Uit IsraŽls Profetie

V. Israël in de Evangeliën

9. De Profetische Rede - Matth. 24-25

MT. 24.
In Mt. 24 (en 25) zien we Christus bijzonder als de Profeet optreden Die het lot van Zijn volk voorspelt. Laat ons dat nagaan. We geven daartoe eerst de volgende strukturen:

A1 24:1 Plaats: Vertrek uit de Tempel.

B1 24:1 Discipelen tonen Hem wat.

C1 24:2 Profetie. Algemene: Geen steen op de andere gelaten.

A2 24:3 Plaats: Aankomst op de Olijfberg.

B2 24:3 Discipelen vragen Hem wat.

C2 24:4-25:26 Profetie. Bijzondere.


Vers 3 bevat drie vragen:

  1. Wanneer zullen deze dingen zijn.
  2. Welk is het teken van Uw parousia (toekomst).
  3. Welk is het teken van de voleinding van de aioon.


Men weet dat de St. V. hier heeft staan: Voleinding der wereld, Dit is zeer te betreuren. Men heeft daarin de mening neergelegd, dat de wereld vergaan zal bij Christus' wederkomst. De St. V. zegt dit wel niet, maar heeft dat toch in de hand gewerkt. In het Gr. staat: sunteleia tou aioonos, sameneinding van de aioon. Deze term vonden we reeds 3 maal in Mt. 13, n.l. vs. 39, 40, 49, waar ze slechts eenmaal wat juister, maar nog niet precies vertaald is, n.l. vs. 49: voleinding der eeuwen. Dit moest dan zijn geweest: voleinding der eeuw. In Mt. 24 vragen de discipelen nader naar die voleinding waar de Here met hen over gesproken heeft in Mt. 13 en zeker wel bij andere ons niet verhaalde gelegenheden. Die uitdrukking: sunteleia tou aioonos komt uitsluitend in Mattheus voor, n.l. 13:39, 40, 49; 24:3 en 28:20.

Op de drie gedane vragen volgt het antwoord in Mt. 24 en 25. De eerste wordt beantwoord in Mt. 24:4-6, de tweede in 24:7-28, de derde in 24:29-25:46. Men ziet hoe onjuist de indeling in hoofdstukken is. Ze is dan ook mensenwerk en nog wel onoordeelkundig en oppervlakkig. Vaak is dit een belemmering voor het verkrijgen van beter Schriftinzicht.

EERSTE VRAAG.
De eerste vraag is: Wanneer zullen deze dingen zijn. Het antwoord daarop vindt men in vs. 4-6.

D1 4 Waarschuwing. Het begin: Als men begint te verleiden.

E1 5 Vele antichristussen.

E2 6 Geruchten van oorlogen.

D2 6 Waarschuwing: Nog het einde niet.


Zie ook Mk. 13:5-7 en Luk. 21:8, 9. De tekst is eenvoudig. Men lette op het woord einde, Gr.: telos. Dit is een ander woord dan voleinding, sunteleia. Dit betekent: samenvinding, samen-lopingstijd, telos eindpunt. Zoals bij een eindstation vele spoorwegen samen kunnen lopen al een heel eind vůůr dat station en zich dan over een baan voortzetten, zo zullen bij de voleinding van deze aioon (eeuw) de grote lijnen convergeren en zich naar elkaar toebuigen om in een punt te eindigen. Hierbij zijn dan drie hoofdlijnen te onderscheiden: Jood, Heiden en Gemeente Gods, 1 Cor. 10:32. (Men verwarre deze gemeente niet met de Gemeente die Zijn Lichaam is, deze is dan reeds bij Christus). De eerste twee convergeren en concentreren zich in Beest en Valse Profeet. De vele voorlopers van de politieke en godsdienstige Antichristus zullen een teken zijn, dat de aioon zich gaat afsluiten.

TWEEDE VRAAG.
De tweede vraag is: Welk zal het teken zijn van Uw toekomst. Het antwoord daarop vindt men in vs. 7-28.

F1 7, 8 Verdrukking. Beginsel der smarten. Eerste teken.

G1 9-14 Eerste Verdrukking. Algemeen.

G2 15-20 Het tweede teken.

F2 21-28 De grote verdrukking.

Als we lid G1 ontleden, krijgen we:

G1 a1 9 Verkondiging van het Ev. des Kon.

b1 10 Gevolg: GeŽrgerd.

c1 11- Valse profeten staan op.

c2 -11 Valse profeten verleiden.

b1 12 Gevolg: Verkoeling.

      a1 13, 14 Belofte: Het Ev. des Kon.


Vs. 7. Volk zal tegen volk opstaan. Hiermee wordt bedoeld: Heidenvolk tegen heidenvolk, dus de volken buiten IsraŽl. Men lette er op, dat dit gezegd wordt vanuit IsraŽl bezien. Er zullen verder zijn hongersnoden, pestilentiŽn en aardbevingen in verscheidene plaatsen zegt de St. V. of volgens het Gr.: streeksgewijs.

Vs. 8 Beginsel der smarten d.i. begin van de geboorteweeŽn (van het Kon.).

Vs. 9 Gehaat van alle volken. Dit is een universeel (algemeen) antisemitisme (jodenhaat); opkomend uit Godshaat.

Vs. 11 Valse profeten zien we alleen bij IsraŽl optreden tegenover de ware profeten. Waar aan IsraŽl Gods woorden zijn toebetrouwd, geeft Satan ook aan IsraŽl de karikatuur ervan door valse profeten. We staan ook hier op IsraŽlietisch terrein.

Vs. 13 Ongerechtigheid, d.i. wetteloosheid, In 2 Thess 2 heet de politieke Antichristus de zoon der ongerechtigheid, d.i. wetteloosheid. Hij kan dus eerst optreden als de wetteloosheid toeneemt. Op alle gebied. Zeer bijzonder onder IsraŽl.

Vs. 14. Het Ev. des Kon. moet eerst gepredikt, geproklameerd,worden aan alle (heiden) volken tot getuigenis. We weten wat het Kon. is. In de eindtijd zal aan de volken gepredikt worden, dat God een Kon. op zal richten over die volken en dat Christus Koning zal zijn. IsraŽls geloovigen zullen spreken van het komende koninkrijk en het aankondigen. Het Ev. des Kon. zal mede inhouden, dat de Koning komende is, Die recht heeft op de Davidische troon en op de wereldheerschappij. Dit is geen Ev. der genade zoals we nu kennen, het is het Ev. van de oprichting van een politiek, nationaal, aards rijk waarin gerechtigheid en oordeel is.

DE GRUWEL DER VERWOESTING.
In vs. 15-20 volgt het tweede teken:

F2 d1 15 Waarschuwing. Het tweede teken.

e1 16-18 Vlucht.

      d1 19 Medelijden.

e2 20 Gebed en vlucht.



Vs. 15 verplaatst ons ook naar IsraŽls eindtijd. We horen van de gruwel der verwoesting van DaniŽl de profeet. Dit is een verwijzing naar Dan. 12:11 "En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend twee honderd negentig dagen." Dit vers leidt ons terug naar Dan. 8:12, het werk van de "Kleine Hoorn", de politieke Antichristus, die zich stelt tegenover IsraŽl, vs. 10 en zijn Vorst vs. 11, het gedurig offer wegneemt, vs. 11 en de woning van Zijn heiligdom nederwerpt. Verder ook naar Dan. 9:27. Dan. 9 bewijst zeer duidelijk, dat de profetie over IsraŽl handelt. "Zeventig weken zijn bestemd over uw (DaniŽls) volk en over uw heilige stad," vs. 24. Van die 70 weken zijn er 69 voorbij. Messias is uitgeroeid, vs. 26, :een volk van de vorst die komen zal, is gekomen en heeft stad en heiligdom verdorven. Dit volk was het Romeinse, dat in 70 stad en tempel verwoestte. Tot zover is Dan. 9 dus vervuld. Het overige nog niet. De vorst zelf is nog niet gekomen om met velen ó de afvallige Joden ó een verbond te maken van ťťn week, Hebr.: een zeven, dat is 7 jaar. In de helft der week zal hij het slachtoffer en spijsoffer, het gedurig offer, wegnemen en wel 2300 avonden en morgens, dus 2300 dagen. Een en ander ter herhaling.

"Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door DaniŽl den profeet." Uit De Openb. blijkt, dat men, op aansporing van de Valse Profeet, de godsdienstige Antichristus, een beeld zal maken, Op. 13:14.

Dit wordt gemaakt, nadat het Beest, de politieke Antichristus, van de dodelijke wonde genezen en uit de afgrond, het graf, opgekomen is. Dit geschiedt bij de tweede helft der laatste jaarweek. Dat beeld moet aangebeden worden. Dit nu is de gruwel der verwoesting, d.i. die tot verwoesting leidt, n.l. van de tempel.

Van dit alles is niets geschied in het jaar 70 na Chr. Er is geen afgodsbeeld geplaatst. Mt. 24 is tot op heden onvervuld. Zal Christus' woord bewaarheid worden ó en dat zŗl het ó dan is de enige oplossing, dat IsraŽl weer een tempel krijgt, dus gedeeltelijk naar zijn land terugkeert. Eerst dan kan Mt. 24 en dus ook Dan. 9 vervuld worden.

"Vs. 16 Dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen." Waar vs. 15 toekomst is, moet het ook vs. 16 zijn. Wanneer men de gruwel der verwoesting gesteld ziet, alsdan moeten de inwoners van Judea vlieden. En alsdan eerst kan ook vs. 17-20 vervuld worden. "Die op het dak is, kome niet af om iets uit zijn huis weg te nemen. En die op den akker is, keere niet weder terug om zijn klederen weg te nemen... Doch bidt dat uw vlucht niet geschiede des winters noch op een sabbat." We houden dit voor de Joodse sabbat, niet voor onze Zondag. Men ziet weer, hoe dit voor IsraŽl is, bijzonder voor de Joden (Judea). Er is niets voor de Gemeente of "Kerk" die Christus' Lichaam is, bij. Haar zullen deze dingen niet treffen.

DE GROOTE VERDRUKKING.
In vs. 21-28 vinden we de grote verdrukking. In vs. 7 en 8 hadden we slechts een inleidende verdrukking, die parallel loopt met de zegelen uit De Openb. Hier komen we tot de tijd van bazuinen en fiolen. Bijzonder als het Beest opgekomen is uit de afgrond, gaat het met brute macht heersen, doet de Valse Profeet er een beeld voor maken en begint de gruwelijke vervolging. Op deze tijd heeft ook Op. 12 betrekking: de Vrouw ó IsraŽl ó moet vluchten naar de woestijn. Van Judea wellicht. Daar wordt ze onderhouden 1260 dagen, d.i. 3Ĺ jaar, Op. 12:6. Daarop doelt de Here in Mt. 24:16.

Laat ons Mt. 24:21-28 ook ontleden:

H1  21, 22 De grote verdrukking. Het begin.

I1   23 Waarschuwing: Zo iemand tot u zeggen zal.

J1 24- Valse christussen en valse profeten.

J2 -24 Hun oogmerk. Uitverkorenen verleiden.

I2 25, 26 Waarschuwing: Zo zij tot u zeggen zullen.

H2 27, 28 De grote verdrukking. Het Einde.


Vs. 21 zegt, dat er grote ongekende verdrukking zal wezen. Die zal er eerst zijn als de gruwel der verwoesting er is. Ze is niet geweest in het jaar 70. Toen stond er geen gruwel in de tempel. Zullen deze dingen vervuld worden zoals de Here ze voorzegd heeft, dan kan dit dus eerst in de toekomst plaats vinden. En wel over IsraŽl. Over dat volk komt die verdrukking. Van die tijd zegt Jer. 30:7: "O wee, want die dag is zo groot dat zijns gelijke niet geweest is en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob. Toch zal hij daaruit verlost worden." Men leze verder dat hoofdstuk.

Vs. 22 Wie deze uitverkorenen zijn, is niet direct te zeggen. Mogelijk is, het de groote schaar, die uit de groote verdrukking komt, Op. 7:14. Deze schaar is uit alle natie en geslachten en volken en talen. Meestal meent men, dat dit gelovigen uit de Heidenen zijn. Dat is niet zo, want zij komen uit de grote verdrukking, die voor Jakob is, Jer. 30:7.  Uit Op. 7:16 blijkt, wat de vluchtelingen zullen lijden: honger, dorst, verschroeiÔng door de hitte van de zon op hun vlucht.

Vs. 23 Tot ulieden, Joden of IsraŽlieten.

Vs. 27 De toekomst, parousia, van Christus zal niet zijn gelijk die van valsche christussen in de binnenkamer of in de woestijn, maar helder lichtend als de bliksem, voor, iedereen zichtbaar waarneembaar.

Vs. 28 "Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden." Het dode lichaam zijn de verslagenen, de dode lichamen van de strijders tegen het Lam;. Voor: "arenden" kan men beter "aasgieren" lezen. Job. 39:3033 spreekt over, de "arend"; vs. 33 b zegt: "waar verslagenen zijn, is hij". Bij Christus' wederkomst worden duizenden gedood, Op. 19:21. De vogels voeden zich dan met hun vlees. Bijzonder de aasgieren. Uit Zach. 14:12 blijkt, hoe zij zullen sterven. Vlees en ogen zullen wegteren. Mt. 24:27 en 28 vinden dus hun verdere uitwerking in Op. 19:11- 21.

DERDE VRAAG.
De derde vraag: Welk zal het teken zijn van de voleinding der eeuw. Het antwoord daarop vindt men in 24:29-25:46.

Eerst de struktuur:

K1 L1 24:30 De Zoon des mensen. Verschijnende. Het derde teken.

M1 24:31 Vergadering van de uitverkorenen van Israël.

N1 O1 24:32-41 Vergelijkingen en type. De vijgeboom, Noachs dagen.

P1 24:42-44 Waarschuwing: Waakt dan.

R1 24:45-51 Dienstknechten. Gelijkenis.

N2 O2 25:1-12 Gelijkenis. De 10 maagden.

P2 25:13 Waarschuwing: Waakt dan.

R2 25:14-30 Dienstknechten. Gelijkenis.

K2 25:31 De Zoon des menschen. Op Zijn troon.

M2 25:32-46 Vergadering van de Volken (Heidenen).


Weer wordt men getroffen door de volkomen bouw. Tot in onderdelen is er balans.

Vs. 29, 30 "En terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden er, de maan haar schijnsel niet geven en de sterren zullen van den hemel vallen en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen en dan zullen al de geslachten der aarde wenen en zullen den Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels met grote kracht en heerlijkheid."

Het Russellisme meent; dat Christus reeds wedergekomen is. Sinds 1874 is Hij al weer tegenwoordig. Onzichtbaar dan. En dat blijft Hij voor immer. Wat zegt de Schrift nu? Dat Hij eerst wederkomt nŗ de verdrukking dier dagen. Welke dagen Die genoemd zijn in vs. 22, de tijd er grote verdrukking, als de gruwel der verwoesting gesteld is. En die zal staan in de heilige plaats. We zagen dat dit een letterlijk beeld is, staande in Jeruzalems tempel. Is dit reeds geschied? Kan het Russellisme dit aanwijzen? Staat er zelfs reeds een tempel in Jeruzalem? Zoo neen; dan is de grote verdrukking nog niet gekomen en is Christus nog niet wedergekomen. Hij komt: na de verdrukking dier dagen. Verder zegt de Schrift, dat de zon zal verduisterd worden en de maan haar schijnsel niet geven en de sterren van de hemel zullen vallen.

Men wil ons doen geloven, dat dit figuurlijk moet opgevat worden voor allerlei machthebbers. Wij nemen dit woord in letterlijke zin. Luk. 21:25 zegt: En daar zullen tekenen zijn in de zon en maan en sterren en op de aarde benauwdheid der volken. Zon, maan en sterren vormen hier een tegenstelling met de aarde. En dit is geen figuurlijke aardemacht, want er staat: op de aarde benauwdheid der volken. Aarde wordt hier dus letterlijk genomen als planeet. Zo ook: zon, maan en sterren als hemellichamen. En zo neme men ze ook in Mt. Lukas zegt ook. En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk met grote kracht en heerlijkheid. Van die grote kracht en heerlijkheid hebben we na 1874 ook nog niets gezien.

Ook niet na 1914. Waar is die heerlijkheid. Wij voor ons houden ons hier aan de letter. Vergeestelijken behoeft niet. We geloven, aan een letterlijke verduistering van de zon en een letterlijke verdonkering van de maan. Dus zal men zeggen: Ook aan een letterlijk afvallen van de sterren. Zeer zeker. Dit geschiedt onder het zesde zegel, Op. 6:12-17 (zie ook Op. 8:12). Dan wordt de zon zwart als een haren zak en de maan als bloed en vallen de sterren op de aarde. Moge men opmerken dat de sterren toch zoveel groter zijn dan de aarde en deze dus moeten verpletteren en dat er niet veel sterren op de aarde kunnen liggen, dus dat men dit wel geestelijk zal op moeten vatten, dan menen wij daar tegenover te moeten stellen,

  1. dat men dan alles figuurlijk moeten, dus ook de koningen der aarde, de dienstknechten en de vrijen, enz. Dit zijn dan dingen die in de geestelijke spelonken van de aarde gaan. Zie vs. 15.

  2. dat de tekst zelf de oplossing aangeeft: zoals een vijgeboom zijn vruchten afwerpt, zo vallen de sterren. Het zijn dus niet de sterren in hun geheel, zij werpen delen af, zoals wij spreken van een sterrenregen zonder daarmee te zeggen dat het sterren regent, maar lichtende stukken sterrensteen neervallen, zo ook in Op. 6:13. Een letterlijke opvatting is nog niet steeds een geheel woordelijke opvatting.

  3. dat het aannemelijker is God letterlijk te geloven, dan zijn woord figuurlijk te nemen. God zegt dat de krachten van de hemelen zullen bewogen worden. Als die hemelen aardse machthebbers moeten zijn (gaarne willen we weten wie dat zijn) dan zal ook in die machthebberswereld het teken van de Zoon des mensen verschijnen, want aldus zegt vs. 30 van Mt. 24.

Wij geloven, dat de komst van de Zoon des mensen allereerst voor IsraŽl is. Voor: al de geslachten der aarde is te lezen: al de geslachten des lands; zelfde woord in het Grieks. Christus komt voor IsraŽl terug. Zij zullen Hem het eerst zien en als een Saulus van Tarsen door het ziťn van de verhoogde Here bekeerd worden. Saulus is hun type. Dan begint de oprichting van IsraŽl.

Vs. 31 "En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste derzelve." Ook hiervan is nog niets geschied. Wij hebben in 1874 geen engelen gezien of gehoord, geen vergaderingen van IsraŽls uitverkorenen gezien. Zie Deut. 30:4. De uitersten van de hemelen staan voor de windstreken.

Vs. 32 De vijgeboom is IsraŽl. "Wanneer gij al deze dingen zult zien," zegt de Here, "zo weet dat het nabij is, voor de deur." n.l. Zijn komst. We moeten dus niet enkele van deze dingen zien, maar al deze dingen, die Hij hier voorzegt.

Vs. 34 "Dit geslacht zal geenszins voorbij gaan." Beter is: Dit geslacht moge geenszins voorbijgaan. De Here wenste, dat het eind der eeuw spoedig mocht komen. Zo bleef de wereld voor veel leed bewaard. IsraŽls verharding is mede voor een groot deel oorzaak van de wereldellende.

DE "TOEKOMST".
Vs. 37 De toekomst. In het Gr. woord parousia zit drieŽrlei begrip besloten; het is het officieel bezoek van een vorst, de aankomst van de vorst en zijn daarop volgende tegenwoordigheid, aanwezig zijn in het bezochte landsdeel. Zoals wij spreken van het inhuldigingsfeest onzer Vorstin of van Haar 25-jarig regeeringsjubileum, waarbij we ook denken aan de voorafgaande voorbereidingen, doch de eigenlijke dag het hoogtepunt vormt, zo is dat ook met de parousia het geval. De parousia van de Keizer, voor een stad was lang te voren bekend. Alles werd in orde gemaakt, de komst werd aangekondigd door herauten, de aankomst bij de stad afgewacht, een stoet ging hem tegemoet, het volk stond alles gade te slaan, enz. Zo zal ook de parousia des Heren een tocht zijn met verschillende onderdelen: een komen, een aankomen, een inkomen, een aanwezig zijn. Dit laatste is het hoofdpunt.

Vs. 40 De, een aangenomen, de ander verlaten. Beter: de een wordt genomen (door de engelen voor het Kon.), de ander gelaten, niet genomen. Denk aan het uitlezen van Mt. 13, het visnet.

Vs. 45 De getrouwe en voorzichtige dienstknecht geeft spijs te rechter tijd. Dat is de Schriftgeleerde, onderwezen in het K.d.H., Mt. 13:52. Daar wordt hij vergeleken bij een heer des huizes, die uit zijn schat oude en nieuwe dingen voortbrengt. De oude zullen wel zijn het inzicht in het O.T., de nieuwe hetgeen gegeven wordt in de N.T. Schriften der Besnijdenis d.i. alle behalve de Paulinische aan de Heidenen. Spijze te rechtertijd is de olie nodig voor het wachten op de komst des Heren. Zij zijn de "verkopers" van Mt. 25:9.

Vs. 48-51 De kwade dienstknecht verwacht zijn heer niet. Zijn lot is "doorsnijding". De St. V. zegt: afscheiding, vs. 51, maar dat staat niet in het Gr. Dat zegt: "doorsnijden".



MT. 25.
Mt. 25 bespraken we reeds gedeeltelijk. Men lette op dat: Alsdan. Vs. 1: Alsdan zal het K.d.H. gelijk zijn aan 10 maagden. Wanneer is dat: alsdan? Als geschiedt wat in hfdst. 24 verhaald is, als Christus' wederkomst genaakt. De gelijkenis heeft niets te maken met de Gemeente die Zijn Lichaam is. Ze geldt allereerst en allermeest IsraŽl. Mogelijk ook de gelovigen uit de Volken, die in IsraŽl gezegend worden.

DE TALENTEN.
Mt. 25:14-30. Het K.d.H. is ook gelijk aan een mens buitenslands reizende. Die mens is de Zoon. Evenals Jehovah IsraŽl verlaten had, deed het ook de Zoon. De heer gaf zijn knechten verschillende talenten. Een talent zilver gold Ī f 5100, een van goud f 76.500. Het zullen wel zilveren talenten geweest zijn. Niettemin was de waarde zeer groot, daar het geld in die tijd veel meer waard was dan het onze. De talenten zien op de gaven van inzicht waarmee Christus' discipelen te arbeiden hebben.

Petrus, Jakobus en Johannes mogen bij wijze van spreken, 5 talenten hebben gehad, de andere 3, Judas 1. En dat verloor hij door zijn luiheid om te arbeiden, voortkomend uit onwil. De gegeven gaven moeten verdubbeld worden. De Here oordeelt eenmaal niet naar het aantal, maar naar het percent. Hij telt niet op, Hij let op de verhouding. Als de bezitter van de 5 talenten er 3 bij wint, is zijn winst kleiner dan wanneer die van 3 er 3 bijwint. De Here zal hem dan niet zo prijzen als de ander, hij toch wint zo maar 60%, de ander 100%. Hij die ťťn talent heeft, behoeft er geen 2 bij te winnen, hij behoeft het slechts te verdubbelen.

Deze gelijkenis heeft betrekking op het woekeren met het inzicht in 's Heren Woord: Zijn goederen. Die van de ponden op de uitbreiding van het arbeidsterrein door dat Woord. Het een is subjectief, het ander meer objectief. Stefanus stond boven Jakobus de broeder des Heren en boven Filippus in inzicht in de Schrift. Nochtans hebben alle drie gearbeid. En wel met het eene pond: Bekering voor IsraŽl en de Jodengenoten. Het vermeerderen van de talenten kan plaats hebben door uitbreiding van het arbeidsterrein dat bewerkt wordt. Er is dus wel enige parallel maar toch ook weer verschil. Men kan ťťn pond en meer talenten hebben, men kan 5 talenten hebben en toch zijn pond in de aarde begraven. Het werken met het pond verdubbelt vaak het talent.

OP DE TROON ZIJNER HEERLIJKHEID.
Het slot van 's Heren laatste rede is Mt. 25:31-46. Ook dit deel wordt algemeen slecht gelezen en uit zijn verband getrokken.

Vs. 31 "En wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid." Christus zit thans niet op de troon Zijner heerlijkheid. Dat bewijzen meerdere teksten. Hij Zelf zegt, dat Hij zit bij Zijn Vader in Diens troon, Op. 3:21. Dat is de troon der Majesteit in de hemelen, Heb. 8:1. Die hemel vormt Gods troon, Mt. 5:34; 23:22; Hand. 7:49. Die hemel heeft Christus ontvangen, Hand. 3:21. Christus' hemelvaart is het plaatsnemen in Zijns Vaders troon. Als Zoon van David heeft Hij recht op de troon van Zijn vader David. Die zal God Hem eenmaal ook geven, Luk. 1:32. Als Zoon van Abraham is Hij erfgenaam der Volken. Vandaar: Koning der koningen. Als de Zoon des mensen heeft Hij recht op de aarde en wat daarin is.

Dat Christus thans niet zit op de troon Zijner heerlijkheid, blijkt ook uit Mt. 19:28. Als Hij daar op zat, moesten de apostelen ook op tronen zitten om, de 12 geslachten IsraŽls te oordelen. Die geslachten IsraŽls zijn niet de "geestelijke joden" maar volgens Paulus in Hand, 26:7 "ůnze" twaalf geslachten, dat is het letterlijke IsraŽl. (De term: twaalf geslachten hier verschilt een weinig van die van Mt. 19:28, maar niet meer dan ons Nederlands: 12 geslachten verschilt van: twaalftal geslachten). Waar we niets zien van het zitten van 12 apostelen op 12 tronen oordelend de 12 letterlijke geslachten van IsraŽl, besluiten we daaruit, dat Christus ook niet zit op de troon Zijner heerlijkheid: want beide moeten samenvallen. Mt. 25 is dus toekomstig.

DE VOLKEN VOOR HEM VERGADERD.
Wanneer Christus op die troon Zijner heerlijkheid zit, worden al de Volken voor Hem vergaderd. Die volken behoeven niet alle tegeluk voor de troon te komen, het kan gaandeweg geschieden. (Men lette er op, dat dit de levende volken zijn. Hier is geen sprake van een opstanding). Dan heeft er een scheiding plaats, niet naargelang van geloof of ongeloof, maar naar de houding die zij aangenomen hebben t.o.v. 's Heren "broeders". Die broeders zijn de IsraŽlieten.

De mensen die door hun leiders in de grote verdrukking niet weerhouden zijn ook maar de minste gave gegeven te hebben aan de dorstende, de hongerende gevangen en op andere wijze smachtende IsraŽlieten, worden daarvoor beloond, zij die met Beest en Valse Profeet deel genomen hebben in de vervolging, gestraft. Jes. 34:1 roept ze op: "Nadert gij Heidenen om te horen, en gij Volken, luistert toe" en JoŽl 3:1 beschrijft het gericht: "Want zie in die dagen en te dien tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem wenden zal, dan zal Ik alle Heidenen (= Heidenvolken) vergaderen en zal ze afvoeren ;n het dal Josafat en Ik zal aldaar met hen richten vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel IsraŽl, dat zij onder de Heidenen hebben verstrooid en Mijn land gedeeld." Zie ook vs. 3 en 11. Al geven we toe, dat hier over een ietwat andere zaak sprake is, toch ligt het oordeel in dezelfde lijn, n.l. in de houding t.o.v. IsraŽl aangenomen.

Voor de troon der heerlijkheid verschijnen niet de individueele geloovigen. Ook staan er geen IsraŽlieten. Deze worden met de Volken niet geteld, Num. 23:9. Ook niet de Gemeente die Zijn Lichaam is. Het zijn de Volken, de natiŽn van de wereld. Die Volken vinden hun voormannen en leidslieden op elk terrein van het leven. Sommigen gaan in de eindtijd voor IsraŽl wŤl te doen, andere woeden tegen Gods aardse volk. Daarover velt de Here dan een rechtvaardig vonnis. De rechtvaardigen uit elk volk gaan in tot het eeuwige leven, dit is het leven der toekomende eeuw, de anderen, de gevloekten, komen in de eeuwige pijn, Gr.: de aionische kolasis. Dit woord "pijn" komt nog ťťmnaal voor, in 1 Joh. 2:18. "Wie vreest heeft pijn en is niet volmaakt in de liefde. In kolasis kan een korrigeerend doel zitten, maar, dan is het als lering voor anderen.

LOON EN STRAF.
Loon en straf zijn konkrete toestanden waarin de betrokkenen geplaatst worden. Het loon is het aionische leven in het koninkrijk dat voor de beloonden bereid is van de grondlegging der wereld, vs. 34. De grondlegging is de nederwerping. Toen door Satans opstand de wereld verwoest werd, heeft God die zodanig opnieuw toebereid, dat Hij de landpalen van de volken naar het getal van de kinderen IsraŽls kon stellen, Deut. 32:8. Hij heeft een terrein voor het Koninkrijk bestemd, dat Hij aan IsraŽl zal oprichten.

Dat heet het Koninkrijk bereid van de grondlegging der wereld. 't Is IsraŽls gebied in de wereld. De rechtvaardigen nu wordt gezegd daarin te gaan. Zij behoren tot degenen die komen van Oosten en Westen om aan te zitten met Abraham, Isašk en Jakob. De gevloekten gaan in het aionische vuur, waarmee God oordeelt. Dat "eeuwige vuur" is een letterlijk vuur. Met dat vuur zijn Sodom en Gomorra gestraft, Jud.: 7. Het vuur dat deze steden verdierf, is een voorbeeld van wat God eenmaal in de toekomende eeuw met het vuur doen zal. Hij zal daarmee steden en landstreken treffen en de omgeving kunnen bewaren. De gevloekten moeten terugkeren naar hun land, waarover, het oordeel losbarst. De eeuwige pijn is het met vlammend vuur wraak doen over degenen die God niet kennen, dat is: willen kennen, 2 Thess. 1:8.

Men lette er op, dat dit niet allen behoeft te treffen. Het oordeel is niet eenvormig. Evenmin als in onze aardse wetgevingen op alle misdrijven en overtredingen dezelfde straf staat, is dat bij God het geval. Er zullen zijn enkele en vele slagen, Luk. 12:47, 48.

LUKAS 21.
Tot slot van dit. hoofdstuk spreken we nog over Luk. 21, dat in meer dan een opzicht parallel loopt aan Mt. 24. Sommigen menen dat dit hfdst. een vroegere, eerder uitgesproken redevoering is en nemen aan, dat ze in de tempel is gehouden bij de schatkist, Luk. 21:5. Men kan ook aannemen, dat Mt. en Luk. elkaar aanvullen, dat Mattheus de ordergang van Jeruzalem weglaat als meer buiten zijn onderwerp liggende en dat Lukas dat punt juist inlast als inleiding op het terzijde zetten van IsraŽl. Hoe dit zij, beide redevoeringen kunnen in elkaar geschoven en tot een geheel gemaakt worden.

Geven we eerst de struktuur.

A1 5 Opmerking van sommigen over de tempel.

B1 6 's Heren antwoord: Verwoesting.

A2 7 Vraag van sommigen: Wanneer. Welk is het teken.

B2 8-36 's Heren antwoord.


Vs. 9-28 bevat de eigenlijke profetie. Dit deel nader ontledend, hebben we:

C1 D1 9- De eerste dingen.

E1 -9 Tijd: Einde nog niet terstond.

C2 D2 10, 11 De laatste dingen. Verdrukking.

E2 12-24 Tijd. Voor de laatste dingen. Vóór dit alles.

C3 D3 25-27 De laatste dingen. Grote verdrukking.

E3 28 Tijd: Israëls verlossing nabij.



VOOR DIT ALLES.
In Luk. 21 staat een gedeelte, dat we niet vinden bij de andere evangelisten. Lukas gaat bij vs. 12 niet verder maar grijpt terug. Hij deelt niet mee wat het vervolg van het begin der smarten is, maar loopt terug op wat voor dat begin der smarten zal plaats hebben. Mattheus gaat verder en zegt: Alsdan, Lukas gaat terug en zegt: Maar vůůr dit alles. Dat is dus vůůr wat aanvangt in vs. 10 en 11 en in Mt. 24:6-8, voor die tijd aanbreekt, waarin koninkrijk tegen koninkrijk en volk tegen volk opstaat en er aardbevingen, hongersnooden, pestilentiŽn, verschrikkelijke dingen en grote tekenen zullen zijn. Vůůr dat alles nu heeft plaats, wat door Lukas beschreven wordt in vs. 12- 25. Dit is de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus.

Men heeft dit niet goed onderscheiden en zo doende verwaad. Vs. 20 en 21 gaven, uit hun verband gelezen, daar mede aanleiding toe. We vinden daarin dezelfde raad t.o.v. de tijd van Jeruzalems verwoesting als we die vinden t.o.v. het gesteld zijn van de gruwel der verwoesting. Laat ons zien:

Luk. 21:20 en 21
"Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heerlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is. Alsdan die in Judea zijn, dat zij vlieden naar de bergen en die in deszelfs midden zijn, dat zij daaruit trekken en die op de velden zijn, dat zij daarin niet komen."
"... Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen."
Mt. 24:15-19
"Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting... dat alsdan die in Judea zijn vlieden op de bergen; die op het dak is, kome niet af om, iets uit zijn huis weg te nemen en die op den akker is, keere niet weder om zijn klederen weg te nemen. Maar wee den bevruchten en zogenden vrouwen in die dagen."

Men ziet de parallellen. En ook, dat het jaar 70 voorspel is geweest van latere gebeurtenissen. Luk. 21:12-25 is vervuld, Mt. 24:15-29 niet. Luk. 21:12-25 had plaats toen Jeruzalem van heerlegers omsingeld werd. Toen was er evenwel geen gruwel der verwoesting gesteld. Mt. 24 moet nog plaats hebben in de eindtijd. De Here heeft dit duidelijk aangegeven door te spreken van: Voor dit alles.

Gaan we nu dit gedeelte van Lukas na.

DE VERWOESTING VAN JERUZALEM.
Vs. 12 Het de handen slaan aan hen en het hen vervolgen had plaats in de tijd van Handelingen. Dit vers sluit evenwel niet uit, dat de Joden-Christenen later weer, dit lot treft en kan de inleiding zijn tot de latere vervolgingen. Vs. 12-20 is dan te nemen zowel voor de tijd van Handelingen als voor de toekomst.

Vs. 19 "Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid," d.i. door uw lijdzaamheid (dragende volharding) kunt of zult ge uw zielen, d.i. uzelf, uw persoon, gewinnen.

Vs. 20-24 werd reeds in hoofdzaak besproken. Nog een enkele aanvulling. Vs. 22 spreekt over de dagen der wraak. Er staat niet, dat het de dŗg der wraak Gods is. Het zijn meer de voorboden of voorvervulling van die dag. Vs.. 23 spreekt van: toorn over dit volk. Dat is de toorn des Konings van Mt. 22:7, Die zijn krijgsheren zond om de doodslagers te vernielen. Over de doodslagers zie men Hand. 7, 12:1.

Vs. 24 "Jeruzalem zal van de Heidenen vertreden worden totdat de tijden der Heidenen vervuld zullen zijn." Hierin ligt drieŽrlei opgesloten.

  1. Jeruzalem blijft bestaan.
  2. Het zal vertreden worden tot op zekere tijd: totdat.
  3. Het blijft voor IsraŽl bestemd: De tijden der Heidenen worden vervuld.

Van achteren beschouwd blijkt, dat dit "totdat" mede de periode van 'n 19 eeuwen bestrijkt. Jeruzalem is sinds het jaar 70 in handen van de Heidenen geweest en het is zelfs thans nog niet te zeggen, wanneer de tijden der Heidenen zullen eindigen. In de eindtijd zal de heilige stad nogmaals 42 maanden vertreden worden, Op 11:2.

Het "totdat" is de verbindingstijd tussen IsraŽls verwerping en wederaanneming. In die door IsraŽls verharding gerekte tussenperiode heeft God de bizondere tussenbedeling ter bereiding van het Lichaam van Christus ingeschoven. Wanneer dit voleind is, zal plaats vinden, wat de Here verder geopenbaard heeft. We vinden dus:

Luk. 21:12-23: Vůůr dit alles, vůůr wat staat in vs. 8 en 9, d.i. vůůr wat plaats zal hebben in de toekomst. Dit gedeelte is vervuld. Met Jeruzalems val werd het Koninkrijk uitgesteld.

Luk. 21:24, "Jeruzalem zal van de Heidenen vertreden worden, totdat ... ... ...

=========================

De tussenbedeling,
de bedeling der verborgenheid of der genade Gods.

=========================

... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... de tijden der Heidenen vervuld zullen zijn."



OVERZICHT VAN DE TOEKOMST VOLGENS MT., MK. EN LUK.
Tot besluit zetten we de toekomstbeschrijving van Mt., Mk. en Lukas naast elkaar. Dit alles is nog onvervuld. Het kan eerst geschieden als IsraŽl gedeeltelijk in Palestina terug is.

Mattheus
Markus
Lukas
Mt. 24:4-6
Mk. 13:5-7
Luk. 21:8, 9, 11


Vele verleiders (antichristussen), oorlogen, oorlogsgeruchten, hongersnoden, pestilentiŽn, verschrikkelijke dingen, grote tekenen van de hemel. Nog het einde (telos, eindpunt) niet.

Mt. 24:7,8
Mk. 13:8
Luk. 21:10


Volk tegen volk, koninkrijk tegen koninkrijk. Al die dingen zijn een begin der smarten (geboorteweeŽn).

Mt. 24:9-28
Mk. 13:9-23
 


Alsdan overgeleverd in verdrukking. Gehaat van alle volken. Tijd van de gruwel der verwoesting. Vlucht. Vele valse christussen en valse profeten die tekenen en wonderen doen om te verleiden. Tekenen in zon, maan en sterren. Op de aarde benauwdheid der Volken met twijfelmoedigheid; zee en watergolven geven groot geluid. Krachten van de hemelen bewogen.

Mt. 24:29-31
Mk. 13:24-27
Luk. 21:25-28


Terstond na de verdrukking dier dagen zon en maan verduisterd, sterren des hemels vallen daaruit, krachten van de hemelen bewogen. En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon des mensen, komende in de wolken met grote kracht en heerlijkheid. De engelen uitgezonden tot bijeenvergadering van de uitverkorenen.

Mt. 24:32-36
Mk. 13:28-33
Luk. 21:29-33


Het uitspruiten van de vijgeboom en van de andere bomen. Dag en uur onbekend.

Mt. 24:37-44
 
 


Als de dagen van Noach. Waakt dan.

Mt. 24:45-51
Mk. 13:34-37
Luk. 21:34-36


De getrouwe en voorzichtige dienstknecht die waakt. De kwade dienstknecht die brast. "Waakt".

Mt. 25:1-46
 
 


De 10 maagden. De dienstknechten. Het zitten op de troon Zijner heerlijkheid.

Oprichting van het Koninkrijk.

In de tussenbedeling bereidt God het Lichaam van Christus toe. Dit wordt gezet in het overhemelse. Hiervan is niets geopenbaard in het O.T. Noch ook in de EvangeliŽn of Handelingen. Noch ook in de Algemene Brieven of De Openbaring. Noch zelfs in Paulus' Oudste Brieven (1-2 Thess., Gal., 1-2 Cor., Rom. - Hebr.). Eerst na Hand. 28, dat is nadat Paulus in Rome gekomen is Ī 60 na Chr. en God door zijn mond IsraŽl geestelijk terzijde gezet heeft, komt de openbaring van deze bedeling in Ef., Col. Tien jaar later werd IsraŽl publiek als volk uitgeschakeld. Luk. 21:25-36 en Mt. 24 gelden dus niet de Gemeente die Zijn Lichaam is, niet de "Christelijke Kerk". Ze betreffen IsraŽl in de toekomst.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden