Uit IsraŽls Profetie

V. Israël in de Evangeliën

2e. Overeenkomsten

KON. DER HEMELEN EN KON. GODS SAMENVALLEND.
In de volgende plaatsen achten wij Kon. der hemelen en Kon. Gods samen te vallen. M.a.w. daarin is Kon. Gods slechts een andere benaming voor Kon. der hemelen.

  • Mk. 4:11 "... de verborgenheden van het Kon. Gods." 
  • Mk. 4:26 "Alzo is het Kon. Gods alsof een mens het zaad in de aarde wierp."
  • Mk. 4:30 "Waarbij zullen wij het Kon. Gods vergelijken... bij een mosterdzaad."
  • Mk. 9:1 "Voorwaar zeg Ik u, dat er sommigen zijn van degenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Kon. Gods met kracht gekomen is." Het gaat hier over Christus' verheerlijking, beeld van de majesteit, die Hij eenmaal in Zijn toekomst voor IsraŽl zal hebben, 2 Petr. 2:16.
  • Mk. 9:47 "... Het is u beter maar ťťn oog hebbende in het Kon. Gods in te gaan, dan twee ogen hebbende in het helse vuur geworpen te worden."
  • Mk. 10:14 "Laat de kinderkens tot Mij komen,en verhindert ze niet, derzulken is het Kon. Gods.".
  • Mk. 10:15 "Voorwaar zeg Ik u, zo wie het Kon. Gods niet ontvangt als een kindeke, die zal in hetzelve geenszins ingaan."
  • Mk. 10:23 "Hoe bezwaarlijk zullen zij die goed hebben, in het Kon. Gods inkomen."
  • Mk. 10:24 "Kinderen, hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Kon. Gods ingaan."
  • Mk. 10:25 "Het is lichter dat een kameel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Kon. Gods inga."
  • Mk. 12:34 "... Jezus zeide: Gij zijt niet verre van het Kon. Gods."
  • Mk. 14:25 "Voorwaar zeg Ik u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Kon. Gods."
  • Mk. 15:43 "... Jozef ... een raadsheer, die ook zelf het Kon. Gods was verwachtende."  Deze term komt dus 14 maal voor in Markus.

Het woord "hemel" wordt dikwijls gebruikt voor God Zelf, Wiens woning daar is, zie Ps. 73:9; Dan. 4:26; 2 Kron. 32:20; Mt. 21:25; Luk. 15:21: Ik heb gezondigd tegen den hemel d.i., tegen God en voor u; Joh. 3:27. De Here nu zal in het Aramees gesproken hebben van het Kon. d. H. Mattheus, door Gods Geest geleid, heeft de term letterlijk vertaald, terwijl de andere evangeliën voor andere groepen bestemd, de betekenis vertaalden en spreken van Kon. Gods.   Toch heeft de H. Geest in Mattheus' evangelie ook ons willen leren dat er verschil is tussen K.d.H. en Kon. Gods en hiermee de basis gelegd voor latere onderscheidingen.

Dat Markus met Kon. Gods bedoelt het Kon. in IsraŽl, dat zijn centrum zal hebben in Jeruzalem, waarbij de Davidische heerschappij wordt opgericht, blijkt uit Mk. 11:9, 10: "Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in den naam des Heren. Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den naam des Heren. Hosanna in de hoogste (hemelen)."

Men ziet in welke gedachtensfeer het volk leefde. Het zag in Christus de Vorst van het Huis van David en dacht aan een herstel van Davids troon. Christus had en heeft daar naar Zijn geboorte recht op. Te algemeen meent men nog, dat IsraŽls aardse verwachting van het Koninkrijk onjuist was. Maar waarom heeft Christus wel de FarizeŽn bestraft, die het juichen wilden verhinderen, maar niet de schare, die mede onder leiding Zijner discipelen, het deden? Dit is een duidelijk bewijs, dat Christus het, hiermee eens was en de verwachting juist was, al was de tijd nog niet daar. Het koninkrijk van Vader David is geen geestelijk maar een letterlijk, geen hemels maar een aards rijk. Evenals David het Koninkrijk in IsraŽl oprichtte na de nederlaag die de Filistijnen het land toegebracht hadden, zo zal Davids grote Zoon het rijk oprichten na de tenietdoening van de Antichristus. Evenals Saul koning werd naar de keuze van het hart des volks ó een koning als de volken ó zo zal de Antichristus dat ook worden. Dan. 9:27 Daarna kwam David, de man naar Gods hart. Zo komt na des Antichristus' heerschappij over IsraŽl de Man in Wie God al Zijn welbehagen heeft, de wortel en het geslacht Davids.

Bij Lukas, die voor de Heidenen schreef die door Paulus van de afgoden tot God bekeerd waren en Christus schetst als de Zoon des mensen, die dus voor de hele menschheid gekomen is, valt de term Kon. Gods samen met Kon. der hemelen in de volgende teksten:

  • Luk. 4:43 "Maar Hij zeide: Ik moet ook anderen steden het evangelie van het Kon. Gods verkondigen."
  • Luk. 6:20 "Zalig zijt gij armen, want uwer is het Kon. Gods."
  • Luk. 7:28 "Want Ik zeg ulieden: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet dan Johannes de Doper, maar de minste (Gr. de Kleinere = de Jongere) in het Kon. Gods is meerder dan hij."
  • Luk. 8:1 "... Hij reisde... predikende en verkondigende het evangelie van het Kon. Gods."
  • Luk. 8:10 "... En Hij zeide: U is het gegeven de verborgenheden van het Kon. Gods te verstaan."
  • Luk. 9:1, 2 "En Zijn 12 discipelen geroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen (demonen) en om ziekten te genezen en zond ze henen om te prediken het Kon. Gods."
  • Luk. 9:11 "En de scharen, dat verstaande, volgde Hem; en Hij ontving ze en sprak tot hen van het Kon. Gods, en die genezing van node hadden, maakte Hij gezond."
  • Luk. 9:27 "En Ik zeg u, waarlijk, daar zijn sommigen dergenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het Kon. Gods zullen gezien hebben."
  • Luk. 9:60 "Maar Jezus zeide: Laat de doden hun doden begraven, doch gij ga heen en verkondig het Kon. Gods."
  • Luk. 9:62 "En Jezus zeide tot hen: Niemand die zijn hand aan den ploeg slaat en omziet naar hetgeen achter, is, is bekwaam tot het Kon. Gods."
  • Luk. 10:9 "En geneest de kranken... en zegt tot hen: Het Kon. Gods is nabij gekomen."
  • Luk. 10:11 "Nochtans zo weet, dat het Kon. Gods nabij gekomen is."
  • Luk. 12:31 "Maar zoekt het Kon. Gods en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden."
  • Luk. 13:18 "Waaraan is het Kon. Gods gelijk, en waarbij zal Ik het vergelijken? Het is gelijk een mosterdzaad..."
  • Luk. 13:29 "En daar zullen er komen van Oosten en Westen en zullen aanzitten in het Kon. Gods."
  • Luk. 14:15 "... Zalig is hij die brood eet in het Kon. Gods."
  • Luk. 16:16 "De Wet en de Profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Kon. Gods verkondigd en een iegelijk met geweld op hetzelve."
  • Luk. 18:16 "Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Kon. Gods."
  • Luk. 18:17 "Voorwaar zeg Ik u: zoo wie het Kon. Gods niet zal ontvangen als een kindeke, die zal geenszins in hetzelve komen."
  • Luk. 18:24, 25 "Hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben in het Kon. Gods ingaan, want het is lichter dat een kameel ga door het oog van een naald dan dat een rijke in het Kon. Gods inga."
  • Luk. 18:29 "Voorwaar zeg Ik u, dat er niemand is die verlaten heeft huis, of ouders, of vrouw, of kinderen om het Kun. Gods..."
  • Luk. 19:11 "... en omdat zij meenden, dat het Kon. Gods terstond zoude openbaar worde."
  • Luk. 21:31 "Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet dat het Kon. Gods nabij is."
  • Luk. 22:16 "Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal totdat het vervuld zal zijn in het Kon. Gods."
  • Luk. 22:18 "Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks totdat het Kon. Gods zal gekomen zijn."
  • Luk. 23:51 "... die ook zelf het Kon. Gods verwachtte."
Men ziet door vergelijking met de teksten in Mattheus, hoe Lukas telkens de naam Kon. Gods gebruikt voor K.d.H. Hetzelfde doet Johannes in de twee teksten, waarin Kon. Gods voorkomt.
  • Joh. 3:3 "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom (Gr. van boven) geboren worde, hij kan het Kon. Gods niet zien."
  • Joh. 3:5 "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, zo iemand niet geboren wordt uit water en geest, hij kan in het Kon. Gods niet ingaan."
KON. DER HEMELEN EN KON. GODS IN MATTHEUS.
In Mattheus komen vier teksten voor, waarin Kon. Gods staat en niet K.d.H. Volgens de Nederlandse concordantie zijn het er vijf, volgens de Nieuwe Griekse vier.
  • Mt. 6:33 "Maar zoekt eerst het Kon. Gods en Zijn gerechtigheid." Hier staat volgens de oudste handschriften alleen Kon., niet Kon. Gods.
  • Mt. 12:28 "Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen (demonen) uitwerp, zo is dan het Kon. Gods tot u gekomen."
  • Mt. 19:24 "En wederom zeg Ik u: Het is lichter, dat een kameel ga door het oog van een naald dan dat een rijke inga in het Kon. Gods."
  • Mt. 21:31 "... Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u zullen voorgaan in het Kon. Gods."
  • Mt. 21:43 "Daarom zeg Ik u lieden, dat het Kon. Gods van u zal weggenomen worden, en aan een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt."

Mattheus legt op deze wijze t.o.v. de evangeliŽn verband tussen K.d.H. en Kon. Gods. Dat het Kon. Gods een wijder betekenis kan hebben, komt bij hem evenwel ook uit.

We wezen er reeds op, dat het rijk en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder de ganse hemel, aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten zal gegeven worden, zie Dan. 7:27. Dat is het Kon. der hemelen. Maar die Allerhoogste bezit niet alleen de aarde, maar ook de hemelen, Gen. 14:19. Beide nu, hemelen en aarde, ja ook de hemel der hemelen, vormen of maken uit het Kon. Gods.

Het Kon. d. H. is een sfeer in het Kon. Gods. Wat tot het Kon. d. H. behoort, behoort ook tot het Kon. Gods. Maar het omgekeerde is nog niet steeds het geval. Niet alles wat tot het Kon. Gods behoort, behoort tot het Kon. d. H. Alle Amsterdammers zijn Nederlanders en behoren tot het Kon. der Nederlanden, maar niet alle Nederlanders zijn Amsterdammers. Amsterdam is een deel van Nederland, van het Kon. der Nederlanden.

In het "Onze Vader" vinden we beide koninkrijken aangeduid. Aldus: "Uw wil geschiede gelijk in den hemel alzo ook op aarde."

Als Gods wil op aarde geschiedt, is het K.d.H. d.i. van of uit de hemelen met kracht gekomen. Thans is dit deel van het Kon. Gods nog in grote opstand tegen Hem en is het nabije Kon. d. H. terug geweken, waar Zijn Koning naar een ver land gegaan is om het te ontvangen en het volk verstrooid is. Bezien we nu Mt. 19:24 en 21:43, dan is er o.i. niet veel of geen verschil. Beide sferen vallen samen.

Mt. 19:20, 24 "Voorwaar Ik zeg u, dat een rijke bezwaarlijk in het K.d.H. zal ingaan. En wederom zeg Ik u: Het is lichter dat een kameel ga door het oog eener naald, dan dat een rijke inga in het Kon. Gods." Plaatsen we hiernaast Luk. 18:24 en 25. "Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Kon. Gods ingaan, want het is lichter, dat een kameel ga door het oog van een naald dan dat een rijke in het Kon. Gods inga."

Beide evangelisten spreken hier van de rijke jongeling. Waar Mattheus herhaalt: "Wederom..." blijkt hoe de sferen hier samenvallen. Hier geeft de Heilige Geest ons de brug van Kon. Gods tot Kon. d. H.; ze staan niet los, naast of boven elkaar, neen, ze grijpen in elkaar in. Hetzelfde vinden we nog eens, en wel in Mt. 21:43: Het Kon. Gods zal van IsraŽl weggenomen worden en aan een volk gegeven worden dat zijn vruchten voortbrengt. De wijngaard is IsraŽl, dat behoort tot het K.d.H. De Geest geeft ons deze twee teksten om de sferen in elkaar vast te leggen. Men mocht menen, dat het K.d.H. geheel los was van of stond buiten het Kon. Gods.

Een voorbeeld ter opheldering.

Men kan zeggen: Het is bezwaarlijk om zonder bewijs van Nederlanderschap naar Antwerpen te gaan. Het is gemakkelijker Nederland zonder papieren van legitimatie te doorkruisen, dan zonder bewijs van Nederlandschap per officiŽele reisgelegenheid BelgiŽ binnen te komen. Volgt uit deze zinnen nu, dat Antwerpen = BelgiŽ? Voor hem die aardrijkskundige kennis heeft, niet. Antwerpen is een deel van BelgiŽ. In onze zinnen letten we echter niet op hetgeen beide doet verschillen, maar op wat ze vereenigt: 't Is alles Belgisch gebied. Zo ook in Mt. Alles wordt omvat door de term Kon. Gods. Maar Kon. der hemelen is een sfeer daarin. Nu letten we echter, niet op wat ze onderscheidt, maar op wat hier het samenvallende is. En dat samenvallende is, dat de rijke moeilijk zal ingaan in het Kon. der hemelen. Waar dat een deel is van het Kon. Gods, kunnen we het ook Kon. Gods noemen. Als we maar in het oog houden welk deel van het Kon. Gods hier bedoeld wordt. Want Paulus schrijft de rijken, milddadig te zijn in de wereld. Die behoorden ook tot het Kon. Gods, maar niet tot het deel van het Kon. Gods dat hier Kon. der hemelen genoemd wordt.

Voor we van deze tekst afstappen, bezien we waarin het bezwaarlijke bestaat. Tevens blijkt dan, hoe we nu in een andere bedeling staan.

Men weet hoe in het Jubeljaar alles tot de bezitters wederkeerde, behalve de verkochte huizen in de steden, Lev. 25:1315, 28, 29. De IsraŽliet kon dus alleen tijdelijk verarmen of tijdelijk bezittingen hebben buiten zijn erfdeel. De rijke jongeling nu had vele goederen en wilde daarvan geen afstand doen. Toch moest dat volgens de Wet.

Daarom zegt de Here hem alles ie verkopen. Dan zou hij een schat hebben in de hemel, d.i. in de tijd en de bedeling als de hemel op aarde heerst, dus in het Messiaanse rijk. Nu blijkt, dat hij het 10e gebod niet in praktijk brengt: Gij zult niet begeren... iets dat uws naasten is. Hij gaat bedroefd heen. En dan zegt de Here Jezus de woorden van onze tekst, en leert hoe de rijke die goederen heeft, bezwaarlijk zal ingaan. Hij kan hoogstens met zijn eigen erfdeel ingaan, want in het Messiaans rijk wordt het land opnieuw verdeeld, zie Ez. 48:23-29. Ligt dat erfdeel in de voor de stam aangewezen strook, misschien kan hij het behouden. Maar meer ook niet. Alle andere goederen moeten afgelegd worden, evenals de kameel ontladen werd als de hoofddeuren van de poort gesloten waren om door de kleine te kunnen gaan, die naast de hoofdingang was en naald heette. De karavaan die te laat kwam om door de poort in te gaan, zag zich verplicht alles af te laden en de kamelen ongeladen door de naald te laten door kruipen. Zo zal de rijke met goedereen alle goed moeten afstaan. Zo deed Barnabas in Hand.4:36, 37. Hij volgde de raad van Christus op en verkocht zijn goederen om het geld de armen te geven. Levieten hadden in het geheel geen goederen buiten de steden die hun ter woning waren aangewezen.

De andere twee teksten doen meer het onderscheid gevoelen. Waar deze twee verenigen, onderscheiden Mt. 12:28 en 21:31. Christus wierp de demonen uit. Dat behoorde ook tot het K.d.H. wat de gezondmaking betrof. Maar ook tot het Kon. Gods, daar de demonen niet tot de aardse sfeer, maar tot de hemelen behoren of behoord hebben.

In dat opzicht was dus het Kon. Gods nabij gekomen. Gods wil geschiedde hier op aarde door verdrijving van de demonen. En om dat aan te tonen, gebruikt Mattheus de term Kon. Gods. Evenzo in Mt. 21, waar de Here spreekt over het voorgaan van tollenaars en hoeren. In het K.d.H. hadden deze feitelijk geen plaats. Toch gingen zij voor in het Kon. Gods. Hier zien we duidelijk de andere sfeer. Het K.d.H. is het rijk waar een Koning zal regeren in gerechtigheid. In het Kon. Gods is God de Albeheerser. En waar het schepsel van Hem vervreemd en afgedwaald is, zoekt Hij voor dat Kon. tevens hetgeen verloren was. Om tot het Kon. Gods in te gaan, moet de opstand, waar die plaats heeft gehad, gebroken worden, de vijanden met God verzoend. Zo ligt het in de lijn van dat Kon. om Christus als Priester te zien. Voor het K.d.H. is Hij Davids Zoon, Die van zee tot zee zal regeren en de ellendigen recht doen. Voor het Kon. Gods is Hij Abrahams zoon, Die Zich geeft om met God te verzoenen. In Zijn Persoon liggen beide sferen begrepen; in Zijn ambten worden ze openbaar. Waar hoeren en tollenaars Hem gehoor gaven, gingen zij voor. Zij kwamen tot waar schuldbesef en hadden Christus niet alleen als Zoon van David nodig, maar ook als Zoon van Abraham. Zij zetten de eerste treden op de weg van de rechtvaardigmaking des geloofs. De uitwerking van dat punt is voor later.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden