Uit IsraŽls Profetie

VII. De Openbaring

3.c  Nadere uiteenzetting van Openb. 11 en 12

DE VROUW VAN OPENB. 12.
IsraŽl heet Jehovah's Vrouw, Jes. 54:6. Zij heeft zich door haar zonde van haar Man vervreemd en moet vele dagen blijven zonder de gewenste dingen, Hos. 3. Eenmaal zal de Here Zich der Huisvrouw ontfermen, Hij zal haar roepen als een verlaten vrouw en bedroefde van geest, Jes. 54:6. "Voor een kleinen tijd heb Ik u verlaten, maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen," vs. '7. In de tijd van De Openb. is dit nog niet geschied, maar wordt IsraŽl weder als Vrouw erkend. In Openb. 12 zien we haar met de maan onder haar voeten. Dit betekent mogelijk: het Oude verbond, Zij is bekleed met de zon: het Nieuwe verbond wordt ingezet. God gedenkt aan het aan Abraham en andere profeten onvoorwaardelijk beloofde. Op haar hoofd is een kroon van 12 sterren, symbool van de 12 stammen.

We zien hier, dat Jakobus' woord aan de 12 stammen zal vrucht dragen. Er is thans reeds een nationale eenheid komende, die nog wel geen geestelijk Tehuis moge hebben, waar hopend uitziet naar de vervulling van Gods beloften, naar de toekomstige heerlijkheid waarin de Zon der gerechtigheid opgaat. "Ulieden daarentegen die Mijn naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan," Mal. 4:2. Zomer is het thans nog niet. Nog is IsraŽl de verdrukte door onweder voortgedrevene ongetrooste, Jes. 54:11.

DE MANNELIJKE ZOON.
In de tijd van het in vervulling gaan van De Openb., is IsraŽl zwanger. Zwanger om, kinderen te baren die Christus als Messias erkennen. Het baart ze dan ook. Deze kinderen heten de Mannelijke Zoon. Velen menen, dat dit op Christus slaat. Dat nu gaat niet op. Laat ons zien. De Vrouw is IsraŽl, maar IsraŽl als vůlk heeft de Christus niet gebaard. Op. 12 zegt, dat dit deel een teken is in de hemel, een symbool. De Vrouw is IsraŽl, een groep, een veelheid, de Mannelijke zoon moet daar ook ook een veelheid zijn, niet een enkele. Bovendien, als men voor de Vrouw letterlijk Maria neemt, moet men het andere ook letterlijk nemen en aanvaarden, dat de Draak, de Duivel, letterlijk voor Maria stond om Christus te verslinden. Men zij consequent in zijn verklaring. Als symbool, genomen voor IsraŽl en een groep uit IsraŽl voortkomend in de, eindtijd, gaat alles op. De eigenaardige uitdrukking: mannelijke zoon, laat zich verklaren uit het feit, dat het woord zoon in het Grieks onzijdig is. De Gr. taal zegt dus eigenlijk: het zoon. Daarom moest er mannelijke bij staan om aan te geven, dat het mannen zijn, zůnen IsraŽls, die geboren worden. Hun taak is om later de Heidenen te hoeden met een ijzeren roede. Voor mannelijke zoon zouden wij in onze taal gezegd hebben : een kind van het mannelijk geslacht.

Gods Woord constateert veelal de feiten. Niet de processen die tot de uitkomst leiden. Ook hier is dat het geval. Vanzelf gaat alles niet zo snel. Er is tijd voor nodig. De baring, de opwassing, de strijd met de draak, de wegrukking enz. loopt over een hele periode. Het verblijf in de woestijn duurt reeds 1260 dagen, vs. 6 dus 3Ĺ jaar of een tijd (een jaar) tijden (2 jaar) en een halve tijd (Ĺ jaar). Voor de dag des Heren begint, heeft de "baring" reeds plaats gehad. De "zoon" zijn de in Christus gelovigen uit IsraŽl die het Lam volgen waar het ook heen gaat, Op. 14:4. Dat zijn de 144000 verzegelden uit de geslachten IsraŽls Op. 14:1; 12:5. Zij zijn maagden, d.i. maagdelijk, ongehuwd. Zij zijn gekocht uit de mensen tot ,eerstelingen voor God en het Lam. Jakobus wijst er op in hfdst. 1:18. Het zijn alle mannen, 14:4.

Zo bezien blijkt, dat een deel van Op. 12 voorafgaat aan Op. 2 en 3 en ons een beschrijving geeft van wat reeds voor de dag des Heren aanvangt. Evenwel valt het grootste deel er van in die dag. De Draak treedt op en wil de Mannelijke zoon verslinden. Dit heeft plaats onder het vijfde zegel en is vervulling van Mt. 24:8-10: "Alsdan zullen zij u (in Jezus gelovende Joden of IsraŽlieten) overleveren en zullen u doden en gij (gelovig IsraŽl) zult gehaat worden van alle volken om Mijns naams wil... Maar wie volharden zal tot het einde toe zal zalig (behouden) worden." De vervolging is het werk van de Draak die door de verschuiving van de rijken door de in vs. 6 en 7 genoemde oorlogen, de vier wereldrijken, tot stand doet komen, het vierde er van de oppermacht geeft en IsraŽl, en de door God ter wereldheerschappij bestemde heiligen, vervolgt, Dan. 7.

DE 2 GETUIGEN.
Onder die vervolgingen zullen de twee getuigen opstaan om te profeteren, 1260 dagen, de eerste helft van DaniŽls 70ste jaarweek. Als zij hun getuigenis zullen voleind hebben, worden zij door het Beest dat uit de afgrond, het graf of het onderaardse (Rom. 10:7) opkomt, de 8ste koning, Op. 17:11, gedood. Na 3Ĺ dag onbegraven op de straten van Jeruzalem, gelegen te hebben, herleven zij door Gods levensgeest en varen op Gods machtswoord op, 11:7-12. Dan wordt waarschijnlijk ook de Mannelijke zoon opgenomen.

Men symbolisere de twee getuigen niet. Sommigen houden hen voor het O. en N.T. Alsof zij zakken om zouden kunnen hebben, alsof hun dode lichamen op Jeruzalems straten zouden kunnen liggen. Uit Zacharia 4 blijkt, dat de twee olijfboomen twee personen waren. Een ervan was Zerubbabel, de ander wel Jozua de hogepriester. De twee olijfbomen in Op. 11 zullen ook twee personen zijn. Hun namen noemt de Schrift niet. Uit vs. 6 blijkt dat ze soortgelijke wonderen doen als Mozes en Elia. Of deze het soms zijn? We weten het niet. In die tijd zal men het weten. Elia zal in elk geval terugkomen. Men neme ook hier de Schrift, waar mogelijk, letterlijk.

De twee getuigen worden gedood te Jeruzalem. Dat immers is de stad, waar de Here gekruisigd is, vs. 8. Geestelijk mag het Sodom en Egypte heten, letterlijk is het de stad in Kanašn. Zo blijkt ook hier, dat De Openb. zich om IsraŽl concentreert. Na 3Ĺ dag staan zij op en varen ten hemel, vs. 11, 12. Er komt een grote aardbeving in Jeruzalem, het tiende van de stad valt er door en 7000 namen van mensen, dit is: personen, komen om.

SATANS NEDERWERPING.
Als de Mannelijke zoon wordt weggerukt, met de 2 getuigen, hun leidslieden, letterlijk 2 personen, wordt de Draak uit de hemel geworpen, 12:7. De Draak is de Oude slang. De traditie leert, dat Satan in de hel is, de Schrift zegt dat hij in de hemel is. Over zijn nederwerping is grote vreugde. "Nu is de zaligheid en de kracht en het Koninkrijk geworden onzes Gods en de macht van Zijn Christus, want de verklager onzer broederen die hen verklaagde voor onzen God, dag en nacht, is nedergeworpen, 12:10." En zij (de Mannelijke zoon, de 144000 verzegelden) hebben overwonnen door het bloed des Lams en door het woord van hun getuigenis en zij hebben hun leven (Gr.: hun ziel, hun persoon, zichzelf) niet liefgehad tot de dood toe," 12:11. Zie ook Mt. 16:25. Dit is de 3Ĺ jaar voor de wederkomst. Satan heeft nu nog een kleine tijd, 12:12. Wee der aarde.

VERVOLGING.
Nu komt de vervolging van de Vrouw. Zij moet vluchten naar de woestijn. Hiervan spreekt Mt. 24:20. Dan is de gruwel der verwoesting gesteld, Dan. 9:27; Mt. 24:15. Dit duurt 3Ĺ jaar. Gedurende die tijd wordt IsraŽl in de woestijn onderhouden, 1260 dagen, Op. 12:6. Met het oog op die tijd heeft de Here Jezus bijzonder het Onze Vader gegeven, het gebed om het komende koninkrijk, de bede dat Gods wil geschiede op aarde en het: geef ons heden ons dagelijks brood. In het Gr. staat voor: dagelijks een woord dat maar eenmaal voorkomt en betekent: op-zijnde of op komende d.i. nederdalende, neerkomende brood. Dit is wel licht een vernieuwd nederdalen van manna in de woestijn, waarheen vele getrouwen in IsraŽl moeten vluchten, mogelijk dezelfde woestijn, waardoor Oud IsraŽl getrokken is en Elia heen vluchtte voor Izebel. De Slang tracht het vluchtende IsraŽl door waterstromen te verzwelgen. Dit mislukt door Gods tussenkomst, de aarde verzwelgt de rivier, 12:15, 16.

Nu gaat de Draak heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus (Christus) hebben, 12:17. Dit is wel de grote schaar, Op. 7:9-17 die door de grote verdrukking heen moet. De vervolging bestaat hierin, dat zij niet kunnen kopen of verkopen, omdat zij het merkteken van het Beest niet hebben aan hoofd of rechterhand of het getal zijns naams, 13:16, 17. Vandaar dat ze honger en dorst moeten lijden, dat ze geen schuilplaats hebben en hitte moeten verduren, 7:15, 16.

De grote schaar zijn de overigen van het zaad der Vrouw, dus uit IsraŽl. Zij zijn uit alle natie, geslachten en volken en talen, niet wat afkomst, oorsprong aangaat, maar wat woonplaats betreft, 7:9, want IsraŽl is dan nog niet in zijn land teruggekeerd. Eenmaal zullen zij niet witte kleden voor de troon staan en God en het Lam dienen. Het Lam zal ze weiden als de Grote Herder en God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Op. 7:9-17 is een anticipatie, vooruitgrijping, naar de 1000 jaar, valt dus naar de uitkomst in de toekomende eeuw, de vervolging in het einde van deze eeuw.

Alles in het oog nemende blijkt dus, dat er zeker drie groepen zijn: de Vrouw, mogelijk het reeds teruggekeerde deel in het Land, de 144000 verzegelden en de grote schaar. Alle zijn uit IsraŽl. Zij die zich thans tot de 144000 verzegelden willen rekenen, zullen in dat opzicht beschaamd uitkomen. Hiertoe behoren alleen IsraŽlieten, uit alle geslachten van de kinderen IsraŽls. Waar wij uit de Heidenen zijn, vallen we er buiten, wij zijn van nature niet uit IsraŽl. Tot de 144000 behoren ook geen vrouwen, zij zijn met vrouwen niet bevlekt, het kunnen dus alleen mannen zijn. Men leze wat er staat en neme het steeds, waar mogelijk, letterlijk. Dan komt er klaarheid.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden