Hoofdstuk 21 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 23


De Weg der Behoudenis

XXII. Moet God Zijn oorspronkelijk plan niet wijzigen?



De alwijze God.

Nu is er hier een moeilijkheid. Als er iets van de mens afhangt, en niet rechtstreeks van God, dan schijnt het alsof God steeds Zijn plan zal moeten wijzigen om het aan te passen aan de wil des mensen. Moest men noodzakelijk tot die conclusie komen, dan was het beter te geloven dat wij op een verkeerde weg zijn en kon men alle vrijheid van de mens beter loochenen. Wij zien echter niet in waarom men tot die gevolgtrekking moet komen. Vooreerst houde men rekening met wat wij gezien hebben over het beperken van de vrijheid tot de sfeer van Gods verlangen. Zijn plan wordt dus, ten minste in de grote lijnen, niet aangetast. Slechts in onderdelen zou men kunnen denken dat het wat moet herzien worden. Maar ook dat is niet zo. Wij beoordelen God te veel naar onze standaard, naar onze zwakheid en kortzichtigheid. Want als wij een plan maken, dan wordt het gewoonlijk geheel in de war gestuurd door de tussenkomst van anderen, wier daden wij niet konden voorzien. Neem bijv. het schaakspel. Een geoefend speler kan heel wat berekeningen maken en ook min of meer gissen naar wat de tegenpartij zal doen en er rekening mee houden. Toch komt er eens een zet, die niet voorzien was en die het noodzakelijk maakt het eerste plan te wijzigen. Steeds moet zijn voornemen dus aangepast worden aan de wil der tegenpartij.

Maar zo is het gelukkig niet bij God. Hij kent ALLE dingen. Zijn alwetendheid omvat alles, ook de wil des mensen. Hij weet van te voren in welke richting de vrije mens zal beslissen en kan er dus rekening mee houden. Hij kent alle oorzaken, dus ook alle gevolgen. Voor Hem is alles gedetermineerd. Hij wist dat Zijn volk niet onmiddellijk het land zou ingaan. Hij wist dat IsraŽl zich niet zou bekeren en het koninkrijk zou toeven. Hij wist dat ze Zijn Zoon door de hand der ongerechtigen zouden ter dood brengen (Hand. 2:23). Hij kende van te voren de verstrooiing der Joden (1 Petr. 1:2, het woord "uitverkorenen" staat in alle handschriften vůůr "vreemdelingen", vers 1. Het is de verstrooiing, die naar de voorkennis is, niet de uitverkiezing). Zo is elke gedachte, elke wil en elke uitvoering van die wil Hem bekend van vůůr de aionen. Zo heeft Hij slechts ťťn plan behoeven te maken, waar alles in opgenomen is en tot zijn recht komt, ook de vrijheid Zijner schepselen. Er is niets goddelijks in het voorkennen van wat een mechanisme doen zal, maar wel in het voorkennen van de handelingen van een vrij wezen.

De reeds vermelde voorbeelden van de vrijheid der mensen en de voorkennis, van God willen wij nu wat verder onderzoeken, omdat hier nog belangrijke zaken geleerd worden.

De woestijnreis van IsraŽl had maar een paar jaar moeten duren. God bood hun aan het beloofde land in te gaan en die belofte was gemeend. Het was Zijn verlangen en zo had het moeten zijn, hadden zij, in Gods kracht, aan dat verlangen voldaan. Zij geloofden echter niet en stelden hun wil tegenover Gods wil. Men ziet hun verantwoordelijkheid en ook het rechtvaardige van Gods straf. Toen zij dus voor het land stonden, hing alles van hen af, niet rechtstreeks van God. Zij konden ingaan of niet. Hebben zij God dan verrast? Heeft Hij Zijn plan moeten wijzigen? Geenszins. Hij kende te voren IsraŽls ongeloof en Zijn plan hield er reeds rekening mee. Het had anders moeten gaan, maar God wist hoe het zou gaan.

Wij leren hieruit ook, dat, al heeft God Zijn plan geheel van te voren vastgelegd, Hij het daarom niet doet kennen aan Zijn schepselen. Hij stelt alles voor alsof zij zullen ingaan, al weet Hij, dat zij het niet zullen doen. Hij zegt hun, hoe het zou moeten gaan volgens Zijn verlangen, niet hoe het zal gaan. Men begrijpt waarom. Dan zou de verantwoordelijkheid en de vrijheid verminderd of te niet gedaan zijn. Het schepsel zou zich kunnen verontschuldigen en zeggen dat het toch zo můťst gebeuren.

Het is in dergelijke gevallen dat men kan spreken van de verborgenheid van Zijn wil (Ef. 1:9).

Er zijn zeer talrijke voorbeelden van deze merkwaardige feiten. Laat ons er nog twee uitkiezen: de dood van Christus en de komst van het koninkrijk.

Christus moest sterven, dat was onontbeerlijk voor de verzoening, verlossing en behoudenis en toch is IsraŽl er ver- antwoordelijk voor. Het was in Gods plan begrepen, en toch zijn zij schuldig. Dat plan kon dus niet geheel en ook niet duidelijk geopenbaard worden, want dan was IsraŽls vrijheid weg. Dan zouden zij meer gehandeld hebben naar wat zij wisten dat toch moest gebeuren dan naar Gods verlangen. Ook ten opzichte van satan moest het plan verborgen blijven. Wij zien dan ook, dat de verborgenheid van Christus slechts heel geleidelijk ontsluierd wordt. Heel de Schrift door. Het laatste is de openbaring aangaande het samen-lichaam de grote verborgenheid.

Het koninkrijk moest eigenlijk komen toen de Heere op aarde was. Alles was gereed. Alles wordt voorgesteld alsof het werkelijk spoedig zal komen. Het is nabij. Men kent de teksten zoals Mat. 16:28, die voor velen een moeilijk vraagstuk zijn. Alles wordt zo voorgesteld, omdat het werkelijk kan gebeuren en het Gods wil is dat het zal gebeuren. De mens zou nu die wil moeten willen. Als ze de boodschap niet aannemen, begint de Heere van de "verborgenheden" van het Koninkrijk te spreken.

Zo is het ook weer na het kruis. Weer kon het Koninkrijk beginnen. De enige conditie was: bekering. En hier ook weer wist God, dat zij zich niet zouden bekeren en er eeuwen zouden verlopen vůůr het werkelijk komt. Maar dat kon hun natuurlijk niet gezegd worden. Men weet dan ook, hoe in alle profetieŽn die tussenperiode geheel bedekt is. Daarom ook het onbepaalde in het antwoord van de Heere Jezus op de vraag of het koninkrijk nu zou komen (Hand. 1:7). "Het komt u niet toe te weten ..." Hij kon hun niet zeggen, dat het feitelijk nog niet zou komen, want zij moesten juist hun boodschap brengen alsof het zou komen en alle verantwoordelijkheid bij IsraŽl laten. Hadden zij van te voren geweten, dat hun pogingen toch vruchteloos zouden zijn, dan hadden zij niet met vertrouwen en overtuiging kunnen spreken. Dan had dit medegewerkt tot het zich niet bekeren van Gods volk en was het dus minder vrij en verantwoordelijk geweest. Nu echter hing alles van hen af. Na de verwerping van het Koninkrijk, einde Handelingen, volgt dan de "grote Verborgenheid".

Maar zo komen wij nu voor een nieuwe moeilijkheid: Als God dan alles kent en voorziet, is de mens dan toch wel vrij? Als alles op een bepaalde wijze moet gebeuren, kan men dan wel van vrijheid spreken? Alles is dan toch immers gedetermineerd?


De "vrije" mens

Dat alles voor God gedetermineerd is, kan niet geloochend worden. Maar als men inziet, dat God ook de wil kan voorkennen, vermindert dat de vrijheid niet. Het is niet, omdat God weet hoe iemand op vrije wijze zal handelen, dat die mens verplicht is zo te handelen. Het kennen van het vrije, maakt het niet tot iets niet vrijs. Beide, het kennen en het vrije, kunnen naast elkander bestaan.

Zou God echter iets mededelen aangaande wat Hij weet over de beslissing die de mens zal nemen, dan zou die mens door die voorkennis te veel beÔnvloed zijn, dus niet meer vrij. Zolang God niet alles openbaart aangaande de wil des mensen, blijft die wil vrij.

Men ziet dus, hoe de vrijheid van de mens niets afdoet van Gods almacht en alwijsheid, maar deze juist meer doet uitkomen. En ook hoe Gods voorkennis de vrijheid van het schepsel niet belet.


Hoofdstuk 21 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 23



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden