Uit IsraŽls Profetie

VII. De Openbaring

1. De Dag des Heren

TERUGBLIK.
Het resultaat van ons onderzoek tot dusver is dit: Zal men Gods Woord in zijn kracht laten staan, dan eist de consequentie, dat men de profetie niet vergeestelijkt, niet laat opgaan in een vage neveligheid, maar die welke nog niet regel vervuld is, stelt als nog in de toekomst vervuld moetende worden. M.a.w. men neme een profetische tussenruimte aan. Daarbij is het mogelijk, dat het ene gedeelte vaak eeuwen voor het andere vervuld wordt, doch beide in reŽle zin.

Van DaniŽl is het grootste gedeelte nog niet vervuld. Zelfs DaniŽl 2 nog niet. Het vijfde rijk, dat waarin tien koningen optreden, is er nog nimmer geweest. We leven dus in een ruimte tussen het vierde en vijfde rijk, in een "profetisch ledig", dat nochtans gevuld is door een bijzondere sfeer. IsraŽl is wel verworpen, maar zal weer aangenomen worden. Al wat zich om IsraŽl beweegt, is mede in zijn werking en doorwerking gestuit. Zo ook Nebukadnezars droom. Als gevolg daarvan is ook DaniŽl 7 en zijn verdere profetieŽn voor IsraŽl nog onvervuld.

Wie de Openbaring verklaren wil, moet dit doen in verband met en als vervolg op DaniŽl. Immers De Openb. spreekt van het vierde dier, dat eerst in Den. 7 uit de zee oprijst. Waar zoo goed als geen enkele uitlegging let op het verschil tussen Dan. 2 en 7 en voor De Openb. DaniŽl verklaart, is het niet te verwachten, dat men een ineensluitend geheel verkrijgt. Daarmee blijft er ruimte voor allerlei speculatieve (uit eigen brein opkomende) verklaring.

Hoewel niet dan in grote trekken, wezen we toch op de bijzondere tussenbedeling waarin we nu leven. Wie deze ziet, heeft te minder moeite met de oplossing van het probleem van De Openb. en met dat van het N. T. in het algemeen. We gaven dat reeds aan. Hier zij er nogmaals op gewezen, dat na de bedeling der verborgenheid, ja wellicht reeds als zij ten einde gaat lopen, een aanknoping met IsraŽl zal plaats hebben, die, beginnend met de Brief van Jakobus en Judas: Aan de 12 stammen in de VerstrooiÔng, nader doorwerkend tot de Petrus-Brieven, waarin de hitte van de vervolging reeds voelbaar is, ons tevens toestanden latende zien als ons in 1-3 Joh. getekend worden n.l. de "laatste ure" met zijn verschijnende Antichristus, in De Openb. zijn toespitsing vindt. Daaruit volgt dan, dat De Openb. Ťn toekomstig Ťn voor IsraŽl is. Hetgeen nader bewezen kan worden.

ANDERE OPVATTINGEN.
Te allen tijde is De Openb. een moeilijk boek geweest. Luther hield het boek zelfs "noch voor apostolisch noch voor profetisch". Hij vond er een vreemde geest in. Geen enkel profeet in 0. en N.T. ging volgens hem zo met visioenen om als dit boek. En men moest klaar getuigenis geven van Christus en Zijn werk. Luther achtte dit boek niet geschreven voor de N.T. gemeente. Hij vond het zo duister dat het voor hem op hetzelfde neerkwam alsof hij het niet bezat. Hij kon het niet hoogschatten. Christus werd er niet in geleerd. Zwingli's oordeel was nog sterker: "Uit De Openbaring nemen wij geen gegevens aan, want het is geen Bijbels boek." ó Calvijn heeft op dit boek geen commentaar gegeven.

De opvattingen over en om Op. 20 concentreerden zich meestal om en over "het 1000 jarig rijk". Met een vreemd woord heet dit: het millennium. Ook thans doen zij dit nog in hoofdzaak. Volgens Rome is het 1000 jarig Rijk reeds voorbij, het liep van Ī 300-1300. Volgens Augustinus begon het met de eerste komst van Christus. 1000 is dan een zinnebeeldig getal. Volgens de Reformatie leven we er nog in. Zij volgt hierin dus Augustinus. Men neemt daarbij 1000 op als een bepaald getal om een lang tijdperk aan te geven beginnend met de hemelvaart van Christus en eindigend bij Zijn wederkomst. En zo zijn er meerdere opvattingen. We noemen die verder niet. Alle komen daarop neer, dat we in de 1000 jaar leven of er zelfs al voorbij zijn. Satan is gebonden opdat hij de Vůlken niet meer zou verleiden (hij is vrij om de personen te verleiden !) of hij is zelfs reeds ontbonden, b.v. in de Franse revolutie.

Andere nieuw opkomende groepen gaan niet zo ver. Het Adventisme ziet het 1000 jarig Rijk toekomstig. Voor het Russellisme is het feitelijk reeds begonnen, alhoewel het spreekt van de 144.000 verzegelden, die thans nog verzegeld worden. Het neemt dus aan dat we ongeveer in Op. 7 leven. Het Darbisme gaat wat verder terug en meent dat we in de Laodicea tijd leven. Het houdt Op. 4-22 nog voor toekomstig.

De groepen ondervragend blijkt dus, dat ze verschillen in het antwoord op de vraag waar we thans in De Openb. zijn. De een is Op. 20 al voorbij, de ander er in, de derde staat in Op. 14, een vierde ongeveer in Op. 7 (de verzegeling van de 144.000), een vijfde bij Op. 3 Enz. Dit is één van de medebewijzen dat we niťt in De Openb. staan, want als allen er over verschillen, terwijl het boek zelf zo'n krachtig geluid laat horen, blijkt daaruit, dat men het geluid niet waarneemt omdat het er niet is. Niemand kan precies zeggen, tot hoever thans De Openb. vervuld is. Men zoekt allerlei feiten naar voren te brengen die bewijzen heten voor zijn stelling (tekenen der tijden), maar geen is afdoend. Allen vergeten DaniŽl 2. "Doch in de dagen van die koningen, n.l. van de 10 in de tenen getekend, zal de God des hemels een koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden en dat koninkrijk zal geen ander volk overgelaten worden; het zal al diť koninkrijken (n.l. de opeenvolgende wereldrijken) vermalen en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid (in de aionen) bestaan." In Op. 11:15 zien we de aankondiging van de oprichting: In de 7e bazuin wordt het koninkrijk (niet: de koninkrijken) onzes Heren en van Zijn Christus en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid (in de aionen der aionen). Leven we thans al in de dagen van die koningen? Men wijze die dan aan.

DE OPENBARING EEN PROFETIE.
De Openbaring is niet de openbaringen van Johannes, maar de openbaring van Jezus Christus. 't Is de openbaring Hem gegeven. Christus Zelf heeft haar van God ontvangen en aan Johannes doen te kennen geven, 1:1. 't Is de ontvouwing van Zijn komst, van het voor de wereld openbaar worden. Waar Christus thans verborgen is in God, wacht De Openbaring nog op z'n vervulling. De Openbaring heeft Christus tot object, ze werd Hem gegeven, en tot subject, Hij wordt er in gezien als Zich openbarende. De vervulling kan dus eerst komen als Christus gaat uittreden uit de verborgenheid Gods. Col. 3:3 staat lijnrecht tegenover Op .1:1. Waar eerst de Gemeente met Hem in God verborgen moet zijn, kan De Openbaring van Jezus Christus niet plaats hebben voor dat het verborgen zijn in God geŽindigd is, dat is: voor er geen Leden van Zijn Lichaam meer op aarde zijn. Die Leden komen evenwel niet door de opname tot Hem, ze zijn er dan reeds. De Openbaring heet terecht een profetie: "Zalig (gelukkig) is hij die leest en zijn zij die horen de woorden van deze profetie," 1:3. Ze wordt eerst vervuld als de Here opstaat uit Zijns Vaders troon om plaats te gaan nemen op Zijn troon. Dat is in het kort samengevat de Openbaring van Christus. De tonelen en toestanden voor en na die tijd nu worden ons in De Openbaring getekend.

UITWERKING VAN HET O.T.
De Openb. is althans ten dele de uitwerking van de 0.T. dag des Heren, de, toekomstige oordeelsdag. Hiermee wordt een tweede schakel met het O.T. gelegd. Johannes was in die dag verplaatst. Toen hij die dag zag, was hij nog geen werkelijkheid. Op. 1:10 zegt dan ook: "Ik was in den geest in (niet op) den dag des Heren." Het woord door "op" vertaald is in hetzelfde vers door "in" vertaald: in de geest en in vs 9 ook, in de verdrukking. Juist omdat hij "in den geest" in die dag was, was die dag er niet, want als men in zijn geest uitziet naar een dag, is die dag toekomstig.

Paulus heeft aangegeven wanneer die dag komt. Die, n.l. de dag des Heren (niet van Christus volgens betere handschriften) komt niet, tenzij de afval gekomen zij en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs, 2 Thess. 2:2. Deze zal in de tempel Gods zitten. Is dit al geschied? Velen menen van ja. Maleachi geeft ons echter een tweede kenmerk aan voor die dag, dat die mening teniet doet. In hfdst. 4:5 en 6 lezen we: "Zie Ik zend u den profeet Elia eer die grote en vreselijke dag des Heren komen zal." Is Elia reeds gekomen? Zo ja, wanneer? We weten wel, dat het Russellisme daar een klasse, een groep van maakt. Maar wij kunnen in de Schrift niet vinden, dat de Elia van het O.T. een groep was. Evenmin als op de berg van de verheerlijking de Elia groep was. De Schrift zegt, dat de profeet Elia, niet de Elia klŗsse, komen zal. Indien de Russellistengroep die klasse is, laat men dan ook Elia-tekenen doen. IsraŽl wist van zo'n klasse niets en God heeft gezorgd, dat we ons niet konden vergissen door de bijvoeging: de profŤŤt. IsraŽl kende alleen de profeet Elia van Achabs dagen. Zolang dus noch de Antichristus in de tempel Gods zit, noch Elia verschenen is, is de dag des Heren niet tegenwoordig en is derhalve De Openb. onvervuld, althans in zijn oordelen en gevolgen.

WAT IS DE DAG DES HereN.
Voor we verder gaan, is het gewenst nog wat nader inzicht te verkrijgen in wat de dag des Heren is. Waar we de Schrift met Schrift verklaren willen, moeten we in Gods Woord nagaan, wat de, dag des Heren is.

NIET DE SABBAT OF DE ZONDAG.
De dag des Heren is niet de sabbat, noch de Zondag. Niet de 0ud Testamentische sabbat. Dat maakt het Adventisme er van. Zonder enig Schriftbewijs. Niet de Zondag. Dat maakt de Christenheid ervan. Evenzo zonder enig Schriftbewijs. Beide worden voldoende weerlegd door 2 Petr. 3:10. Daar zegt Petrus, dat de dag des Heren komen zal als een dief. Dan zullen de hemelen met een gedruis voorbijgaan en de elementen branden en vergaan (oplossen). Als de sabbat de dag des Heren was, hoe kon Petrus dan zeggen dat die dag komen zŗl. Die was er toen immers al lang. En hoe kon Paulus beweren, dat eerst de Antichristus moet komen. En hoe kon Maleachi dan profeteren, dat eerst Elia moet komen. Geschiedt dit voor elke sabbat? Dezelfde redenering geldt t.o.v. de Zondag.

Waar dit nog bij komt. De Christenheid beweert, dat de Zondag de dag des Heren is en dat die dag er reeds is vanaf de apostolische tijden. Maar hoe kan Petrus dan meer dan 30-40 jaar na de opstanding zeggen, dat die dag komen zŗl. Wanneer werd hij dan ingesteld. Voorspelde Petrus dat? Zag hij daarbij op de vaststelling van die dag (niet de invoering) door Constantijn in 321? Dat kan niet, want hij zegt wat voor karakter die dag zal hebben. Men ziet hoe we onder de macht van de traditie zitten. Deze zegt, dat het de Zondag is, de Schrift dat het de oordeelsdag is. Dat blijkt duidelijk uit 2 Petr. 3:10. Van die dag nu is De Openb. de nadere ontvouwing.

DE ZONDAG.
Mogelijk vraagt deze of gene lezer, waar de Zondag vandaan gekomen is. De Zondag is een heidense dag, gewijd aan "Heer" Zon. Hoe de Christenheid die overgenomen heeft, ligt nog in het duister, al heeft het onderzoek van geleerden aangetoond, dat het Christendom reeds aan het einde van de eerste eeuw onzer jaartelling verhelleniseerd, d.i. vergriekst, was. Of we dan sabbattisten zijn of willen worden? Dat zijn we niet en kunnen we niet zijn op grond van Rom. 14:5. We achten alle dagen gelijk. We geven enerzijds toe, dat men de sabbat waarop de Here is opgestaan omgezet heeft in een Zondag ontleend aan het Heidendom, aan "Heer" Zon, een van de vereerde heren van 1 Cor. 8:6 en dat men die dag, de dag van "Heer" Zon de dag des Heren is gaan noemen, wat wijst op een aanpassing aan de heidense tijden, mogelijk om vervolging te ontgaan, maar anderzijds dat we daarom niet de sabbat in ere willen herstellen want die is het gevolg van het nederwerping van de schepping en kan niet tot doel gesteld worden voor de gelovigen die tot de nieuwe schepping behoren. Reeds in Paulus' dagen werden er ketterijen ingevoerd en de zuivere waarheid vervalst. Waar en wanneer de overgang heeft plaats gehad is nog onopgelost.

'S HereN DAG.
Een ander bezwaar dat ingebracht kan worden, moet ook weerlegd worden. Een groep gelovigen beweert, dat Johannes De Openb. ontvangen heeft op een Zondag, omdat er een woord staat dat nog eenmaal voorkomt, n. 1. in 1 Cor. 11:20: "Dat is niet des Heren avondmaal eten." Ziet ge, zegt men, des Heren maal is het de Here toegewijde maal. Nu is dit op zichzelf al onjuist. Dat maal at men zelf, het was geen maal dat men apart zette voor Hem. Die bewering gaat dus niet op. Hierbij komt nog iets. In 1 Cor. 4:3 staat: "... dat ik van ulieden geoordeeld wordt of van een menselijk oordeel." In het Gr staat: of van een menselijke dag. Hier hebben we een zelfde soort woord. De dag des Heren in Op. 1:10 is de Heer-lijke dag. De dag des mensen in 1 Cor.4:3 is de menselijke dag. Wil dit nu zeggen, dat dit een dag is aan de mens gewijd. Zo ja welke dag van de week is dat dan. Of is het de dag waarin de mens zijn gang mag gaan. Zo heet nu in tegenstelling daarvan de dag waarin de Here alleen groot zal zijn, de Heerlijke dag. Het maal des Heren is niet het maal dat Hem toegewijd wordt, maar het maal door Hem ingesteld, van Zijnentwege verordend. "Tot Zijn gedachtenis". De Heerlijke dag is niet de dag voor Hem af te zonderen, maar die Hij voor Zichzelf afzondert. Men keert bij de Darbistische beschouwing dus de dingen om. Niet wij zonderen die dag af om die Hem toe te wijden, Hij zondert voor Zichzelf die dag af, behoudt Zich die Zelf voor. De dag des Heren is niet de dag Zijner rust, maar de dag waarin Hij gaat werken, waarin Hij opstaat om Zich groot te maken.

DE DAG DES HereN DE OORDEELSDAG.
De term: dag des Heren komt 23 maal voor in de Schriften (*) en wel in tweeŽrlei vorm, n.l. als dag des Heren en als dag voor de Here. (*  De Companion Bible geeft 24 maal op. Hij rekent dan ook mee Zach. 14:7 : "een dag die den Here bekend zal zijn;". Deze tekst slaat allereerst op de dag waarop de Here wederkeert, zie vs. 5 en 6, en verder op de tijd daarna, zie vs. 8 en 9.)

Hier volgt een overzicht van die term. Daaruit blijkt, dat hij een oordeelsdag is voor de volgende sferen.

Juda
Israël
Babel
De Heidenen
De wereld
Jes. 2:12 Ez. 13:5 Jes. 13:6,9 Ez. 30:3 1 Thess. 5:2
Joël 1:15 Am. 5:18,18,20   Ob. :15 2 Thess. 2:2
Joël 2:1, 11 Mal. 4:5   Jer. 46:10 2 Petr. 3:10
Joël 3:14       Op. 1:10
Zef. 1:7,14,14        
Zach. 14:1        

Deze indeling is een enigszins willekeurige. Toch hielden we ons zo nauw mogelijk aan het verband. In 5 van de teksten staat: dag voor de Here, n.l. Jes. 2:12; Jer. 46:10; Ez. 30:3; Zach. 14:1 en wil men, ook in Op. 1:10.

"De dag des Heren der heerscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge en tegen alle verhevene, opdat hij vernederd worde. De hoogheid des mensen zal gebogen, de hoogmoed der mannen vernederd worden en de Here alleen zal te dien dage verheven zijn, Jes. 2:12, 17. Men leze ook vs. 13-16. Dan zal men gaan in de spelonken van de steenrotsen en in de holen van de aarde vanwege den schrik des Heren en vanwege de heerlijkheid Zijner Majesteit wanneer Hij 'Zich opmaken zal om de aarde te verschrikken, 2:19. Die dag zal ook zijn als een verwoesting van den Almachtige, 13:6, Zef. 1:14 ,15. De zondaars worden dan uit het land uitgeroeid, 13:9. De boosheid van de wereld wordt bezocht, 13:11. Babel zal dan omgekeerd worden als Sodom en Gomorra, 13:19. Waartoe? Omdat de Here Zich over Jakob zal ontfermen en IsraŽl nog zal verkiezen, 14:1. Men leze die hoofdstukken. Dan zal het der Heidenen tijd zijn, Ez. 30:3, Ob.:16.

Het zal een dag zijn van duisternis en van donkerheid, Am. 5:18, 20. De mensen zullen bang zijn, hun bloed zal vergoten worden als stof en hun vlees zal worden als drek, Zef. 1:14-18, Alle Heidenen zullen dan tegen Jeruzalem ten strijde verzameld worden. De Here zal echter uittrekken en strijden. Zijn voeten zullen op de Olijfberg staan. Dan zal het tevens een enige dag zijn, noch dag noch nacht. Men leze Zach. 14 om het eindpunt van die dag te zien beschreven. Vooraf komt Elia de Profeet, Mal. 4:5. Is het wonder dat Paulus die dag toekomstig stelt, wijl er in zijn dagen nog veel onvervuld was, dat Petrus zegt dat hij komen zŗl. In De Openb. worden de O.T. profetieŽn er over nader aangevuld. Dit Boek beschrijft ons die dag uitvoerig.

DE OPENBARING GEHEEL TOEKOMSTIG.
Als we zo ŗlle gegevens van de Schriften bijeen vergaderen, ons niet laten meevoeren door de traditie dat de Sabbat of de Zondag de dag des Heren is, vasthouden dat eerst de Antichristus in de Tempel Gods moet zitten, 2 Thess. 2, dat eerst Elia moet komen, dat het een vreselijke dag zal zijn, wie kan ons dan verder verleiden om te menen, dat die dag al begonnen is. En is die dag nog niet begonnen, dan is De Openbaring nog toekomstig, want dat is de beschrijving van die dag en de inleiding er van.

Velen menen, dat we echter reeds tot Openb. 3, de Laodicea gemeente gekomen zijn en in die tijd zeven. Ook wij waren die mening eertijds toegedaan. We moeten die geheel terug nemen. We hebben leren inzien, dat De Openb. niet handelt over de Chr. Kerk, niet voor een deel Kerkhistorie is, maar zich geheel om IsraŽl beweegt. Daarom past ze in dit werk.

Dat de Openb. IsraŽÔ tot centrum heeft, volgt reeds uit wat we opmerkten over de O.T. openbaringen aangaande de dag des Heren. Deze betrof allereerst IsraŽl. Het volgt verder uit de inhoud van De Openb., wat nader blijken zal. Het blijkt tevens uit de vele Hebraismen, d.i. uitdrukkingen eigen aan de Hebr. taal, die wel in het Grieks vertaald zijn, maar niettemin hun Hebr. karakter behouden. Verder uit de O.T. citaten. In Mt. komen 92 O.T. passages voor, in HebreeŽn 102, in De Op. 285, dus 3 maal zoveel als in Mt. en bijna 3 maal zoveel als in Hebr.

Dat ook de 7 brieven aan de Gemeenten niet bedoeld zijn voor de Chr. Kerk, blijkt uit de beloften die gegeven worden. Het zijn alle aardse beloften. Het eten van de boom des levens, 2:7, het niet beschadigd worden van de tweede dood, 2:11, het eten van het manna dat verborgen is en het macht hebben over de Heidenen, 2:26, het wandelen in witte kleederen, 3:5, het bewaard worden uit de ure der verzoeking en het stellen tot een pilaar in de tempel Zijns Gods, 3:10, 12, het zitten in Zijn troon, 3:21, zijn gans andere dingen dan het met Christus ver boven alles gezet worden in het overhemelse of ook zelfs een woning te hebben in het Vaderhuis. Het is een opklimmende reeks. Zij die Leden Zijns Lichaams zijn, hebben al die dingen in Hem, het Hoofd. Zeker, er is uit deze Brieven veel lering te trekken en geestelijke toepassing te maken. Zij zijn ongetwijfeld ook typen voor anderen die in soortgelijke geestesgesteldheid zijn, maar de sfŤŤr waarin ze staan is een geheel andere dan die waarin we nu nog zijn.

DE KERN VAN DE OPENBARING.
Waar De Openb. ons bijzonder de dag des oordeels schetst, moet de kern van De Openb. liggen in de zegelen, bazuinen en fiolen (schalen). We moeten die als ťťn aaneengesloten op elkaar volgend geheel leren zien en al het andere daarnaar schikken. Dan vervalt daarmee veel van het dogmatiekapocalijptische, dat De Openb. als filmreeksen wil zien. Wel is er telkens een teruglopen naar een vroeger tijdstip, maar waar de Openbaring nog moet beginnen, is dit geen tijdstip in de Kerkhistorie. We zullen daarom De Openb. trachten te rangschikken om de 3 punten van zegel, bazuin en schaal en daarmee tevens inzicht verkrijgen in de dag des Heren en zijn inleiding. We geven toe, dat we in onderdelen verkeerd kunnen rangschikken en laten gaarne aan de lezers nader onderzoek over.

De kern van De Openb. is dan hfdst. 6, 8 en 9 en 16-18. Dat die onderbroken worden door andere taferelen, geschiedt uit drieŽrlei hoofde. Vooreerst ter wille der levendigheid. Gods Woord is geen geschiedenisboek dat de feiten in tijdsorde verhaalt. Het groepeert niet naar tijdsorde, maar naar het de Geest goeddunkt. De tweede reden om De Openb. zo te geven als ze gegeven is, is dat het Gods eer is een zaak te verbergen, Spr. 25:2. Hij wil ons tot onderzoek aansporen en de eer geven koning te zijn als we die kunnen oplossen. Hij verwijst door het een naar het ander. Dit geeft aan de Schrift die frisheid en nieuwheid die steeds weer treft. De derde reden is, dat deze vorm en ook het in beelden spreken nodig is met het oog op de eindtijd. De gelovigen van die tijd zullen de dingen kunnen verstaan, voor de anderen zal de symbolieke taal een belemmering zijn.

MT. 24 EN DE OP.
In hfdst. 6 worden de 6 zegelen beschreven. Zij zijn de inleiding tot de dag des Heren. Voorlopig dit er van. De 4 paarden zijn symbolen, geen letterlijke paarden. Wat ze uitbeelden is iets letterlijks. Het eerste paard is de reeks antichristussen. Niet de evangelieverbreiding. Die benut geen pijl en boog. Zie wat Mt. 24:4, 5 zegt. De 3 volgende paarden stellen ons de oorlogen, de hongersnoden en de gevolgen van beide, de pestilentiŽn, ziekten enz. voor. In het 5e zegel zien we de vervolging van de heiligen, in het zesde het bewogen worden van de krachten van de hemelen. Zo is dit hoofdstuk uitwerking van Mt, 24. Aldus:

Mt.
Op.
   
24:4,5 6;1,2 1e zegel Valse christussen en valse profeten
24:6,7 6:3,4 2e zegel Oorlog.
24:7 6:5,6 3e zegel Hongersnood.
24:7 6:7,8 4e zegel Pestilentie.
24:8-10 6:9-11 5e zegel Vervolging.
24:29 6:12-17 6e zegel Hemeltekenen. Vrees.

Met de verbreking van de zegelen begint de inleiding tot de dag des Heren. Ze volgen op elkaar en vloeien voor een groot deel uit elkaar voort. Voor de opening van het 7e zegel is er een half uur stilzwijgen in de hemel. Daarna volgen de bazuinen. Die bazuinen vůrmen samen het 7e zegel.

HET 7e ZEGEL.
Het 7e zegel valt dus uiteen in de 7 bazuinen. Deze worden beschreven in hfdst. 8 en 9. De 5e bazuin is het eerste wee, de 6e het tweede, de 7e dus het derde. De oordelen worden dus zwaarder en scherper. De 7e bazuin valt weer uiteen: in 7 fiolen of beter vertaald: schalen. Deze worden beschreven in hfdst. 16-18. Bij de 7e fiool valt Babylon en verschijnt Christus om te strijden tegen de verzamelde legers die IsraŽls land overstroomd hebben. We hebben dus dit:

De zegelen
     
1e Op. 6:1,2
Inleiding

tot

de dag des Heren.
2e 6:3,4
3e 6:5,6
4e 6:7,8
5e 6:9-11
6e 6:12-17
Stilzwijgen van 1/2 uur
   
7e
De bazuinen
   
Het


z
e
v
e
n
d
e


zegel
1e Op. 8:6,7
Grote

dag

des

Heren.
2e 8:8,9
3e 8:10,11
4e 8:12,13
5e 9:1-12
1ste wee.
6e 9:13-21
2e wee.
7e 11:15-19
3e wee.
De

z
e
v
e
n
d
e

bazuin
De Schalen
 
1e Op. 16:1,2
Grote
en
vreselijke
dag
des
Heren.
2e 16:3
3e 16:4-7
4e 16:8,9
5e 16:10,11
6e 16:12-14
7e 16:17 - 19:21





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden