Uit IsraŽls Profetie

V. Israël in de Evangeliën

7. De gelijkenissen van Matth. 13

VERDERE AANTEKENINGEN OVER DE GELIJKENISSEN VAN MT. 13.
Nu volgt Mt. 13. Voor we Mattheus verder, bespreken, willen we eerst nog iets dieper ingaan op de gelijkenissen.

De Zaaier (Matth. 13:1-9, 18-23).
Hiervan geeft Christus Zelf de uitlegging. De zaaier is niet alleen Hij. Hij zegt niet dat de zaaier de Zoon des mensen is, Hij zegt: 'N zaaier. Dit laat ruimte voor meer dan een zaaier. De discipelen verstonden dit, omdat zij inzagen waar het over ging. Wij zijn meestal van jongsaf gewoon geraakt aan een uitlegging die in alles de "Kerk" ziet. Alleen als we ons in die tijd verplaatsen en ons in IsraŽl denken, kan er licht komen. Men leze in Mt. 13 niet datgene wat eerst jaren later aan Paulus geopenbaard is. Het K.d.H. is niet de "Kerk". Die was een verborgenheid in God, Ef. 3:9.

We wezen er reeds op, dat Christus wil leren in IsraŽls akker vierderlei gesteldheid te zien. De bediening van Johannes is bijzonder die van het zaad langs de weg. Velen kwamen om gedoopt te worden, ook FarizeŽn, Luk. 3:7. Zie ook Mt. 3:7; 12:34; 23:33. Toch verstonden zij zijn prediking niet. Van het volk gold: een boos en overspelig geslacht, Mt. 12:39. De vogelen zijn de boze geesten, die het zaad wegnamen. Johannes zong klaagliederen, maar IsraŽl hoorde niet, Mt. 11:17. Christus' bediening was als het zaad op steenachtige plaatsen. Hij deed vele tekenen, Joh. 21:25, vele scharen volgden Hem, Mt. 4:25, het volk hoorde Hem gaarne, Mk. 12:37, een groot Profeet was hun opgestaan, Luk. 7:16, men hield Hem voor de Profeet, Joh. 7:40, voor de Christus; 7:41. Toch kwam er geen grondige verandering; later werden velen geŽrgerd, Joh. 6:60, 61, velen gingen terug, 6:66 en eindelijk klonk het: Kruis Hem.

De bediening van de Twaalf is als het zaad onder de doornen. Dit zaad schoot wel op, maar de doornen kregen de overhand. De Apostelen deden meerder wonderen, in aantal dan, Joh. 14:12. IsraŽl stond verslagen, Hand. 2:37, er werden hemelse gaven gesmaakt, Heb. 6:3. Alleen, de grond droeg distelen, Heb. 6:8. Er, waren veel ijveraars der wet, Hand. 21:20, en was wel verdraagzaamheid bij het roven der goederen, Heb. 10:34. En toch was er geen volstandige vrucht. ó De vierde bediening zal zijn als het zaad in de goede aarde. Deze moet nog komen. IsraŽl is tijdelijk uitgeschakeld en is geen lichtdrager meer voor de wereld. Drie bedieningen zijn voorbij en betroffen IsraŽl, de vierde is toekomstig en zal ook IsraŽl betreffen. Eenmaal wordt weer het Evangelie van het Koninkrijk der hemelen verkondigd, Mt. 24:14. Dan zal er rijke vrucht gezien worden. Tussen de derde en vierde bediening ligt de bedeling der verborgenheid.

De tarwe en het onkruid (Matth. 13:24-30, 36-43).
Hierin maken we kennis met tweeŽrlei zaad. Ook van deze gelijkenis geeft Christus de uitlegging. Hij Zelf is de Zaaier, de vijandige mens is de Boze. Deze zaait onkruid, Gr.: zizania, d.i. wilde tarwe. Deze lijkt zo zeer op de goede, dat alleen goede kenners ze enigszins kunnen onderscheiden. Alleen bij de rijping van de korrel kan men meer algemeen het verschil zien. Dan bemerkt men, dat de zizania zwarte korrels heeft. In deze gelijkenis gaat het over de aard van de hoorders. Satan zal Christus' werk bedektelijk nabootsen en ook zijn zaad zaaien, de kinderen des Bozen. Daartoe behoorden o.m. de FarizeŽn en SadduceŽn, het adderen gebroedsel, Mt. 3:7; 12:34; 23:33. In Joh. 8:44 zegt de Here dat ze uit de vader de Duivel zijn. Zelfs Judas behoorde er toe, Joh. 6:70. In de eindtijd zullen het de verleiders zijn, die niet belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, 1 Joh. 4:2, 3 en weder komende is, 2 Joh.:7, grondtekst. (Zie Kanttek. St. V.). De Antichristus loochent Vader en Zoon, 1 Joh. 2:22. Dat doen ook zij die Satans zaad zijn.

Het Mosterdzaad (Matth. 13:31-32).
Er is veel verschil van opinie gerezen over de vraag wat voor soort van plant met het mosterdzaad bedoeld is. De een houdt, het voor een struik, die een overmatige groei verkrijgt, de ander voor een boom die dit reeds uit zich zelf is. Wij geloven dat het eerste bedoeld is. Mk. 4:32 zegt dat het de meeste wordt van de moeskruiden en grote takken maakt. Lukas alleen zegt, dat het een grote boom werd, 13:19. Er is naast goed ook wild mosterdzaad. Meestal neemt ook dat niet de afmetingen aan hier beschreven, maar onmogelijk is het niet. We hebben in deze gelijkenis IsraŽl te zien. Het mosterdzaad is het kleinste van alle zaden (uit de moestuin). Zo was IsraŽl het kleinste van de volken; zie Deut. 7:7. Gaandeweg is IsraŽl gegroeid. Eenmaal zal het uitwassen tot een boom, de wilde mosterdboom, waarin de vogelen des hemels, de boze geesten, huizen. De afvalligen zullen het eenmaal op het hoogst brengen, Dan. 8:23. Dan beheerst IsraŽl de wereld, doch anti-Goddelijk. In Babel of Babylon krijgt het zijn economisch centrum. Het zetelt dan als Hoer op het Beest. De vogelen des hemels zijn de boze machten, Satan en zijn engelen; zie Mt. 13:4, 19; Op. 18:2.

Het Zuurdeeg (Matth. 13:33).
Meestal meent men dat het zuurdeeg de doorwerking is van het Christendom in de wereld. Het zal eenmaal overal zijn werking doen gevoelen. Vader van deze leer is Augustinus die de wereld eenmaal geheel bekeerd zag. Dit strijdt evenwel met de openbaring over Christus' wederkomst. Hij komt niet tot een bekeerde, maar geheel Gode vijandige wereld. Zuurdesem is niet het type van goede maar van verkeerde werking. Zuurdesem is steeds type van bederf, van verkeerde leer, Mt. 16:12, Mk. 8:15, van geveinsheid, Luk. 12:1, van onreinlieid, 1 Cor. 5:7, 8. IsraŽl moest bij het Pascha al het gedesemde wegdoen, Ex. 12:15, 19, 20, 34, 39; 13:3, 7 en niets gedesemds offeren, Ex. 34:25; Lev. 2:11; 6:17; 10:12. Steeds ziet de Schrift het als teken van bederf. Zou Mt. 13 hierop een uitzondering maken, te meer waar de gelijkenis gesproken werd tot Joodse mannen? We geloven dat het ook hier als type van bederf genomen wordt en de Here op een bedervende invloed wijst, een verkeerde werking. De inconsequentie van de gewone uitlegging valt ras in het oog. Het zuurdeeg wordt gedaan in drie maten meel. Meel is het product van tarwe. Iets goeds dus. Stelt de wereld nu het meel voor, waarin het Christendom nu als zuurdeeg moet werken? Iets goeds in iets goeds dus!? Wij zien in de Vrouw IsraŽl die de leer van de drie ambten van Christus bederven zal. Tegenover de Schriftuurlijke Messias leer zal het een andere plaatsen. Er komt een werelds profeet-priester- en koningschap, dat belichaamd wordt in Beest en Valse Profeet. Alles wordt verbasterd. Totdat het zijn eindpunt bereikt.

De schat in de akker (Matth. 13:44).
De algemene Traditieleer is, dat de zondaar alles moet verkopen om de schat, Christus, te gewinnen. Alsof een arme zondaar nog wat heeft om te verkopen! En alsof hij met zijn armoede de hele wereld koopt! Dat men toch eens nuchter werd en beter las. De mens is Christus, niet de zondaar. Hij vindt de schat. Dat is IsraŽl. Deze is verborgen in de wereld: IsraŽl was afgedaald van het hoofd zijn van de volken. Om de schat te krijgen, koopt Christus de hele wereld en bezit zo de schat. Dat IsraŽl deze schat is, blijkt uit verschillende plaatsen in het O.T.: IsraŽl is Gods bijzondere eigendom, Ex. 19:5, 6; Deut. 7:6; 14:2; Deut. 26:18, 19; Ps. 135:4. IsraŽl moest eerst vrij gekocht worden. Christus heeft het nu verborgen tot dat Hij terugkomt. De prijs is reeds betaald, Hij wacht slechts tot dat God Hem het Koninkrijk geeft. IsraŽl is nog verborgen. Eenmaal zal het uitschitteren. In deze gelijkenis ligt tevens het bewijs van Christus' letterlijke wederkomst. Zoals de Man eerst de schat vond en henenging om daarna terug te keren en de akker met de schat in bezit te nemen, zo is ook Christus eenmaal gekomen om IsraŽl te vinden, is daarna heen gegaan om alles te kopen en zal nu wederkeren tot Zijn schat. Hij heeft er alles voor gegeven: Zijn leven, Hij zal de schat bezitten als Koning IsraŽls.

De parel (Matth. 13:45-46).
Van de parel wordt een soortgelijke scheve verklaring gegeven als van de schat. De zondaar moet weer de parel kopen, waarvoor hij niets bezit. De parel heet Christus, de zondaar is de koopman die tevens in andere paarlen handelt! Ook hier zie men anders. We houden beide gelijkenissen niet voor gelijk. De schat is IsraŽl, de parel een groep uit IsraŽl. Er zijn immers nog andere parelen ook. Mogelijk is de parel de Bruid. Deze is niet geheel IsraŽl maar een groep uit IsraŽl. In De Openb. zien we de Hoer getooid met parelen, Op. 17:4; 18:12. Zo zal het ook de stad van de Bruid zijn, Op. 21:21. Mogelijk wordt zij hier aangeduid door die parel zelf. De parel is produkt van het lijden. Deze groep uit IsraŽl zal dat ook zijn. De schat is dus het volk IsraŽl, de parel wellicht de bruid uit IsraŽl, de akker de wereld, de andere parelen andere groepen gelovigen.

Het visnet (Matth. 13:47-50).
Het visnet heeft betrekking op de voleinding der eeuw. Er komen veel soorten vis in. In Christus' tijd waren er in de zee van Galilea meer dan 40 soorten vissen, maar slechts ťťn die door IsraŽl gebruikt mocht worden. Deze had schubben. De andere die naar Rome gevoerd werd had geen schubben, was dus verboden, Lev. 11:10. De vissers zijn de engelen; zij zullen eenmaal de scheiding aanbrengen. In de eindtijd wordt van alles in het net gevangen, er zullen vele soorten IsraŽlieten zijn. Alles wordt uitgelezen in de voleinding der eeuw (niet: der wereld). De goede vis zal benut worden, de verkeerde verworpen. De bozen worden uitgescheiden uit het midden der rechtvaardigen. Dan vangt de zuivering van het Koninkrijk aan. Het slechte wordt uit het Koninkrijk weggeworpen. Zie ook Mt. 13:41, 42.

De Schriftgeleerde (Matth. 13:51-52).
Tegenover de wettische Schriftgeleerde staat de ware van God geleerd Schriftgeleerde, onderwezen in het K.d.H. Deze brengt uit zijn schat nieuwe en oude dingen voort. De discipelen behoorden daartoe, zij verstonden Christus' onderricht, vs. 51. In de eindtijd zullen er leraars zijn, die anderen de rechte weg wijzen, Dan. 12:10. Onderwezen zijn betekent: gediscipeld zijn, een discipel zijn. De nieuwe dingen zijn wel die van het oprichten van het Nieuwe verbond, de oude het inzicht in het O.T. De Here beperkt dit Schrift-geleerde zijn niet tot de discipelen, Hij zegt: Een iegelijk. Ook anderen zijn er bij begrepen.

Men ziet welk een diepte er in deze gelijkenissen ligt. En ook dat het perspectief geheel anders wordt als men ze beziet vanuit IsraŽl en het feil dat Christus een dienaar der Besnijdenis geworden is, Rom. 15:8 om de beloften der vaderen te bevestigen. Het zijn verborgenheden van het K.d.H. gesproken door Christus als hoogste Profeet. Zij overtreffen alle beelden van de profeten. Ook hier geldt: "Nooit heeft een mens alzo gesproken als deze Mens," Joh. 7:46.

MT. 13 EN JES. 6.
De Here weet, waar de lastering van de Geest door de FarizeŽn op uitlopen zal. Geheel IsraŽl zal er door vallen. Dat komt, omdat de geestesgesteldheid van IsraŽl er een van gevoelloosheid is. Jesaja reeds had dat voorspeld. De tussentijd en gesteldheid nu in IsraŽls nationaal bestaan (niet daarbuiten, dus nu IsraŽl terzijde gezet is) wordt ons getekend in de gelijkenissen van Mt. 13.

Christus ging "te dien dage" uit het huis. Dat "te dien dage" is op de dag van Mt. 12:46-50. Letterlijk en figuurlijk. Hij verbreekt de banden des bloeds. IsraŽl heeft Hem in zijn oversten verworpen. Hij voorzegt nu IsraŽls lot.

De betekenis van de gelijkenissen gingen we reeds na. Ze zullen na de aantekeningen die we gaven; nog duidelijker zijn geworden. We gaan nu verder. Van groot belang is het thans te wijzen op het citaat van Jes. 6:9-10. Laat ons zien, (Matth. 13:14-17).

a1 En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld die zegt:

     b1 Met het gehoor zult gij horen en geenszins verstaan

c1 en ziende zult gij zien en geenszins bemerken,

     d1 want het hart dezes volks is dik geworden

e1 en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord

     f1 en hebben hun ogen toegedaan

     f2 opdat zij niet te eniger tijd met ogen zouden zien

e2 en met de oren horen

     d2 en met het hart verstaan en zich bekeren en Ik hen geneze.

c2 Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien,

     b2 en uw oren, omdat zij horen.

a2 Want voorwaar zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd

g1 te zien de dingen, die gij ziet,

h1 en hebben ze niet gezien,

g2 en te horen de dingen die gij hoort,

h2 en hebben ze niet gehoord.


Weer dat schone parallelisme. Tegenover de profeet Jesaja staan de andere profeten, tegenover de geestesgesteldheid van het volk staat die van de discipelen. Men lette voorts op de met elkaar balancerende leden b1 - b2, c1 - c2, d1 - d2, e1 - e2. Geen enkel boek heeft een dergelijke bouw. Hiermee zal de H.S. eenmaal alle kritiek het zwijgen opleggen. Ze is nu in dienstgestalte en wordt vertreden. Dan zal God haar inwendige Goddelijkheid openbaren en alle mond van de kritiek doen verstommen.

HOE LANG.
Jesaja vroeg de Here hoe lang de verharding zou duren, Jes. 6:11. De Here antwoordt hierop:

Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij en de huizen, zodat er geen mens zij en dat het land met verwoesting verstoord wordt. Want de Here zal die mensen verre wegdoen en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands," vs. 12.

Het schijnt alsof deze woorden hun vervulling vonden in de wegvoering naar Assur en Babel. Toen toch werd het land verlaten en de steden woest. Toch blijkt, dat met de wegvoering de verharding geen einde nam. IsraŽl bleef zwaar van oren en dof van blik en vet van hart. Dat bleek in Christus' dagen. De Here Jezus citeert nu Jesaja's woorden en toont daarmee aan, dat waar de geest van de verharding gebleven was, het feit van de verwoesting zich herhalen zou. En dit is ook geschied bij de verwoesting van Land en Stad in 69-70 na Christus. De geestesgesteldheid van het Volk in Christus' dagen maakte een herhaling van de profetie nodig. Of wil men het nog anders bezien, dan kan het zo:

De vůlle vervulling van Jesaja's profetie had plaats toen het wedergekeerde deel van IsraŽl andermaal uit zijn land verdreven en het land eeuwen lang verlaten werd. In de wegvoering naar Assur en Babel hebben we dan een eerste vervulling, die gedeeltelijk onderbroken werd door de terugkeer uit Babel die nodig was om de Christus in Juda te doen geboren worden zoals voorzegd was, maar daarna laat God de profetie zich andermaal en nu finaal voltrekken, omdat de geestesgesteldheid van het volk in wezen niet veranderd was. Voor afgoderij was slechts werkheiligheid in de plaats getreden.

Paulus bevestigt Christus' woord door in Hand. 28 andermaal Jes. 6 te citeren, nu tegenover de buitenlandse Joden. Hiermee wordt ons een tussenbedeling geopend. Dat IsraŽl verlaten zou worden, was reeds voorzegd. Christus heeft alles gedaan wat Hij kon om deze verlating op te heffen en IsraŽls zware hart tot geestelijk leven te brengen. Ook heeft de Geest medegewrocht. Alles tevergeefs. Toen heeft Paulus de deur van het Koninkrijk, die door de FarizeŽn gesloten was, Mt. 23:13, en door Petrus in Hand. 2 opnieuw geopend werd, voor eerst voor goed gesloten in Hand. 28. IsraŽl valt dan als natie uit. De Here Jezus nu heeft in de gelijkenissen van Mt. 13 de oorzaken blootgelegd die tot het sluiten leidden en tevens aangegeven, dat er een lange tijd zal zijn tussen het toen nabije Kon. der hemelen en de werkelijke oprichting in of na de voleinding der eeuw. Schematisch voorgesteld hebben we dus:


K.d.H. nabij
De Koning verworpen
Verb. K.d.H.
 
Verb. K.d.H.
Oprichting K.d.H.
Mt.3-7
8-12
 
Bedeling der Verborgenheid
 
24-25

(Verb. K.d.H. = Verborgenheden van het K.d.H.)


De verborgenheden waren niet bekend aan de profeten, Mt. 13:16-17. Ze laten ons IsraŽls mislukking zien. Deze zijn van tweeŽrlei aard. Vooreerst is het IsraŽls boze hart. Ten tweede is het de Boze, die ůf het zaad wegneemt ůf onvruchtbaar maakt ůf slechte tarwe zaait. Hieruit vloeit voort, dat er tweeŽrlei moet gebeuren, zal IsraŽl aan zijn bestemming beantwoorden. Vooreerst dat het boze hart weggenomen wordt. Ten tweede, dat de Boze gebonden wordt. Het laatste geschiedt door de binding van Satan, waartoe Christus hem door Zijn dood in beginsel overwint, het eerste heeft plaats door de werking des Geestes, die het harde hart omploegt en tot een wel toebereide aarde omschept waarop andermaal het zaad zal gestrooid worden.

GEVOLGEN van de VERWERPING.
De verwerping van Christus als Koning leidt Hem, menselijkerwijs, tot het priesterschap voor IsraŽl en maakt Hem tot het geslachte Lam Dat ook de zonden der wereld wegneemt. Zo werkt de verwerping mee tot bereiking van Gods doel. IsraŽls bedoeling is zondig. God overheerst die. Hij brengt niet uit het kwade het goede voort, maar door het kwade heen. Dient de schepping tot verheerlijking van de Zoon van God, niet minder de verlossing. Wat de "broeders" ten kwade denken, denkt God ten goede.

Niet het ganse IsraŽl heeft Hem verworpen. Er was een deel dat Hem aannam. Dat was niet, omdat het beter was dan de anderen, het was het overblijfsel naar de verkiezing der genade. Dat kwam tot Hem, omdat de Vader het na Zijn verwerping op bijzondere wijze toch tot Hem trok, Joh. 6:44. Zij namen Hem aan, hun werd macht gegeven kinderen Gods te worden, Joh. 1:12 en medeoverblijfsel te zijn met degenen, die ook in Jesaja genoemd worden. "Doch nog een tiende deel zal daarin zijn en het zal wederkeren en zijn om af te weiden." Volgens nieuwere vertaling: "En blijft nog een tiende deel daarin (over), zo valt ook dat wederom de verderving ten deel." En verder: "Maar gelijk de eik en de haageik bij het vallen nog hun wortelstam behouden, zo zal het heilig zaad hun wortelstam zijn."

Het heilige zaad is het overblijfsel naar de verkiezing der genade in IsraŽl. Zij zouden de anderen gelijk zijn, indien de Here hen niet van boven geboren had. Zij zijn degenen, aan wie Mt. 5-7 gericht wordt. En daarom kan de Here de lijn met IsraŽl nog niet direkt afbreken. Brengt Zijn verwerping als Koning het oordeel over de verwerpers, voor hen voert dit tot Zijn priesterschap, waarin Hij het verbondsoffer voor het Nieuwe Verbond offert. Daarna, worden hun de gaven des Geestes gegeven, Hand. 2. Nu wordt het een zaak van genade. Niet meer uit de werken van het eerste verbond, maar uit de genade die wordt door Jezus Christus om te brengen in het tweede, het Nieuwe.

Van achteren uit kunnen wij de dingen beter bezien dan zij die er voor stonden. Het lijden van Christus is het vraagstuk, waarmee IsraŽls gelovigen zich bezig hielden. En hoewel zij alles niet konden verklaren, beseften zij bij overdenking van en inleiding in de Schriften en door bekendwording aan zichzelt, dat Hij ook om hun overtredingen verwond werd, om hun ongerechtigheid verbrijzeld. Van Zoon van David werd Hij ook voor hen Zoon van Abraham, aan Wie de Vader alles gaf, Die Zijn Enige was en Die eerst door Zijn lijden en dood ten volle de Middelaar van het Nieuwe Verbond kon worden.

Vanaf Mt. 13 komt er meer en meer een afzondering voor het heilige zaad voor wie Hij Zijn ziel, d.i. Zijn Persoon, zal stellen als rantsoen, d.i. losprijs. De bedeling van de volheid des tijds moet, ondanks de verwerping als Koning, haar loop hebben en het priesterschap uitwerken, De Mens vindt de schat, de Koopman de parel. Hij wordt gezet tot een val (Mt. 12) en tot een opstanding van velen in IsraŽl. De scheiding gaat zich voltrekken en zo is de eerste komst van Christus voor hen, die God Hem uit de wereld gegeven heeft en waarvoor Hij bidt, Joh. 17. Zo wordt ook IsraŽls herstel in het Nieuwe Verbond voorbereid. De eerstelingen zijn voorboden van de volle oogst, de uitverkorenen van de niet verkorenen die door de eersten zullen geloven. Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Dat volk zijn niet alleen da verkorenen, het is het volk in massaliteit, het geheel. Dit zaligmaken van het volk, de blijdschap die al het volk wezen zal en het bidden voor de gegevenen des Vaders strijden niet met elkaar, maar verhouden zich als middel staat tot doel. Christus kwam voor IsraŽl, om de beloften der vaderen te bevestigen. Voorlopig verkrijgen de uitverkorenen alleen, en dan nog in hoop, de beloften. De tijd zal komenĄ waarop Christus met en door middel van de uitverkorenen IsraŽl zal oprichten. Uitverkiezing toch is steeds ten bate, niet ten koste van.

Zo blijft alles een louter werk Gods. De Vader trekt er enkelen en geeft die aan de Zoon. Deze zal de Zijnen weer trekken. En deze weer anderen. En dat steeds door de werking van de Geest, Die de wereld zal bewijzen z'n zonde, gerechtigheid en oordeel. Zo alleen wordt de belofte vervuld: Ik zal Mijn wetten in hun harten inschrijven en zij zullen allen van den Here geleerd zijn. Zo verheerlijkt de grote God des verbonds Zich. Alleen in deze weg kan geen vlees roemen. En zo bezien is de verwerping in Mt. 12 en de openbaring van de verborgenheden van Mt. 13 een stap voorwaarts om de ware genade uit te laten schitteren.

Onze Here Jezus heeft Zich daarover verblijd. "Ik dank U, Vader, Here des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard. Ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U," Mt. 11:25, 26.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden