Uit IsraŽls Profetie

V. Israël in de Evangeliën

8. Matth. 14-23

JOHANNES EN ELIA.
Dat de Koning verworpen is, blijkt uit de volgende hoofdstukken. In Mt. 14 wordt Hem Zijn voorloper ontnomen. Deze zat reeds gevangen, type van het naderend geweld, dat Hem en de Zijnen aangedaan zal worden. In de dood van Johannes ligt, een voorteken van de vervulling van Mt. 13. Immers, daarmee wordt het koningschap geknakt. Johannes komt niet vrij, IsraŽl zal zich dus niet bekeren. Johannes heeft de harten van de vaderen niet bekeerd tot de kinderen en de ongehoorzamen niet tot de voorzichtigheid. Hij heeft de Here geen toegerust volk bereid, Luk. 1:17. Dat moet hij nog doen, dat is zijn tweede zending. De eerste was: En hij zal vŤlen van de kinderen IsraŽls bekeren tot den Here hun God, vs. 16. Dit was geschied. Het heengaan in de geest en de kracht van Elia, vs. 17a, kan pas geschieden als Elia er mede is en 's Heren tweede komst nabij is. Johannes was Elia niet, Joh. 1:21. Deze moet komen om alles weder op te richten, Mt. 17:11. Voor Elia gekomen is, kan het Koninkrijk er dus niet zijn. Johannes eerste taak was de Messias aan te kondigen. Voor hen die aannamen dat het Koninkrijk nabij gekomen was, kon hij voor Elia doorgaan. "Indien gij het wilt aannemen, hij is Elia die komen zou" Mt. 11:14; Mark. 9:11-13. In het Grieks staat: die komen ZAL. De Here zegt dus, dat Elia komen zŗl en dat, nadat Johannes er reeds was. Hij zegt niet dat hij Elia is die komen zou. Dan zou Hij die twee vereenzelvigen.

De komst van Elia gaat vooraf aan de grote vreselijke dag des Heren, Mal. 4:5. Hij zal het hart van de vaderen wederbrengen tot de kinderen en het hart van de kinderen tot hun vaders. Dit is het Herstel der dingen, die we in Mt. 10:35, het tweedrachtig maken, zien uiteengaan.

Elia's komst ligt in de toekomst. Ook dat is een bewijs voor IsraŽls herstel. Voor welk volk of welke kerk moet Elia anders komen? Johannes zal dan heengaan in de geest en de kracht van Elia, Luk. 1:17 om de weg te bereiden, nu niet voor Jezus, maar voor de Here hun God, bewijs dat de O.T. Zich openbarende Jehovah de Christus van het N.T. is. Zie ook Jes. 40.

Zij die geloven aan de reÔncarnatieleer, aan het weder in het vlees komen van een vroeger geleefd hebbend persoon, zien zich door de Schrift deze leer door twee dingen uit de hand geslagen. Ten eerste door Johannes zelf. Hij zegt, dat hij Elia niét is, Joh. 1:21, 25. ReÔncarnisten beweren steeds, dat zij wŤl een zeker vroeger persoon zijn. Ten tweede door het feit, dat Elia niet gestorven is. Hij kon dus niet als Johannes incarneren, want wat niet gestorven is, kan zich niet incarneren wijl het nog als zodanig bestaat. Hiermee valt de reÔncarnatieleer in wezen. Ze is vervorming en scheeftrekking van de Schriftleer van de opstanding.

IN NOOD.
Mt. 14:24, 25. De nood van het schip van de discipelen zonder Jezus wijst op Zijn afwezigheid. Hij komt eerst ter vierder nachtwake, wandelend over de zee. Zo zal Hij eerst in het donkerste der tijden komen tot het in noodzijnde scheepje IsraŽls om dan het geweld van de volken te doen bedaren en de storm van Satan te stillen. Dan zal ook IsraŽl verschrikt zijn, Hem eerst niet herkennen, maar Hem daarna bereidwillig in zijn schip nemen en aanbidden met de belijdenis: "Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon." Thans is Hij nog "op den berg" om ook voor Zijn volk te bidden.

MT. 15.
In Mt. 15:1-22 wordt de diepere ondergrond gezien. Alleen de plant die de Hemelse Vader geplant heeft, zal niet uitgeroeid worden. De Here maakte de discipelen los van de FarizeŽn. "Laat ze varen, zij zijn blinde leidslieden van de blinden." Dan openbaart Hij de innerlijke bron van de verdorvenheid, het hart, en loopt zo terug op Gods eis: de Here lief te hebben met zijn gehele hart en met zijn gehele ziel.



VAN DE KRUIMELS
Mt. 15:23-28. In het tot Hem komen van de Kananeese vrouw ligt een voorafschaduwing, dat de Heidenen zullen eten van IsraŽls tafel. Toen kon het nog niet. Toch wordt deze vrouw geholpen. We hebben hier een merkwaardige gebedsverhoring. Toen de vrouw riep: Here, Zone Davids, werd ze niet geholpen. De Zone Davids is alleen voor IsraŽl. Toch kon de Here haar niet afwijzen, want in het woord: Here lag de eerste ritseling dat Hij meer was dan alleen Zoon van David. Daarin lag de onbewuste en toch diepe erkenning: Gij zijt de Zoon des mensen, Here der aarde. De Here brengt klaarheid in haar geloof en zegt, dat Hij alleen gezonden is tot de verloren schapen van het Huis IsraŽl. Daarop weet ze niet direkt te antwoorden. Ze erkent dat, maar bidt nu alleen: Here, help mij. Het: Zone Davids laat zij vallen, het: Here blijft over. Wat zal Hij doen? Nog een ding ter beproeving: Hij mag het brood van de kinderen (d.i. van IsraŽl) niet nemen en het de hondekens voor werpen. Ook dit erkent zij. Maar gevat als zij is ó 't is de gevatheid des geloofs, dat God grijpt bij Zijn woord ó, schiet haar ineens iets te binnen: De Here gebruikt niet het woord hond, de naam, waarmee de Joden de Heidenen meenden te moeten betitelen. Hij gebruikt het verkleinwoord: hondeke, Oudhollands voor ons: hondje. En nu weet de vrouw iets. De kinderen in IsraŽl, die met de grote en als regel vieze honden niet omgingen, haalden dikwijls de kleine hondjes van de straat naar binnen om er mee te spelen. Dan kregen ze van de kruimels, die van de tafel vielen. Al mag dan de Here het brood van de kinderen niet gaan nemen om het de honden voor te werpen, laat zij dan zijn als een hondje, dat in IsraŽls huis gekomen is om een brokje te kunnen ontvangen van IsraŽls rijk voorziene tafel. Hij, de Here van die tafel, is zo rijk, dat het kruimpje er best gemist kan worden. "O, vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt." Zo moet Jezus uitroepen. Het begeerde kruimpje bleek voor haar een grote brok te zijn: Haar dochter werd genezen van diezelfde ure.

MT. 16.
In Mt. 16 leert de Here Zijn discipelen, wat de zuurdesem van de FarizeŽn is. 't Is de leer die IsraŽl doortrekken zou, vs. 11. De vrouw van Mt. 15 die verstond, wat de Here met "hondeke" bedoelde, had een groot geloof; de discipelen, die zo verhard waren, dat zij, ondanks het vele onderricht niet wisten, wat Hij met zuurdesem bedoelde, waren kleingelovig, vs. 8. ó Zuurdesem is in de Schrift altijd iets onreins en type van bederf. We wezen daar reeds op.

Uit vs. 13-14 blijkt, dat IsraŽl Christus niet gekend heeft. De een zegt zus van Hem, de andere zo. Niemand ziet in Hem de Zoon des mensen. Zij zagen in Hem 'n zoon der mensen. Er was een Goddelijke openbaring voor nodig om in Hem de Zoon Gods te zien. Aan Simon viel die te beurt, vs. 17. Thans werkt de Geest verlichtend om in Hem de Christus Gods te zien.

MT. 17, VS.1-9 DE VERHEERLIJKING.

Mt. 16:28 "Voorwaar zeg Ik u, daar zijn sommigen van die hier staan, welke den dood niet zullen smaken, totdat zij den Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn koninkrijk."

Dan volgt Mt. 17 met als begin de verheerlijking op de berg.

Christus geloofde en wist, dat Hij verheerlijkt zou worden. Hij heeft dat gelezen in de Schriften. Wat Henoch en Elia ten deel viel, moest ook het Zijne worden. Christus wist ook, dat dit niet lang op zich zou laten wachten. Vandaar de boven-staande uitspraak. De dood smaken betekent: er iets van proeven, die alleen ondergaan met het uitzicht op opstanding. Tegenover het de dood smaken zou men kunnen stellen: de dood drinken, wat veel intenser zou zijn. Christus heeft de dood gedronken (neergedronken, grondtekst) tot overwinning, St. V.: verslonden, 1 Cor. 15:54. Het: de dood smaken, is een wijze van uitdrukking om het sterven van die gelovigen mee aan te duiden. Christus belooft dat sommigen Zijner discipelen de dood niet zouden smaken totdat zij Hem gezien hadden' in de heerlijkheid van het toekomstige koninkrijk. Niet allen zouden dat zien: sommigen.

De uitdrukkingen bij de evangelisten zijn niet gelijk. Die van Mattheus citeerden we reeds. Markus zegt: "... totdat zij zullen hebben gezien, dat het koninkrijk Gods met kracht gekomen is" 9:1; Lukas: "... totdat zij het koninkrijk Gods zullen gezien hebben,". 9:27. Men kan deze woorden zien doelen op het feit, dat die sommigen Christus gezien hebben zoals men Hem eenmaal zal zien in het toekomstige koninkrijk. Dat waren dan Petrus, Jakobus en Johannes. Twee van hen geven hiervan getuigenis. Johannes zegt in zijn evangelie: "... en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van den Eniggeborene van den Vader..." 1:14. Dit vers slaat mogelijk op de verheerlijking. Zeker is, dat Petrus het daarover heeft in zijn tweede zendbrief: hfdst. 1:16-18: "Want wij zijn geen kunstiglijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst (parousia d.i. de komst en daarop volgende tegenwoordigheid en wel in de toekomende eeuw) onzes Heren Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. Want Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen als zodanig een stem van de Hoogwaardige Heerlijkheid gehoord werd: Deze is Mijn geliefde Zoon in Wien Ik Mijn welbehagen heb. En deze stem hebben wij gehoord als zij van den hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op den heiligen berg waren."

Men kan het ook anders nemen en zeggen: Christus belooft sommigen, dat ze zouden blijven leven totdat het Koninkrijk zich in kracht geopenbaard had in de Pinksterbedeling. Er staat in het Grieks in al de drie evangeliŽn een onzekerheidswoordje (an), dat niet het feit maar de tijd van de oprichting onzeker maakt. Zijn komst was zeker, maar de tijd hing af van IsraŽls bekering, Hand. 3:19-21. Dat sommigen de gehele Pinksterbedeling zouden blijven leven, dus tot Ī 60 na Christus, werd door Christus' woord zeker gesteld; of Hij dan al wedergekomen zou zijn, werd onzeker uitgedrukt. Hoe ook genomen, de verheerlijking op de berg staat in verband met Christus' toekomstige heerlijkheid. Zo zal Hij gezien worden in Zijn koninkrijk. De verheerlijking was bevestiging van Zijn koningschap.

Men denke zich alles wŤl in. De Here Jezus had door geboorte recht op de Davidische troon, Hij was als eerstgeboren zoon van Maria Davids erfgenaam. Waar Hij evenwel ook alles verwerven moest en niet krachtens positie alleen Zich de rechten verkreeg, daar is Hij geworden onder de Wet. Deze zegt dat degene die haar volbrengt, leven zal, recht heeft op het leven. Dat heeft Christus gedaan. Krachtens de wetsvolbrenging nu kan Hij de heerlijkheid verkrijgen, die geen anderen konden verwerven. Op de heilige berg nu bekleedt Hem Zijn Vader met een heerlijkheid meer dan van Salomo. Hij wordt bekleed met de heerlijkheid waarin Hij gezien zal worden in Zijn toekomstig koninkrijk. Daarop heeft Hij ten volle recht door de wetsvolbrenging. De verheerlijking bevestigt Zijn koningschap, hoewel door IsraŽl miskend. Ze doet evenwel meer. Ze is ook roeping tot het Priesterschap. Niemand nam zelf die eer aan, maar die van God geroepen wordt gelijk Aaron, zegt Hebr. 5:4. Voor Aaron werden heilige klederen gemaakt tot heerlijkheid en sieraad, Ex. 28:2. Welnu, Christus werd met een dubbel sierlijk gewaad bekleed: dat van KoningPriester. Zo zal Hij zijn op Zijn troon. Men zie de verheerlijking in dat licht. Daar staat de toekomstige Koning-Priester, Zach. 12:6. Op het eerste, het koningschap, wordt het zegel gedrukt, tot het tweede wordt Hij geroepen. Hier ontvangt Hij de kleding daarvoor.

Met Christus spreken Mozes en Elia. Mozes moet daartoe opgewekt zijn. Luk. 9 zegt, dat twee mannen met Hem spraken. De Schrift kent geen lichaamloze zielen en geen als mannen verschijnende zielen. Mozes moet daarom opgewekt zijn, wat Judas beschrijft, zie vs. 9. We zien hieruit, dat de doden niet verschijnen kunnen dan door en na de opstanding. Beide mannen nu spreken met Christus over Zijn uitgang te Jeruzalem, Luk. 9:31. Deze uitgang is Zijn lijdensgang tot buiten de poorten van Jeruzalem. Christus laat de glans varen. Hebr. 12:2 zegt hiervan volgens het Grieks: "... Die in plaats van (niet: voor) de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht." Het eind is nu niet de Davidische en koninklijke heerlijkheid, die van Zijn troon, maar het zitten aan de rechterhand van de troon Gods.

Mt. 17:2. Christus werd van gedaante veranderd. Er zijn drie woorden in het Grieks, die een veranderen aanduiden. In 1 Cor. 15:51 is het ene gebruikt, allassoo; in 2 Cor. 11:13-15 (3x) en andere teksten een ander, metaschŤmatizoo d.w.z. in uitwendige gedaante veranderen; hier het derde: metamorphoŲinai, d.i. in inwendige natuur, van bestaanswijze veranderen. Christus' op aarde omgedragen lichaam werd veranderd in een geestelijk lichaam. Geen enkel natuurlijk (ziellijk) lichaam straalt licht uit. Dat kan wel geschieden door een geestelijk lichaam. Zo'n lichaam kan ook weer het uitstralende licht zodanig temperen, dat het een gewoon lichaam gelijkt (Christus na Zijn opstanding). In Mk. 16:12 staat dan ook, dat Hij in een andere gedaante gezien werd. Hier staat het grondwoord van het werkwoord morphoŲmai, n.l. morphŤ. Dat is dan bestaanswijze. Christus veranderde op de berg van bestaanswijze. Daarom blonk Zijn gelaat gelijk de zon en schitterde het licht door Zijn kleding heen. Zo zal Hij eenmaal wederkomen als Zoon des mensen, met grote kracht en heerlijkheid, Mt. 24:30. Hoe groot is Zijn liefde geweest, toen Hij na met Mozes en Elia gesproken te hebben, in Zijn vroegere bestaanswijze terug keerde en weer Jezus werd, Mt. 17:8.

Mt. 17:3,4. Op de berg werd in protype, in grondbeginsel, de aanvang van het Koninkrijk gezien. Men vond er de verheerlijkte Koning, men vond er Mozes, de Wetgever en Elia, de Wetshandhaver. Mozes is type van hen die gestorven zijn. Van hen zegt Christus: "Die in Mij gelooft zal leven al ware hij ook gestorven" Joh. 11:25. Elia is type van hen die leven. "En een iegelijk die leeft..., zal niet sterven in der eeuwigheid", vs. 26. Beiden zijn type van de groepen, die iets waardig geacht zullen worden, n.l. de opstanding uit de doden (de andere doden blijven dus liggen) en het verwerven van die eeuw. Zij zullen de engelen gelijk zijn, Luk. 20:34, 35. De tabernakelen zijn symbool van IsraŽls toekomstig Loofhuttenfeest, de vreugde van het Millennium (de 1000 jaar). De drie discipelen zijn type van drie soorten groepen van gelovigen: Jakobus representeert hier de gedode gelovigen, Hand. 12:1. Petrus de vervolgde in de eindtijd, waarvan er dan vele sterven 1 Petr. 4:6. Johannes die groep die blijft leven tot de tijd van de wederkomst en dus niet sterven, 1 Joh. 2:28. De andere negen representeren de groep werkende gelovigen, die evenwel zo goed als uitgeput zijn en niet meer kunnen. Het volk aan de voet van de berg is het nog ongelovige IsraŽl, de met zijn zoon uitgegane vader type van de groep, die zijn hoop gaat richten op Christus' dienaars.

Mt. 17:5. De luchtige wolk kan de Shechina geweest zijn, de vroegere wolkkolom boven de Tabernakel. Zij wijst in elk geval op de tegenwoordigheid van de Vader, Die Zijn Zoon getuigenis geeft: "Hoort Hem."

Mt. 17:9 De 3 discipelen wordt verboden iets mee te delen voor de opstanding uit de doden heeft plaats gehad. Wat dat is, begrijpen zij niet. De opstanding ten laatsten dage werd wel verstaan, Joh. 11:24, die uit de doden niet, dat was iets nieuws. Zij durfden het echter niet te vragen, Mk. 9:10.

Mt. 17:10-12 Naar aanleiding van Elia's verschijning vragen de discipelen, of Elia nog komen zal. Ze bedoelden hiermee wellicht te zeggen: Is de profetie van Mal. 4 nu soms vervuld. De Here zegt hun nu, dat Elia nog komen zal en alles weder zal oprichten.

Mt. 17:14-20 De maanzieke jongen is type van een groep uit IsraŽl. IsraŽl werd bezeten door demonen. De discipelen konden hen echter niet verdrijven. In vs. 20 moet niet staan: Om uws ongeloofs wil, maar: Om uws kleingeloofs wil.

DE STATER .
Mt. 17:24-27. Dat men met Jezus geen weg wist, blijkt ook hier. De Rabbi's waren vrij gesteld van het hoofdgeld voor de tempel, de Bidrachmen. De belastinggaarder houdt Jezus niet voor een rabbi en vraagt waarom Deze en Petrus niet betalen. Christus' antwoord aan Petrus toont aan, dat Hij de inning van de tempelgelden in Zijn dagen voor niet mťťr acht dan een aardse tolheffing. Hij wil echter geen aanstoot geven. Dan, al moge Hij voor geen rabbi gehouden worden, Hij zal tonen, dat Hij meer is dan dat, n.l. Zoon des mensen, die macht heeft over alles, ook over de vissen der zee, Gen. 1:28, Ps. 8:9. Petrus vangt een vis met een stater. Dat was 4 didrachmen of 2 sikkels. Zie Ex. 30:11-16.

MT. 18.
Over 18:1-4 zeiden we reeds iets.

In 18:15-17 wordt een regel gegeven voor de gemeente van het Koninkrijk.

In vs. 18 is sprake van het binden en ontbinden, welke macht hier aan alle discipelen overgedragen wordt. Andere b.v. Oosterse Christenen, beroepen zich op een andere apostel dan Petrus als stichter van hun Kerk, kunnen dus met evenveel recht een pausdom, naast het pausdom zetten als Rome. Er zijn 12 IsraŽlitische apostelen geweest. Die alle hebben de sleutelmacht ontvangen. Maar dat zij die alleen ontvangen hebben, doet dat kerkrecht te niet. Mt. 16:19 en 18:18 beperken zich alleen tot de apostelen. Christus spreekt van geen opvolgers. Roomse zomin als Reformatorische.

18:23-35 is reeds besproken. Dit deel is uitwerking van Mt. 6:14.

Ook over Mt. 19 zeiden we reeds een en ander.

MT. 19 DE WEDERGEBOORTE

Vs. 28: "... Voorwaar Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de Wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten IsraŽls."

Men weet dat er niet staat, dat zij Christus gevolgd zijn in de wedergeboorte, want Christus is niet wedergeboren, dus men kan Hem daarin niet volgen en een geboorte, ook de Goddelijke, is altijd iets passiefs, men kan daarin niemand navolgen. De Wedergeboorte is de tijd van IsraŽls nationaal herstel, waarin tevens het stenen hart wordt weggenomen en een vlezen gegeven, Ez. 36:22-33. De Wedergeboorte valt in de tijd van de wederoprichting aller dingen door de profeten voorzegd, Hand. 3:21. Ze volgt na Christus' wederkomst en betreft het Koninkrijk op aarde. "En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in. Mijn verzoekingen. En ik verordineer u het koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader Mij dat verordineerd heeft, opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel, oordelende de twaalf geslachten IsraŽls," Luk. 22:28-30.

Over Mt. 20 werd ook reeds gesproken. Ten derde maal wordt het lijden aangekondigd. Zie 16:21; 17:22, 23; 20:18, 19. Uit vs. 20-28 blijkt, dat men de oprichting van het Koninkrijk spoedig verwachtte. De Here zegt niet, dat het niet komen zal, Hij zegt alleen, dat het zitten ter rechter- of linkerhand niet bij Hem stond te geven. M.a.w. de vrouw van Zebedeus was juist t.o.v. haar verwachting, maar niet t.o.v. de tijd. Christus' Vader zou er voor zorgen. Zie Heb. 1:13, 10:13.

MT. 20. GENEZING VAN BLINDEN.
Mt. 20:30-34 toont ons in het wonder van de genezing van twee blinden nog een merkwaardig teken. In Mt. 9:27 worden er twee genezen die roepen: Gij Zone Davids. Hier roepen zij: Here, Gij Zone Davids. Dit zijn de enige twee wonderen door Christus verricht als Zoon van David. Ze symboliseren twee bedelingen, die van de volheid des tijds, waarin Hij door sommigen aangenomen werd als Zoon van David en die van de dag, waarin men Hem zal erkennen als Here, Zoon van David. In het blinde, maar genezen IsraŽl zal een verdieping des geloofs plaats hebben.

Hierbij zij ook nog opgemerkt, dat er geen twťť genezen worden in Jericho, maar meer. Mk. 10:46 zegt, dat Bar-Timeus aan de weg zat, toen zij van Jericho uitgingen. Mt. 20 spreekt ook over het uitgaan uit Jericho. Mogelijk wordt Bar-Timeus alleen genoemd, omdat Mattheus' lezers hem nader kenden of hij het hardste riep. In Luk. 18:35 is echter sprake van het nŗbij Jericho komen. Daar zat ook een blinde. Die riep niet. Here, Zone Davids, maar: Jezus, gij Zone Davids. Er zijn dus minstens drie, waarschijnlijk vier blinden, want Bar-Timeus roept ook: Jezus, Gij Zone Davids. Alleen de twee laatsten roepen om Hem als Here. Toen waren zij al buiten Jericho.

MT. 21 DE INTOCHT. DE VIJGEBOOM.
In Mt. 21 hebben we 'n intocht van Jezus in Jeruzalem. Meestal spreekt men van de intocht, alsof er slechts ťťn is geweest. Dit is echter niet zo. In Mt. 21 hebben we de eerste intocht, gedaan van uit Bethfagť. De rijdieren waren een ezelin en haar veulen. Christus wordt door de "meeste schare" erkend als Davids Zoon. Jeruzalem wordt echter ontroerd. In Jeruzalem rekende men niet op Hem. Deze eerste tocht symboliseert de komst des Konings in zachtmoedigheid en nederigheid. In Mk., Luk. en Joh. vinden we de tweede intocht. Toen ging men Hem tegemoet, Joh. 12:18, dus verwachtte men Hem. Dat is symbool van Zijn tweede komst, waarin men Hem ontvangen zal, Mt. 23:39.

Mt. 21:18-22 De vijgeboom verdort. De vijgeboom typeert. IsraŽls nationale voorrechten boven de andere volken. De Here zocht vijgen, hoewel het de tijd van de vijgen niet was. Mk. 11:13. Waarom zocht Hij ze dan, zal men vragen. Men heeft hiervoor velerlei uitleggingen. De eenvoudigste lijkt ons deze: De vijgeboom kon geen rijpe vijgen hebben, maar wel jonge, onrijpe. Deze werden gaarne gegeten. De vijgeboom bloeit voordat hij bladeren heeft. De vele bladeren deden een krachtige boom, veronderstellen, dus goede jonge vrucht. Deze ontbrak echter, de boom was wel weelderig, maar niet vruchtbaar en werd daarom vervloekt.

De boom typeert IsraŽl. Er was veel schone schijn, er waren versierde tempelgebouwen, gebod op gebod, tal van inzettingen. Men zou dus enige vrucht, al was ze dan niet voldragen, kunnen verwachten. Rijpe vruchten konden het nog niet zijn, de Geest was nog niet uitgestort. De onrijpe waren voldoende geweest en zouden door God zijn aanvaard als hoop gevend voor de toekomst. Er was evenwel helemaal geen vrucht. IsraŽl was wel weelderig geworden, Deut. 32:15, maar bleef onvruchtbaar. Het zal geen vruchten meer dragen in deze eeuw. "Uit u wordt geen vrucht meer in der eeuwigheid," Gr.: gedurende de aioon. Uit Luk. 21:29, 30 leren we, dat de vijgeboom weer teder kan worden en dat zijn tak weer uit kan spruiten. IsraŽl zal dus weer tot, leven komen. De teder wordende, de weer uitbottende tak voorspelt dat de zomer nabij is, de zomer van Messias' regering. De winter van dorheid en nationale doodsslaap is dan voorbij, het K.d.H. is andermaal nabij en zal met kracht worden opgericht. Mt. 21:23-32 verklaart zich zelf.

DE WIJNGAARDENIERS.
Mt. 21:33-42 is bekend. IsraŽl is de wijngaard, Jes. 5, Ps. 80, de FarizeŽn en Schriftgeleerden zijn de landlieden die van IsraŽls oogst iets aan de Here moesten afstaan. De profeten zijn de knechten, de zoon is Christus. De heer zelf reisde buitenlands. Hier hebben we te denken aan het zich onttrekken aan IsraŽl in de Shechina (wolkkolom) heerlijkheid, zoals ons in Ez. 10 en 11 beschreven wordt, zie 10:4, 19 en 11:23. Waar de wijngaard IsraŽl is, wil dit dus zeggen, dat IsraŽl er eenmaal weer zal zijn. De wijngaard is niet gegeven aan de Heidenen, niet aan de Kerk, maar, zal gegeven worden aan andere landlieden. De wijngaard zelf blijft dus. Ook dat heeft de Westerse theologie vergeten. De muren mogen verbroken worden (door de strijd met de landlieden wellicht), hij moge geplukt worden door de voorbijgangers, het zwijn, de woeste onreine Heidenen mogen hem omwroeten, het wild des velds (de toekomstige verdrukkers) hem afweiden, nochtans blijft het gebed: "Aanschouw uit den hemel en zie toe en bezoek dezen wijnstok," Ps. 80:13-15. En dat zal God doen om de Zoon Dien Hij Zich gesterkt heeft, vs. 18. Hierin ligt de opstanding van de gedode Zoon besloten. Dan krijgt de wijngaard nieuwe landlieden. Andere, Gr.: allos, d.i. van dezelfde soort, dus evenals de eersten IsraŽlieten. Deze zullen God de gevraagde vrucht geven. "Zo zullen wij van U niet terugkeren, behoud ons in het leven zo zullen wij Uw naam aanroepen", Ps. 80:19. "O Here, God der heerscharen, breng ons weder, (d.i. herstel Uw wijngaard), laat Uw aanschijn lichten (dit geschiedt door Christus' wederkomst als Hij verschijnt in de heerlijkheid van de Koninkrijksglans), zo zullen wij verlost worden, (d.i. gans IsraŽl "zalig", behouden, worden), vs. 20.

DE STEEN.
Mt. 21:42-46. "Wie op dezen Steen valt, die zal pletterd worden." De Steen is Christus. Niet het Koninkrijk Gods, zoals men wel eens meent. Mt. 21:44 is citaat van uit Jes. 8. We lezen daar in vs. 13 en 14: "Den Here der heerscharen, Dien zult gijlieden heiligen en Hij zij Uw vreze en Hij zij Uw verschrikking. Dan zal Hij ulieden tot een heiligdom zijn, maar (dezelfde Here dus) tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen IsraŽls..." Christus past dit woord op Zichzelf toe. Hij is de Steen. Dus tevens de Here der heerscharen. IsraŽl stiet zich tegen Hem onder de Wet en de Profeten en in de volheid des tijds (Rom. 9:32). Het werd op Hem verpletterd. Men denke hier aan IsraŽls verderving in het jaar 70 door Vespasianus en Titus.

"En op wiep Hij valt, dien zal Hij vermorzelen." Hier hebben we te denken aan de tijd, dat de Steen zonder handen afgehouwen wordt van de berg, Dan. 2, d.i. aan Christus' wederkomst. Weer een bewijs van IsraŽls gedeeltelijke terugkeer naar Kanašn, doch in ongeloof. De Steen zal komen, nu om te verpletteren.

Het woord verpletteren wordt soms opgevat als: verstrooien. Het Gr. is likmaoo. Het komt alleen nog voor in Luk. 20:18, in hetzelfde verband. De likmos is de wan of werpschop om het koren van het kaf te zuiveren. Likmaoo is dus eigenlijk wannen en overdrachtelijk: als kaf doen wegstuiven, uiteen doen stuiven. Volgens de papyri ook: tot pulver vermalen. Als de Here dit bedoelt te zeggen, dan stemt het woord overeen met de gedachte in Dan. 2 gegeven: vermalen.

MT. 22 DE BEREIDE BRUILOFT.
Mt. 22:1-4, de gelijkenis van de bruiloft, bespraken we breedvoerig. We voegen er nog aan toe, dat meerderen leren, dat de bruiloftsgasten steeds een gewaad uit 's Konings kledingvoorraad uitgereikt werd. Dit was hier te meer nodig, omdat de genodigden lieden van allerlei slag, merendeels de pooversten waren. Bij de uitgang konden zij zich wassen en kleden, de oude kleding afleggen en een bruiloftskleed ontvangen. Zij werden dus geheel nieuw in de kleren gestoken. De ene bruiloftsgast, die dit geweigerd had of elders was binnen gekomen, deed daarmee de Koning grote smaadheid aan. Hij was mogelijk één van de genodigden, die nog wel wilde komen, doch in eigen kleding. Daarmee viel hij juist in het oog en viel op als degene, die 's Konings zorg andermaal met verachting afwees. De buitenste duisternis moet in de omlijsting van de gelijkenis gezien worden: buiten het licht van de zaal gebracht, zover weg, dat hij zelfs de uitstraling van het licht niet meer zag. Het symboliseert de uitwerping uit het Koninkrijk. Het: velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren betekent: Velen worden geroepen in de laatste uitnodiging, die uitgaat tot de gehele wereld, maar weinigen van de vroeger verkorenen ó Christus' zending was alleen tot IsraŽl ó zullen mede aanzitten. De weinigen behoren dus tot de eerste, de velen tot de laatste groep.

DE OPSTANDING.
Over de strikvragen, Mt. 22:15-40 kunnen we kort zijn. Bij vs. 30-33 is op te merken, dat het hier gaat over de opstanding en wel die ten laatsten dage. De Here zegt niet, dat de doden leven, maar: Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven, Mk. 12:25. De SadduceŽn zeggen: In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn. Zij hebben het niet over het na de dood voortleven. De SadduceŽn ontkenden dat beslist. Het gaat hier dan ook niet over de vraag of de doden bewust voortleven, maar over het feit van de opstanding. Daarover spreken de SadduceŽn en ook de Here, vs. 25. Verder zegt Hij bij Mk. 12:26 "Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden". In de opstanding nu nemen zij niet ten huwelijk noch worden ten huwelijk gegeven, zegt de Here, Mt. 22:30. En mocht men de opstanding loochenen, zoals de SadduceŽn, dan wete men: God is niet een God der doden, d.i. van dood blijvenden, maar der levenden. En wel in de opstanding. Dan leven zij Hem allen, Luk. 20:38.

Ook thans ontkennen velen de opstanding. Niet als de ongelovige SadduceŽn, maar door de leer van de onsterfelijke ziel. Onsterfelijke zielen hebben geen opstanding nodig. Ook nu nog weet men en dat onder Christenen, de kracht Gods niet, noch de Schriften.

Mt. 22:36-40. De Wet zijn de vijf boeken van Mozes, de Profeten de acht, die we vroeger reeds noemden. (Zie hfdst.III). Wet en Profeten staan niet tegenover de EvangeliŽn, maar vinden daarin hun vervolg. De Here citeert Deut. 6:5; en Lev. 19:18.

DAVIDS HEER.
In Mt. 22:42-46 hebben we het probleem: Davids Zoon en Davids Heer, een onderwerp, dat hoe langer hoe meer voor IsraŽl de strijdvraag zal worden. En niet alleen voor hen. Ook nu zijn er nog velen, die niet geloven in Christus' voorbestaan vůůr Zijn vleeswording.

Eigenaardig is het gebruik van de term: aan de rechterhand. In het Grieks staat een dubbele konstruktie: ek dexioon mou (moe), lett.: uit Mijn rechten, in het meervoud; dit vinden we in Mt. 22:44, 26:64; Mk. 12:36, 16:19; Luk. 20:42; 22:69; Hand. 2:34, 7:55, 56; Heb. 1:13 en "en dexia.", in Mijn rechter, enkelvoud; dit staat in Rom. 8:34; Ef. 1:20; Col. 3:1; Heb. 1:3, 8:1, 10:12, 12:2; 1. Petr. 3:22.

Het zijn aan Gods rechterhand heeft nog weer zijn fazen. Er staat van, dat Christus zit uit. Zijn rechten, staat uit Zijn rechten (Hand. 7:55, 56) en zit in Zijn rechten. Gedurende de Handelingenperiode wordt Hij gezien als staande uit (aan) Gods rechterhand. Hiermee wordt uitgedrukt, dat Hij bereid was weder te keren als het volk zich bekeerde. Na Hand. 7 lezen we, dat Hij zit in Gods rechterhand. Uitzondering is alleen Heb. 1:13, maar dit: heeft betrekking op de toekomst, dus niet op Zijn tegenwoordige positie. In De Openbaring zien we Hem ook weer staan, Op. 5:6, 14:1. Men ziet hoe scherp alles naar voren gebracht wordt.

MT. 23 CHRISTUS' STRAFREDE.
In Mt. 23 hebben we de grote strafrede tegen FarizeŽn en Schriftgeleerden met het 7 voudig: Wee u. In de St. V. staat het 8 maal, doch vs. 14 ontbreekt in de betere handschriften. Zie echter Mk. 12:40 en Luk. 20:47. Het hoofdstuk ontledende, krijgen we als inleiding vs. 1-12:

a1 1, 2 Zelfverheffing. Schriftgeleerden. Zittend stoel.

b1 3, 4 "Doe niet."

a2 5:7 Zelfverheffing. Schriftgeleerden. Hun werken.

b2 18:11 "Gij zult niet"

a3 7-12 Zelfverheffing. Schriftgeleerden. Toepassing.


De Here erkent, dat zij de uitleggers zijn van Mozes' Wet. Hun praktijk echter moest verre zijn van Zijn discipelen. Nu volgen de Wee u's:

c1 13 Hun handelwijze,

d1 15 Hun ijver tot bekering van anderen.

e1 16-22 Valse eedzwering.

f1 23 Geveinsden. Het zwaarste van de Wet.

e2 25-26 Bedrog.

d2 27-28 Valse reiniging.

c2 29-33 Hun handelwijze.


De centrale gedachte is het nalaten van oordeel, barmhartigheid en geloof. Vs. 13 bespraken we. Vs. 15 kind der hel = der Gehenna, d.i. bestemd voor de Gehenna of gestraft met de Gehenna. Vs. 16 Hier staat niet: hieron, maar naos, d.i. niet de gehele tempel, maar het tempelhuis, het Heilige en het Heilige der heiligen, dus binnenste heiligdom. Vs. 23 munt, dille, komijn zijn moeskruiden. Vs. 24 uitzijgen is door een zeef uitzuiveren. Doorzwelgen is opslokken. Vs. 27 de graven waren van buiten gewit, leken wel mooi, maar het witten diende ter waarschuwing voor onreinworden, Num. 19:16.

In vs. 34-39 vinden we nog enkele voorzeggingen. Ziehier de struktuur:

g1 34 Profeten. Toekomstige zending.

h1 35 Gevolg.

f1 36 Ik zeg u.

g2 37 Profeten. Vroegere zending.

h1 38 Gevolg.

f1 39 Ik zeg u.



Vs. 34. Dit betreft de zending in de tijd van de Handelingen en ook "in de laatste ure."

Vs. 35. Zacharia de zoon van Barachia. Men stuitte hier op een moeilijkheid. Men nam aan, dat de zoon van Jojada bedoeld werd, 2 Kron. 24:20, 21 en meende, dat de bijnaam van Jojada Barachia was. Men behoeft dit evenwel zo niet op te lossen. Kan niet veel beter Zacharia bedoeld zijn, op een na de laatste profeet? Kan hem dat lot niet wedervaren zijn. Hij heet Zacharia, de zoon van Berechja. 1:1. Zo blijkt, dat de Joden zelfs na de ballingschap rechtvaardig bloed vergoten hebben en dus hun geest niet veranderd was.

Vs. 37. De Here heeft Jeruzalems kinderen op en samen willen vergaderen (epi sunagagoo). We zullen hierbij moeten denken aan JoŽl 2:32 "... op den berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn". In Mt. 24:31 hebben wij weer dat werkwoord: De engelen zullen de uitverkorenen bijeenvergaderen. Daarop ziet Op. 14:1 mogelijk: "Het Lam stond op den berg Sion en met Hem 144.000, hebbende den naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden."

Episunagoo betekent: op een plaats samenleiden. De Here heeft Jeruzalem willen beschutten voor naderend onheil door de bewoners samen te vergaderen op Sion, waar voor hen ontkoming zou zijn voor de verdrukker. Ze wilden niet.

Vs. 38 "Zie, uw Huis d.i. de tempel, wordt u woest gelaten." Men denke aan de verwoesting door Titus en aan de latere verwoesting onder het Beest, Dan. 9:27. Het Uw heeft de klemtoon. Het is niet meer Mijn (des Vaders) Huis, Mk. 11:17.

TOTDAT.

Vs. 39. "Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan aan niet meer zien totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij Die komt in den naam des Heren."

Dit is een merkwaardig vers. Onoplosbaar voor hen die niet geloven aan IsraŽls herstel, schoon voor hen die in de Schriften voor IsraŽl een toekomst zien gloren. Eenmaal komt de Here Jezus weder en zal opnieuw Jeruzalem binnentrekken. Dan zal IsraŽl Hem blijde toejubelen. Die dag toeft nog. 't is wellicht "ten laatste dage" d.i. op de laatste dag van deze aioon, de 1335ste van Daniel 12:12 "Welgelukzalig is hij die verwacht en raakt tot 1335 dagen." Die zal die intocht levend mee maken. Zeer waarschijnlijk zullen de O.T. gelovigen die het Koninkrijk beŽrven, daarbij tegenwoordig zijn. Zij zullen dan mede de Koning zien komen in heerlijkheid.

Welk een overweldigende gebeurtenis zal dat zijn. Jeruzalem gaat zijn eenmaal verworpen Vorst tegemoet. Deze wordt dan als Koning aangenomen. Dan wordt Jes. 9:5 b vervuld: "... en de heerschappij is op Zijn schouder..." Dan zal Hij plaats nemen op Davids troon, op de troon Zijner heerlijkheid, Mt. 25:31. Thans zit Hij nog in 's Vaders troon, Op. 3:21. Op die dag wordt Hij Koning van IsraŽl. Meer nog, Hij zal de troon geven aan de opgewekte David en door hem IsraŽl weiden, Ez. 34:23. IsraŽls gebed vermeerdere: "Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen voor Uw aangezicht vervloten, Jes. 64:1. Zie ook Zach. 14.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden