onze lucht wordt Tartarus genoemd".
Hesiod en Homer noemen het "De bovengrondse Tartarus in de lucht".
Grotius zegt: "Dat wordt Tartarus genoemd, wat het laagste is in wat dan ook, of dit nu de aarde is, of in het water, of zoals hier in de lucht".



Als wij deze verklaringen overzien, dan zien wij, dat het woord Tartarus duidt op de laagste delen in de atmosfeer, die de aardbol omhult, namelijk de lucht. De engelen, die hun oorsprong ontrouw waren geworden en die hun geestelijk lichaam uit eigen beweging verlaten hadden (vermoedelijk verleid door Satan, dat zij door verbintenis met de mens "de boom des levens" op de cherubs konden veroveren), zaten nu voortaan gekluisterd op aarde.

Hun geestelijk lichaam hadden zij eens zelf verlaten door zich aards te materialiseren, en hun vernederd lichaam waar zij nu in verbleven, verloren zij door de zondvloed, hoewel zij niet zoals de mens konden sterven. Het gevolg was dat zij nu als geesten, demonen, (Grieks: Daimonion, Hebreeuws: Seirim en Shedhim) gekluisterd waren in de tartarus, waar er voor hen geen ontkomen is. In de tartarus, de lucht om deze aarde, wachten deze gevallen engelen, deze Nephilim, nu ontlichaamd als geesten, boze geesten, demonen, op het oordeel van de Grote dag. Als gevolg van het verlies van hun lichaam zoeken zij belichaming, zoals de Here Jezus o.a. in Matth. 12:43-45 laat zien en in al die gevallen waarin Hij demonen uitdrijft.

De demonen vormen met elkaar de boze geesten in de lucht, de wereldbeheersers dezer duisternis, (Ef. 6:12). Hun overste is Satan, die hen aanvoert als de overste van de macht der lucht, (Ef. 2:2). Zij bezetten de lucht en verontreinigen als demonen de nederste delen van de atmosfeer rond de aarde. Hun aantal is onbekend. In de dagen van de rondwandeling van Christus op aarde zien wij herhaaldelijk hoe Christus hun werken verbreekt en hen uitwerpt als zij belichaming in mensen hebben gezocht. Zij zijn zich ervan bewust dat hen het oordeel wacht op de Grote dag, maar desondanks zullen zij in de toekomst onder aanvoering van hun overste zich verenigen in Babylon, (Openb. 18:2) en tegen het Lam oorlog voeren.


3.2 De Geesten in de Gevangenis

In verband met het oordeel t.a.v. de gevallen engelen en t.a.v. het verdorven menselijk ras, verdient het onze aandacht stil te staan bij de moeilijke vraag, wie toch de geesten in de gevangenis zijn, waarover Petrus spreekt in 1 Petr. 3:19.

18 Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, Die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, 19 in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, 20 die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden. (1 Petr. 3)

De verklaring die gewoonlijk gegeven wordt van 1 Petr. 3:18-20 is dat de Geest van Christus na Zijn Sterven het evangelie in het dodenrijk gepredikt heeft aan de geesten van mensen uit Noach's dagen, die eertijds het evangelie ongehoorzaam waren. Deze verklaring is gebaseerd op de aanname dat de geest van vers 18 de Geest van Christus is "in het graf" en dat de geesten in de gevangenis van vers 19 "de geesten van mensen" zijn uit de dagen van Noach. Deze aanname is niet correct.

In de eerste plaats staat er in vers 18 voor "geest" geen lidwoord in de grondtekst en het is duidelijk in de tekst dat het woord "geest" tegenover het woord "vlees" wordt gebruikt. Christus kwam in het vlees, als het vleesgeworden Woord met het doel om te sterven voor de zonde. En Hij stierf ook in het vlees. Echter Hij werd opgewekt uit de dood en verrees in een geestelijk lichaam en Hij is nu een levendmakende Geest, (1 Cor. 15:44-45). De geest van vers 18 slaat niet de geest van Christus in het graf, maar slaat op de levendmakende Geest, waarin Hij opstond.

Uit de tekst van 1 Petr. 3:18-19 wordt dus duidelijk dat Christus niet toen Hij in de dood was, "in het graf" gepredikt heeft, maar dat Hij gepredikt heeft nadat hij is levend gemaakt in een geestelijk lichaam, "in welke Hij ook heengegaan is" naar de hemel. Uit de tekst blijkt dat onze Heiland werkelijk "heenging" naar een andere plaats. C.F. Hogg schrijft: "Deze reis werd ondernomen op het moment zoals gedefinieerd wordt door de context, "na Zijn opstanding" en zoals het woord aangeeft, heeft het een begin en een eind. Bovendien was Hij het Zelf, die deze reis ondernam....." De woorden lijken duidelijk te impliceren, dat Hij een persoonlijk reis maakte, zoals vers 22 stelt:

die aan de rechterhand Gods is, naar de hemel gegaan, terwijl engelen en machten en krachten Hem onderworpen zijn. (1 Petr. 3:22)

In de tweede plaats lijkt niets te staven dat de geesten in de gevangenis van vers 19 geesten van mensen zijn. Het woord pneuma wordt gebruikt voor demonen (zie Matth. 8:16; Luk. 10:20; 11:18) en voor engelen (Hebr. 1:7,14), maar wordt nooit gebruikt voor de geesten van mensen, als dit er niet uitdrukkelijk bij wordt vermeld. En er is geen enkele aanduiding dat dit het geval is in 1 Petr. 3:19. Wij hebben hier niet te maken met geesten van mensen uit de dagen van Noach, maar met de gevallen engelen uit de dagen van Noach, die nu als "geesten in hun gevangenis" begrensd zijn tot de lagere delen in de atmosfeer rond de aarde.

In de derde plaats wordt hier in 1 Petr. 3:18-20 niet gezegd, dat Christus een Evangelie (een blijde boodschap van verlossing) predikte. De boodschap, die de opgestane Heer richtte tot de gedetineerde geesten op aarde, die wegens hun ongehoorzaamheid gestraft waren, omdat zij hun oorsprong ontrouw werden en hun woonstede verlieten in de dagen van Noach en ander vlees (menselijk vlees) achterna liepen, was niet een boodschap van genade en vergeving, maar één van berisping en oordeel. Satanisch geïnspireerde engelen hadden een misdaad begaan van zo'n enorme omvang in de Gods ogen, dat zij als geesten (demonen) gekluisterd werden in de laagste delen van onze atmosfeer.


3.3 De Gevangenis gevangen genomen

Aan deze geesten aldus gevangen in onze atmosfeer wordt ook gerefereerd in Ef. 4:8-10.

8 Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen. 9 Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? 10 Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. (Ef. 4)

Ook dit is een tekst, waar vaak vragen over zijn. Meestal leert men dat Christus in het dodenrijk is nedergedaald en dat hij bij Zijn opstanding zielen heeft vrijgemaakt uit de banden des doods en deze heeft meegevoerd naar den hoge.

Echter Bloomfield, Conybeare en Howson en vele anderen onderschrijven dat met de uitdrukking "De lagere aardse gewesten", (NBG) of "de nederste delen der aarde", (SV) in Ef. 4:9, niet "het dodenrijk", maar "de aarde" wordt bedoeld. Ook Bullinger legt uit in Figures of Speech, dat met deze lagere delen van de aardse gewesten, "de aarde" wordt aangeduid. Verder is er niets in deze tekst of in de Ps. 68:19, waar deze tekst een aanhaling van is, om aan te nemen dat de krijgsgevangenen verlosten zijn: zielen die vastzaten in het dodenrijk. Deze krijgsgevangenen zijn vijanden van Christus. Zij zijn door Christus gevangen genomen, net zoals zij in de psalm gevangen genomen waren door de God van Israël. Hiernaast is de vertaling in de NBG "voerde Hij krijgsgevangenen mede" in vers 8, wel een erg ruime vertaling. De Statenvertaling heeft:

Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven. (Ef. 4:8)

"Hij heeft de gevangenis gevangen genomen" staat veel dichter bij de grondtekst. De tekst lijkt misschien in eerste instantie door deze vertaling er wel moeilijker door te worden, maar in het licht van onze studie valt deze tekst geheel op zijn plaats. Christus is op aarde gekomen om het werk, dat de Vader Hem te doen had gegeven, te volbrengen. Hij kwam niet alleen om de zonde weg te doen op het kruishout, maar Hij kwam ook om de dood te overwinnen, de werken des duivels te verbreken en de duivel teniet te doen. Christus heeft met Zijn opstanding bewezen, dat de dood Hem niet kon houden en dat Hij de zonde en de dood overwonnen had. Hij bracht onvergankelijk leven aan het licht. Met Zijn hemelvaart toonde Hij aan dat Hem alle macht gegeven was in de hemelen en op aarde, en dat de duivel en zijn werken absoluut teniet gedaan zullen worden. Dit was de boodschap, die Hij proclameerde aan "de geesten in de gevangenis", de demonen die gevangen en gekluisterd zijn aan deze aarde, (1 Petr. 3:19). Christus overwon en Hij heeft hun gevangenis gevangen genomen, wat zeggen wil in het licht van Col. 2:15,

Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd. (Col. 2:15)

Christus heeft bij Zijn opstanding en bij Zijn hemelvaart laten zien dat niet Satan alle macht heeft, maar dat Hij alle macht heeft in de hemelen en op aarde. Hij bezit de sleutels van de dood en het dodenrijk, en de overheden en de machten der duisternis zullen hun oordeel niet ontlopen. De "Meesters der Wijsheid" waar Satanisten, Kabbalisten, Gnostici, Mystici, New Agers, enz., zo lovend over spreken, zijn niets anders dan "gevallen engelen", die als boze geesten, demonen op aarde gekluisterd wachten op hun oordeel. Bij de hemelvaart van Christus konden ze de Here Jezus niets doen. Hij zegevierde openlijk over hen toen Hij de vijandelijke linies doorging. Zij doen zich voor als "Verhoogde Meesters", maar er is niets verhogends aan. Zij zijn geworpen op de grond, op de aardbodem en wachten op hun definitief oordeel op de grote oordeelsdag. Dit oordeel zullen zij niet kunnen ontlopen.


3.4 De realiteit van demonen

De hogere geestelijke wereld waar New Agers zo lovend over spreken is in werkelijkheid een demonische wereld, die zich op aarde vlak om ons heen bevindt. Deze demonische wereld is een realiteit. De invloed van demonen d.m.v. valse leer en m.b.v. geestesmanifestaties in de New Age Beweging, de Oecumenische Beweging en de Charismatische Beweging is enorm. Dit zagen wij uitgebreid in de vijf brochures "Samen-op-Weg". De realiteit van demonen kan men niet zomaar wegredeneren, zoals sommige alverzoeners trachten te doen.

Demonen zijn boze geesten die in feite achter elke vorm van afgoderij staan. De afgod is van zichzelf niets. Die is gemaakt van hout, steen of edelmetaal. Maar achter de aanbidding van deze beelden staan wel degelijk demonen, die mensen tot afgoderij verleiden met als uiteindelijk doel: de aanbidding van hun Overste, "Satan" , (1 Cor. 10:19-21; Openb. 9:20; Deut. 32:17).

19 Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? 20 Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan demonen en niet aan God en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de demonen. 21 Gij kunt niet de beker des Heren drinken en de beker der demonen, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben en aan de tafel der demonen. (1 Cor. 10)

Deze demonen zijn een realiteit achter de afgodendienst. Als zij werkelijk niet zouden bestaan, dan had de apostel Paulus dit hier ongetwijfeld aan de Corinthiërs geopenbaard. Maar Paulus waarschuwt met nadruk voor het gevaar, dat gelovigen in gemeenschap met de demonen kunnen komen, als zij niet oppassen. De Schrift verbiedt het ons de demonen te raadplegen, (Lev. 19:31; 20:6; Deut. 18:9-14). Onder Israël stond daar de doodstraf op, (lev. 20:27). Demonen sidderen voor God, (Jac. 2:19).

Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wel, [maar] dat geloven de demonen ook en zij sidderen. (Jac. 2:19)

Zij erkennen Christus als Heer en zien Hem als hun toekomstige Rechter, (Matth. 8:29; Luk. 4:41).

Van velen voeren ook demonen uit, roepende en zeggende: Gij zijt de Zoon van God. En Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was. (Luk. 4:41)

En zie, zij schreeuwden, zeggende: Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen? (Matth. 8:29)

Deze demonen zijn reëel en berusten niet op fictie. De wereld om ons heen is een demonische wereld, die wij niet kunnen waarnemen. God heeft die aan ons oog onttrokken na de zondeval, maar dat wil nog niet zeggen dat die wereld niet bestaat. Helaas kan de mens die wereld wel binnentreden, ook al heeft God dit verboden, (Ex. 20:3-5; Lev. 19:31; 20:6,27; Jes. 8:19-22; 2 Kron. 33:6). In de Schrift maken demonen deel uit van het rijk der duisternis. Er is sprake van een hiërarchie binnen dit rijk bestaande uit: demonen, engelen, en luchtvorsten. Satan staat aan het hoofd als de "Overste van de macht der lucht", (Ef. 2:2; Matth. 25:41; Openb. 12:7). Satan is dus overste van een luchtmacht. Alle aardse overheden, machten en koninkrijken worden door deze luchtmacht gecontroleerd.

Als wij bijvoorbeeld in het bijbelboek Daniël kijken, wordt ons daar een blik achter de schermen gegund door hetgeen een engel aan Daniël vertelt. In Dan. 10 vinden wij de profeet Daniël die zo ondersteboven is van een gezicht dat hem werd geopenbaard, dat hij drie weken vast, (Dan. 10:1-3). Na drie weken ontmoet hij de engel die door God gezonden is, (Dan. 10:12) om hem te verstaan te geven wat het volk Israël in de toekomst in het laatst der dagen overkomen zal, (Dan. 10:14). Tot onze verbazing lezen wij dat de engel in wezen aan Daniël zijn verontschuldigingen aanbiedt, omdat hij zo laat is. Hij vertelt aan Daniël dat hij al vanaf de eerste dag dat Daniël God gebeden had om nader inzicht te verkrijgen, zijn gebed was verhoord. De engel was direct gezonden, maar hij raakte in strijd verwikkeld met de luchtvorst van Perzië, die hem tegenhield.

12 En hij zeide tot mij: Vrees niet, Daniel, want van de eerste dag af, dat gij uw hart erop gezet hadt om inzicht te verkrijgen en om u voor uw God te verootmoedigen, zijn uw woorden gehoord, en ik ben gekomen op uw woorden. 13 Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen stond eenentwintig dagen tegenover mij; doch zie, Michael, één der voornaamste vorsten, kwam mij te hulp, zodat ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand behield; (Dan. 10)

De aartsengel Michaël, (Jud. 9) moest te hulp schieten, zodat deze hemelse boodschapper de overhand behield en hij Daniël met de boodschap van God kon bereiken. Verder deelt deze hemelse boodschapper Daniël mee, dat hij straks wederom de vijandelijke linies door moet rondom de aarde, en dat hij nog een keer zal moeten strijden. Nu niet alleen tegen de luchtvorst van Perzië maar ook tegen de luchtvorst van Griekenland, die de luchtvorst van Perzië te hulp zal komen.

20 Toen zeide hij: Weet gij, waarom ik tot u gekomen ben? Terstond moet ik terugkeren om met de vorst der Perzen te strijden, en zodra ik uitgegaan ben, zie, dan zal de vorst van Griekenland komen; 21 (Nochtans zal ik u mededelen wat geschreven staat in het boek der waarheid.) En niet één staat mij vastberaden tegen hen terzijde, behalve uw vorst Michael. (Dan. 10)

Gelukkig weet de engel dat Michaël, "uw vorst", (Daniëls vorst, de grote vorst die speciaal over het volk Israël waakt, zie Dan. 12:1), hem tegen de luchtvorsten terzijde zal staan. Deze luchtvorsten zijn de wereldbeheersers dezer duisternis uit Ef. 6:12, de kosmokrator's. Zij trachten het wereldgebeuren in hun greep te houden en bemoeien zich met de grote mogendheden, zoals in de dagen van Daniël, de koninkrijken van Perzië en Griekenland. Het rijk der duisternis is dus in hoge mate georganiseerd rondom de aarde, (Matth. 12:26; Joh. 18:36; Matth. 4:8-11; Luc. 4:5-8; Joh. 14:30). Het staat achter de aardse overheden en beïnvloedt die, (2 Sam. 24:1; 1 Kron. 21:11; 1 Kon. 22:19-23; Job 1:6-7; 2:1-2). Dit is Satans engelen- en demonen-wereld. De apostel Paulus spreekt hen gezamenlijk aan als: "de overheden, de machten, de wereldbeheersers dezer duisternis, de boze geesten in de hemelse gewesten", (Ef. 6:12). Hun machtsgebied is de duisternis. De wereld bevindt zich in die duisternis en Satan is "de overste van deze wereld". Alleen God kan de mens uit deze macht der duisternis verlossen, (Col. 1:13) en hem overbrengen in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, (Hand. 26:18).


3.5 De Geestelijke Strijd

De vijanden waartegen wij hebben te worstelen zijn niet van bloed en vlees, maar geestelijk.

want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. (Ef. 6:12)

Deze worsteling is een geestelijk strijd. Het is de goede strijd des geloofs. De inzet is hierbij altijd de verkondiging van het evangelie (Ef. 6:19-20), de gezonde leer (2 Tim. 4:3-5), het Woord der Waarheid (2 Tim. 2:15-26), waarin Christus overwint en Satan teniet gedaan wordt.

En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad, dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen, (Gen. 3:15).

Tegen deze boodschap brengen de boze geesten altijd hun valse leringen in. Zij verspreiden dwalingen onder de mensen en trachten de gelovigen te verleiden met valse leringen over: "God en Zijn Woord", over: "Satan en het kwaad", over: "de mens en de dood", over "Christus en Zijn verlossing", enz., (1 Tim. 4:1-2).

1 Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van demonen volgen, 2 door de huichelarij van leugensprekers, die in hun eigen geweten gebrandmerkt zijn, (1 Tim. 4)

De demonen vinden altijd leugensprekers door wie zij heen kunnen spreken. Als wij niet blijven staan in de volle wapenrusting Gods met o.a. het zwaard des Geestes in de hand, (dat is het Woord van God, Ef. 6:17), dan leiden wij de nederlaag. Dan raken wij verstrikt in valse leer. Dan raken wij het spoor des geloofs bijster. Ons geloof kan zelfs daardoor schipbreuk lijden, (1 Tim. 1:19). Maar wij hoeven niet te vrezen. Wij mogen de wapenrusting Gods aandoen om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels. En wij mogen er verzekerd van zijn, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch machten, ... noch krachten, ... noch enig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here, (Rom. 8:38-39).




4. De Nederwerping van de Kosmos

4.1 De Joodse denkwereld

Alverzoeners, die leren dat God de Schepper zou zijn van het kwaad, geloven als consequentie daarvan, dat men de oorzaak van het kwaad niet moet neerleggen bij een val van Satan in de zonde, maar indirect bij God Zelf, Die Satan als Zijn tegenstander zou hebben geschapen.

"Maar wanneer Satan een knecht van God is, die Hij heeft aangesteld tot Zijn tegenstander, dan vervalt ook de voorstelling, dat hij gevallen is", (A. Lukkien, Schrift en leer (deel 2), blz. 74).

"..... Knoch, Lukkien, Manussen, e.a., die met stellige overtuiging juist niet in "Satans val" geloofden, maar naar voren brachten dat God Satan als Zijn tegenstander geschapen heeft. Anders gezegd: De oorzaak van het kwaad ligt niet in "de val van Satan", maar (indirect) bij God Zèlf, die Satan als Zijn tegenstander geschapen zou hebben. Hij is immers de Schepper van het goede en het kwade, (Jes. 45:7)", (W. Godijn en H. Pfoster, Grondlegging of nederwerping der wereld (1), Bijbels Denken, 2e jrg., nr. 2, blz 20).

In hoofdstuk 2 zijn wij al uitgebreid op de vraagstelling ingegaan of God de Schepper is van het kwaad. Wij hebben gezien dat dit niet alleen berust op een verkeerde uitleg van o.a. Jes 45:7, maar ook berust op het hanteren van onbijbelse opvattingen over "goed" en "kwaad", die Babylonisch van oorsprong zijn en die sterk van invloed zijn geweest op het Joodse denken tijdens en na de Babylonische ballingschap. Dit mondde uit in de Joodse Kabbala-leer die wij o.a. terugvinden in de Talmoed, (zie, LW 15, Van Babel naar Babylon, blz 37-49; LW 16, De New Age Beweging, blz 7-9).

Wat opvalt, is de alverzoeners, die geloven dat Satan geen bovennatuurlijk persoon zou zijn, maar de verpersoonlijking is van het kwaad, (zie in hoofdstuk 1), en ook niet geloven in het bestaan van demonen, (zie in hoofdstuk 3), voor de beantwoording van deze vraagstukken teruggaan naar het Joodse denken.

"Alleen vanuit de Hebreeuwse gedachtenwereld kan een meer verantwoorde interpretatie gegeven worden op de vraag wie en wat "Satan" is. Joodse leermeesters keerden echter steeds terug naar de woorden Gods van de Thora en verwierpen de verhalen van de "val der engelen" of de "val van Satan". In de Talmoed wordt daarvan dan ook niet meer gesproken. ..... Er was een steeds voortdurende herinterpretatie vanuit de Thora, de bron van de woorden Gods waarin geen plaats blijkt te zijn voor een "duivel- en demonenleer" en dientengevolge ook niet van een "nederwerping van een voorwereld welke veroorzaakt zou zijn door de "val van Satan". ..... In de Joodse literatuur wordt Satan nooit tot een duivel.....", (W. Godijn en H. Pfoster, De val van Satan, Bijbels Denken, 2e jrg., nr. 6, blz. 19; 3e jrg., nr. 1, blz. 8,9).

Een waarschuwing is hier wel op zijn plaats. Voor de beantwoording van vraagstukken, als: "Wie Satan is"; "Wie demonen zijn", "Wanneer Satans val plaatsvond", enz., moeten wij niet teruggaan naar de Joodse Leermeesters en hun Talmoed, maar teruggaan tot de Schrift zelf. Zoals in het christendom de kerkelijke en voornamelijk pauselijke traditie zich ontwikkelde naast de ware bron van het geloof: "De Bijbel" (en er in lijnrechte tegenstelling mee kwam te staan), zo is het Joodse geloof in het geheel niet gebaseerd op het Oude Testament, zoals veel mensen denken, maar gebaseerd op de rabbinale overlevering, die vervat is in de Talmoed. De eeuwenlang verschenen er commentaren van rabbi's op gedeelten uit de Thora. Deze commentaren werden uiteindelijk gebundeld en opgenomen in de Talmoed, als nadere aanvulling en uitwerking van de Thora. De Talmoed heeft een veel grotere invloed gehad op het Joodse denken, dan het Oude Testament, net zoals de pauselijke traditie en uitspraken in de Rooms Katholieke Kerk bij de gelovigen de eeuwen door een veel groter gezag kregen dan de Bijbel. Het is Christus, Die voortdurend de Farizeeërs het verwijt maakt, dat zij door overleveringen en inzettingen van mensen de wetten van God krachteloos maken, (Matth. 23:1-39; Joh. 8:21-59).

In de Talmoed zijn ook de verschrikkelijkste aantijgingen opgenomen over Jezus Christus. Bijvoorbeeld de "Toledot Yeshu" (de geschiedenis van Jezus) is het deel van de Talmoed, dat een godslasterlijke verdraaiing van de historische feiten geeft over Jezus' leven. Hij zou een onecht kind zijn geweest van een Romeins soldaat, "Josef Panther", en geboren zijn uit een hoer, "Maria". In Egypte zou "Yeshu" de toverkunst van de Egyptenaren hebben geleerd en als hoge ingewijde in het Heilige Land zijn teruggekomen. Nadat Hij in de tempel het geheim van het zogenaamde "Tetragrammaton" (d.w.z. J.H.W.H., de Hebreeuwse letters van Jahweh, waaraan men magische krachten was gaan toekennen), had gestolen, was Hij in staat de wonderen te doen, waarvan het Nieuwe Testament spreekt.

Deze Satanische leugen over de "Toledot Yeshu" uit de Talmoed zien wij keer op keer opduiken in anti-christelijke groeperingen. In boeken als de Talmoed, de Zohar en andere kabbalistische, rabbinale geschriften vinden wij de grofste passages over Jezus Christus. Bij herhaling wordt Hij aangeduid als "die vent", "die dwaas", "de bedrieger van Israël", "de dief aan het kruis" (omdat Hij het Tetragrammaton zou hebben gestolen), om nog maar bij de minst lasterlijke opmerkingen te blijven. Volgens de Joodse christen Isaac da Costa is de Talmoed een ondoordringbare verschansing geworden, waarachter de Joden zich eeuwenlang tegen het geloof in hun Heiland hebben verweerd.

Dat de Joodse rabbijnen steeds weer terug zouden zijn gegaan naar de Schrift, zoals W. Godijn en H. Pfoster beweren, is een volkomen verkeerde voorstelling van zaken. Met hun kabbalistische traditie weken de Joodse rabbijnen juist steeds verder van Gods Woord af. Het heeft de Joodse schriftgeleerden zo verblind, dat zij hun Messias "Christus Jezus" niet herkenden en Hem hebben gekruisigd! En aan de andere kant zien wij deze zelfde Joodse rabbijnen m.b.v. hun Kabbala-leer enorm flirten met Satan. De Joodse schrijver Adolf Franck noemt de Kabbala: "Het hart en het leven van het Judaïsme". Hiernaast schrijft de Joodse schrijver H. Loewe in de "Encyclopaedia of Religion and Ethics" dat de Kabbala een enorme invloed heeft gehad op het Joodse denken, ook in onze tijd:

De Kabbala is zo diep doorgedrongen in het Joodse geloof, dat vele ideeën en gebeden ontleend aan de Kabbala, zich stevig hebben geworteld in de orthodoxe leer en praktijk.

De Kabbala verbindt het bijbelse Oud-Testamentische Joodse geloof en het bijbels Christendom met het Satanisme. Door het voortdurend geflirt in de Kabbala met Lucifer en de vergoelijking van het Kwaad als iets noodzakelijks, is de Kabbala een weg geworden, waarlangs velen zijn afgegleden van de aanbidding van God tot de verering van Lucifer (c.q. Satan). Aanhangers van de leer der alverzoening lopen op identieke wijze het gevaar, door hun beredeneringen van bijvoorbeeld; dat God de Schepper van het Kwaad is, of; dat het goede het kwade nodig heeft om goed te zijn, of; dat Satan in werkelijkheid niet bestaat, of; dat Lucifer na loutering deel zal hebben aan de verlossing; enz, dat zij op gelijke wijze afglijden in de kabbalistische denkwereld, waar het kwaad geen kwaad meer is. Zo geraken zij geheel verward in hun denken en raken zij het spoor des geloofs bijster. Hun voorliefde voor de Talmoed en de Kabbalistische denkwereld brengt hen in nauw contact met de Joodse verdichtsels, waartegen de apostel Paulus in Titus 1:14 en 2 Tim. 4:4 ons waarschuwt.

13 Dit getuigenis is waar. Daarom, weerleg hen kortweg, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof, 14 en niet het oor lenen aan Joodse verdichtsels en geboden van mensen, die zich van de waarheid afkeren. (Titus 1)

In de brochure LW 16, "De New Age Beweging" lieten wij al op blz. 47 zien, dat hedendaagse New Agers, als Robert Ogilvie Crombie, David Spangler, Benjamin Creme, Peter en Eileen Caddy, enz, de leerstelling verwerpen dat er een Satan zou bestaan. Zij willen ons doen geloven, dat de Satan en de duivel een uitvinding zijn van de traditie en dat Lucifer en Christus gewoonweg twee manifestaties zijn van één en dezelfde Godheid. Dit komt gevaarlijk dicht in de buurt bij de leringen van alverzoeners, die op gelijke wijze beweren, dat de Satan en de duivel van de traditie niet bestaan, maar dat Satan evenzeer als Christus een knecht des Heren is.

"Satan is een knecht van God, die Hij heeft aangesteld tot Zijn tegenstander. ..... Wanneer Satan een knecht van God is, die Hij heeft aangesteld om Zijn tegenstander te zijn, vervalt de voorstelling, dat hij gevallen is, (naar A. Lukkien, De oorsprong van het kwaad, Bijbels Denken, 3e jrg., nr. 2, blz. 12,13).

Hiernaast zagen wij op blz. 49 van de brochure over de New Age Beweging, dat omdat in de New Age leer alles "God" is, dit ook betekent dat goed en kwaad slecht twee kanten zijn van het Goddelijke. God is daarom zowel de Schepper van goed als kwaad. De mens zou alleen nog maar geleerd moeten worden, dat hij zijn eigen Satan is. Tot onze verbazing zien wij dat deze uitspraken en eindconclusies van New Agers in niets verschillen van die van alverzoeners. Beiden komen met hun kabbalistische gefilosofeer over Satan en de oorsprong van het kwaad tot dezelfde anti-christelijke en godslasterlijke uitspraken. Dit zou de alverzoeners moeten wakker schudden. Helaas is dat meestal niet het geval.


4.2 Consequentie van het scheppen van morele wezens

Wij hebben al aangetoond dat Satan en de demonen-wereld een realiteit zijn zowel in de Schrift als in de dagelijkse praktijk. Dit kan men niet wegredeneren. Ook hebben wij laten zien dat God niet de Schepper is van het kwaad en dat kwaad zelfs niet te scheppen is. Wij kunnen niet over het bestaan van kwaad spreken, gescheiden van iemands daden. De vraagstelling over de oorsprong van het kwaad is de vraagstelling over de persoonlijkheid. Een moreel persoon kan men verantwoordelijk houden voor zijn daden. En als een moreel wezen een verbod overtreedt en daardoor gestaft wordt, is het pertinent onjuist God te beschuldigen van de schepping van dat kwaad. God heeft alleen het verbod neergelegd en de strafmaat bepaald, maar God heeft dat kwaad niet geschapen! Een moreel wezen heeft dat zelf voortgebracht. Hij is zelf verantwoordelijk voor zijn daden. Een moreel wezen is geen redeloos dier, maar voor zijn daden aansprakelijk. Daarom is de straf van God t.a.v. de overtreding volkomen terecht.

Wij dienen ons te realiseren, dat God morele wezens heeft geschapen, zoals cherubs, engelen, mensen, enz, redelijke schepselen naast de redeloze dieren. En God wilde dat deze morele schepselen uit vrije wil Hem zouden gehoorzamen, volgen, enz., om zo voortgeleid te worden naar Gods volheid. De mogelijkheid van kwaad, van ongehoorzaamheid zit altijd automatisch opgesloten in de schepping van een moreel wezen. Soms redeneren mensen dat God met het scheppen van het schepsel de mogelijkheid van het doen van kwaad had moeten uitsluiten. Maar hoe had dit dan moeten geschieden? Er zijn maar een paar mogelijkheden, hoe het "doen van kwaad", uitgesloten had kunnen worden bij de schepping van morele wezens:


Een moreel wezen is geen dier
 
God zou een wezen hebben kunnen scheppen, die niet in staat was om goede en kwade dingen te doen. Maar is dit dan een moreel wezen? Nee. Dit schepsel zou gelijk zijn aan het dier, dat wij geen zonden kunnen aanrekenen. Een dier doet geen goede of kwade daden. Zijn daden komen voort uit zijn instinct en hebben geen morele waarde. In feite heeft God veel van dit soort schepselen geschapen, als wij het rijk der dieren overzien, maar dit zijn geen morele wezens.

Een moreel wezen is geen robot
 
God zou een wezen hebben kunnen scheppen die niet in staat was om kwade dingen te doen, alleen maar goede dingen. Maar is dit een moreel wezen, die met vrijheid van handelen verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden? Nee. Dit schepsel staat gelijk aan een voorgeprogrammeerde robot. Dit is geen moreel wezen.

Een moreel wezen is geen baby
 
God zou een wezen hebben kunnen scheppen die wel in staat was om goede en/of kwade dingen te doen, maar God zou hem in een onschuldige staat hebben kunnen houden. Door hem totaal af te schermen voor innerlijke of uiterlijke verleiding, zou deze hem nooit bereiken. Maar is dit een moreel wezen, die met vrijheid van handelen verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden? Nee. Hij heeft geen vrijheid. Hij is dan wel geschapen als moreel wezen, maar hij heeft niet de vrijheid om als moreel persoon zelfstandig te kunnen handelen. Hij is en blijft als een baby in een staat van onschuld. Hij handelt nooit als een moreel wezen.

Een moreel wezen is geen gevangene van God
 
God zou een wezen hebben kunnen scheppen die in staat was om goede en/of kwade dingen te doen. God zou de verleiding hebben kunnen toelaten, maar Hij zou hebben kunnen verhinderen dat het schepsel daarop in zou gaan. Maar als God dit zou doen, dan zou Hij op hetzelfde ogenblik de morele natuur van het schepsel vernietigd hebben. Opgelegde goedheid, gedwongen liefde, verplichte aanbidding zijn tegenstrijdigheden. Goedheid, liefde en aanbidding worden krachteloos gemaakt en verliezen geheel hun betekenis op het moment dat het een verplichting wordt. God kan onschuldige wezens scheppen, maar in de grond der zaak is de schepping van een kant-en-klare gerechtigheid een onmogelijkheid. Die gerechtigheid, die rechtschapenheid, dient te worden verworven.



Wij zien dat indien God morele wezens schept, dit automatisch de mogelijkheid insluit van het kunnen doen van kwaad, van ongehoorzaamheid. Er is geen andere mogelijkheid. Dit is inherent verbonden aan het scheppen van morele wezens. En wij dienen ons te realiseren, dat God morele wezens heeft geschapen, zoals cherubs, engelen, mensen, enz, die zelf verantwoordelijk zijn voor hun daden.

Misschien zal iemand opmerken: "Ja, maar dan blijft er ook in de eeuwigheid de kans bestaan van een val in de zonde. Want wie kan mij de garantie geven dat er weer niet een schepsel ongehoorzaam zal worden, zoals die gezalfde overdekkende cherub en weer tegen God gaan opstaan? Wie kan mij verzekeren dat er niet een herhaling zal optreden van de zondeval van de mens, omdat hij opnieuw verleid wordt?" Nu er is één belangrijk verschil, waardoor dit onmogelijk wordt. Niet alleen doordat de duivel te niet zal zijn gedaan, (Hebr. 2:14 Statenvertaling), maar bovenal doordat God Zich één maakt met ons. Dit geheimenis is groot, (Ef. 5:32). Christus verlost ons niet alleen. In de (ver)lossing huwt Hij als Losser, denk maar aan Boaz en Ruth. (Op deze aspecten van Christus' Losserschap hopen wij in de toekomst terug te komen). Nu al zijn wij één gemaakt met Hem. Wij zijn samen met Hem levend gemaakt, samen opgewekt, samen gezet in de hemelse gewesten. Wij zijn het Samen-lichaam. Wij zijn vervuld met Hem die alles in allen volmaakt, (Ef. 1:23). En wat in het klein al in de gemeente van Christus openbaar wordt, zal straks voor heel de nieuwe schepping gelden. Wij worden vervuld met de volheid van Hem, de volheid Gods, die lichamelijk in Hem woont, (Col. 2:9-10; Ef. 3:19; 4:13; 1:23; 1:10; Col. 1:15-19).

Het tegenovergestelde van het woord pleroma "volheid", is in Matth. 9:16 het woord schisma "scheur". Het komt voor in Joh. 9:16; 10:19; 1 Cor. 1:10; 11:18; 12:25, en het betekent altijd "scheiding". Het werkwoord schizo komt in Matth. 27:51 voor waar het voorhangsel in tweeën scheurde van boven naar beneden. In Joh. 19:24 gebruiken de soldaten dit woord, toen zij het kleed van de Here Jezus, dat zonder naad uit één stuk geweven was, niet wilden scheuren. Schriftuurlijk gezien is schisma het tegenovergestelde van pleroma en geeft hierdoor ons inzicht wat "de volheid van Hem" is. Er is een "scheur", een "scheiding", een schisma gekomen in Gods schepping. Paulus spreekt bijvoorbeeld over: "vóór de grondlegging der wereld" in Ef. 1:4, letterlijk "vóór de nederwerping van de kosmos". Wij gaan hier later nog uitgebreid op in, maar het toont ons dat er een "scheur" is gekomen in Gods schepping. De Bijbel begint direct in Gen. 1:2 er over te spreken dat de aarde woest (tohu) en ledig (bohu) is. Dit geeft duidelijk een scheuring aan. In de mooie schepping van Gen. 1:1 kwam zonde met al zijn ongerechtigheden en Jes. 59:2 zegt:

Maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort. (Jes. 59:2)

De noodzaak van een Middelaar geeft aan dat er sprake is van "scheiding". De Here Jezus Christus is de volheid van God. Hij is Diegene, die alles in allen zal vervullen. Wanneer dat doel bereikt is, zal de "scheur" veroorzaakt door Satans rebellie en de zonde van de mens ingevuld en opgevuld zijn, zodat God zal zijn alles in allen. Dit zal een nieuwe scheuring onmogelijk maken, want de tabernakel van God zal bij de mensen wezen en Hij zal bij hen wonen, (Openb. 21:3). Deze eenheid met God, waarbij het schepsel tot Gods volheid wordt gebracht, is Gods doel en Gods voornemen der eeuwen. Deze volheid Gods verzekert ons, dat er nooit meer een "scheiding" zal wezen, omdat het morele schepsel tot volwassenheid is gebracht, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van de volheid van Christus, (Ef. 4:13), waartoe nu al de gemeente van Christus gevoerd wordt. Hij zal volle kennis hebben en geoefend zijn in het onderscheiden van goed en kwaad, (Hebr. 5:14).


4.3 De val van Satan in de zonde

Satan was voordat hij "de tegenstander" werd, een gezalfde overdekkende cherub, (Ez. 28:14 SV), of zoals de NBG vertaald "een beschuttende cherub". Hij was onberispelijk in zijn wandel vanaf de dag dat hij geschapen werd, (Ez. 28:15), totdat er onrecht in hem gevonden werd en hij viel. De eerste keer dat wij de uitdrukking "onberispelijk" (in het Hebreeuws tamin) tegenkomen in het Oude Testament is Gen 6:9, waar staat: "Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man". Tamin komt diverse malen in Ezechiël voor en wordt door de NBG verschillende malen vertaald door "gaaf", SV door "volkomen". Het duidt op het offerdier dat volkomen gaaf moest zijn. Satan was onberispelijk geschapen, volkomen gaaf, zonder vlek of rimpel.

Ditzelfde zegt de Schrift van de schepping. God schiep deze niet tohu woest(-heid) en bohu ledig(-heid), "niet tot een baaierd". letterlijk "niet als een woestheid", maar de schepping werd zo, (Gen. 1:1-2; Jes. 45:18). Ook van de mens zegt de Schrift:

Alleen, zie toch: ik heb ontdekt, dat God de mensen recht gemaakt heeft, maar zij zoeken vele bedenkselen. (Prediker 7:29)

Wij zien dus dat zowel de schepping van de hemelen en de aarde als de schepping van de mens "recht" was; "gaaf", "zonder vlek of rimpel". Dit geldt ook voor de schepping van de gezalfde overdekkende cherub. Bij zijn schepping was hij volkomen schoon, (Ez. 28:12), vol van wijsheid. Hij was onberispelijk, volkomen gaaf, zonder vlek of rimpel. Het onrecht dat in hem gevonden werd, was het resultaat van zijn eigen handelen. Als de Psalmist over de Here spreekt, zegt hij: "Mijn rots in wie geen onrecht is", (Ps. 92:16). Dit is hetzelfde woord dat in Ez. 28:15 vertaald is met "onrecht". Het staat tegenover het woord "recht" (SV), "waarachtigheid" (NBG).

Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. (Ps. 92:15 Statenvertaling)

Dit laat ons zien in welke toestand deze cherub viel. Van zijn oorspronkelijke rechtschapenheid viel hij in een staat van ongerechtigheid. Hij was oorspronkelijk een Gezalfde overdekkende Cherub, maar hij werd een Satan, "een tegenstander" van God. Deze ongerechtigheid wordt in Ez. 28 vanuit verschillende oogpunten belicht. Het is nauw verbonden met zijn handel, (vers 16) en koopkandel, (vers 18). Zo ontheiligde hij zijn heiligdommen, (vers 18). De diepere oorzaak wordt ons aangereikt in vers 17.

Trots was uw hart op uw schoonheid - met uw luister hebt gij ook uw wijsheid teniet doen gaan, (Ez. 28:17)

Ook 1 Tim. 3:6-7 geeft ons hierin inzicht. De overdekkende cherub werd trots, hoogmoedig, opgeblazen. Zo kwam hij in opspraak en kwam hij tot zonde, (Ez 28:16).

door uw uitgebreide handel zijt gij vervuld geraakt met geweldenarij en kwaamt gij tot zonde. Van de berg der goden verbande Ik u en deed u weg, gij beschuttende cherub, van tussen de vlammende stenen. (Ez. 28:16)

De zonde is opgekomen bij de duivel. Hij heeft de zonde in 't leven geroepen en zij, die de zonde doen, zijn uit hem.

Wie de zonde doet is uit de duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. (1 Joh. 3:8)

Zij, die de zonde doen, zijn "uit de duivel". Daar ligt de oorsprong van de zonde en Satan is de voortbrenger. Hij is de auteur. Wat is zonde? Vanuit de vele woorden in het Hebreeuws en het Grieks zijn meerdere definities te geven. Rom. 3:23 laat ons zien, dat zonde een "tekortkoming" is, een "missen" van iets, zoals ook het Hebreeuwse woord chatta aangeeft. Andere teksten geven ons de volgende definities:


De zonde is wetteloosheid, (1 Joh. 3:4).
Alle ongerechtigheid is zonde, (1 Joh. 5:17).
Al wat niet uit geloof is, is zonde, (Rom. 14:23).



Wij vinden hier drie verklaringen van wat zonde is. In elke verklaring vinden wij een missen van iets, een loochenen van iets. Zonde is het verloochenen van (a) wet, (b) recht en (c) geloof. Deze verloochening openbaarde Satan toen hij als moreel wezen bewust het pad der gehoorzaamheid verliet. Zo kwam hij tot zonde, (Ez. 28:16). Dat wil zeggen; dat hij Gods wet loochende; dat hij onrecht deed; dat hij het geloof verwierp; kortom dat hij rebelleerde en zo de tegenstander van God werd: "Satan". Zo werd hij de vader der leugen; de oude, listige, sluwe slang; de mensenmoordenaar van den beginne; de duivel, die de naam van God lastert en de waarheid vermengt met de leugen; (Joh. 8:44; Openb. 12:9; 20:2).

Net zoals wij op de laatste bladzijden van de Bijbel lezen over Satans laatste rebellie aan het eind van de 1000 jaar, (Openb. 20:7-10), zo vinden wij op de eerste bladzijden van de Bijbel Satans eerste rebellie. In Gen. 1:1 vinden wij de oorspronkelijke schepping van de hemelen en de aarde, geschapen in volmaakte orde en schoonheid. In vers 2 wordt ons echter verteld dat deze woest werd, ja ledig en verlaten. Een correcte vertaling van de eerste twee verzen van de Bijbel zou kunnen luiden:

In den beginne schiep God de hemelen en de aarde, (Gen. 1:1). Maar de aarde werd woest en ledig en duisternis [was] over het aangezicht van de afgrond en de Geest van God [was] zwevende over het aangezicht van de wateren, (Gen. 1:2).

Hoe dit plaatsvond en wanneer dit plaatsvond, wordt ons niet verteld, maar duidelijk is dat dit het resultaat is van de val van Satan in de zonde. Deze val moet hebben plaatsgevonden tussen Gen. 1:1 en Gen. 1:2, want in Gen. 3 wordt hij aan ons getoond als een gevallen engel, een leugenaar en een lasteraar, de vijand van God en de mens. Dat wij in Ez. 28 en Jes. 14 over de val van Satan lezen en de gevolgen van deze val terugvinden in Gen. 1:2, past natuurlijk geheel niet in de alverzoeningsleer. Al deze zaken worden daarom door alverzoeners heftig tegengesproken.

"In Jes. 14:12 en in Ez. 28:13-15, ..... daar staat niets aangaande de persoon van Satan in die beide hoofdstukken!", (Mr. A. Manussen, Brandende vragen over de oorsprong van het kwaad (1), blz. 5).

Zij die leren dat God de Schepper is van het kwaad en dat God Satan als een tegenstander geschapen heeft, kunnen niet uit de voeten met Ez. 28. Men wil absoluut Satan niet zien in Ez. 28, want dit zou betekenen, dat de zonde uit hem is. Dit zou betekenen, dat God Satan niet als een tegenstander heeft geschapen, maar als een volkomen Cherub, een moreel wezen, die zelf de zonde heeft voortgebracht. Het zou betekenen dat bij God helemaal niet de oorzaak of de oorsprong ligt van het kwaad, zoals men leert. Ez. 28 en Jes. 14 passen eenvoudigweg niet in hun systeem. Ditzelfde geldt t.a.v. de val van Satan in Gen. 1:2.

Een hypothetische vooronderstelling van een "nederwerping" van de prehistorische voor-wereld, veroorzaakt door de "val van Satan" mag (en daar gaat het om!) vanwege de problematiek rond wat genoemd wordt "het probleem, of wel de oorzaak van het kwaad", niet ingelezen worden in Gen. 1:2", (W. Godijn en H. Pfoster, Grondlegging of nederwerping der wereld (2), Bijbels Denken, 2e jrg., nr. 3, blz. 17).

Wij zouden niet weten, waarom wij niet de val van Satan in de zonde zouden kunnen herkennen in Gen. 1:2, als daar voldoende Schriftuurlijk bewijs voor is. Wij kennen geen problematiek omtrent de oorzaak van het kwaad. Alverzoeners creëren voor zichzelf deze moeilijkheden, die er in werkelijkheid niet zijn, omdat men spreekt over het bestaan van kwaad gescheiden van de daden van hen, die verkeerd hebben gehandeld. Dat iets wel of niet in hun alverzoeningsysteem past, is geen afdoend bewijs. Men moet met terdege argumenten komen. Wij willen daarom in de volgende paragrafen Gen. 1:2 aan een terdege onderzoek onderwerpen en in de volgende brochure teruggaan naar Ez. 28 en Jes. 14 om te zien welke gezichtspunten deze hoofdstukken ons hierop geven.


....................... enz.



Bent u geïnteresseerd geraakt?

Bestel de brochure

    





© Levend Water