Hoofdstuk 18 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 20


De Weg der Behoudenis

XIX. Over Gods inwerking



In wie en hoe werkt God?

Als men van Gods inwerking spreekt, is het van groot belang onderscheid te maken tussen in-God-ongelovigen en gelovigen. Als het een werking Gods betreft, worden de woorden "energia" (inwerking), "energeoo" (inwerken) en "energema" (inwerking) nooit gebruikt ten opzichte van ongelovigen. Wij hebben reeds gezien, hoe er tussen God en hen geen gemeenschap is. Hun geest is niet in contact met Gods Geest. Een rechtstreekse inwerking van God is er dan ook niet. God werkt onrechtstreeks door het geweten, door hetgeen men van Hem uit de natuur kan kennen, door de goede voorbeelden van anderen, door nuttige wenken, door lektuur en toespraken enz. Zo worden alle mensen "verlicht" (Joh. 1:9). God werkt dus door middel van de schepping op hun lichaam en ziel, maar niet rechtstreeks in hun geest. Na de wedergeboorte is het anders. Dan is er gemeenschap en inwerking.

In de bekende tekst:

  • Fil. 2:13 "Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen".
spreekt Paulus niet van ongelovigen. Het betreft juist de leden der Gemeente, van het samenlichaam, die op het einde van de weg der behoudenis staan. Christus is hun leven (Kol. 3:4), hoe zou God dan niet in hen werken? In vers 5 sprak hij er nog van, dat in hen de gezindheid moest zijn, die in Christus Jezus was, d.i. volledige overgave aan de Vader. Als men z in alles Gods wil wenst te doen, zal Hij ook krachtiglijk in ons werken.

Bij de gelovige is het vermoedelijk door de geest dat God werkt om ook de wil levend te maken. Het is dan echter nog niet het ingieten van Gods wil om er een pop van te maken, want de mens heeft zich eerst tot God gekeerd om hulp.

Fil. 2:13 wordt gewoonlijk gelezen alsof er staat, dat God naar Zijn welbehagen inwerkt, d.i. dan: geheel buiten de mens om. Dat staat er echter niet. Het woord, door "naar" vertaald, is "huper", dat is: "ten bate van". Het woord welbehagen spreekt niet zozeer van wat God besluit of niet, maar wat Hem behagelijk is, Hem volkomen voldoening geeft. Er staat dus feitelijk, dat God in die leden werkt ten bate van Zijn eigen voldoening. Dat Hij geheel buiten hen om werkt, staat er niet.

In Heb. 13:20, 21 lezen wij iets dergelijks: "God ... volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u hetgeen voor Hem welbehagelijk is". Voor "welbehagelijk" is niet hetzelfde Griekse woord gebruikt als in Fil. 2:13, maar de zin is dezelfde.

Verder meent men soms, dat Gods inwerking niet anders dan onweerstandelijk kan zijn. Voorzover wij weten, is er inderdaad geen Schrift die ons kan doen vermoeden, dat de mens die inwerking wel zou kunnen weerstaan. Wij hebben gezien, dat de mens in het algemeen Gods verlangen (niet Gods inwerking) in vele gevallen kan weerstaan, maar dan is het, omdat zij niet willen. Hier menen wij, dat een inwerking Gods alleen plaats heeft, als de mens (de gelovige) wil. Er is dan geen sprake meer van weerstaan, want hij wil. De vraag heeft dus geen zin. In beginsel blijft de mens vrij en kan God steeds weerstaan. In feite is dat echter uitgesloten in het geval dat we hier voor ons hebben.

Wij geloven dat uit het zich ontwikkelen en het opvoeden van kinderen veel kan geleerd worden. Het is een "type" van ons, dat wij steeds voor ogen hebben. Voor wat ons hier betreft, leren wij eruit, dat het alles van de ouders heeft, maar dat het zelf moet leren lopen, handelen, denken, willen. Het moet leren gebruik maken van wat tot zijn beschikking gesteld wordt. De ouders maken van hun kind geen pop, maar werken er voortdurend op in, met geduld, niettegenstaande de aangeboren onwil. Deze is niet onoverwinnelijk. Door vermaningen, voorbeelden, ondervinding leert het willen wat goed is. Uit zichzelf kan het niets, en toch moet het zelf tot iets komen. Als het kind begint gewillig te worden, dan kunnen de ouders het des te meer helpen en erop inwerken. Toch blijft het kind steeds vrij.

Soms moeten de ouders op een bijzondere wijze ingrijpen. Want al laten ze het kind betrekkelijk vrij, er zijn grenzen aan die vrijheid. Zoals God de natuur in stand houdt en erin werkt zonder daarom het natuurlijke van de natuur weg te nemen, werkt Hij ook in de gelovige zonder er daarom een pop van te maken. God werkt dus in alle schepselen op een wijze die aan de aard van het schepsel is aangepast, zonder dat schepsel van zijn aard te beroven.

Door de gemeenschap en het zich overgeven van de gelovige in Gods handen, werkt God vrij door in de richting, die door de mens in het algemeen gewild is. Gods wil en die van de mens, zijn niet van dezelfde soort, doch vallen samen door het feit, dat het schepsel in gemeenschap met God staat. Onze handeling is dan geheel van God en toch geheel van ons. De ware oorsprong, kracht, verdienste, ligt bij God. Uit onszelf kunnen we niets doen, doch in gemeenschap met Hem werkt Hij in en door ons en delen we, in een lager sfeer, in wat Hij doet. In onze sfeer is het dan ook van ons.

Als we gewillig zijn Zijn wil te doen, dan bestuurt Hij onze wil in de goede richting en bewerkt ons zo, dat we er het beste gebruik van maken. We blijven wel de mogelijkheid behouden God te weerstaan, maar daar we besloten hebben Zijn wil te doen, is er in feite geen weerstand. In elk geval is er niet tegelijkertijd een afdoende werking van God en een weerstaan.


Tegenwerpingen

Zij die beweren, dat Gods inwerking geheel buiten de mens om geschiedt, voeren de volgende teksten aan:

  • Jer. 31:33. De Heere zal Zijn wet in het hart van Isral schrijven. Dat betreft Isral als volk. Men kan het ook verder toepassen, maar dan alleen als er iets is, dat kan vergeleke worden met hetgeen er met Isral geschiedt. Vr Isral een nieuw hart krijgt, dus tot de wedergeboorte komt, moet het zich bekeren. Dan eerst werkt God in hen. Het geschiedt dus niet buiten hen om of tegen hun wil.

  • Jer. 31:18 "Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn". Hier zien wij juist een roepen naar God, dus eerst iets dat uit de mens komt. Als de bekering volgt, geschiedt ze dan zeker niet buiten hem om! God geeft de mogelijkheid ter bekering en het schepsel moet hiervan gebruik maken. Daar het in zichzelf nog geen macht voelt, roept het God om hulp.

  • Jes. 44:3 en Ezech. 36:26 betreffen het uitgieten van Geest en het geven van een nieuw hart. Die teksten hebben wij reeds onderzocht. Het betreft hier wedergeboorte. Vr deze er is, moet er bekering "tot-in" God zijn. Het op afdoende wijze inwerken Gods is een gevolg van de houding van de mens, die reageert op de voldoende wijze waarop Hij alle mensen tegemoet komt.

  • Rom. 5:5. Paulus spreekt van het uitstorten der liefde Gods in "onze" harten door de Heilige Geest. Wie zijn dat? Vers 1 geeft het antwoord: Zij die gerechtvaardigd zijn uit het geloof. Dat zijn dus zeker al geen ongelovigen. En voor de anderen is het als gevolg van hun geloof en hun wandel in de verdrukking (v. 3, 4). Dat die gelovigen buiten hun wil die liefde ontvangen, wordt ook hier niet gezegd.

  • Rom. 9:16 behandelen wij later meer uitvoerig. Heel dit hoofdstuk handelt over volken, niet over individuen. Als er namen genoemd zijn, dan is het in de zin van het volk, door die ene mens voorgesteld. Verder gaat het over Gods besluit en uitverkiezing. Deze dingen op alle mensen toe te passen en in alle omstandigheden, kan niet gerechtvaardigd worden.

Dit schijnen de krachtigste tegenwerpingen te zijn. Ons treffen zij echter in het geheel niet, zij laten zien dat men op te oppervlakkig onderzoek steunt.

Zij die zich op het standpunt stellen, dat Gods inwerking geheel buiten de mens om, geschiedt, voelen toch, dat zij enig voorbehoud moeten maken. Zij erkennen, dat God niet werkt als in "stokken en blokken". Maar wat zij zeggen komt daar toch op neer. Want als God op de wil inwerkt zonder dat die mens er aanleiding toe geeft, dan is die mens wel geen letterlijke stok of blok, maar toch niet meer dan een pop. Hij staat dan feitelijk op gelijke lijn met de dieren, behalve dat zijn lichaam, ziel en geest wat meer ontwikkeld zijn. (1)

Voor ons moet alles wel van God komen, maar moet de mens eerst aannemen wat God hem in de eerste plaats aanbiedt vr God hem verder zal brengen. Dit als algemene regel. Er zijn ook uitzonderingen waar God schepselen in een bijzondere positie plaatst, ten dele of geheel buiten hen om ten einde anderen te zegenen en Zijn voornemen uit te werken.

Zonder eigen wil, zou er ook geen verantwoordelijkheid, oordeel en straf zijn. Ook geen verheerlijking Gods. Wij moeten de vraag of de mens een zekere mate van vrijheid heeft dan ook nader onderzoeken.


Voetnoten:

(1) Over Gods werking en de onze bestaan er in de theologische wereld de meest uiteenlopende gedachten. Ook in de Roomsche theologie is er een hevige strijd tussen de Thomisten en de Molinisten. We geven hier een kort overzicht van de bijzonderste gedachten:

  • CALVYN (1500-1564). God doet alles. De mens is er voor niets tussen, al is hij geen stok en blok. De mens kan God nooit weerstaan.

  • THOMAS van AQUINO (1226-1274). Alles is van God als voornaamste oorzaak, van de mens als bijkomende oorzaak. De mens kan Gods "voldoende" genade weerstaan en zo beletten dat "afdoende" genade zijn deel worde.

  • MOLINA (1588). God en de mens werken samen. Beide zijn gedeeltelijke oorzaken.

  • PELAGIUS (5e eeuw). De mens doet alles.

Deze laatste kunnen we gerust voorbijgaan. De anderen hebben allen ten dele gelijk al naar het geval dat men in aanmerking neemt: Calvyn als het een bijzondere werking Gods betreft (uitverkiezing): Thomas als het de gewone werking in de gelovige aangaat en Molina meer bijzonder in het geval van de ongelovige. Hier werkt God door de schepping op "natuurlijke" wijze en deze werking kan met die van de mens in dezelfde sfeer samengaan om tot het doel te komen. De strijd ontstaat door het vermengen der dingen en door het te veel acht geven op een bijzonder geval en het niet duidelijk zien van de weg der behoudenis en van de verschillende posities.


Hoofdstuk 18 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 20



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden