| Inhoudsopgave |



III. De Handelingentijd



3.a Jood, Griek, Gemeente Gods.
Voor we tot de behandeling van het eigenlijke onderwerp kunnen overgaan, moeten we nog iets anders behandelen, nl. de Handelingentijd. Eerst door de tegenstelling tussen toen en nu te zien, krijgt de bedeling waarin we nu leven veel beter perspectief.

De meeste geschillen ontstaan door het niet voldoende letten op de dingen die verschillen. Als men de hierboven door ons gegeven lijnen niet onderscheidt, als men ze met elkaar vereenzelvigt en daardoor uitwist, komt er verwarring; met als gevolg: traditieleer.

In 1 Cor. 10 : 32 geeft Paulus de drievoudige indeling die we reeds vroeger gevonden hebben met het oog op de tijd. Hij zegt: "Weest zonder aanstoot te geven èn den Joden èn den Grieken èn der gemeente Gods". Met de Jood bedoelt hij Israël, het nog niet bekeerde Israël, met de Grieken de heidenen, met de gemeente Gods de uit Joden en heidenen gelovig geworden groep, zij die in Abraham hun geestelijke voorvader hebben.

Wat voor de "Jood" is, moet voor de "Jood" blijven. Voor hem zijn de meeste O.T. beloften. Voor hem is het Land (Gen. 13 : 15; 15 : 18-20), zijn "de beloftenissen der vaderen" (Rom. 15 : 8), is Jeruzalem, de stad van de grote Koning (Mat. 5 : 35), is de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst Gods (de ceremoniën) en de beloftenissen (Rom. 9 : 4). Voor hem is het koninkrijk der hemelen met Christus op de troon van David (Luk. 1 : 31-33). Eerlang komt de tijd, dat Israël als eerstgeboren volkenzoon (Ex. 4 : 22) zijn rechtmatig aandeel in de Schriften zal opvragen. Dit aandeel is rijk en breed en omvat Wet, Profeten, Psalmen, Evangeliën, Algemene Zendbrieven en de Openbaring. De Christenheid heeft zich vele der beloften, voor Israël bestemd, onrechtmatig toegeëigend, ze "vergeestelijkt", d.w.z. van termen als Israël, Jakob, enz. de Kerk gemaakt en zich van Paulus afgewend.

Voor de "Griek", d.i. de heiden, is er een zegening door de "Jood". "Want het zal geschieden, dat de heidenen naar den wortel van Isai, die staan zal tot een banier der volkeren, zullen vragen en Zijn rust zal heerlijk zijn", Jes. 11 : 10.

In Abrams zaad zullen alle volken gezegend worden (Gen. 22 : 18). Om dit woord alleen op Christus te doen zien, is onjuist. Zeker, zonder Hem zou er in het geheel geen zegening wezen. Maar dit sluit niet uit dat er ook niet Abrahams geestelijk zaad mee bedoeld is, het Israël Gods en het geestelijk heidendom. - De heidenen zullen opgaan naar Jeruzalem om daar den Koning, den Heere der Hemelscharen, te aanbidden (Zach. 14 : 16). - Dan komt de wereldvrede: "Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heeren woord uit Jeruzalem. En zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkelen. Het ene volk zal tegen het andere geen zwaard opheffen en zij zullen geen oorlog meer leren", Jes. 2 : 3, 4.

Meer nog: "De Volken zullen U, o God, loven, de Volken altemaal zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid en de natiën op de aarde, die zult Gij leiden", Ps. 67 : 4, 5. Dan zal Christus zijn een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Zijn volk Israël (Luk. 2 : 32). Dan komt er een honger naar verlichting en kennis door Israël en Israëls heil. "Zie, gij zult een volk roepen dat gij niet kendet en het volk dat u niet kende, zal tot u lopen om des Heeren uws Gods wil en om des Heiligen Israëls wil, want Hij heeft u verheerlijkt", Jes. 55 : 5. En "de heidenen zullen tot uw licht gaan en koningen tot den glans die u is opgegaan ... want de menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het heir der heidenen zal tot u komen. ... En uw poorten zullen steeds openstaan ... opdat men tot u inbrenge het heir der heidenen en hun koningen tot u geleid worden", Jes. 60 : 3, 5, 11. Dan is het: "De Heere heeft Zijn heil bekend gemaakt voor de ogen der heidenen", Ps. 98 : 2.

Als derde groep noemt Paulus "de Gemeente Gods". Zij bestond in Paulus' dagen uit Jood en heiden en had andere dan nationale beloften. De Jood had wel de voorrang wat prediking en aanbod betreft (Rom. 1 : 16), maar naar geestelijke staat en beloften stonden beiden voor God gelijk.

Allen hebben gezondigd en derven Gods heerlijkheid (Rom. 3 : 23). Maar God is bij de heilsaanbidding niet alleen een God der Joden maar ook der heidenen (Rom. 3: 29). Hij rechtvaardigt de Besnijdenis uit het geloof, (d.w.z. de besnedenen, de Joden), en de Voorhuid door het geloof (d.w.z. de onbesnedenen, de heidenen),(Rom. 3 : 30). Beide worden gezegend mèt de gelovige Abraham die een vader is van Besnijders en Voorhuid (Rom. 4 : 10, 12; Gal. 3 : 8). Zij zijn erfgenamen der wereld (Rom. 4 : 13). Dat is der hemelen en der aarde.

Wat Gen. 12 aangeeft met het "in u" gezegend worden, wordt getypeerd door het beeld van de olijfboom (Rom. 11). Op de tamme olijf - beeld van Israëls hogere zegeningen, worden wilde takken ingeënt - de heidenen. Zij krijgen deel aan de sappen van de boom. De natuurlijke eigen takken worden afgehouwen, de wilde ingeënt. De heidenen krijgen Israëls hogere zegeningen, aan Abraham beloofd, en groepen van Israël werden daarvan verstoken. De heidenen werden als 't ware voor de tijd reeds ingeplant. Zij zouden gezegend worden in Abram, d.i. in zijn persoon; Maar God zegent ze nu al bij voorbaat in Zijn zaad, Christus. Dit is een vooruitgrijpen op de latere zegening. Maar geen volle vervulling ervan noch de normale gang. Echter, het geschiedt. Al het bovenstaande is niet de grote verborgenheid. Deze is nog wat anders.

Uit het bovenstaande blijkt tweeërlei, nl., ten eerste dat uit de Schrift: dat de heidenen, d.i. volken, niet-besneden volken, eenmaal massaal zullen gezegend worden. Maar - alleen door Israël. Wat weer twee dingen bewijst: vooreerst, dat de zegen in Gen. 12 : 1-3 en in de verdere hoofdstukken hem gegeven, van zeer verre strekking is en nog niet ter helfte vervuld; dan dat met zijn zaad niet uitsluitend Christus alleen bedoeld wordt.

Ten tweede, dat wat we nu zien en in de geschiedenis van het hele Christendom tevens, op verre na niet de vervulling der bovenstaande beloften is. Want al aannemende dat "Israël" "de Kerk" is, dus deze profetieën "vergeestelijkende", dan nog zien we nergens in de Kerkgeschiedenis noch in onze dagen dat de heidenen of zelfs brede scharen uit deze heidenen naar "de Kerk" stromen om haar licht te begeren. Het evangelie van de dagen van het Christendom, de onze hierbij ingesloten, is veel aanbod en weinig vraag.

Er is afwezigheid van zielshonger; geen algemene heilsbegeerte. Geen "menigte der zee", noch "heir der heidenen" keert zich tot de Christelijke Kerk. Moeizaam kan deze een plaats in de wereld bezet houden. Zelfs van een "geestelijke" vervulling is dus geen sprake. Ziet men dit alles echter voor de toekomst bestemd, dan is er een letterlijke vervulling te verwachten en houdt men tevens de lijnen goed uit elkaar.



| Inhoudsopgave |



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden