Uit IsraŽls Profetie

VII. De Openbaring

2. Het IsraŽlitisch karakter

VERWARRING.
Velen onzer medegelovigen menen, dat de Schrift uitsluitend handelt over de "Kerk". Van Adam tot de Openb. toe is het steeds de Kerk. Vandaar, dat de Openb. opgenomen wordt als de eindstrijd van de Kerk tegen het rijk der duisternis. Voor we daarom De Openb. nader bespreken, willen we: in enige punten het IsraŽlitisch karakter aantonen en praktisch de regel, in Fil. 1:9, 10 gegeven, toepassen: beproeven de dingen die verschillen.

Dat is zeer nodig. Alles toch is de Kerk. De 4 dieren of levende wezens, de 24 ouderlingen, de 144.000, de grote schaar, de Vrouw, de mannelijke zoon, de Bruid, het Nieuw Jeruzalem, de 7 gemeenten, alles is, de Kerk. Dat nu leidt tot allerlei ongerijmdheid, vaak zelfverheffing. Tegenwoordig zijn er groepen, die zich zelf de 144.000 noemen. Vraagt men de leden er van tot welke stam zij behoren, dan blijft het antwoord achterwege of zegt men dat men dit geestelijk moet nemen. Dus zij zijn letterlijk leden van geestelijke stammen!

Bij het onderzoek van De Openb. blijkt uit tal van bijzonderheden waarop men moet letten: het IsraŽlitisch karakter. We noemen enkele punten.

TITELS VAN CHRISTUS.
I. Allereerst zijn daar de titels, die De Openb. aan Christus toekent. Reeds bij Mattheus wezen we er op, dat de titels: Zoon van David, Zoon van Abraham, Hem in verbinding stellen met de vaderen, met IsraŽls beloften. De titels Hem in De Openb. gegeven, leren ons in dezen ook weer veel. We noemen daarvan:

  1. De Zoon des mensen, 1:13.
    Dit is een titel verbonden aan het Heer zijn over de aarde. In Ps. 8 komt deze titel het eerst voor en is er sprake van het met eer en heerlijkheid gekroond zijn en het heersen over de werken van Gods handen, vs. 6. 7. In het N.T. wordt hij 88 maal gebruikt, maar nergens in Paulus' Brieven aan de Voorhuid gericht. Deze titel heeft dan ook niets te maken met de hemelen en het overhemelse, evenmin als b. v. de titel van Prins van Oranje iets te maken heeft met: Stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Alleen in de persoon die zulke titels en ambten draagt, vinden ze een vereniging, maar geen vermenging. De Prins van Oranje was geen Stadhouder van Holland omdat hij prins was, of geen prins omdat hij stadhouder was. Beide waren aparte gebieden. Zo geven Christus' titels aparte sferen aan. Ze zijn alleen alle verenigd in Zijn Persoon. De sferen blijven echter gescheiden. De Zoon des mensen, de Zoon van Abraham en de Zoon van David duiden drie sferen baan, die we wŤl moeten onderscheiden.

    In de Openb. komt de titel Z. d. m. tweemaal voor, n.l. in hfdst. 1:14 en 14:14. Tussen de EvangeliŽn, waarin hij 84 maalvoorkomt en De Openb. komt hij nog voor in Hand. 7:56 en Heb. 2:6, in welk laatste boek hij citaat is van Ps. 8. Samen dus 88 maal. In de EvangeliŽn staat deze titel het eerst in Mt. 8:20: "De Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge." In Op. 1.4:14 zien we dat hoofd gekroond met een gouden kroon. De titel heeft betrekking op Zijn heerschappij over alles op aarde. Tot het geslacht der hemelen (Ef. 3:15) staat Hij in; een andere verhouding. Dan is Hij Zoon Gods of Hoofd boven alle dingen, Rom. 1:1-4, Rom. 8:29, Ef. 1:22, 23. Voor IsraŽl is Hij Zoon van David. Voor dien die wandelen in de voetstappen des geloofs van Abraham is Hij Zoon van Abraham. Anders Zoon des mensen. Deze titel geldt dus bijzonder t.o.v. de onbekeerden. De Zoon des mensen kwam om te zoeken en zalig te maken (te behouden) wat verloren was.

  2. De Almachtige 1.8.
    Deze titel komt 9 maal voor, n.l. 1:8; 4:8; 11:17; 15:3; 16:7, 14; 19:6, 15; 21:22. In het Gr. staat: Pantokratoor, dat is: Een die overal heerst. In de Septuaginta (LXX), de Gr. vertaling van het 0.T., is deze titel de vertaling van Jehovah Zebaoth 1 Sam. 1:3, 4:4 e.a. Jehovah Zebaoth is de Here die voor IsraŽl strijdt. Hij is Dezelfde Die als Jezus vlees geworden is, de Vorst van het heer des hemels, Die Zijn volk in Zijn bezitting stelt of herstelt, Joz. 5:14, 15. De Openb. toont aan, dat Hem alles onderworpen wordt.

  3. De Here God.
    Volgens de betere handschriften komt die titel voor in hfdst. 1:8. In hfdst. 22:6 staat: de Here (de) God... ook in de St. V. Deze titel vinden we voor het eerst in Gen. 2:4. Hij wordt telkens gebruikt tot hfdst. 4:26, waar het gaat over de eerste mens op aarde. De Here God is de God van de verbondsbetrekking. Het woord "God" drukt Zijn macht uit, het woord "Here" Zijn genade.

  4. De Eerste en de Laatste, 1:11, 17; 2:8 en 22:13.
    Nergens komt deze titel voor met betr. tot de "Kerk". We vinden hem in Jes. 41:4 en 44:6 waar de Koning IsraŽls (dat is Christus, Joh. 1:50, 12:13, Mt. 27:42, Mk. 15:32) spreekt en in Jes. 48:12 waar het gaat over Jakob en IsraŽl Als we deze aanwijzing consequent volgen, moet men de titel ook in De Openb. nemen in betrekking tot IsraŽl.

  5. De Overste van de koningen der aarde, 1:5.
    Van Christus geldt mede, dat Hij gemaakt zal worden tot Overste van de koningen der aarde, Ps. 89:28. Hij moet dus Zelf ook Koning zijn op aarde. Hij wordt de Eerste boven de aardse vorsten.

  6. Die komt, Gr.: de Komende.
    Christus heet de Komende in verband met de vervulling van de 0.T. beloften. Zo heet Hij nergens in de Brieven van Paulus. We geven een overzicht van de teksten, waarin de Gr. term: ho erchomenos voorkomt. Mt. 3:11 (die... komt) ; 11:3 (die komen zou ; Gr. de Komende) 21:9 (die komt); 23:39 (die komt); Luk. 7:19, 20 (die komen zou); 19:38 (die daar komt); Jobs. 1:15, 27; 3:31, 31 (die...komt; 6:14 (die komen zou); 11:27 (die komen zou); 12:13 (die komt); Hand. 19:4 (die... kwam); Heb. 10:37 (die te komen staat); Op. 1:4, 8; 4:8 (die komen zal). Zestien maal dus in de EvangeliŽn, drie maal in De Open]). Nergens in de Brieven aan de Voorhuid.

  7. Die leeft 1:18, Gr.: de Luwende.
    Deze titel staat in Dan, 4:34 en 12:7 en 5 maal in De Openb. n.l. 1:18; 4:9, 10; 10:6; 15:7. In Dan. 11:34 is sprake van de Levende in eeuwigheid. St. V. De Eeuwiglevende. Dan. 12:7 en Openb. 16:5, 6 lopen parallel. Alleen is Op. 10 van wijder omvang. Dan. 12 spreekt van: in de aionen, De Openb. van in de aionen der aionen. De visie is dus verbreed. Men ziet, hoe DaniŽl met De Openb. verbonden is.


"KNECHTEN".
II. Nu letten we op de titel van het volk in dit boek. Ze. heten knechten, Gr.: slaven, lijfeigenen. Van de gelovigen aan wie Paulus schrijft, staat dat ze geen knechten meer zijn maar zonen, Gal. 4:7. IsraŽl heet in het 0.T. knechten. Het woord: knecht (Gr. doulos) komt 124 maal in het N.T. voor. 39 maal betekent het gewone slaven, 85 maal knechten Gods. Hiervan staat het 59 maal in de EvangeliŽn en Handelingen en slechts 8 maal in Paulus' Brieven (Rom. 1:1; 1 Cor. 7:22; Gal. 1:10; Ef. 6:6: Fil. 1:1; Col. 4:12; Tit 1:1; 2 Tim. 2:24) en 4 maal in de Algemene Brieven (Jak. 1:1; 1 Petr. 2:16; 2 Petr. 1:1; Jud.:1). Verder 14 maal in De Openb.

In de Brieven zegt het woord, dat men, "zoon" zijnde, kan dienen als een "knecht" en daarom in die zin knecht kan heten. Alle "knechten" zijn evenwel nog geen zonen of kinderen. M.a.w.: een kind kan een knecht genoemd worden wat zijn dienst betreft, maar een knecht geen zoon wat zijn staat betreft. Die door de Geest geleid worden zijn kinderen, Gr.: zonen, zegt Rom. 8:15-17. IsraŽl heet Gods knechten Lev. 25:42.

DE KARAKTERISERING VAN HET BOEK.
III. God zegt in De Openb. welk karakter dit boek heeft.

  1. Het woord Gods 1:2.
    Deze term wordt niet gebruikt om de ganse heilige Schrift mee aan te duiden, maar is vaak een benaming voor een profetische boodschap. Samuel laat Saul Gods woord horen, 1 Sam. 9:27. Het woord Gods kwam tot Semaja, 1 Kon. 12:22. Ook tot Nathan, 1 Kron. 17:3. In De Openb. vinden we de uitdrukking 5 maal, 1:2, 9; 6:9; 19:13; 20:4. Johannes was op het eiland Patmos om het woord Gods en om het getuigenis van Jezus Christus. De traditie wil, dat Johannes daar heen verbannen was onder Domitianus. Dat staat hier evenwel niet. Johannes was daar met het oog op de bekendmaking van het woord Gods, een bijzondere boodschap, niet vanwege de vervolging om het Woord in het algemeen. Als zijn het Woord prediken hem er heen had gevoerd, zou er wel een andere uitdrukking gebruikt zijn. Het "woord Gods" betekent: een profetische boodschap. Alleen in Op. 19:13 betekent het Christus Zelf.

  2. Deze profetie 1:3.
    Zeven maal staat deze term in De Openb.: 1:3; 11:6; 19:10; 22:7, 10, 18, 19. De Openb. is dus profetie, geen geschiedenis. 't Is een profetie met het oog op de dag des Heren, niet op de Kerkgeschiedenis. Van onze bedeling wordt niet geprofeteerd. We zagen reeds, hoe de uitleggers De Openb. gedeeltelijk voor geschiedenis, gedeeltelijk voor profetie houden. Het is voor ons nog geheel profetie, gegeven met het oog op IsraŽl in de toekomst. Niet op die van de "Kerk". De toekomst van de "Kerk" is ons door Paulus beschreven in 2 Tim.

  3. Het getuigenis van Jezus 1:2, 9.
    Dit kan betekenen: de getuigenis van Jezus komende of over Jezus. Genomen in de eerste betekenis, stemt het overeen met het gehele profetische Woord. In De Openb. betekent het de uiting van een getuige, dus: het getuigenis afleggen. Het getuigenis van Jezus is het getuigenis dat Hij op aarde aflegde in de dagen Zijner vernedering. Deze getuigenis had betrekking op Zijn rijk in IsraŽl, op de vervulling van de vaderlijke beloften, Rom. 15:8.


ENKELE ANDERE UITDRUKKINGEN.
IV. We letten ook nog op de volgende uitdrukkingen:

  1. Die ons heeft liefgehad 1:5.
    Zeker, ook andere gelovigen heeft Hij lief, maar van IsraŽl is dat het eerst geschreven, zie Deut. 7:7, 8, Hos. 11:1, 4; Jes. 43:4; Jer. 31:3; Jes. 54:10. Waar De Openb, niet van-de "Kerk" spreekt, is deze uitdrukking hier op IsraŽl toepasselijk.

  2. Koningen en Priesters 1:6
    "Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters, Gode en Zijn Vader", Gr.: tot een koninkrijk en priesters. Zo ook 5:10, waar de tekst ook verbeterd kan worden. De 4 dieren en de 24 ouderlingen zeggen, "... en Gij hebt onzen God gemaakt tot een koninkrijk en priesters." Het woord ons staat niet in de voornaamste handschriften. Men heeft hier met een ellips (uitlating) te doen. De 4 dieren en de 24 ouderlingen zijn niet gemaakt tot koningen en priesters, maar zij zeggen, dat God bereidt (en nu vulle men in: lieden, mensen) tot een koninkrijk en priesters.

    Dit geldt weer IsraŽl. Zie Ex. 19:5, 6. IsraŽl moest een koninklijk priesterdom zijn. De Gemeente die Zijn (Christus') Lichaams is, heeft een veel hogere roeping. Ze is met het Hoofd ver boven alle dingen. In 1 Petr. 2:9 is er ook sprake van dat koninklijk priesterdom. We weten dat Petrus schreef aan de Besnijdenis. De term van Op. 1:6 wijst ook naar IsraŽl heen. IsraŽl wordt Gods priestervolk op aarde.

  3. Zijn Vader 1:6; 14:1.
    Dit is een belangrijke uitdrukking, geheel verschillend van de Paulinische die spreekt van: Onze Vader. Zie Rom. 1:7; 1 Cor. 1:3; 2 Cor. 1:2; Gal. 1:4; Ef. 1:2; Fil. 1:2; 4:20; Col. 1:2; 1 Thess. 1:1, 3; 3:11, 13; 2 Thess. 1:1, 2;2:16; 1 Tim. 1:2; Filemon:3. Het "Zijn Vader" komt nimmer bij Paulus voor, "onze Vader", nimmer in De Openb. (De term: "Onze Vader" in Mt. 6:9 en Luk. 11:2 wordt in de mond gelegd van de discipelen, d.i. van hen die geroepen werden met Christus op tronen te zitten om te oordelen over IsraŽl en die een hoger geestelijke positie in zouden nemen.)

  4. Het scherpe tweesnijdende zwaard 1:16; 2:12, 16; 19:15, 21.
    Ook dit geldt voor IsraŽl, zie Joz. 5:13; het zwaard des Heren dat zal neder komen, Jes. 34:5, 6, waarmee Hij Zijn volk zal rechten, Jes. 66:16, dat uit Zijn mond uitgaat als adem Zijns monds, Jes. 11:4; 2 Thess. 2:8. Dit heeft geen betrekking op onze genadebedeling.

  5. Er zijn nog meer dingen die ons wijzen op IsraŽl. Op. 2:9 en 3:9 zeggen, dat er in die Gemeenten zijn zullen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn. Hieruit blijkt, dat dit geen gemeenten uit de Heidenen zijn, want daar in brengt het Jood zijn geen voorrechten die hier wel aanwezig moeten zijn. Meegedeeld zij, dat we dit gedeelte ontleend hebben aan Dr. Bullinger's unieke werk over The Apocalypse (Die Apocalypse). Dit is de enige verklaring die De Openb. geheel toekomstig stelt. We bevelen dit werk (Engels of Duits) zeer aan.


TE BESPREKEN PUNTEN VAN DE OPENBARING.
Hfdst. 7 spreekt van de 144.000 verzegelden uit al de geslachten van de kinderen IsraŽls. Wij nemen Ťn die getallen Ťn die term letterlijk. Waarom daar iets anders van te maken dan God zegt. Uit de kinderen IsraŽls worden er 144.000 verzegeld, apart gesteld. Dat geschiedt voor het zegel Gods, het 7e zegel, geopend wordt. Uit de term: kinderen IsraŽls volgt, dat de lijn met IsraŽl weer is aangeknoopt. Deze benaming komt het eerst voor in Gen. 32:32 waar duidelijk sprake is van het letterlijke volk IsraŽl. Zie verder Gen. 36:31, Ex. 1:7, 9 enz. Voor het N.T. zie men hoofdstuk I. Voor: "geslachten van de kinderen IsraŽls" en "geslachten IsraŽls" zie men o.a. Richt. 3:2, Jer. 31:1, Mt. 19:28, Luk. 22:30. Hoe de lijn weer aangeknoopt wordt, beschrijft De Openb. niet. Die aanknoping moet evenwel geschieden voor de dag des Heren komt. IsraŽl wordt weer gezien als een volkseenheid.

Wat de inhoud betreft, gaat aan de inleiding van de dag des Heren, beschreven in hfdst. 6, 8 en 9 en 16-20 vooraf de vooravond van hfdst. 2 en 3. AIs uiterste beginpunt kan hfdst. 12:1 genomen worden, de Vrouw, IsraŽl, wordt gezien. De 7 gemeenten zijn er ook reeds voor de dag des Heren, zij ontstaan niet in die dag.

Ons onderzoek van de Openbaring zal zich langs enkele lijnen moeten bewegen. Achtereenvolgens zullen we in het kort stilstaan bij:

  1. Op. 1 De inleiding van het Boek.
  2. Op. 2-3 en 12 Het volk Gods,, IsraŽl, op aarde.
  3. Op. 13-17 Het wereldrijk van het Beest.
  4. Op. 18 Babylon.
  5. Op. 6, 7-9, 16-17 De inleiding van de dag des Heren.
  6. Op. 19-20 's Heren wederkomst. Het Koninkrijk der hemelen opgericht. De 1000 jaar en daarna.
  7. Op. 21, 22 Het overige deel en het slot.

Men houde wel in het oog, dat De Openbaring over IsraŽl handelt en dat we er niet toe en niet af mogen doen door vergeestelijking of verandering van de termen. Men trachtte de lijnen te zien. Het volk IsraŽl wordt gezien met betrekking tot het wereldrijk. Dat volk splitst zich in twee stromingen, het kleine stroompje van het gelovig deel dat vasthoudt aan Gods beloften en waaruit de overwinnaars voortkomen en de brede stroom van het ongelovig deel dat als Hoer in Babel zetelt. Het gelovig deel wordt vervolgd door de Draak en het Beest, de Koning van het vierde wereldrijk, het andere overgrote deel heult met het wereldrijk, doch wordt om zijn economische machtspositie door de politieke macht van het vierde rijk gehaat en eenmaal ten onder gebracht.

  • In punt 1 nu handelen we over de inleiding tot De Openb.,
  • in punt 2 over IsraŽl Gods volk op aarde,
  • in punt 3 over het wereldrijk in zijn uiteindelijke macht,
  • in punt 4 over Gods oordelen tegen die wereldmacht en het afvallig IsraŽl,
  • in punt 5 over Babylon en zijn val,
  • in punt 6 over 's Heren wederkomst en de oprichting van het Koninkrijk en
  • in punt 7 over wat nog volgt en overgelaten is.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden