Hoofdstuk 22 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 24


De Weg der Behoudenis

XXIII. De Uitverkiezing



Als men dan aanneemt, dat alle mensen tot bekering kunnen komen en zij een betrekkelijke vrijheid genieten, is er dan geen uitverkiezing? Daar de Schrift van uitverkiezing spreekt, is er uitverkiezing. Waar we menen hier voor een groot vraagstuk te staan, moeten we zien of Gods WOORD het antwoord niet geeft. Weer moeten wij de gezonde woorden onderzoeken, onze eigen gedachten geheel ter zijde laten en God laten spreken.


Wat is uitverkiezing?

Eerst stellen wij een onderzoek in naar de betekenis van enige woorden, die in betrekking staan met uitverkiezing.

  1. EklogŤ, eklegomai, eklektos, (uitverkiezing, uitverkiezen, uitverkorene). De betekenis is duidelijk uit teksten als:
    • Luk. 6:13 "En verkoos er twaalf uit hen".
    • Luk. 10:42 "Maria heeft het goede deel uitgekozen".
    • Luk. 14:7 "Hoe zij de vooraanzittingen verkozen".
    • Hand. 6:5 "En zij verkoren Stefanus".
    Het is dus iets of iemand nemen van tussen verschillende dingen of personen.
  2. Aireomai. De betekenis leert men uit Fil. 1:22 en Heb. 11:25. Het is verkiezen in de zin van wat men liever heeft. Dit woord is gebruikt in 2 Thes. 2:13.
  3. Procheirizomai. Dit wordt tweemaal gebruikt van Paulus, namelijk in Hand. 22:14 en 26:16. De betekenis is: te voren gekozen. Men lette echter wel op Hand. 26:16.
  4. Cheirotoneoo. Staat in Hand. 14:23 en 2 Kor. 8:19. Het is kiezen in de zin van benoemen.
  5. Procheirotoneomai is dan "te voren benoemen". Dat was het geval met de getuigen van Hand. 10:41. Zij hadden alzo de opdracht te prediken en te betuigen (v. 42).
  6. Proorizoo, letterlijk "voor-zien", is gewoonlijk vertaald "te voren verordineerd". Het komt voor in Hand. 4:28; Rom. 8:29; 1 Kor. 2:7; Ef. 1:5, 11.
  7. Tassoo is "stellen". De belangrijkste tekst is Hand. 13:48. Het komt ook voor in Mat. 28:16; Luk. 7:8; Hand. 15:2; 22:10; 28:23; Rom. 13:1; 1 Kor. 16:15.
  8. Proginoosko, letterlijk "voor-kennen". We moeten er vooral rekening mee houden in Rom. 8:29. (Hier is een uitverkiezing tot de hemelse sfeer. Zij worden verkoren ten dele omdat zij God liefhebben. Deze heeft de Heere te voren gekend om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn. Zij worden dan ook tot die uitverkiezing geroepen en komen daarna tot rechtvaardigheid en heerlijkheid.)
Wij spreken hier over de uitverkiezing door God en moeten daarom vooral de eerste reeks woorden onderzoeken. Met Nr 2 moeten wij echter ook rekening houden in 2 Thess. 2:13. Ook met Nr 3, Nr 6 en Nr 7 (dit laatste in Hand. 13:48).

Het zal nuttig zijn de teksten, die over uitverkiezing spreken te rangschikken volgens het onderwerp der uitverkiezing. Wij letten ook op de tijd. Verder is er een reden en een doel voor de uitverkiezing, al zijn die niet altijd opgegeven. Wij kunnen zo de volgende tabel samenstellen:


De uitverkiezing.


 
ONDERWERP
Wie?
TIJD
Wanneer?
REDEN
Waarom?
DOEL
Waartoe?
Hand. 13:17
Rom. 11:28 (v.26)
1 Petr. 2:9
Geheel IsraŽl
(als volk)
  
Om der vaderen wil
Om de deugden van Christus te verkondigen.


Om de volken tot zegen te zijn.
1 Petr. 1:2
2 Petr. 1:10
Rom. 11:5, 7
Mat. 22:14
Indivuele Joden
 
Om hun geloof

en bekering
Luk. 6:13; Joh 13:18; :70; 15:16, 19;
Hand. 1:2, 24;
Hand. 15:7 (Petr.)
Twaalf apostelen
Volheids des tijds
 
Prediking evang.

Oordelen der 12 tammen. (Mat. 19:28).
Hand. 9:15
Hand. 22:14; 26:16
Paulus
Tevoren
 
Naam dragen voor volken, koningen en zonen IsraŽls.

Dienaar, getuige van bijz. openbaringen.
1 Kor. 1:27, 28
Jak. 2:5
Het dwaze zwakke, nedele, dat niets is,
Armen
 
Om hun bewustzijn

van zonde
Ter beschaming; opdat geen vlees roemen zou voor God. Om anderen tot zondebesef te brengen.
Rom. 8:29, 33
1 Thes. 1:4
Tit. 1:1
2 Thes. 2:13
Hemelse sfeer
 
Zij hebben God lief
Isr. tot jaloersheid verwekken (Rom.11:11)

Christus eerstgeb. ondervele broederen

Beeld v.d. Zoon gelijkv.
Ef. 1:4; Kol. 3:12
2 Tim. 2:10
Overhemelse sfeer
Vůůr de aionische tijden. 2 Tim. 1:9
Niet onze werken.
Gods voornemen
Ef. 1:11
2 Tim. 1:9
Tot lof heerlijkh. Zijner genade.

Bekend maken veelv. wijsheid Gods.

Ef. 1:6; 2:7; 3:10.




Men ziet, dat er meer dan ťťn uitverkiezing is. Elk dezer heeft haar deel in Gods voornemen. De uitverkiezing betreft groepen en afzonderlijke personen. Al is de groep (bijv. IsraŽl) uitverkoren, daarom is elke persoon, die op natuurlijke wijze tot die groep behoort, nog niet uitverkoren. Men onderscheide opdrachten die als volk moeten volbracht worden van die welke meer persoonlijk zijn.

Elke uitverkiezing is tot een bepaald doel. Men wordt dan in de voorste rijen geplaatst in de worsteling tegen satan. De opdrachten verschillen echter. De een kan tot dit, de ander tot wat anders uitverkoren zijn. IsraŽl moest als volk Christus' deugden verkondigen aan al de volken en zo de wedergeboorte brengen over geheel de wereld. De 12 Apostelen moeten IsraŽl oordelen, d.i. het beheersen en leiden. Paulus moest Christus' naam dragen voor volken, koningen en de zonen IsraŽls. Daarna moest hij dienaar en getuige zijn van bijzondere openbaringen, waarvan de laatste, die Gods Woord voleindigt, de Gemeente der verborgenheid betreft. Hij had dus opdrachten voor de drie sferen. Afzonderlijke gelovigen moeten anderen vooruithelpen. De hemelse sfeer moet daarbij IsraŽl tot jaloersheid verwekken en Christus tot Eerstgeborene onder vele broederen maken. De overhemelse sfeer moet in de overhemelse zijn tot lof der heerlijkheid Zijner genade en overal de veelvuldige wijsheid Gods bekend maken.

Alle uitverkiezing is dus ten bate. Al die opdrachten moeten dienen om God te verheerlijken en de mensen te helpen in de weg der behoudenis.

De uitverkiezing heeft dus in de eerste plaats een opdracht tot doel. De heerlijkheid die eraan verbonden is, is niet het uitsluitend deel van hen die uitverkoren zijn. Anderen kunnen er ook toe komen, langs de normale weg, die wij reeds onderzocht hebben, ja de uitverkiezing heeft juist tot doel ze er toe te leiden. In zeker opzicht zijn de uitverkorenen dan ook soms een "lokaas", een middel om tot hogere begeerte te wekken.

Het moment der uitverkiezing is dikwijls van belang omdat dit een aanwijzing kan zijn of de uitverkiezing geschiedt om reden van iets in betrekking tot de uitverkorene of dat zij geheel buiten hem om gaat. Als de uitverkiezing vůůr zijn geboorte geschiedde, was het dus niet om reden van hemzelf. De uitverkiezing kan echter als reden hebben het zich bewust worden van zonde, het geloof en bekering, de liefde enz. Zo nemen wij Hand. 13:48 als betreffende de heidenen, die reeds tot geloof en bekering tot God gekomen waren en dus bereid waren om "op" de Heere te geloven en aldus door de wedergeboorte tot het aionische leven te komen. Zo ook met de Thessalonicensen, die God van den beginne "liever hadden" (2 Thes. 2:13). Dat "in den beginne" is niet Gen. 1:1, maar waarschijnlijk het begin van de wedergeboorte. Paulus wist hun verkiezing (1 Thes. 1:4). Zij hadden het woord aangenomen en waren voorbeelden geworden. (Zie ook verder v. 5-10). Rom. 8:29, 33 spreken van dezelfde groep gelovigen. Het "te voren" gekend en verordineerd, wil niet zeggen vůůr hun geboorte, maar een zekere tijd geleden, wellicht toen zij "op" de Heere geloofden. Deze toch hadden God lief (Rom. 8:28), hadden zich dus reeds tot God bekeerd.

In 1 Kor. 1 :27, 28; Jak. 2:5 staat duidelijk vermeld, dat de reden der uitverkiezing in deze gevallen te zoeken is in het zondebewustzijn.

Ook de eerstelingen uit IsraŽl waren uitverkoren om hun geloof en bekering en die uitverkiezing moesten zij "vast" maken (2 Petr. 1:10). Wij komen op al deze dingen verder terug.

Niet alle uitverkiezing geschiedt evenwel om reden van de uitverkorene: Zo bijv. met IsraŽl als volk, en met de Gemeente der verborgenheid. Voor de Apostelen was er misschien een reden, maar zij wordt ons niet medegedeeld. Het verkiezen van IsraŽl staat in betrekking tot Gods voornemen (Rom. 9:11) en heeft dus plaats geheel buiten dat volk om. Zo ook met de Gemeente, zoals wij verder zullen zien.

Het is belangrijk op te merken, dat alle uitverkiezing niet blijvend is. Als men wel inziet, dat de uitverkiezing geschiedt om een opdracht te vervullen, dan ziet men ten eerste, dat de uitverkiezing ophoudt als de taak volbracht is. De zegening, aan de uitverkiezing verbonden gaat van zelve door. Als b.v. de 12 Apostelen in de volgende aioon hun opdracht vervuld hebben, worden zij misschien tot iets anders geroepen, hun eerste uitverkiezing heeft opgehouden.

Er is echter een ander geval, waar de uitverkiezing kan ophouden, namelijk als de opdracht niet vervuld wordt. Dat geschiedt als de uitverkorene niet naar zijn roeping wandelt en verworpen wordt, voor wat die opdracht betreft. Voorbeelden hiervan zien wij in Judas en Israël als volk.

Judas was in beginsel door Christus uitverkoren tot Apostel. Toch zou hij door ongeloof afvallen. Israël is een uitverkoren volk en toch wordt het menigmaal door God verworpen en is dan "Niet-Mijn-Volk" (Lo-Ammi). Wij zien hieruit dat de uitverkiezing iets is waaraan het schepsel niet kan weerstaan. God plaatst het in een zekere positie, zelfs buiten dat schepsel om: Judas was Apostel, Israël was Gods volk. Daar konden zij niets aan veranderen. Maar in die positie blijft het schepsel vrij. Hier kan het naar Gods verlangen wandelen of niet. Gods besluit is ze in een zekere positie te plaatsen en ze al het nodige te geven om naar die positie te wandelen. Gods verlangen is dan, dat ze werkelijk zo wandelen. Weerstaan ze God, dan remmen zij het overige der schepping in zijn terugkeer tot God. Dat weerstaan zelf kan hen, door het zien van de gevolgen, tot bekering brengen. Het kan ook zijn, dat God moet ingrijpen en de verkiezing te niet doen. Slechts zij die hun opdracht vervullen, maken hun roeping en verkiezing vast.

Laat ons dit verder nagaan in drie gevallen: God stelt de olijfboom. Dat is uitverkiezing in beginsel. Als de takken hun doel niet bereiken, worden zij afgehouwen. Hier ziet men, dat de uitverkiezing niet noodzakelijk tot het doel voert, maar in vrijheid moet vastgemaakt worden. De takken kunnen, door een nieuw ingrijpen Gods, opnieuw ingeënt worden. Dat is weer buiten de takken om. Blijven zij in de boom, door het vervullen van hun opdracht, dan komt hun verkiezing tot haar recht. De gelijkenis van Mat. 22 leert ons hetzelfde. Laat ons eerst de gelijkenis in enkele woorden samenvatten.

De koning had een bruiloft voorbereid voor zijn zoon. Nu zijn er drie taferelen:

  1. De koning zendt zijn slaven uit om de genodigden ter bruiloft te roepen. Zij willen niet komen. De koning zendt andere slaven uit tot de genodigden: "alles is klaar, komt tot de bruiloft". Een deel is onverschillig en een ander smaadt en doodt de slaven. De moordenaars worden omgebracht en de stad in brand gestoken. De genodigden waren het niet waardig.

  2. De koning zendt zijn slaven naar de uitgangen der wegen en laat bozen en goeden samenbrengen. Allen wordt een bruiloftskleed aangeboden. Eén neemt het niet aan en wordt buitengeworpen.
De gelijkenis betreft het koninkrijk der hemelen en is ten dele zeer duidelijk. De koning is de Vader, de bruidegom is Christus. De genodigden zijn Israël als volk. De bruid stelt een deel der in Christus, gelovende Joden voor. De slaven zijn de Apostelen en andere kinderen Gods. Het eerste tafereel is vóór het kruis. Het tweede na het kruis, gedurende Handelingen: alles is gereed. De "slaven" worden mishandeld en gedood. Jeruzalem wordt verwoest, de tempel verbrand. God grijpt echter nog niet verder in. Nu volgt de tegenwoordige tussenperiode der Gemeente. Daarna begint het derde tafereel. Israël is nu niet in het land maar op de "wegen". Zij zijn ten dele geheel van God afgeweken en boos. Allen worden echter teruggebracht en hun wordt een kleed, het witte kleed der gerechtigheid (Rom. 11:26) aangeboden. Allen komen wel, want Gods ingrijpen (verkiezing) is onweerstaanbaar, maar een deel wil het kleed niet aanvaarden. Het Grieks gebruikt "" in vers 12 en toont aldus dat het niet hebben van het kleed opzettelijk gewild was. Dat deel van Israël, al is het geroepen en in beginsel uitverkoren, wordt verworpen. Het is niet Israël al is het uit Israël (Rom. 9:6). Het andere deel wordt gevormd door degenen die hun uitverkiezing hebben vastgemaakt zoals de 11 Apostelen dat deden. Vele Israëlieten zijn in verschillende tijden geroepen geworden, maar weinigen bleken ware uitverkorenen te zijn (Mat. 22:14).

Sommigen schenen wel eerst uitverkorenen, maar door hun verzet en verraad bleven ze het niet zoals Judas.

Ons derde voorbeeld nemen we uit Joh. 15. De wijnstok is een aardse plant, die de aardse gemeenschap van de Messias en het Volk Israël voorstelt. Door Gods besluit zijn ze ranken. Dragen ze echter geen vrucht, dan worden ze buitengeworpen, ze hebben hun verkiezing niet vast gemaakt. Wil men dit beeld op anderen toepassen, dan zij men zeer voorzichtig en onderzoeke eerst of het toepasselijk is.

Wij vatten dus samen: De uitverkiezing is een ingrijpen Gods, een onweerstaanbaar besluit. God plaatst Zijn schepsel zo in een zekere positie met een zekere opdracht. Het kan zijn reden hebben in of buiten het schepsel om. Het is een uitverkiezing in beginsel. Of de uitverkiezing vast zal zijn (2 Petr. 1:10) hangt af van het schepsel. In zijn positie is het namelijk vrij te handelen naar of tegen Gods wil (verlangen). Zo het zijn opdracht niet vervult, kan het tijdelijk of voor goed van die positie weggenomen worden. De uitverkiezing heeft niet de behoudenis tot doel.


Geen verzekering in uitverkiezing.

Men heeft gemeend, dat de leer der uitverkiezing het voordeel heeft aan de mens de zekerheid te geven dat hij behouden is. Als men echter ziet, dat de uitverkiezing niet in de eerste plaats tot behoudenis, maar tot een zekere opdracht is, is er niet langer een oorzaak van verzekering in de uitverkiezing voor wat de behoudenis betreft. Als zij het doel der uitverkiezing bereiken, dan zullen zij ook behouden worden, maar wij zien juist uit de voorbeelden van Judas en Israël, dat ze, al zijn ze uitverkoren, niet noodzakelijk naar Gods wil handelen.

Terwijl er geen sprake is van een afval bij hen, die zonder uitverkiezing in een positie geplaatst zijn, is er die wel bij de uitverkorenen (tot een opdracht).

Zekerheid komt ten slotte alleen door het geloof. Want geloven in Schriftuurlijke zin, voor zo ver het een wedergeborene betreft, is zeker zijn. Men zij er wel van doordrongen, dat "geloven" niet wil zeggen "twijfelen". Geloof IS zekerheid. Een vrees voor "afvallen" van het geloof heeft geen zin bij hen, die God liefhebben. Zij toch moeten geloven en verzekerd zijn dat niets hun kan afscheiden van Gods liefde (Rom. 8:31-39). Hebben zij gezondigd. toch is er vergeving 1 Joh. 1:9: 2:2; Ef. 4:32. Zijn zij zelfs ver afgedwaald, zoals Israël, en is de positie tijdelijk verloren, toch zal God ze weer inenten. Hun wandel naar Gods verlangen moeten zij echter ernstig opnemen want anders onteren ze God in plaats van Hem te verheerlijken en doen ze onberekenbare schade aan andere schepselen. Er is maar één geval, waar men afval kan vrezen en dat is een zich stelselmatig verzetten tegen God.

Wij hebben reeds de gelegenheid gehad te wijzen op de betekenis van "prassoo": het is niet eenvoudig "doen", maar "geregeld doen". Men herleze nu Rom. 1:32; 2:2; 13:4; 2 Kor. 5:10; Gal. 5:21 om te zien wie moet vrezen niet behouden te worden. Men denke ook b.v. aan de teksten die wij reeds op blz. 107 afschreven en die het subjectieve "" bevatten. Zij die geregeld tegen God handelen en het goede niet willen, zullen "afvallen" al waren zij eens uitverkoren tot iets.

Het is dus onredelijk voor een gelovige, bekommerd te zijn voor zijn behoudenis. Als gelovige moet hij van veel verzekerd zijn en juist als hij bekommerd is, zich dus niet tegen God verzet, is er ook geen reden om aangaande zijn behoudenis te twijfelen. Zij die stelselmatig Gods genade verwerpen, bekommeren zich juist niet om hun behoudenis.

Een der zaken die kunnen medewerken zekerheid te geven is het verzegelen. Gods zegel kan door geen schepsel verbroken worden. Het is hier belangrijk in te zien, dat de wedergeborene nog niet verzegeld is. Dat wordt slechts gezegd van hen, die met Christus gestorven zijn, zoals de groep waaraan Paulus zich richt in 2 Kor. 1:22. Ook in de Gemeente der Verborgenheid wordt van verzegeling gesproken: Ef. 1:13 en 4:30.

De 12 Apostelen waren wel uitverkoren, maar niet verzegeld en zo kon één verloren gaan. Al is men uitverkoren, daarom heeft men het "eeuwige" leven nog niet.


Het grote vraagstuk.

Algemeen wordt erkend, dat een der moeilijkste vraagstukken der Schrift is, hoe de verantwoordelijkheid kan samengaan met de uitverkiezing. Al legt de een nu meer nadruk op de uitverkiezing, de ander op de vrijheid en verantwoordelijkheid, of tracht een derde beide in evenwicht te houden, allen die in de woordelijke inspiratie der Schrift geloven, moeten èn uitverkiezing èn verantwoordelijkheid aannemen. Die twee nu zijn onvereenigbaar. Men troost zich dan met de gedachte, dat het een probleem is, dat wij toch niet kunnen oplossen. Dat bevredigt echter niet degene, die wil begrijpen wat God ons in Zijn Woord gegeven heeft. Zeker, vele dingen gaan ver uit boven ons verstand, zelfs als het door de Heilige Geest verlicht is. Maar dan betreft het dingen, die gewoonlijk niet veel te maken hebben met het dagelijkse leven. Deze zaak is echter te nauw verbonden met onze wandel om geen oplossing te vragen. Kunnen wij aannemen, dat onze trouwe God ons hier geen licht zou geven?

Wij menen dat de zaak onoplosbaar schijnt, omdat men Gods voornemen niet aandachtig genoeg heeft onderzocht en de Schrift te veel vergeestelijkt. Hier is weer eens een voorbeeld van het belang dat er is de aionen en bedelingen goed te onderscheiden en van de noodzakelijkheid de zuivere woorden des Heiligen Geestes nauwkeurig te onderzoeken.


Hoe werkt God Zijn voornemen uit?

Wij menen reeds in het vorige min of meer duidelijk op de oplossing gewezen te hebben van het grote eeuwen-oude vraagstuk: hoe kan men uitverkiezing, vrijheid, verantwoordelijkheid, loon, straf enz. met elkander verzoenen? De Schrift leert dat alles, dus moeten wij alles aannemen. En toch!

Wij menen dat de moeilijkheid verdwijnt, als wij met Paulus de zaken die verschillen leren onderscheiden en zo zuiver en zonder aanstoot zijn tegen de dag van Christus (Fil. 1:10, 11). De moeilijkheid komt namelijk niet van de Schrift, maar van onszelf, omdat wij, zoals in veel andere gevallen, op dezelfde personen en op dezelfde tijden en omstandigheden toepassen, wat van verschillende personen, tijden en omstandigheden gezegd wordt.

Wij hebben gezien, dat er verschillende uitverkiezingen zijn. Sommige betreffen een beperkt aantal personen of een bepaald volk. De andere personen of volken kunnen dan van zelf niet tot dezelfde uitverkiezing komen. Zo b.v. Israël. Het was uitverkoren om de andere volken de zegen door te geven. Vanzelf konden de andere volken nooit tot Israëls positie komen. Als wij echter denken aan de zegeningen van Israël, in zekere zin aan hun uitverkiezing verbonden, dan moeten wij inzien dat de andere volken daartoe wel kunnen komen. Meer nog, al had de Jood reeds in het verleden groote voorrechten (Rom. 3:1), de afzonderlijke personen uit de volken konden er toen reeds deel aan hebben. Ex. 12:48 spreekt b.v. van het bijvoegen van een vreemdeling bij Israël. Als volk had Israël een enige positie, was uitverkoren tot een bepaald doel. Maar men ziet, dat de uitverkiezing niet hun zegening betreft maar het bereiken van dat doel.

Israël is niet "vrij" in de zin, dat het zelf zijn opdracht uitkiest. In deze zin is vrijheid en uitverkiezing niet te verenigen. Het is het een of het ander. Maar als het over de uitvoering der opdracht gaat, dan is er sprake van vrijheid. Dan gaat het over hun wandel naar Gods verlangen. God had dan Israël, met de opdracht, ook de mogelijkheid gegeven ze uit te voeren. Dat volk was dus verantwoordelijk. De verantwoordelijkheid betreft niet het krijgen der opdracht, het uitverkozen worden, de positie, maar wel de uitvoering der opdracht, het wandelen naar de positie.

Laat ons ook de 12 Apostelen nagaan. Zij waren uitverkoren. Maar toch ook weer niet in de eerste plaats om de heerlijkheid aan hun positie verbonden, maar om wille van het uitvoeren eener opdracht. Die uitverkiezing geschiedt buiten hun wil en verantwoordelijkheid. Deze beginnen eerst bij het volbrengen van hun taak. Judas faalt, dus volgt straf en van zegeningen is geen sprake meer. Werden andere Joden benadeeld door de uitverkiezing der 12? Neen, het was juist om hen te leiden dat ze verkoren werden. Is er dan geen voordeel uitverkoren te zijn? Zeker, het is een kans, die aangeboden wordt Gods verlangen op een bijzondere wijze te doen en voor Hem te lijden.

Heeft de uitverkiezing van hen die tot de "hemelse" sfeer behoren, belet dat anderen tot dezelfde heerlijkheid komen ? Geenszins. Het bijzonderste aangaande hen, is dat zij eerstelingen zijn en een bijzondere opdracht hebben, al was het maar om Israël tot jaloersheid te brengen (Rom. 11:11). Zo ook met de "over-hemelse" sfeer. De Gemeente der verborgenheid is er nu toe uitverkoren (Ef. 1:4, 5, 11). Maar zullen allen er niet eens toe komen, als God alles in allen is? Het is ook weer niet de heerlijkheid die het onmiddellijke onderwerp der uitverkiezing was, maar wel de te vervullen taak.

Waarom werden er sommigen uitverkoren vóór dat de andere er komen? Vooreerst, omdat God Zich door niets laat weerhouden, ook niet door het falen van hen, die tot iets uitverkoren waren. God kan zich wel in zekere zin van hen afhankelijk stellen door hun de gelegenheid te geven mee te werken om Zijn voornemen uit te voeren, maar nooit is Hij absoluut afhankelijk. Als Israël na veel lankmoedigheid zijn opdracht niet vervult, kan God wel een andere weg openen om anderen de gelegenheid te geven toch tot groter heerlijkheid te komen. In zekere zin had eerst de wedergeboorte en rechtvaardiging zich over heel de wereld moeten uitstrekken vóór er volle gemeenschap met God kon komen. Al zal zich die volgorde ontwikkelen voor wat betreft de massa der gelovigen, voor enkelingen is er reeds nu een vooruitgrijpen mogelijk.

De uitverkiezing der Gemeente is echter iets zeer bijzonders, want zij geschiedde vóór de nederwerping der wereld, dus vóór de zonde was ingetreden. Ook zonder Satans tegenstand, Adams val en Israëls falen zou de Gemeente er als uitverkiezing geweest zijn. Wij lezen over haar taak, dat zij moet zijn tot lof der heerlijkheid Zijner genade (Ef. 1:6), het betonen van de uitnemende rijkdom Zijner genade in de twee toekomende aionen (Ef. 2:7), het bekend maken der veelvuldige wijsheid Gods aan de overheden en de machten in de over-hemelse (Ef. 3:10). Dit alles strekt zich ver uit boven de aarde, het mensdom, en de wereld.

Het feit dat de uitverkiezing plaats had vóór de nederwerping, sluit van zelve uit, dat zij haar reden zou vinden in de Gemeente zelf. Zie ook 2 Tim. 1:9. Er is dus hier geen vrijheid, maar Gods besluit waaraan niets kan weerstaan. Ook hier begint de verantwoordelijkheid dan ook eerst bij het uitvoeren der opdracht, het wandelen naar Gods verlangen.

Men ziet vanzelf ook, dat het uitverkiezen der Gemeente niet wil zeggen, dat anderen "verdoemd" zijn. De gewone weg der behoudenis, zoals in de Hebreeuwse Schriften reeds min of meer aangeduid, gaat eigenlijk buiten die Gemeente om en voert de gelovige na de twee volgende aionen tot de heerlijkheid verbonden aan de positie, die de Gemeente reeds nu inneemt. De Gemeente heeft haar plaats in Gods voornemen der aionen door het voorziene ongeloof van Israël en juist haar uitverkiezing maakt het bereiken van het einddoel voor allen mogelijk.

Al worden dan sommigen uitverkorenen, toch wil dit in gene dele zeggen, dat anderen in hun boosheid en hardigheid gelaten worden. Een "besluit der verwerping" is niet alleen onbekend in Gods Woord, maar wordt juist formeel tegengesproken in 2 Petr 3:9 "niet dat enigen verloren gaan". De uitverkiezing is integendeel Gods weg om allen tot bekering en volledige gemeenschap te leiden. Wij hebben reeds vroeger gezien, dat allen die nu ineen zekere positie zijn, er niet noodzakelijk kwamen door uitverkiezing. Wij komen hier even terug tot onze (gebrekkige) vergelijking, waar de verschillende posities voorgesteld werden door de verdiepingen van een huis ¹. Wij kunnen deze vergelijking nu vervolledigen. De uitverkiezing zou hier dan zijn het plaatsen op een der verdiepingen met het doel anderen te helpen of aan te zetten er ook de komen. Volbrengen ze hun opdracht niet, dan worden ze er uit geworpen. In dat geval kan de Heer des huizes ook andere middelen gebruiken om de anderen hoger op te leiden.

Op een verdieping kunnen er dus zijn, die er met een bijzondere opdracht, door de Heer des huizes geplaatst zijn: het zijn de eigenlijke uitverkorenen. De meesten komen er echter door in de lift te stappen. Dit is de normale geopenbaarde weg. Deze worden nooit verworpen. Dat kan alleen het geval zijn in betrekking tot de uitverkorenen, omdat dan de opdracht op de voorgrond staat, niet het deel hebben aan de heerlijkheid van de positie.

Men heeft soms gezegd, dat daar er maar één voornemen is, er bijgevolg maar één uitverkiezing kan zijn. Als men echter inziet, dat Gods voornemen vele bedelingen omvat, vele groepen gelovigen, vele sferen van zegening, dan ziet men ook, dat er vele uitverkiezingen kunnen zijn. Ook de vrijheid kan dan een plaats hebben in dat voornemen. God werkt dus Zijn voornemen uit ook door middel der mensen. Hij geeft hun allerlei mogelijkheden, plaatst ze in allerlei posities, maar steeds blijven ze vrij in hun wandel.

Dit binnen zekere grenzen, zodat God ook moet ingrijpen als het nodig is. Wat naar Zijn verlangen gedaan wordt, dient tot Zijn verheerlijking en helpt het overige der schepping. De boosheden worden dan verslagen en zelf komt men tot nauwere gemeenschap. Maakt men zijn verkiezing niet vast door Gods opdracht uit te voeren, dan kan men schade lijden.

Zo is er dan uitverkiezing, vrijheid, verantwoordelijkheid, genadeloon, straf enz. Alles heeft zijn plaats en is in harmonie. Terwijl het in beginsel uitverkiezen op zich zelf God niet verheerlijkt, maar Hem zelfs tot schande kan zijn als de uitverkorene niet naar Zijn verlangen handelt, toont een goede wandel, het vast maken der uitverkiezing, dat wij Zijn genade naar waarde schatten. Alleen in de weg der vrijheid ligt dus de verheerlijking van de souvereine God.

Zonder kennis der bedelingen kan noch de vrijheid, noch de uitverkiezing tot zijn recht komen. Het verleden is hiervoor het bewijs.


Besluit en positie, verlangen en wandel.

Wij geven eerst een samenvatting van enkele dingen, die men moet onderscheiden.


GODS BESLUIT
(boulèma)
GODS VERLANGEN
(thelèma)
Uitverkiezing tot iets
Onze positie (en opdracht)
Buiten onze wil om
Geen verdienste
Geen verantwoordelijkheid
Het doel der uitv. volbrengen
Onze wandel
Vrijwillig
Genadeloon
Verantwoordelijkheid



Laat ons wat nauwkeuriger het verband onderzoeken tussen Gods besluit en onze positie aan de ene zijde en tussen Gods verlangen en onze wandel aan de andere.
Van Israël lezen wij telkens weer, dat zij Gods volk zijn. Niet omdat zij beter waren dan de andere volken, maar eenvoudig, omdat God het zo besloten had. Wij lezen echter evenveel over de voortdurende uitnodiging, b.v. door de profeten, nu ook naar die positie te wandelen. Dat was Gods "verlangen".

Ook van de hemelse groep kan men vele voorbeelden vinden. Wij nemen er maar een enkel. In Rom. 8 spreekt Paulus van die positie, en na even terug gegaan te zijn tot Israël en het doel hunner verkiezing, komt hij dan tot de hoofdst. 12 en 13:
Rom. 12:1 "Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst".
En zo gaat hij verder en zegt hoe hun wandel moet zijn. Ten opzichte van de over-hemelse groep, zien wij de positie beschreven in Ef. 1 tot 3, het is zuivere uitverkiezing. Dan volgt Ef. 4 tot 6, dat hoofdzakelijk gaat over de wandel.
Ef. 4:1 "Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt."
Zo loopt Kol 1 en 2 ook parallel met het begin van Efeze over de positie, en Kol. 3 en 4 met het einde van Efeze over de wandel. God plaatst ons in die over-hemelse positie om een deel van Zijn voornemen uit te werken en laat ons dan in die sfeer vrij. Hij verwacht nu, dat wij Hem zullen verheerlijken door in Zijn kracht, Zijn verlangen te doen. Kol. 1:9, 10 toont heel duidelijk het verband tussen Gods wil (verlangen) en onze wandel.
"Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld wonden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behaaglijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God...".

Omgekeerd is het verder kennen van Gods verlangen ook afhankelijk van onze vorige wandel (Ef. 5:15-17). Paulus hield niet op te bidden en te begeren opdat wij vervuld zouden worden met de kennis van Zijn wil (verlangen). Inderdaad is hier iets van het grootste belang. Het is niet voldoende te zeggen, dat wij naar Gods roeping moeten wandelen, het is eerst nodig: 1. zich bewust te zijn van die roeping; 2. Gods wil in verband met die roeping te kennen. Hier kan men zich overtuigen van het fundamenteele belang een heldere blik te hebben in het voornemen der aionen. Alleen door, de verschillende aionen, bedelingen, roepingen enz. goed te onderscheiden, kunnen wij iets begrijpen van de uitverkiezingen en van onze positie. Een der eerste beginselen is dan ook in te zien, dat de "gemeente" niet in de plaats van Israël gekomen is. Zonder dat loopt alles mis en het is wel een duivelse methode geweest die gedachte van af de eerste eeuw er bij de mensen in te werken. Het is verblijdend, dat er in dat opzicht wat licht opgaat en ook de theologische wereld, die eigenlijk vóór zou moeten gaan, ook iets van Israëls toekomst begint in te zien. Maar men moet veel verder gaan. Na de erkenning dat er een Israëlietisch koninkrijk op aarde komt, moet men komen tot de aionen, de bedelingen, de sferen van gemeenschap enz. Zo kan men dan zijn positie leren kennen.

Het is echter nog iets anders, vervuld te zijn met de kennis van Gods verlangen. Terwijl wij Zijn besluit in verband met onze positie betrekkelijk gemakkelijk in de Schriften vinden en het door onze zinnen (lezen of horen) en onze ziel tot ons kunnen laten dringen, moet de kennis van Gods verlangen, behalve door de algemene aanduidingen der Schrift, meer rechtstreeks komen door onze nauwe gemeenschap met Hem. Gods Woord geeft ons inderdaad geen bepaalde aanduidingen voor al de onderdelen van ons leven, dikwijls zelfs niet voor heel belangrijke zaken waarvoor wij komen te staan. Er is dan een bijzondere leiding des Geestes nodig. De kennis komt dan door een meer rechtstreeksche inwerking op onze geest, die levend gemaakt wordt. Zo kan Paulus dan zeggen: "Want God is Degene Die in onze harten geschreven heeft, om te geven verlichting van de kennis...» (2 Kor. 4:6) en: "De Heere zal u verstand geven in alle dingen" (2 Tim. 2:7). Hoe meer Christus ons leven is, des te meer zullen wij Gods wil kennen. De Schrift blijft echter de controle. Steeds moet er overeenstemming zijn met het geschreven Woord, letterlijk genomen waar dat mogelijk is. In de loop der eeuwen hebben velen een "geestelijke" weg ingeslagen zonder een voldoend fundament, zonder kennis van Gods voornemen. Zij kwamen noodzakelijk tot onschriftuurlijke dingen. De Heilige Geest zal ons slechts helpen als wij eerst Zijn Woord en woorden eerbiedigen. Doen wij het niet, dan verraadt dit een geestestoestand, die bloot stelt aan de strikken des Satans.


Kunnen wij Gods verlangen doen?

Als wij dan Gods wil kennen, kunnen wij dan alzo wandelen? Van ons zelf kunnen wij dat niet, maar wij kunnen ons tot Hem keren, Die ons de kracht geeft. Want als Hij besloten heeft ons in een positie te plaatsen, dan geeft Hij daarbij de mogelijkheid er naar te wandelen, Alles staat dan tot onze beschikking. Wij vermelden enkele gevallen.
Het heeft Israël nooit aan iets ontbroken om datgene te doen wat de Heere van hen verlangde. Alleen als ze in eigen kracht vertrouwden, ondervonden zij, dat zij zó niet aan Gods vereisten konden voldoen.
Voor de hemelse roeping, halen wij Rom. 12:6-8 aan:

"Hebbende verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid"
Men kent ook al de bijzondere gaven der Pinksterbedeeling (1 Kor. 12 b.v.). Ieder kon beschikken over de gave, die nodig was voor het uitvoeren van zijn bijzondere opdracht.
Van de Gemeente der verborgenheid, lezen wij:
  • Ef. 1:19, 20 "De uitnemende grootheid Zijner kracht".
  • Ef. 1:3 "Gezegend met alle geestelijke zegening".
  • Ef. 2:5, 6 "Levend gemaakt, mede opgewekt, mede gezet".
  • Ef. 2:10 "Onze werken door God voorbereid".
  • Ef. 2:22 "Medegebouwd tot woonstede Gods".
  • Ef. 3:16, 18 "Met kracht versterkt, Christus in het hart".
  • Ef. 3:20 "De kracht die in ons werkt".
  • Ef. 4:7 "Genade gegeven naar de maat der gave van Christus".
  • Ef. 5:26, 27 "Gereinigd, heilig en onberispelijk".
  • Ef. 6:10 "Wees bekrachtigd" (met de kracht die God geeft). Ef. 6:13 "Neem aan" (wat God aanbiedt).
  • Ef. 6:17 "Ontvang den helm en het zwaard" (die aangeboden worden).
Zij zijn daarbij volmaakt verlost, verzoend en "voleindigd" (Ef. 1:7; 2:16; Kol. 2:10). Men ziet dat alles tot hun beschikking staat om naar hun positie te wandelen. Hun verantwoordelijkheid is van zelf zeer groot.

Al zijn wij uitverkoren en beschikken wij over Gods kracht, toch kunnen wij nog eigen wil volgen, God weerstaan. Dan missen wij ons doel, zijn Hem tot schande en de schepping tot schade. Maar God is lankmoedig en slechts na herhaalde weerbarstigheid, als wij nagenoeg geheel onnuttig zijn om de taak uit te voeren, waarvoor wij uitverkoren waren, is er vrees voor een streng ingrijpen Gods.


Uitverkiezing en lijden.

Later zeggen we iets over het genadeloon. Nu denken wij echter aan het lijden, dat noodzakelijk aan alle uitverkiezing verbonden is.
God plaatst de uitverkorenen op de voorposten in de worsteling tegen de geestelijke machten der boosheid. De groote Uitverkorene, onze Heere Jezus Christus, is ons hierin voor gegaan. Hoe nauwer met Hem verbonden, hoe heviger de strijd en hoe grooter het lijden.
In het verre verleden zien we, hoe Israël de strijd had tegen de Nephilim, Anakim en Rephaïm. Dat was het adderengebroedsel van Satans engelen in stoffelijke vorm. Hierbij blijft het niet. Heel de geschiedenis door en ook in de toekomst is het een lijdensweg voor Gods volk. In onze tijden is het meer een geestelijk lijden dat telt. Wij noemen slechts een paar teksten, die er op wijzen:
Rom. 8:17 "Zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden"

2 Kor. 6:4, 5 "Maar wij, als dienaars van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukking, in nooden, in benauwdheden, in slagen in gevangenissen, in beroerten, in arbeid; in waken, in vasten...".
Men weet wat Paulus verder zegt in 2 Kor. 11:23-29.
Maar vooral de Gemeente der verborgenheid heeft een groot deel in de strijd en in het lijden. Behalve wat Ef. 6:11-17 over die worsteling zegt, leze men:
Fil. 1:29, 30 "Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden; denzelfden strijd hebbende, hoedanige gij in mij gezien hebt, en nu in mij hoort".
Zie ook 2 Tim. 1:8; 2:3; 3:11; 4:5. Hoe dikwijls spreekt ook hier Paulus van zijn verdrukking en banden: Ef. 6:20; Fil. 1:7, 13, 14, 17; 2 Tim. 2:9; 4:6. Als lid van het Lichaam van Christus, kon Paulus in zijn vlees aanvullen, wat nog ontbrak aan de verdrukking van Christus voor dat Lichaam (Kol. 1:24).

Boven al die strijd en verdrukking, klinkt echter Paulus' kreet: "De Heere is nabij, wees in geen ding bezorgd" (Fil. 4:5, 6). Uit alles worden de leden door de Heere gered (2 Tim. 3:11).

Dit alles samenvattende, kunnen wij dus met Paulus zeggen:
2 Tim. 3:12 "En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden"
Want op mensen moet men niet rekenen in die strijd en dat lijden. Juist omgekeerd, zij zullen zich van ons afwenden, of ons vervolgen. Men denke ook hier weer aan Paulus. In Rom. 15:23 zegt hij reeds, dat er voor hem geen plaats meer is in de gewesten waar hij Gods goede tijdingen verbreid heeft. Toen hij echter ook de grote verborgenheid had bekend gemaakt, die in het bijzonder de geestelijke machten der boosheid trof, wenden de meesten zich geheel van hem af. Men weet wat hij daarvan in zijn laatste brief zegt: 2 Tim. 1:15; 4:10, 16 enz. Maar al zijn dergelijke omstandigheden ook pijnlijk, alles wordt meer dan goed gemaakt door de nauwe gemeenschap met God en het genadeloon en de prijs, die aan de roeping verbonden is. (Fil. 3:14).


Uitverkiezing en Israel's herstel.

In Rom. II staat de "tamme olijf" tegenover de "wilde olijf". Daar, deze laatste de volken zijn, is de eerste Israël als Gods volk. Door "takken" worden dan groepen mensen, b. v. uit een bepaalde streek, aangeduid. Sommigen uit de volken worden ingeënt om de tamme olijfboom tot aktiviteit te prikkelen (zoals men tegenwoordig ook wel bij fruithoornen doet) d. i. Israël tot jaloersheid te verwekken. Reeds Deut. 32:21 voorzag dit en het was dus zeker geen verborgenheid. Enkelen uit de volken waren zo reeds de geestelijke goederen van Israël deelachtig (Rom. 15:27), wat eerst gedurende het Koninkrijk op aarde algemeen zal worden.

Daarentegen werden takken afgebroken door ongeloof. Alleen het "overblijfsel" geloofde. Waarom deze? Omdat ze daartoe bijzonder uitverkoren waren. De overige zijn verhard geworden. Doch niet voor altijd, slechts tot op de volheid der tijden der volken (Luk. 21:24; Rom. 11:25). Alzo zal dan geheel Israël behouden worden. Geheel Israël is hier van zelf geheel het ware Israël (Rom. 9:6), het "geestelijk" Israël. We zien dus in dat Israël twee delen: 1. zij die bijzonder uitverkoren waren, die het "overblijfsel" vormden; 2. zij die eerst later door de verdrukking heen tot het geloof komen. Men ziet dus ook hier dat de uitverkiezing niet in de eerste plaats tot behoudenis is, doch tot het vervullen van een opdracht.

Dit alles heeft niets te stellen met de openbaringen betreffende de Gemeente der verborgenheid, waarvan Paulus in zijn gevangenschaps-brieven spreekt. Deze Gemeente toch is niet op de Joodse olijfboom ingeënt en heeft méér dan slechts een aandeel in de joodsche zegeningen. Daarbij is nu geheel Israël als Gods volk terzij gesteld: de boom is uitgehouwen (Mat. 3:10; Hand. 28:26-28; Jer. 11:16. Er is nu zelfs geen overblijfsel meer, (1), al zijn er individueele Joden die geloven. Alleen na de tijden der Heidenen spruit de olijf weer uit en in het Koninkrijk zal hij zich uitbreiden (Hos. 14:7).

We vermoeden dat een eenzijdige opvatting der uitverkiezing medegewerkt heeft om Israëls herstel te loochenen. Uit vrees dat "het woord Gods ware uitgevallen" (Rom. 9:6 heeft men gemeend dat de Gemeente Israël heeft vervangen en Gods beloften nu "geestelijk" moeten overgedragen worden op de Gemeente. Als men inziet dat Gods verlangen heel goed kan weerstaan worden en het uitverkoren Volk daarom ook heel goed tijdelijk kan verworpen worden, is er geen noodzakelijkheid enige andere groep mensen in Israëls plaats te zetten. Wat wel nodig is, is Israël's herstel. En door dat herstel verstaan we niet de zegening van een deel Joden, maar hun herstel als volk tot het uitvoeren van de opdrachten, waartoe ze uitverkoren waren en die niemand in hun plaats kan uitvoeren. Het herstel als volk, niettegenstaande al wat ze gedaan hebben, is zo zeker als het bestaan der wereld (Jer. 31:35-37). Eens zullen ze zich tot de Heere omkeren en zal het deksel van hun hart weggenomen worden (2 Kor. 3:16), dan maken ze hun algemene verkiezing vast en voeren hun opdracht ten opzichte van de volken uit onder de leiding der 12 Apostelen.


De Dordtse leerregels.

Wij betreuren het, dat onze gevolgtrekkingen zeer verschillen van de belijdenisschriften van vele kerken. In het bijzonder van de Dordtse leerregels. Wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed en richten ons dan ook niet tegen die stellingen, al komen wij er mee in konflikt. In één geval willen wij de lezer laten oordelen, welke stellingen het meest schriftuurlijk zijn.
Wij geven hier het 158 artikel van het le hoofdstuk der Dordtsche leerregels weer:
"Deze eeuwige en onverdiende genade van onze Verkiezing wijst en prijst ons de H. Schrift allermeest daarmede aan, dat zij wijders getuigt, dat niet alle mensen zijn verkoren, maar sommigen niet verkoren, of in Gods eeuwige Verkiezing voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar Zijn gansch vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemeene ellende te laten, in dewelke zij zichzelven door hunne eigene schuld hebben gestort, en met het zaligmakend geloof en de genade der bekering niet te begiftigen, maar hen, in hunne eigene wegen en onder Zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk niet alleen om het geloof, maar ook om alle andere zonden, tot verklaring van Zijn gerechtigheid, te verdoemen en eeuwiglijk te straffen. En dit is het besluit der Verwerping, hetwelk God geenszins maakt tot eengin auteur van de zonde (hetwelk godslasterlijk is te denken), maar Hem stelt tot haren verschrikkelijken, onberispelijken en rechtvaardigen Rechter en Wreker"
Nu vragen wij hoe het mogelijk is, dat, als God de niet verkorenen geen genade ter bekering geeft, en zij uit zich zelf niets kunnen, zij zich door eigen schuld in de ellende gestort hebben? Dat ze dan ellendig zijn, spreekt van zelf. Dat is een natuurlijk gevolg van hun geboorte uit vlees, uit Adam. Dan kunnen ze ook tot geen heerlijkheid komen. Maar schuld hebben zij niet aan die ellende. Zij hebben zich toch niet in die positie "gestort", maar zijn er in geboren. Hoe kan God dan voor hen een "schrikkelijken... Rechter en Wreker" zijn? Toch zouden wij het aannemen zou de Schrift dit ook zei. Maar wij hebben juist gezien, dat God niet besloten heeft dat enigen verloren gaan (2 Petr. 3:9).


Romeinen negen.

Dit hoofdstuk is vol van uitverkiezing en wij moeten het dan ook goed onderzoeken. Ons doel is niet enige Schrift te ontwijken of te verwringen. In geval Rom. 9 iets zegt in strijd met wat wij uit het vorige afgeleid hebben, dan moeten wij die gevolgtrekkingen herzien en verbeteren. Een waar Schriftonderzoeker, die niet zijn eigen gedachte, maar de waarheid zoekt, moet voor geen tekst vervaard zijn. Is er een moeilijkheid, dan wijst deze op een gebrek in zijn opvatting en moet hij gereed zijn alles te herzien en te wijzigen. Als wij de ogen er voor sluiten, kunnen wij misschien meer succes bij de mensen hebben, maar niet bij God. Het is eenvoudig zelfbedrog.

Wij hebben gezien, dat er allerlei uitverkiezingen zijn. Wil men nu een deel van Rom. 9 gebruiken in verband met de uitverkiezing, dan moet men beginnen te onderzoeken over welke uitverkiezing er hier sprake is. Gaat het over individueele mensen of over groepen? In de eerste verzen spreekt Paulus reeds van zijn broeders, zijn "maagschap" naar het vlees, die Israëlieten zijn", "uit wie, wat het vlees aangaat, de Christus is". Hij spreekt verder van "Israël" (Jakob) in vers 6, van Abrahams zaad in vers 7. Het is dus al zeker over Israëlieten. Maar over het volk als zodanig of over enkelingen? Als men het begin van het hoofdstuk leest, kan hieromtrent geen twijfel bestaan: het is over het volk dat hij spreekt. Zo ook met Jakob en Ezau in de verzen 11 tot 13. Het is voldoende Gen. 25:23 te lezen:
"Twee volken zijn in uwen buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden"
om overtuigd te zijn, dat het over volken gaat. Dat Jakob en Ezau zelf niet bedoeld zijn, is verder duidelijk door het feit, dat de meerdere de mindere nooit gediend heeft (vs. 12) dan in het volk, dat uit hen kwam. Ook de namen "jongste" en "oudste" wijzen op het eerstgeboren recht, dus op de toekomst en het nakomelingschap. Die benamingen hebben niets te maken met de behoudenis van die personen. Als het in dit hoofdstuk over de behoudenis van personen ging, zou men moeilijk inzien waarom van al die dingen gesproken wordt.

Men kan alles op deze wijze samenvatten: vóór er enige reden was in het schepsel zelf, verkoos God Israël boven Edom, nadat ze beide hun onwil getoond hadden, wil God Israël vergeven vóór Hij Zich met Edom bezighoudt. God is dus vrij, bij afwezigheid van enige gewilligheid, een bepaald volk te verkiezen, en bij gelijkheid in de onwilligheid een volk te vergeven om de andere tot Hem te leiden. Het hele hoofdstuk toont Gods vrijmacht in het betoonen Zijner genade, maar betreft evenmin als de volgende, niet onmiddellijk de behoudenis van Jakob of Esau zelf en nog minder die van eenig ander mens.

Vers 13 is een aanhaling van Mal. 1:1-3 en als men den tekst leest, ziet men zeer duidelijk dat het niet de personen betreft, maar de volken.

Als wij dan tot vers 15 komen, moet men dit ook niet op mensen, afzonderlijk genomen, toepassen, maar op groepen of volken. Deze woorden zijn een aanhaling van Ex. 33:19, toen Israël als volk tegen God gezondigd had door het aanbidden van het gouden kalf. Het volk was dus van God vervreemd, en de woorden:
"Ik zal Mij ontfermen, wien Ik Mij ontferme, en zal barmhartig zijn, wien Ik barmhartig ben".
tonen Gods almacht Zich weder over, dat volk te ontfermen en het niet uit te roeiën. Mozes stelde hier geheel Israël voor. Vers 16 is een besluit, dat op vs. 13 had kunnen volgen en de volken betreft, die uit Jakob en Ezau komen. Het is echter ook toepasselijk op vs. 15.

In vs. 17 komt nu Farao ter sprake als een voorbeeld van Gods almacht. Maar weer is het Farao niet als individu, maar als verpersoonlijking van het Egyptische volk. In Ex. 4:22 staat dan ook Farao tegenover Israël en in Ex. 4:23 spreekt Mozes van "uw zoon", terwijl het alle eerstgeborenen van het volk betreft. Het "gij zult" van Ex. 9:15 is ook weer het volk en wij zien bijgevolg hoe God Zijn almacht niet aan die ene persoon betoont, maar aan het gehele volk.

In Rom. 9:17 hebben wij een aanhaling van Ex. 9:16. Het woord vertaald door "verwekt", betekent in het Hebreeuws "doen staan", d.i. behouden te midden der plagen. Zo gaf God hen de gelegenheid zich meer en meer te verzetten en toonde Hij herhaalde malen, en op allerlei wijzen Zijn almacht.

Vers 18 zegt dan hoe God verhardt wien Hij wil. Wij hebben hierover reeds gesproken in het hoofdstuk, dat handelt over het hart van de mens. God gaf hun de gelegenheid zichzelf te verharden. Had God ze niet "doen staan" te midden der geruchten, dan hadden zij hun hardheid niet ten volle kunnen ontwikkelen en tonen. Zodra er een verpozing was in de geruchten, kon het Egyptische volk zich verharden. (Zie b. v. Ex. 8:15).

Als het volk Gods "voldoende" genade afwijst, werkt Hij niet positief in hun om hen te verharden, maar Hij werkt negatief met hun de "afdoende" genade niet te geven, die de verharding zou beletten.

Zo komen wij tot vs. 20-23. Wij hebben hier een aanhaling van Jes. 45:9. Wat zijn hier nu de "vaten"? Zijn het afzonderlijke mensen ? Neen, geenszins, het zijn volken. Zie ook Jer. 18:6, 7. Telkens wanneer de Schrift spreekt van "pottebakkersvat" betreft het niet een mens, maar een volk. Men zie slechts:
Ps. 2:9 Volken
Jes. 29:16 Juda
Jes. 30:14 Juda
Jer. 19:11 Juda.
Op. 2:27 Volken

Er zijn twee "vaten der barmhartigheid": een groep uit Israël en een groep uit de volken (Vs. 24).

"Met vele lankmoedigheid verdragen". Lang wacht Hij en geeft gelegenheid zich te bekeren.

"Tot het verderf toebereid". De vraag is of God ze heeft toebereid, ofwel of ze zichzelf toebereid hebben. Het Grieks laat beide betekenissen toe, dus zowel: zich toebereid hebben als toebereid zijn geworden. In 1 Kor. 1:10 is hetzelfde werkwoord (hier vertaald door "samengevoegd") in dezelfde deelwoordsvorm gebruikt. We menen hierin een vermaning te moeten lezen: dat gij u zelf toebereidt. Daarom lezen we ook Rom. 9 zo: ze hadden zichzelf tot het verderf toebereid.

Het is belangrijk er op te wijzen, dat van de vaten der barmhartigheid gezegd wordt dat ze "tevoren" bereid zijn, terwijl dit niet het geval is met de vaten des toorns. Hier is het woord "katartizo" gebruikt, dat we het best door "opnieuw toebereiden" kunnen vertalen. Door God waren ze tot iets goeds toebereid, maar zichzelven hebben ze zich opnieuw toebereid tot iets slechts door Zijn genade te weerstaan. God verdraagt ze daarbij nog met veel lankmoedigheid en kan ze nog ten goede gebruiken.

Tussen vs. 21 en 22 bestaat geen volledige overeenkomst De vaten ter onere zijn niet het onderwerp van toorn, ze zijn nog zeer nuttig. En de vaten des toorns zijn niet in de toekomst bestemd tot toorn, maar hebben zich in het verleden zó toebereid, dat ze aanleiding tot toorn gegeven hebben. God heeft ze echter nog langen tijd met veel lankmoedigheid verdragen.

Jer. 19:11 toont verder, dat "verderf" (Rom. 9:22). het verbreken van het vat, iets tijdelijks is. Het toebereiden (opnieuw toebereiden) van de vaten des toorns, tot het verderf, is niet het einddoel.

In vs. 24 spreekt Paulus dan terloops over de groep, die tot de hemelse sfeer behoort en "tevoren bereid" was tot heerlijkheid, en waarvan hij in Rom. 8:28-39 reeds sprak. Zoals God Israël uitverkoor om de andere volken tot heil te zijn, kan Hij, bij het falen van Zijn volk, ook andere groepen uitverkiezen, als dat nodig blijkt om Zijn voornemen uit te werken.

De volken worden even vermeld om niet de indruk te geven dat alleen een groep uit de Joden geroepen is. Maar overigens gaat alles over Israël, wat men duidelijk ziet uit de aangehaalde profetieën. Paulus zegt daarbij nog "aangaande Israël" (vs. 27).

Dan laat Paulus in vs. 25-29 Gods almacht zien uit het herstel van Israël. Al was het "Niet-Mijn-volk", toch zal het weder "Mijn-volk" genoemd worden. Al is het "verdorven", Hij kan het weer herstellen. Hosea is hiervan een getuige. Weer gaat het dus over een volk, niet over een mens. Zo ook in de verdere verzen.

Men ziet, dat Rom. 9 niets zegt over een uitverkiezing van personen en sommige delen op hen toepassen, zonder nauwkeurig onderzoek of dat mag, kan alleen tot verwarring leiden. En is het toepasselijk, dan betreft het een opdracht, zoals elke uitverkiezing, niet de behoudenis. Het gaat niet over de "voldoende" genade, maar over de "afdoende" genade, die God kan weigeren als de mensen Zijn "voldoende" genade, die het hen mogelijk maakte iets te doen, afgewezen hebben. God begint met zich over allen te ontfermen, want Hij verlangt de behoudenis van allen (1 Tim. 2:4); maar Hij kan verdere ontferming weigeren als ze ongehoorzaam blijven. Zijn behoudende genade verschijnt aan alle mensen (Tit. 2:11), maar zij blijft niet noodzakelijkerwijze verschijnen. De mens zoeke in Rom. 9 geen verontschuldiging voor het verwerpen van wat God hem reeds aangeboden heeft.


Nog enkele teksten over uitverkiezing.

Behalve de teksten, die we in verband met uitverkiezing reeds onderzocht hebben, willen we er hier nog enkele behandelen.

  • Mat. 13:11 "Maar dien is het niet gegeven". In de volgende verzen hebben wij een aanhaling van Jes. 6:9, 10, die telkens voorkomt, als Israël door ongeloof, tot een krisis komt. Zij willen niet horen en niet aannemen, zo zal, wat zij hebben, nog van hen genomen worden (vs. 12). Zij werden verblind en het is hun niet gegeven geworden de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te weten. Dit alles betreft dus geen uitverkiezing, maar een verharding ten gevolge van ongeloof. De oorzaak lag bij hen.

  • Joh. 6:37, 44 "Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen". "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader... hem trekke". Het betreft hen, die reeds tot geloof en bekering "tot-in" God gekomen waren. Deze worden door Hem verder geleid, getrokken, en tot Christus gebracht. Zij worden getrokken, "niet" gesleept. Dat het trekken niet onweerstaanbaar is, laat Joh. 12:32 zien.

  • Joh. 17:6 betreft dezelfde mensen.

  • Hand. 13:48 "En daar geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven". Hier zijn het tot-in-God bekeerden uit de volken (zoals Cornelius). Zoals met de schapen van Joh. 10, is het dan voldoende het Woord des Heeren te verkondigen opdat zij tot het geloof tot-in de Heere komen en alzo het "eeuwige" leven verwerven.

  • Rom. 8:28-30. Hier is een uitverkiezing tot de hemelse sfeer. Zij worden verkoren ten dele omdat zij God liefhebben. Deze heeft de Heere te voren gekend om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn. Zij worden dan ook tot die uitverkiezing geroepen en komen daarna tot rechtvaardigheid en heerlijkheid.

  • Het "te voren gekend" vindt men ook in Rom. 11:2. Vers 3 (en 10:21) toont dat het gaat over het ongehoorzaam en tegensprekend volk. God voorzag die houding van Zijn volk, en voorzag ook dat Hij ze zou moeten verstrooien (1 Petr. 1:2 voorkennis = prognoosis, deze betreft niet het woord "uitverkorenen", dat volgens de handschriften in het 1ste vers vóór "vreemdelingen" moet staan). Hij heeft ze dan ook niet verstoten toen ze zo handelden. Zo kende God ook te voren hen, die Hem zouden liefhebben.

  • Ef. 1:4-6, 11; 2 Tim. 1:9 Het is een uitverkiezing tot de over-hemelse sfeer.

Geen dezer teksten betreft ongelovigen, die door God ten koste van de anderen zouden uitverkoren worden om behouden te worden.

Voetnoten:

(1) Toen de schrijver dit boek schreef was er nog geen sprake van een Israelitische staat. (1933)

Hoofdstuk 22 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 24



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden