Hoofdstuk 2.a1 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 2.b


Israëls Herstel en Toekomst

II. ISRAELS HERSTEL EN TOEKOMST



A. In het Oude Testament


3. De woorden der profeten


Indeling. Van de profeten die over Israëls herstel spreken, gaan we na Hosea, Amos, Jesaja, Jeremia, Ezechiël, Zacharia en Maleachi. We nemen ze in die volgorde omdat zo ongeveer de historische volgorde is waarin zij zijn opgetreden. De eerste drie zijn voor de Ballingschap, Jeremia en Ezechiel vlaat voor en tijdens die tijd, Zacharia en Maleachi er na.


a. HOSEA.

Hosea profeteert bijzonder tot het Tien Stammenrijk, dus voor de wegvoering. Israël, de tien stammen zal worden Lo - Ruchuma - Niet - ontfermd en Lo - Ammi, Niet Mijn Volk. Maar de keer komt.

Hos. 1:10-12

“Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee......En de kinderen van Juda en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden en zich een enig hoofd stellen, (d.i. er zal en vorst over beide Huizen zijn, er zal geen tweedeling meer wezen) en uit het land (nI. der ballingschap) optrekken.-”

Vanaf vs. 11 is nog niets vervuld. Israël en Juda zijn nog steeds in ballingschap. Zij hebben zich nog niet één hoofd gesteld en zijn nog niet opgetrokken. Dit woord kan niet slaan op de “Kerk” want die trekt niet uit haar land op, stelt zich geen hoofd, is geen volk maar een lichaam.

Hos. 3:4, 5

“Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten zonder koning en zonder vorst en zonder offer en zonder opgericht beeld en zonder efod en terafim. Daana zullen zich de kinderen Israëls bekeren en zoeken de Here hun God en David hun koning en zij zullen vrezende komen tot de Here en tot Zijn goedheid in het laatste der dagen”.

Vele dagen - dat zijn de dagen van de Lo-Ammitijd, die voor de tien stammen begon bij de wegvoering naar Assur, voor de twee van die naar Babel. Zij zullen verstoken zijn van koning en eredienst; het laatste wordt uitgedrukt door opgericht beeld, veel in gebruik bij de Kanaänietische afgodendienst, efod, het schouderkleed van de hogepriester, terafim, afgodsbeelden. Daarna komt de ommekeer en zal Israël de Here gaan zoeken en David, hun koning.

Velen menen, dat dit de Messias is. We houden ons aan de letter. Buiten Hosea vinden we de term nog in Jer. 30:9, Ez. 34:23 en 37:24. In al deze teksten menen we, dat er sprake is van de werkelijke David. Niet van de Messias. Hij is dan ook het ene hoofd dat Israël zal stellen. Waarom hier te gaan “vergeestelijken”. Wij blijven bij de regel: Termen zijn constant.

Mogelijk zal men er op wijzen, dat Paulus woorden uit Hosea 1 en 2 in Rom. 9:25 gebruikt en dit op de Heidenen betrekking heeft, dus dat we de vervulling moeten zien in de Kerk van de nieuwe dag en dat men daarom ook in Hos. 3 aan de Messias moet denken. We antwoorden hierop, dat het citaat van Hos. 1:1 0 en 2:22 niet op de Heiden gelovigen behoeft te slaan, maar zeer wel op de Joden van vs. 24. Bovendien als met het ook op de Heidenen wil laten slaan, dan gebruikt Paulus het hier in overdrachtelijke zin, en “vergeestelijkt” hij. Dat doe hij ook als bij Jes. 49:6 dat van Christus geldt, op zichzelf toepast in Hand. 13:47. Evenmin echter als hij, Paulus, de werkelijke Messias is, maar een woord dat op Deze betrekking heeft bij uitbreiding en om zijn Goddelijke zending te bewijzen op zichzelf toepast, zo doet hij dit ook t.O.v. Hos. 1 en 2 waar het niet-ontfermd-zijn en het niet-Mijn-volk zijn van Israël uitbreidt tot de Heidenen omdat beider staat aan elkaar gelijk was geworden. Maar evenmin als Jes. 49:6 daarmee aan Christus wordt ontnomen, evenmin geschiedt dit met Hos. 1 en 2, t.O.v. Israël. Paulus vergeestelijkt wel een woord der Schrift maar neemt de letterlijkheid er daardoor niet van weg. Die laat hij staan. Zie Rom. 11:25-29. En dat doet de vergeestelijkingsmethode wel.


b. AMOS.

Amos was Hosea's tijdgenoot. Hij profeteert ook tegen Israël, de tien stammen, hoewel uit Juda afkomstig.

Am. 9:8.

“Zie de ogen des Heren Heren zjn tegen dit zondig koninkrijk dat Ik het van de aardbodem verdelge, behalve dat Ik het Huis Jakobs niet ganschelijk zal verdelgen, spreekt de Heren - - Alle zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven - - Te dien dage zal Ik de vervallen hut Davids weder oprichten - - en zal ze bouwen als in de dagen vanouds, opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom en al de Heidenen die naar Mijn naam genoemd worden ...... En Ik zal de gevangenis Mijns volks wenden en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen en wijngaarden planten en derzelver wijn drinken en zij zullen hoven maken en derzelver vrucht eten en Ik zal ze in hun land planten en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit het land dat Ik hen gegeven heb, zegt de Here uw God”.

Dat dit woord niet vervuld is, bewijst Hand. 15 waar Jakobus Amos' woorden citeert. Hij zegt dat God eerst een volk uit de Heidenen zal aannemen en dan zal wederkeren om Davids tabernakel weder op te richten. Aangezien de Here nog niet is wedergekomen, heeft de oprichting van de tabernakel Davids, d.i. het Davidische koningschap, ook nog niet plaats gehad en daarmee ook niet Israëls herstel.

Ook dit wordt weer vergeestelijkt. In O.T.-vorm wordt hiermee de komst van het Messiaanse rijk voorzegd, leert men. In vs. 13-15 wordt dan onder het teken van aardse vruchtbaarheid de zegen van dat rijk beschreven. Wat een armelijke uitlegging toch. God zegt duidelijk dat Hij Israël “in hun land” zal planten en dat ze niet weer uitgerukt zullen worden uit het land, dat Hij hen gegeven heeft. Hoe men dat nu op de Kerk kan toepassen, gaat alle logisch begrip te boven.

Nog nimmer is Israël weder in zijn land ingezet om daar niet weder uitgerukt te worden. Het is uit Babel teruggekeerd - en dan nog slechts een zeer klein deel - en weder uit zijn land gerukt. Maar Amos spreekt van een niet meer uitgerukt worden. Als men het uitrukken letterlijk voor Israël neemt, moet men het inzetten en niet meer uitgerukt worden, ook letterlijk voor Israël nemen. God zal ze in hun land planten en zij zullen niet meer uitgerukt worden uit het land, dat Hij ze gegeven heeft. Zo besluit Amos' profetie. En zijn woord staat als woord Gods boven alle uitlegging die van de letterlijkheid afdoet.


c. JESAJA.

De verheven profetie van Jesaja spreekt ook van Israëls heerlijke toekomst. Zij is schoon om te lezen, strelend voor het gevoel, troostrijk voor het hart. We kunnen er hier maar weinig van bespreken, omdat we slechts een kort betoog willen leveren en beperken ons tot Jes. 11.

Jes. 11:11.

“Want het zal geschieden te dien dage (n.l. als het Rijsje uit Isai's afgehouwen tronk zal regeren) dat de Here ten anderen male zijn Hand zal aanleggen om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië en van Egypte en van Pathros (Opper-Egypte) en van Morenland (Abessynië) en van Elam (Zuid-Medië) en van Sinear (Babylonië) en van Hamath (Noord-Syrië) en van de eilanden der zee (de kustlanden der Middellandse Zee, Klein Azië en de Griekse eilanden) en Hij zal een banier oprichten onder de Heidenen (een teken geven aan de volken, want deze zullen de verstrooide Israëlieten terugbrengen - Jes. 49:22; 66:20) en Hij zal de verdrevenen Israël verzamelen en de verstrooiden uit Juda vergaderen van de vier einden des aardrijks”.

Dit woord is nog in geen deel vervuld. Er staat, dat de Here “Ten anderen maal” Zijn hand zal aanleggen. “Ten anderen maal” is het Hebr.: “de Tweede maal”. Er aan vooraf gaat dus de eerste maal. Dit “de eerste maal” heeft geen betrekking op de terugkeer uit Babel, want toen kwam een deel der Joden uit Babel terug. Niet uit al de hier genoemde streken. Het “ten eersten maal” moet dus nog geschieden. Dit is dan waarschijnlijk een gedeeltelijke wederkeer van Israël voor de wederkomst van Christus. Het “ten anderen maal” heeft dan plaats na die wederkomst.

Dan zal Efraims nijd (die van het Tien Stammenrijk) en Juda's benauwing (die van het Twee stammenrijk) ophouden. Vs. 14 “Maar zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen tegen het Westen en zij zullen te samen, dus Efraim en Juda die van het Oosten beroven, aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn”.

Ook hiervan is nog niets vervuld. Of wil men het vergeestelijken? Dan zij men consequent. Als met Efraim en Juda in vs. 13 de “Kerk” bedoeld is dan ook in vs. 14. Dan zal de “Kerk” dus eenmaal het zwaard trekken. Doch tegen wie? Tegen de “wereld”? Zeer vreemd. Men ziet tot welke consequenties men komt als men de Schrift, waar mogelijk, niet letterlijk neemt. - Men late dit woord staan voor Israël in de toekomst. Dan is alles duidelijk. Ook het volgende:

Jes. 11:15, 16

“Ook zal de Here de inham der zee van Egypte (deel der Rode Zee) slaan en Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier (de Nijl) door de sterkte Zijns winds en Hij zal dezelve slaan in zeven stromen en Hij zal maken dat men met schoenen daardoor zal gaan. En daar zal een gebaande weg zijn voor 't overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israël geschiedde ten dage toen het uit Egypteland optoog”.

Ook dit is onvervuld. Wil men een en ander zich geestelijk laten vervullen, dan geve men ons geestelijke schoenen om dit terrein te mogen betreden, anders kunnen we niet volgen. Te zeggen dat de profetie heen wijst naar het heil dat de kerk des Heren bij Christus' eerste komst in beginsel en bij Zijn tweede komst in “volkomenheid” ontvangt, is afdoen aan Gods Woord. Jes. 11 zal zo vervuld worden als het er staat. Vs. 16 leert dat het zal zijn gelijk als toen Israël voor de eerste maal uit Egypte optoog. Toen werd de zee droog. Nu wordt het en die zee en de rivier beide. De geestelijke drooglegging van een geestelijke zee en een geestelijke rivier waardoor men met geestelijke schoenen kan doorgaan om naar een geestelijk land weder te keren is ons nog geestelozer dan winderige woorden en waterloze wolken. D.w.z. zinledig, gespeend aan alle realiteit. Neen, het zal zijn zoals de Here zegt in eenvoudige klare woorden.


d. JEREMIA.

Jeremia spreekt van het Nieuwe Verbond dat de Here met Israël en met Juda zal maken.

Jer. 31:31-34

“Zie de dagen komen, spreekt de Here, dat Ik met het Huis Israëls en met het Huis van Juda een nieuw verbond zal maken. Niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb om hen uit Egypte uit te voeren, welk verbond met Mij zij overtreden hebben, hoewel Ik ze getrouwd had, spreekt de Here. Maar dit is het verbond dat Ik na die dagen met het Huis Israël maken zal, spreekt de Here; Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent de Heren, want zij zullen Mij allen kennen van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Here, want Ik zal hun ongerechtigheden vergeven en hun zonde niet meer gedenken”.

“Na die dagen”. Het komt ons het meest natuurlijk voor voor “die dagen” te nemen van vs. 27:30 “Ziet de dagen komen dat Ik het Huis van Israël en het Huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten....In die dagen zullen zij niet meer zeggen”... En dan vs. 33: “Maar dit is het verbond dat Ik na die dagen met de Huize Israël maken zal”. Evenals de Here Israëls hand aangreep in Egypte en daarna het verbond van Horeb met hen maakte, zo zal Hij hun hand aangrijpen om hen uit al de landen der ballingschap op te voeren naar Kanaän (Jer. 31 :24 en 28) en daarna een nieuw verbond met hen te maken. (Zie Jer. 31 :3)

Het Nieuwe Verbond is voor Juda en Israël. En Juda en Israël is niet de N.T. gemeente die men “Kerk” noemt. Dit is licht te bewijzen uit Jeremia zelf. De term “het Huis Israëls”komt vijftien keer eerder in Jeremia voor, n.l. 2:4, 26; 3:18, 20;5:11, 15; 9:26; 10:1; 11:10, 17; 13:11; 18:6, 6; 23:8. Het is niets anders dan - het Huis Israël, natuurlijke nakomelingen van vader Jakob. In Jer. 31 komt het drie maal voor, in vs. 27 is sprake van het bezaaien van het Huis Israëls met het zaad van mensen en beesten. Kan dit een “geestelijk” Huis Israël zijn, de Kerk? Of staat dit geheel in de natuurlijke orden. Waarom moet men dan in vs. 31 en 33, enkele verzen verder, aan het Huis Israëls een geheel andere betekenis geven?

Dit is dan weer de subjectieve maatstaf aanleggen, menselijk inzicht geven, eigen mening doorvoeren. Voorts vinden we de term nog twee maal in Jer. 33 n.l. vs. 14 en 17 waar weer niet anders dan het “Israëlietische” Huis Israël kan bedoeld zijn, want in vs. 17 is sprake van Davids troon en in vs. 18 van de Levietische priesters die brandoffers offeren. Dit geschiedt toch niet in de “Kerk”?


e. EZECHIEL.

Nu volgt Ezechiël, de profeet die eveneens tijdens de wegvoering werkzaam was. van hem bespreken we iets uit hfdst. 36 en 37.

Ez. 36:24-28

“Want Ik zal u uit de Heidenen (d.i. Heidenvolken, niet-besneden volken) halen en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden van al uw onreinigheiden en van al uw drekgoden. En Ik zal u een nieuw hart geven en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlezen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen. En gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb en gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn”.

Ook dit alles toeft nog en is onvervuld. Israël moet nog komen in de grote nationale en tevens geestelijke wedergeboorte d.i. van bovenaf. Deze is toekomstig naar Christus' eigen woord in Mt. 1:28 “En Jezus zeide tot hen: Voorwaar zeg Ik u dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte (d.i. in de tijd van de wedergeboorte, n.l. van Israël) wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon Zijner heerlijkheid (en dat is eerst bij Zijn wederkomst, zie Mt. 25:31) dat ook gij zult zitten op twaalf tronen, oordelende de geslachten Israëls”. Men leze hier niet: dat gij die Mij gevolgd zijt in de wedergeboorte, dus zonder komma. Vooreerst is Christus nimmer wedergeboren, dus kan men Hem daarin niet volgen. Ten tweede is men in de wedergeboorte volkomen passief en kan men er ook niemand in volgen. In Mt. 19 gaat het echter niet over de persoonlijke wedergeboorte, maar om de nationale, die van Ez. 36.

Israël is thans nog onbekeerd, is nog niet gereinigd van al zijn onreinheden en drekgoden, heeft nog geen nieuw hart en nieuwe geest, woont nog niet in het land der vaderen, ontvangt nog niet de zegeningen van vs. 30en 33-36. Maar de keer zal komen en dan zullen Gods woorden, de vergeestelijkers ten spijt, zo bewaarheid worden als de Heilige Geest ze bij monde van Ezechiël, heeft laten neerschrijven.

Ez. 37. Zeer bekend is het gezicht van het dal met doodsbeenderen. We citeren het gedeelte niet. Het is en wordt schrikkelijk vergeestelijkt. Maar wie dit deden en nog doen, lezen over Gods uitlegging in vs. 11-12 heen.

“Toen zeide Hij tot mij: mensenkind, deze beenderen zijn het ganse Huis IsraëL.. Zo zegt de Here: Zie Ik zal uw graven openen en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, 0 Mijn volk Israël en Ik zal u brengen in het land Israëls.....En Ik zal Mijn Geest in u geven en gij zult leven en Ik zal in uw land zetten en gij zult weten dat Ik de Here dit gesproken en gedaan heb, spreekt de Here”.

We geven hierover geen commentaar. God zelf doet het. Waarom er nog mensenwoord aan toe te voegen. Hierop volgt het tweede beeld, dat van de twee houten, die tot één moet worden en die Jozef, de tien stammen en Juda, die twee stammen typeren, vs. 15-20. Dan volgt de verklaring van het beeld. Nu is een verklaring van een beeld steeds de volle werkelijkheid en niet nogmaals beeldspraak.

Vs. 21,22

“Spreekt dan tot hen: Zo zegt de Here Here. Zie Ik zal de Kinderen Israëls halen uit het midden der Heidenen waarheen zij getogen zijn en zal ze vergaderen van rondom en brengen ze in hun land. En Ik zal ze maken tot een enig volk, in het land, op de bergen Israëls en zij zullen allen te samen een enigen Koning tot koning hebben en zij zullen voortaan niet meer twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn”.

Vs. 24, 25.

“En Mijn knecht David zal koning over hen zijn en zij zullen tezamen een Herder hebben en zij zullen in Mijn rechten wandelen en Mijn inzettingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben. Ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen en hun kindskinderen tot in eeuwigheid en Mijn knecht David zal hunlieder vorst zijn tot in eeuwigheid”.

Men lette op “het land dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb”. Dat is niet de hemel maar Kanaän. En wie mocht menen, dat het betrekking heeft op Israëls terugkeer uit Babel, loopt vast met de tijdsduur: “in der eeuwigheid”. Dit is voor ons weer de toekomende eeuw. Waarom het vers niet heel eenvoudig genomen zoals het er staat. Wat is er nu aan te vergeestelijken? Toch heeft men dit weer gedaan en heeft men van David Christus gemaakt. Zo is men van het licht in de duisternis geraakt. Wie echter inziet, dat de toekomende eeuw, de “eeuwigheid” die hier bedoeld wordt, ook een tijdsperiode is, wie vasthoudt aan wat God zegt, gaat veilig en krijgt licht. Hij ziet dan dat David eenmaal vorst zal zijn, theocratisch vorst onder de Here en Israël leiden en weiden zal”in der eeuwigheid”, de toekomende eeuw, de Messiaanse heilstijd.

Over Ez. 40 - 48 volgt later een enkel woord. We nemen steeds voor het Huis Israël het Huis Israël d.w.z. de natuurlijke nakomelingschap van Jakob. Zo doen we ook met het Huis Juda. De term komt tien maal voor in Jeremia, nl. 3:18; 5:11; 11:10, 17; 12:14; 13:11; 31:27, 31; 33:14 en 36:3. In alle gevallen buiten Jer. 31 betekent hij: de nakomelingen van Juda. Waarom ook niet in Jer. 31:27 en 31. Waarom niet de objectieve norm genomen, zie zichzelf steeds gelijk blijft?

Maar, zal men zeggen, spreekt Hebreeën 8:8 dan niet van het Nieuwe Verbond en is Hebreeën dan niet voor de Kerk? Neen, Hebreeën is - voor de Hebreeën. Het handhaaft juist Israël en Juda. Overal waar testament staat in Hebreeën en verder in het N.T., leze men verbond. En de verbonden zijn voor Israël. Gelijk Paulus zelf zegt in rom. 9:4. Hunner zijn de verbonden. Ook het Nieuwe Verbond. Het bloed voor dat Verbond is door Christus vergoten, het wordt gemaakt met Israël en Juda. Niet met de kerk. We kunnen hierover niet uitweiden, maar nemen ook in Hebr. 8:8; Huis Israël en Huis Juda voor Israël. God zegt het, dus zo is het.


f. ZACHARIA.

Zacharia en Maleachi zijn profeten, die na de ballingschap optreden. Vinden we bij hen nu bewijzen, dat de profetieën aangaande Israëls herstel vervuld zijn? Integendeel, zij speken evenzo van of wijzen op een toekomstig herstel. Zo heeft God, Die wist hoezeer men Zijn woord zou vergeestelijken, hiermee een overtuigend bewijs gegeven dat Israëls herstel iets anders is de de wederkeer uit Babel.

Zach. 8:7

“Zie, Ik zal Mijn volk verlossen uit het land van de opgang der zon (het oosten) en uit het land van de ondergang der zon (het westen)”.

Dit woord kan niet vervuld zijn in de terugkeer uit Babel, want het werd tot het reeds teruggekeerde volksdeel gesproken. Aan dit deel geeft de Here een profetie van een veel groter verlossing. De Here zou ze ook verlossen uit het land van het westen. Er waren er al heel wat naar Egypte verplaatst, er heen verhuisd onder de regering van Ptolomeus, koning van Egypte. We lezen echter nergens in de Schrift, dat zij daaruit verlost zijn. Verlossen houdt in een gedwongen ballingschap. Dat hadden de naar Egypte verplaatsten niet. Ze konden vrij wederkeren, maar hadden het er goed. Zo ziet het woord van Zacharia dus op iets anders en is nog onvervuld.

Zach. 8 :20-23.

“Alzo zegt de Here der heerscharen: Nog zal het geschieden dat de volken en inwoners van vele steden zullen komen en de inwoners der ene stad zullen gaan tot de inwoners der anderen, zeggende: Laat ons vlijtig heengaan om te smeken het aangezicht des Heren en de Here der heerscharen te zoeken, ik zal ook heengaan. Alzo zullen vele Volken en machtige Heidenen (niet-besneden volken) komen om de Here der heerscharen te Jeruzalem te zoeken en om het aangezicht des Heren te smeken. Alzo zegt de Here der heerscharen: Het zal in die dagen geschieden dat tien mannen uit allerlei tongen der Heidenen grijpen zullen, ja de slip grijpen zullen van een Joodse man, zeggende: Wij zullen met u gaan, want wij hebben gehoord dat God met ulieden is”.

“Hiermee wordt te kennen gegeven, dat de heidenen in groot getal en met groten ijver zich zullen begeven tot de Christelijke kerk, die eertijds alleen bij de Joden was”. Aldus de Kanttekenaar.

De hele kerkgeschiedenis door hebben we nimmer van de vervulling dezer profetie gelezen, zoals de Kanttekening aangeeft. Hij had het beter kunnen omkeren en zeggen, dat tien Joodse mannen de slip van een gelovige uit de Heidenen zouden aangrijpen en zeggen: Wij gaan met u naar de Christelijke kerk.

Men neme dit woord letterlijk. Het zijn letterlijk de Volken en de inwoners van letterlijke steden, die eenmaal letterlijk naar Jeruzalem zullen gaan met een letterlijke Joodse man. Waarom een Joodse man van Zach. 8 figuurlijk moet genoemd worden voor een gelovige uit de Heidenen en in Hand. 10:28, waar Petrus zich een Joods man noemt, letterlijk, ontgaat ons. Zach. 8:20-23 is voor ons onvervuld en moet het nog worden.

Zach. 12:10,11

“Doch over het Huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de geest der genade en der gebeden en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben en zij zullen over Hem rouwklagen als met de rouwklage over een enigen zoon en zij zullen bitterlijk kermen gelijk men kermt over een eerstgeborene. Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn......En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder: het geslacht van het Huis Davids bijzonder en hun vrouwen bijzonder, en het geslacht van het Huis Nathans bijzonder en hun vrouwen bijzonder, het geslacht van het Huis van Levi bijzonder en hun vrouwen bijzonder, het geslacht van SimeÏ bijzonder en hun vrouwen bijzonder; al de overige geslachten elk geslacht bijzonder en hun vrouwen bijzonder”.

De Kanttekenaar weet met dit vers geen raad en legt het maar verder niet uit. Het schijnt niet te vergeestelijken.

Dat het toekomstig is, bewijst Openb. 1:7, waar Johannes citeert: “Zie Hij (Christus) komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven, ja amen”. Lees voor “aarde” land, in overeenstemming met Zacharia; in het Grieks is er één woord, dat door “land” en “aarde” kan worden vertaald; het hangt dus niet van de Schrift, maar van de vertalers af hoe het in het Nederlands en andere talen zal luiden. Zacharia ziet dus op de wederkomst van Christus. Voor wie komt Hij dan allereerst? Voor Zijn volk, zie 12:4,8,9. Het zal in grote benauwdheid zijn vanwege de Heidenen (Dan.12:1). De Here zal het verlossen. Men ziet dat Zach. 12:10 e.v. geheel toekomstig is. De geslachten van Israël zijn er dan ook weer. Israël is weer ten dele in zijn land teruggekeerd en de Here zal andermaal de geest uitgieten. Zie Joël 2:27-32. Op Pinkesteren werden slechts de eerstelingen gegeven. “En het zal geschieden, al wie de naam des Heren zal aanroepen, zal behouden worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn gelijk als de Here gezegd heeft en dat bij de overgeblevenen, die de Here zal roepen”. Joël 2:32.

In Zach. 14:2

“Want Ik zal Alle Heidenen (d.i. niet-besneden Volken) tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen en de stad zal ingenomen en de huizen zullen geplunderd worden en de vrouwen zullen geschonden worden en de helft zal uitgaan in de gevangenis, maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden”.

De Kanttekenaar legt dit aldus uit:

“Verstaat men deze profetie van de belegering van Jeruzalem door Vespasianus en Titus (in het jaar 69 en 70 na Chr., Schrijver), zo is het te zeggen, dat de godzalig en voor de vaste belegering der stad zullen uitgaan naar het stadje Pella en alzo bij het leven zullen blijven. Dit is dat derde deel, waarvan de profeet gesproken heeft hfdst. 13 vs. 8,9”.

Waninzicht maakt hier dus heel iets anders van. Hier staat: de helft die uitgaat, gaat in gevangenis. De Kanttekenaar zegt: zij die uitgaan, gaan naar Pella. Maar dat was geen gevangenis. Verder zegt Zacharia, dat de helft gevangen wordt, de andere helft dus niet. De Kanttekenaar maakt daar een derde deel van. Voor ons is dit woord onvervuld. Nog nimmer zijn al de Heidenen tegen Jeruzalem opgetrokken. In het jaar 70 trok alleen het Romeinse volk op. toen werd geheel Jeruzalem's bevolking in gevangenschap geleid en niet een deel.

Zach. 14:3

“En de Here zal uittrekken en Hij zal strijden tegen die Heidenen. En Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn en de helft des bergs zal wijken naar het noorden en de andere helft naar het zuiden”.

Kanttekenaar bij:

“Zijn voeten zullen.....staan”: “Te weten ten tijde van Christus, die op de Olijfberg verkeerd heeft, aldaar Zijn lijden aangevangen en ten hemel is gevaren”. Bij: “Een zeer grote vallei”: “Dat is, zodat er een zeer groot dal tussen die twee helften van de berg zal wezen en dat men Jeruzalem bescheidenlijk zal kunnen zien liggen, hetwelk tevoren met dezen berg en andere als bedekt lag en verborgen was. Versta dit van het geestelijk Jeruzalem, namelijk de kerk Gods, waarvan de heidenen, vóór de komst van Christus, geen kennis hadden, maar dan zullen alle hindernissen, die de heidenen de toegang tot Christus en Zijn kerk konden verhinderen of afsnijden, weggenomen worden en zij zullen een open pas hebben tot denzelven”.

Men ziet welk een opvatting onze vaderen van de zaak hadden en hoe het Woord door hen ontwricht werd. Maar staan zij die in onze dagen de termen vergeestelijken, niet vlak naast hen? Zach. 14:3 ziet op Christus' wederkomst. Hij zal weder op de Olijfberg, vanwaar Hij opvoer, wederkomen. Dan zal de berg gespleten worden. Ieder die Palestina bezoekt, kan zich overtuigen dat dit woord thans nog niet vervuld is, want de Olijfberg is nog ongespleten. De Here heeft ook nog niet tegen de Heidenen gestreden als “ten dage des strijds”, vs. 3, dus als in de oorlog. (en niet op geestelijke wijze). En dat het de wederkomst betreft, bewijst vs. 5c: “Dan zal de Here mijn God komen en al de heiligen met U, 0 Here”. Die heiligen zijn wel de engelen, Ps. 89:3,7, Dan. 4:13; 8:13; Mt. 24:30, 31; 25:31, Jud. 14, Deut. 32:2,3,2 Thess. l:7.

Zach. 14:8,9:

“Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de Oostzee (d.i. de Doode Zee) en de helft van die naar de achterste zee (d.i. de Middellandse zee); zij zullen des zomers en des winters zijn. En de Here zal koning zijn over ganse aarde (over het ganse land) --”.

Zach. 14:11

“En zij zullen daarin wonen en er zal geen verbanning meer zijn, want Jeruzalem zal zeker wonen”. Zach. 14:16 “En het zal geschieden dat al de overigen van alle Heidenen die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden de Koning, de Here der heerscharen en om te vieren het feest der loofhutten”.

De Kanttekenaar zegt, zoals we reeds vroeger vermeldden:

“De profeet beschrijft hier de inwendinge godsdienst der kerk van het Nieuwe Testament door de uiterlijke godsdienst die in het Oude Testament is gebruikelijk geweest”.

Als dit de beschrijving is van onze bedeling, die van de christelijke Kerk “van de ware uitverkorenen die tot de ware kennis Gods zullen gebracht worden door de verkondiging van het evangelie, als Jeruzalem de christelijke Gemeente is, waarheen zij zich zullen begeven, als het loofhuttenfeest allerhande eer is die men God schuldig is te geven” (Kanttek, bij dit vers), dan houdt alle Schriftwoord op. Jammer, dat er dan bij staat”van jaar tot jaar”. Of is dit dan soms “van dag tot dag” of”van uur tot uur”? Wij geloven dat God meent wat Hij zegt. Jeruzalem is voor ons Jeruzalem, het feest der loofhutten is het feest der loofhutten waarvan in Lev. 23:43 en Deut. 16:13 gesproken wordt. Niets meer, niet minder, niets anders. Waarom zou Jeruzalem de “Christelijke gemeente” zijn. Welke Chr. gemeente dan? De Rooms-Katholieke, de Oud-Katholieke, de Lutherse, de Hervormde, de Gereformeerde, de Chr. Geref. de Oud-Geref., de Baptistische de Dabistische, de Adventistische, de Russellistische, enz. enz.? Of vormen zij alle tezamen Jeruzalem en is dit de betekenis van de woorden van Zach. 2:4, dat Jeruzalem dorpsgewijze zal bewoond worden, zoals wel eens beweerd wordt? (Niet alzo de Kanttekenaar).

Men nemen deze en ook de volgende, vs. 18-21 letterlijk. Niet overdrachtelijk. Ook de bellen der paarden, de potten in het Huis des Heren. Wat zijn “geestelijke” bellen, “geestelijke” paarden en “geestelijke” potten? Eenmaal zullen de Volken letterlijk Israëls loofhuttenfeest vieren te Jeruzalem. Over wie dit niet doet, komt straf. Nogmaals, waarom is Gods Woord hier en in andere profetieën niet letterlijk waar? Omdat deze gedeelten toekomstig zijn? Gelooft men dan alleen wat men ziet? Hier: historisch ziet? En niet al het woord Gods? Dan is men naar 's Heren woord traag van hart en onverstandig. (Lk. 24).


g. MALEACHI.

Maleachi wijst niet rechtstreeks op Israëls herstel maar zijdelings genoegzaam.

Mal. 3:1a“Ziet Ik zend Mijn engel die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal

Deze engel is Johannes de Doper, zie Mt. 11:10.

Mal. 3:1b “En snellijk zal tot Zijn tempel komen die Here Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan denwelken gij lust hebt. Ziet Hij komt, zegt de Here der heerscharen.”

De Kanttekenaar verstaat hieronder dit:

“Christus zal in het vlees verschijnen in de nieuw gebouwde tempel, waardoor ook afgebeeld is Zijn gemeente”.

Maar - Hij kwam tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hoe kon Hij dan in de nieuw gebouwde tempel die er niet was, verschijnen!

Wij geloven dat hier geen sprake is van 's Heren eerste maar van Zijn tweede komst. In Zijn eerste komst is Christus de Here niet snellijk tot Zijn tempel gekomen. Eerst op twaalfjarige leeftijd kwam Hij er in. Verder heeft Hij die tempel slechts weinige malen bezocht - bij de grote feesten en om er te leren. Maar toen werd Hij niet gezocht. Hij was de grote Onbekende die geen gedaante of heerlijkheid had om Hem te begeren (Jes. 53). In Maleachi is er sprake van een zoekend volk. Dit moet daarom bij Zijn tweede komst zijn, als de engel, Johannes, zal bereid hebben een toegerust volk. Want Johannes is nog nimmer heengegaan in de geest en de kracht van Elia, Dat zal hij doen bij zijn tweede zending. (We zien Lk. 1:15 en 16 Johannes' eerste zending, in vs. 17 zijn tweede, een toekomstige als hij opgestaan is uit de doden).

Dat het 's Heren tweede komst is, bewijst Mal. 4:2: “Maar wie zal de dag Zijner toekomst verdragen en wie zal bestaan als Hij verschijnt. Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid en als zeep des vollers”. Het is dus een komst ten oordeel. “Ik zal tot u ten oordeel naderen”.

Mal. 4:1-6 spreekt nader over die toekomende oordeelsdag. En vs. 5 leert ons:

“Ziet, Ik zend ulieden de profeet Elia eerdat die grote en vreselijke dag des Heren komen zal”.

De profeet Elia trad voor Israël op en het andermaal weer doen. Elia komt dus terug. Zo vinden we in Maleachi zijdelings bewijs dat Israël er in de eindtijd nog is en beloften heeft voor die tijd en later.

Hoofstuk 2.a1 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 2.b



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden