Uit IsraŽls Profetie

V. Israël in de Evangeliën

2d. Alle teksten met de term K.d.H.

MT.5-7. BERGREDE.
Thans bespreken we de term Kon. der hemelen. Deze term K.d.H. komt, zoals gezegd, uitsluitend in Mt. voor en wel 32 maal. We schrijven hier alle teksten af.

1 Mt. 3:2 "Bekeert u, want het K.d.H. is nabij gekomen."

We hebben reeds uiteengezet, dat dit Kon. iets bekends was of dat kon zijn aan IsraŽl. Johannes sprak geen nieuwe vreemde dingen, maar doelde op het onderwerp van de O.T. profetieŽn.

2 Mt. 4:17 "Van toen af heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het K.d.H. is nabij gekomen."

De Here Jezus zet Johannes' werk voort, en verkondigt hetzelfde Kon. n.l. dat van Dan. 2:44, 7:27 enz. Nu volgt de Bergrede. (Zie nader hier onder).

3 Mt. 5:3 "Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het K.d.H."

4 Mt. 5:10 "Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil, want hunner is het K.d.H."

We wezen er reeds op, dat uit vs. 5 blijkt, dat het K.d.H. een aards Koninkrijk is. De herders en discipelen verstonden er niets anders onder. Dat K.d.H. nu was nabij gekomen, de Koning kwam de armen van geest troosten, zij die vervolgd werden om der gerechtigheid wil (dit is om hun wandel in al de geboden des Heren. Luk. 1:6) zouden het beŽrven.

5-6 Mt. 5:19 "Zoowie dan een van deze minste geboden zal ontbonden en den mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het K.d.H., maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het K.d.H."

7 Mt. 5:20 "Want Lk zeg u, tenzij uw gerechtigheid over vloediger zij dan van de Schriftgeleerden en van de FarizeŽrs, dat gij in het K.d.H. geenszins zult ingaan."

Wie vs. 17 en 18 erbij leest zal zien, dat we hier staan op het terrein van de Wet: "Meent niet, dat Ik gekomen ben om de Wet en de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om (die) te ontbinden maar te vervullen." "Want voorwaar zeg Ik u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn vervuld." En dan volgt vs. 19: "Zoowie dan een van deze minste geboden zal ontbonden hebben," enz. Men ziet, dat het hier gaat over de vervulling van de Wet. Christus kwam om die Wet te vervullen, wie in Zijn aardse Koninkrijk wilde ingaan, moest de geboden houden, de inzettingen van Mozes en de nieuwe opvolgen die de Profeet Die de Here nu verwekt had, leerde. Zulken alleen konden ingaan in het K.d.H., het rijk waarin gerechtigheid heersen zou en zal. De Schriftgeleerden en FarizeŽn hielden er hun eigen inzettingen op na, en meenden daarmee hun gerechtigheid op te kunnen bouwen.

Christus wijst die af. Geen inzettingen, geen mondelinge overlevering, geen traditie. Hij komt met de eis van de onderhouding van de Wet. Die toch zou en zal heersen, want de Koning zal heersen in gerechtigheid, en de vorsten naar recht Jes. 32. Zij die met Hem in het K.d.H. willen delen als vorsten, moeten het recht van de wet betrachten. Men ziet, dat hier een andere toon gehoord wordt dan in onze bedoeling. In een koninkrijk moet de wet heersen, in het Kon. d. H. moet Gods wet richtsnoer zijn. Christus komt dus tot IsraŽl met de eis van de wet. Jehovah's stem had het volk niet kunnen verdragen. Nu trad de Profeet op door Hem gezonden en eiste hetzelfde wat Jehovah gedaan had, maar zonder bliksem of duisternis of brandend vuur. Maar de eis was hetzelfde. Wie Zijn woord niet deed, van die zou het gezocht worden, Deut. 18:19. Ja, werd nog verzwaard. IsraŽl was in de wet geplaatst. Deze werd verscherpt tot de inwendige roerselen. Men zie in Mt. 5- 7 de eisen gesteld op het ingaan in Christus' rijk op aarde, het rijk der gerechtigheid.

8 Mt. 7:21 "Niet een iegelijk die tot Mij zegt: Here, Here, zal ingaan in het K.d.H., maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is."

Om in het Koninkrijk in te gaan, moest men 's Vaders wil doen. Die wil kon IsraŽl weten en werd nader door Christus bekend gemaakt. Hij was de als Mozes gezonden Profeet aan Wie God de woorden in de mond gegeven had, Deut. 18:18. Zijn leer was de Zijne niet, maar, van Hem Die Hem zond. Wat daarbuiten valt, is ongerechtigheid. Mozes reeds had daarvoor gewaarschuwd. Velen zullen eenmaal komen en tot Christus zeggen: "Here, Here hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd, en in Uw naam duivelen (Gr. demonen) uitgeworpen en in Uw naam vele krachten gedaan. En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend, gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt." En dan gaat vers 24 voort: "Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en ze doet; die zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man" enz. "En het zal geschieden de man die niet horen zal naar Mijn (Gods) woorden, die Hij in Mijn naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken", Deut.18:19. In vs. 20-22 is sprake van de valse profeten. In Deut.18:14 is sprake van guichelaars (spiritisten) en waarzeggers, in Mt. 7 van het demonen uitwerpen, wat ook op de spiritistische, lijn ligt.

Men ziet dat we de dingen van voren uit moeten verklaren, uit dat wat voorafgaat. We moeten ons daarom behoedzaam wachten dingen uit een latere bedeling terug te schuiven naar een vroegere. We zijn in Christus' tijd in een heel andere sfeer. Het gaat om de oprichting van het Kon. aan IsraŽl. De Here maakt de eisen daarvoor bekend. En Johannes heeft dat als voorloper van Hem gedaan. In Lukas kunnen we lezen, wat de eisen waren. Scharen tollenaars en krijgslieden konden ze betrachten. Zie Luk. 3:1-4. Hij kwam met eisen van sociale gerechtigheid in overeenstemming met Jesaja's eis: "Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handeling van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen, leert goed te doen, zoekt het recht; helpt den verdrukten, doet den wees recht, behandelt de twistzaak van de weduwe" Jes. 1:16, 17.

Dat moest IsraŽl eerst leren. En dan kon plaats hebben, wat er dan volgt: "Komt dan en laat ons te zamen richten, zegt de Here, al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als (witte) wol" vs. 8. "Indien gij gewillig zijt en hoort, zo zult gij het goede dezes lands eten, maar indien gij weigert en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden" vs. 19, 20. "Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk (onuitblusbaar) vuur verbranden" Mt. 3:12. Dit zal mede de slagregen zijn van Mt. 7:26, 27.

MT. 8.

9 Mt. 8:11 "Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van Oosten en Westen en zullen met Abraham, Isaak en Jakob aanzitten in het K.d.H. en de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn en knersing der tanden."

Aan Abraham, Isaak en Jakob is het land Kanašn beloofd, niet "het hemelse Kanašn," maar het gehele land zoals Gen. 17 zegt. De kinderen des Kon. zijn de IsraŽlieten. Die dachten aan een letterlijk Koninkrijk en vormden dat letterlijke Koninkrijk. Daaruit zouden ze uitgeworpen worden in de buitenste duisternis, en anderen zouden hun plaats in Kanašn innemen. De Here doelt hier op het toekomstig gericht. Dan zal Hij IsraŽl zuiveren en het volk uitzuiveren en de verstrooide oprechte IsraŽlieten in het beloofde erfdeel brengen, de zondaars daar uit verdelgen. De buitenste duisternis is niet de vuurbrand van de middeleeuwsche hel (hoe zou een brandend vuur duisternis kunnen zijn?), maar het verstoken zijn van de Messiaanse zegeningen in het land IsraŽls.

Het aanzitten in de helder verlichte feestzaal wordt gesteld tegenover de dikke nachtelijke duisternis daarbuiten. Dat is de beeldspraak. De letterlijke zin is: Vele Heidenen zullen IsraŽls zegeningen ontvangen, vele IsraŽlieten er van verstoken worden.

MT. 10. ALLEEN VOOR ISRAEL.

10 Mt. 10:7 "En heengaande predikt; zeggende: Het K.d.H. is nabij gekomen."

Dit is de last gegeven aan de 12 discipelen, zie vs. 2-4. De Here zendt die uit tot algemeene proklamatie van het K.d.H. Wat moesten ze doen? Naast de, prediking kranken genezen, melaatsen reinigen, doden opwekken, duivelen (demonen) uitwerpen vs. 8. Wat was de sfeer van dat K.d.H.? Uitsluitend IsraŽl. Deze 12 heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet henen gaan op den weg der heidenen, en zult niet ingaan in eenige stad der Samaritanen, maar gaat veel meer henen tot de verloren schapen van het huis IsraŽls vs. 5, 6. Men ziet, dat de sfeer van het K.d.H. tot IsraŽl beperkt is. IsraŽl was het volk voor wie het K.d.H. nabij gekomen was. Weer een bewijs dat het een aards Kon. is. IsraŽl kende geen "hemels" Kanašn d.i. hemel van de westerse theologie. Ook zou het niet als volk daarheen opgenomen worden. Het K.d.H. betrof een aards Koninkrijk, het is een aardse sfeer.

11 Mt. 11:11 "Voorwaar zeg Ik u, onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes, de Doper, doch die de minste is in het K.d.H. is meerder dan hij."

Deze tekst is velen duister. Men meent, dat de minste in het K.d.H. de kleinste in het geloof is in deze bedeling en zal staan boven Johannes. Dit zegt deze tekst evenwel niet. Er staat niet: de kleinste, maar: de kleinere Gr. mikroteros. En het woord mikros slaat niet op lengte, dus geestelijk genomen niet op grootte, maar op leeftijd. We kunnen hier dus lezen: De Jongere in het K.d.H. En die Jongere is dan Christus Zelf. Men ziet hoe alles nu veel beter loopt. En Johannes Ťn Christus behoren tot het K.d.H., maar de Jongere, de Latere in geboorte (naar Zijn mensheid) en naar Zijn optreden, is meerder dan Johannes.

MT. 11. DE GEWELDHEBBERS

12 Mt. 11:12 "En van de dagen van Johannes den Doper tot nu toe, wordt het K.d.H. geweld aangedaan Ťn de geweldigen nemen het met geweld."

Ook deze tekst heeft veel moeilijkheden veroorzaakt. Zien we in, wat het K.d.H. is, dan ligt de oplossing dichter bij. Het K.d.H., door Johannes aangekondigd, werd geweld aangedaan. De St. V. heeft het werkwoord hier passief (lijdend) genomen: wordt aangedaan. Het Grieks heeft dat niet: Van af de dagen van Johannes dringt het K.d.H. zich met geweld op (brazelai) (en wel aan de aandacht van de mensen). De passieve (lijdende) vorm, komt noch met de feiten noch met het verband overeen. In Luk. 16:16 komt het werkwoord brazelai nog eenmaal voor; nu is het beter vertaald. Daar staat: "

Wet en Profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Kon. Gods verkondigd en een iegelijk doet geweld op hetzelve" (brazelai).

Men ziet hoe hier dezŤlfde vorm staat. In Mt. vertaalde de St.V. het passief, in Luk. actief. Strikt genomen is het noch het een noch het ander, 't is de middelvorm, die beide betekenissen in zich draagt: Zich met geweld opdringen. Uit een vondst in de Papyri blijkt, dat dat zich met geweld opdringen of indringen bij afgodische heiligdommen plaats had om, het offer aangenaam te maken. De offeraars drongen zich met geweld naar binnen, de tegenstand of belemmeringen overwinnende. De geweldhebbers komt slechts eenmaal voor, en wel hier. Er staat niet de geweldhebbers, maar geweldhebbers nemen het met geweld (Arpazeo). Dit woord komt hier het eerst voor en verder in

  • Mt. 13:19... de boze (komt) en rukt weg hetgeen in zijn hart gezaaid was.
  • Verder in Joh. 6:15: met geweld nemen,
  • 10:12 de wolf grijpt ze,
  • 10:28 niemand zal ze uit Mijn hand rukken, zo ook 10:29.
  • Hand. 8:35 de Geest nam Filippus weg
  • Hand. 23:10 hem (Paulus) uit het midden wegrukken,
  • 2 Cor. 12:4 dat hij opgetrokken is geweest;
  • zo ook 1 Thess. 4:17 wij... te samen met hen opgenomen worden.
  • Judas 23: grijpt ze uit het vuur,
  • Openb. 12:5. het kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.

Het woord heeft de betekenis van plotseling, snel iets wegnemen zoals de vogelen snel het zaad wegpikken, de wolf snel zich op een schaap werpt en dat verscheurt. Paulus is plotseling uit de volksmenigte weggerukt, ook plotseling van de aarde verplaatst naar het paradijs. Als iets in het vuur valt, rukt men het er snel uit. De gelovigen worden in een punt des tijds veranderd en van de aarde weggenomen.

De Here Jezus zegt dat geweldhebbers of geweldigen het K.d.H. wegrukken. O.i. hebben we hier te denken aan een vijandige macht. Niet die van Schriftgeleerden en FarizeŽn, zoals een van de hoofdverklaringen leert, maar gezien het voorkomen van het woord in Mt. 13 worden hier boze geestelijke machten bedoeld. In Mt. 13 zijn dat de vogelen des hemels, die het zaad wegrukken, vs. 4, demonische of boze geestelijke invloeden, die maakten, dat IsraŽl het K.d.H. niet aannam, 13:19. Het was wel nabij gekomen, maar kon terug wijken. En dit is ook geschied. Evenals Epafrodites nabij de dood gekomen was, Fil. 2:27 (zelfde woord), maar die dood weer week, zo was wel het K.d.H. nabij gekomen, maar trok zich na de verwerping van Christus en de Geest terug. De Here Jezus bedoelt dus, dat vanaf Johannes' dagen geestelijke machten zich in het K.d.H. binnen drongen en die geweldigen verhinderden dat het kwam. Met geweld rukten zij het weg en verblindden IsraŽls inzicht.

MT. 13. ACHT TEKSTEN.

13 Mt. 13:11 "En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen. En Hij hen antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het K.d.H. te weten, maar dien is het niet gegeven."

In Mt. 12 hebben IsraŽls oversten Christus als Profeet en Koning verworpen. De Meerdere dan Jona vs. 40, 41, de Meerdere dan Salomo, vs. 42 werd verloochend; IsraŽl aanvaardt Zijn Koning niet. Nu openbaart Christus wat plaats zal hebben in de tussenbedeling van de verwerping en de oprichting.

In Mt. 13 hebben we de verborgenheden van het K.d.H., dat is dus het Kon. aan IsraŽl op te richten. Voor we iets naders daar over zeggen, willen we zien, waarmee dat Kon.d.H. vergeleken wordt, of waarbij het voorkomt.

14 Mt. 13:24 "Het K.d.H. is gelijk een mens die goed zaad zaaide in zijn akker".

15 Mt. 13:31 "Het K.d.H. is gelijk een mosterdzaad".

16 Mt. 13:33 "Het K.d.H. is gelijk een zuurdeesem".

17 Mt. 13:44 "Wederom is het K.d.H. gelijk aan een schat in den akker verborgen."

18 Mt. 13:45 "Wederom is het K.d.H. gelijk aan een koopman die schone paarlen zoekt."

19 Mt. 13:47 "Wederom is het K.d.H. gelijk aan een net geworpen in de zee."

20 Mt. 13:52 "Daarom een iegelijk schriftgeleerde, onderwezen in het K.d.H...."

Men ziet, dat deze term 8 maal voorkomt in Mt. 13. De behandeling van dit hoofdstuk geven we als nieuw onderdeel.



De 8 gelijkenissen van Mt. 13.

DE VERBORGENHEDEN VAN HET K.d.H.
Mt. 13 is een belangrijk hoofdstuk. We willen eerst de struktuur geven, daarna bespreken. De struktuur is ontleend aan de Comp. Bible en als volgt:

A1 1, 2, Plaats. Vertrek. Uit het huis.

B1 3-9 Eén gelijkenis: de Zaaier.

C1 10-23 Vraag van de discipelen.
                  Antwoord niet verstaan.

D1 24-33 Drie gelijkenissen.
      Een andere, een andere, een andere.

E1 24-35 Scharen.

A2 36- Plaats. Vertrek. In huis.

E2 -36-43 Discipelen..

D2 44-50 Drie gelijkenissen.

C2 51 Vraag aan de discipelen.
           Antwoord verstaan.

B2 52 Eén gelijkenis. De Schriftgeleerden.

A3 53 Plaats. Vertrek "van daar".


Een verborgenheid in de Schrift is een geheim, of geheimenis, dat tot zekere tijd niet is geopenbaard, maar als het geopenbaard is, even duidelijk als de reeds geopenbaarde waarheid kan verstaan worden door hen, aan wie het geopenbaard wordt. In het O.T. nu worden het lijden en de heerlijkheid van Messias vlak achter elkaar gezien. We geven nogmaals twee voorbeelden.

"Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op Zijn schouders" Jes. 9:5, 6.

"De Geest des Heren Heren is op mij, omdat de Here Mij gezalfd heeft om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen. Hij heeft mij gezonden om, te verbinden de gebrokenen van hart, om den gevangenen vrijheid uit te roepen en den gebondenen opening der gevangenis, om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heren en den dag der wrake onzes Gods, om alle treurigen te troosten," enz. Jes. 61:1-3.

De Profeten zagen deze Messiaanse openbaring vlak achter elkaar. Wel was er iets in hen, dat hen de tegenstelling deed inzien in het lijden, maar dat te doorgronden konden en mochten ze niet. God openbaarde hen, dat zij niet zichzelven, dus hun tijd, maar een latere bedienden. Ze worstelden met het probleem van Christus' lijden en heerlijkheid. Hoe konden deze zo vlak na elkaar komen. Hoe kon het welaangename jaar des Heren gevolgd worden door de dag der wrake, hoe kon de gegeven Zoon direkt de heerschappij dragen en Zijn naam direkt uitblinken als Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst. Dat nu doorvoelden ze, maar doorzagen het niet. Christus Zelf geeft, zoals we zagen, hier de oplossing door van Jes. 61:1-2a te verklaren: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld Luk. 4:21. Hij las niet het verdere, vers 20 en maakte daarmee een insnijding. Hij zette de delen, die achter elkaar, staan, van elkaar. Hij schoof ze uiteen.

Hierin ligt de verklaring voor de nog onvervulde profetie. Ze zal letterlijk vervuld worden over hen, over wie ze gesproken is. Maar de tijden van de vervulling van de afzonderlijke delen is niet dezelfde. Tussen het eene en het andere deel kunnen eeuwen liggen. Het welaangename jaar voor IsraŽl is voorbij, de dag der wrake niet. Tussen beide delen liggen reeds 19 eeuwen. Hoe komt dat? Omdat het Koninkrijk uitgesteld is. De oorzaken daarvan vinden we in de verborgenheden van het K.d.H., in Mt. 13. Daar worden ons de oorzaken van het uitstel van de verdere vervulling aangegeven, en wel in gelijkenisvorm. Gelijkenissen zijn daarom niet gegeven om lessen in moraal of ethiek te geven, niet voor evangelisatiedoeleinden, niet voor evangelie verkondiging. De gelijkenissen van Mt. 13 en andere plaatsen moet men inzien en uitleggen naar de tijdsbedelingen in het K.d.H. Ze dienen om: iets, te verbergen voor de buitenstaanders "uit het huis" en om iets te openbaren voor hen, die verkoren worden ingewijden te zijn, "in het huis" St. V. naar het huis, vs. 36. De discipelen vernemen het waarom van de mislukking van IsraŽl en krijgen inzicht in het verloop van de Koninkrijksgebeurtenissen.

8 GELIJKENISSEN.
Mt. 13 heeft 8 gelijkenissen, geen 7. We wezen daar reeds op in de eerste struktuur. We geven nog een struktuur, die enkele bijzonderheden uitwerkt en het achttal duidelijk doet uitkomen.

A1 1-9 De Zaaier. Vierderlei bodemgesteldheid,
             Israël verstaat niet.
De eerste vier gelijkenissen gesproken buiten
het huis
tot grote scharen.

B1 24-30 Het onkruid. Goed en slecht tesamen, gescheiden bij de oogst, d.i. het eind der eeuw. Het slechte wegge worpen om te verbranden. Wening en knersing der tanden.

C1 31, 32 Het mosterdzaad.
                  Eén boom.

D1 33 Het zuurdeeg. Verborgen in 3 maten meel.

D2 44 De schat. Verborgen in het veld.

De laatste vier gelijkenissen gesproken
in het huis tot de discipelen

C2 45, 46 Schone paarlen,
                  Eén parel.

B1 47:50 Het Net. Goed en slecht te samen. gescheiden aan het eind der eeuw. Het slechte weggeworpen. Wening en knersing ter tanden. De discipelen verstaan.

A2 51-52 De Schriftgeleerde. De schat geopend voor hen die in huis zijn.



Men ziet uit deze uitgewerkte struktuur nog schoner de innerlijke harmonie. Geen enkel boek is op deze wijze zo parallel en systematisch opgebouwd. Hiermee bewijst de H.S. haar Goddelijk karakter en spot met alle kritiek.

In de eerste 4 gelijkenissen toont de Here aan waarom en hoe IsraŽl mislukt. Enkele korte aantekeningen:

1. De Zaaier.
Vierderlei grond, vierderlei bediening in Israël.

  1. Bij de Weg. Bediening van Johannes "Bij de weg" Luk. 3:7, 8, Mt. 21:32.
  2. Op steenachtige plaatsen. Bediening van Christus. Voor een tijd Luk. 4:14-29 Mt. 27:19-25.
  3. Onder de doornen. Bediening van de 12 Apostelen in Handelingen "Onder de doornen" Hebr. 6:8 Hand. 8:13.
  4. Goede aarde. Vrucht. Bediening in de tijd van het einde. Aangenomen Jes. 60:21, Rom. 11:26, Hos. 14:7 enz.

Vanzelf waren in alle vier van deze bedieningen vierderlei soort personen. Ook onder Christus' bediening was er goede aarde. Zij zullen hun deel niet missen. Hen wacht de ingang in het K.d.H. bij de eerste opstanding. Ook was er onder Johannes' bediening goede aarde. Denk aan de 2 discipelen die tot Jezus kwamen Joh. 1. De vier bedieningen in hun geheel bezien vertonen echter de 4 erlei- gesteldheid van de akker.

De zaaier is niet Christus maar een zaaier in het algemeen.

Deze gelijkenis laat een ruime toepassing toe voor alle tijden. Overal waar Gods woord gebracht wordt heeft het deze uitwerking. De uitlegging geldt IsraŽl.

2. Het onkruid.

  • Een mens die zaait. De Zoon des menschen vs. 24-37.
  • Akker de wereld vs. 24, 38.
  • Het goede zaad de kinderen des Koninkrijks vs. 24 en 38.
  • Het onkruid de kinderen des boozen vs.25 en 38.
  • De vijand de duivel vs. 25 en 39.
  • De oogst de voleinding der "wereld", Gr. aioon = eeuw vs. 30, 40.
  • De maaiers de engelen vs. 30 en 41.

De Here legt deze gelijkenis Zelf uit. We hebben er niets bij te voegen. Alleen moet t.o.v. de vertaling hier opgemerkt worden, dat in vs. 39, 40 en 49 in het Gr. teIkens dezelfde uit drukking staat n.l. sunteleia tou aioonos. Deze is vertaald door: voleinding der wereld in vs. 39 en 40 en voleinding der eeuwen in vs. 49. Geen van deze, is juist. Er moet staan: voleinding der eeuw. Vertaling is hier zeer gebrekkig. (Zie: De Tijden der Eeuwen).

3. Het Mosterdzaad.
Overmatige groei. Mosterdzaad is een moeskruid vs. 32 wordt geen boom tenzij door onnatuurlijke aanwas. Zo zal het afvallige IsraŽl in de eindtijd overmatig aanwassen en de grote Hoer van De Openbaring worden die in Babel tronen zal. Het was het kleinste onder de volken Deut. 7:7, werd nu een boom met vogelen er in. Vogels zijn symbool van boze machten, zie vs. 4 en 19, Op. 18:2 (onreine geesten en alle onrein en hatelijk gevogelte). Christus tekent ons hier de wereldheerschappij van IsraŽl onder de Antichristus.

4. Het Zuurdeeg.

  • Steeds teken van bederf in de H. S., zie Ex. 12:15
  • Zuurdesem, de leer van de FarizeŽn en schriftgeleerden, Mt. 16:6-12; zie ook Mk. 8:15,
  • geveinsdheid, zie Luk 12:1.
  • Oude zuurdesem moet uitgezuiverd worden volgens Paulus, 1 Cor. 5:6- 8, Gal. 5:9.
  • 't Is de desem van kwaadheid en boosheid, 1 Cor. 5:8. Zie voorts Ex. 34:25, Lev. 2:11, Am. 4:4, 5.

Drie maten meel. Dat is de reine natuur van Christus, zie Lev. 2:11. Door IsraŽl zal Zijn drievoudig ambt, verricht in die reine natuur, het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt, zo verwrongen en verleugend worden, dat de Antichristus Christus' plaats zal innemen. Anti = in de plaats van. De vrouw, IsraŽl, is de vrouw van Jehovah. Zij wordt tot hoer. Alles doorzuurd. De hele wereld door die leer doortrokken. Wel verre dat dit een beeld zou zijn van de doorwerking van het Christendom zoals men graag beweert, is het beeld van de doorwerking van het Antichristendom, van de geest van de Antichristus.

Hiermee sluit de eerste helft af, Christus laat zien, waarom IsraŽl mislukt en waarom het K.d.H. dat nabij is, wijken zal. Is dat nu het einde? Neen, want Gods roeping en verkiezing zijn onberouwelijk. De tweede reeks toont ons de innerlijke werkzaamheid Gods met Zijn volk tot oprichting van het Koninkrijk.

5. De Schat.
Dat is IsraŽl. De Akker is de wereld vs. 38. De Vinder is Christus. Christus vindt het volk des eigendoms Ex. 19:5, 6; Deut. 14:2; 26:18 in de wereld. Hij koopt die wereld door Zijn dood en daarmee IsraŽl, om het eenmaal te bezitten. IsraŽl nu verborgen tot dat Christus als Zijn Koning komt, Op. 11:15.

6. De Parel.
Dat is IsraŽls overblijfsel. De parel ontstaat door lijden in de wateren. Zo zal IsraŽls overblijfsel geheiligd worden door lijden onder de volken, in de eindtijd, Op. 17:15. Versiert de Hoer zich o.a. met parelen, Op. 17:4, deze groep is een parel op zichzelf. De Koopman heeft reeds alles verkocht en deze parel zal Zijne zijn. Ze vormt waarschijnlijk de Bruid. Deze zal er althans ook in begrepen zijn.

7. Het Net.
Tegenhanger van het onkruid. Uit de zee der volken zal God het net laten trekken van IsraŽls bijeenvergadering. In het K.d.H. worden de goeden en bozen gescheiden aan het eind der eeuw. De afvalligen worden gescheiden van de Godgetrouwe kinderen IsraŽls. Door de engelen.

8. De Schriftgeleerde.
De discipelen behoorden tot die groep. En verder allen die in IsraŽl Jezus als Messias erkennen en Zijn naam zullen brengen onder hun volk. De nieuwe dingen zijn mogelijk de N.T. Openbaring, wat betreft dan de boeken die voor de besnijdenis zijn (EvangeliŽn - Jacobus, 1-2 Petrus, 1-3 Joh., Judas, Openb.)

MT. 16 GIJ ZIJT PETRUS.

21 Mat. 16:19 "En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus; en op deze Petra zal Ik Mijn gemeente bouwen en de poorten der hel (hades = dodenrijk) zullen haar niet overweldigen, (d.i. in macht overtreffen). En Ik zal u geven de sleutelen van het K.d.H. en zo wat gij zult binden op de aarde (in het land) zal in de hemelen gebonden zijn, en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn."

Deze tekst is ontzettend misverstaan. Allereerst door Rome, dat daarop zijn Pauselijke stoel stelt. Maar niet minder door het Calvinisme, dat daarop zijn ban of uitsluiting uit het Lichaam van Christus grondt. Wanneer we niet inzien, wat het K.d.H. is, loopt vanzelf de verklaring van deze tekst vast. Dat begint reeds met vs. 18. De Here zegt tot Petrus: Gij zijt Petrus d.i. een steen. En op deze Petra zal Ik Mijn gemeente bouwen. Rome zegt: Dat is op Petrus. Maar dat staat er niet. Niet op Petrus is of wordt de gemeente gebouwd. Waar zouden de andere apostelen der Besnijdenis blijven. En Paulus. Er staat: op deze Petra. Dat is Petrus' belijdenis, zegt de Reformatie, bijzonder het Calvinisme. Maar dat staat er ook niet. Dan had de Here wel het woord homologia gebruikt. Hij zegt echter: Petra d.i. Rots of Rotssteen. En dat is Hijzelf. Hij bouwt geen gemeente op 'n mens. Veel minder op ťťn mens. Dat ware het heil verleggen naar de plaats die voor altijd ongeschikt, ontoereikend en onmachtig is. Hij bouwt Zijn Gemeente, hier uit IsraŽl, op Zichzelf, Jes. 28:16; Ps. 118:22: 1 Petr. 2:7. Ware ze op Petrus gebouwd, dan zouden de poorten der hel (dodenrijk) haar wel in macht overtreffen, want Petrus is gestorven en wacht nog op de opstanding. Alleen op Hem, die geen verderving heeft gezien, is ze veilig gebouwd.

Nu de sleutels van het K.d.H. We moeten ook hier handhaven, dat het K.d.H. het Messiaanse Koninkrijk over IsraŽl is. Aan Petrus nu werd de macht gegeven die hij later met de andere apostelen delen moet, Mt. 18:18: Gij (meervoud) om dat Kon. te openen of toe te sluiten. Hij opent', het in Hand. 2: "U komt de belofte toe (voor dat Kon.), en uw kinderen." Hij sluit dat b.v. bij Ananias en Saffira Hand 5, bij Simon de Tovenaar Hand. 8. Het K.d.H. betreft niet het Lichaam. Daarvoor werd alleen Paulus geroepen. Het K.d.H. ligt op het terrein van de Besnijdenis. De 12 Apostelen gingen alleen tot de Besnijdenis Gal. 2:7-9. Derhalve kon Petrus zich geen macht aanmatigen over de gelovigen uit de Heidenen. Hiermee valt de Pauselijke machtsverheffing en de Calvinistische machtsaanmatiging. Tussen Hoofd en Lichaam staat geen sleutelmacht. Tussen Koning en onderdaan zeer wel.

Nu krijgen we nog de woorden: Wat gij binden zult op de aarde zal in de hemelen gebonden zijn. Voor aarde is ook land te lezen, maar ook als we het nemen in de betekenis van aarde, dan nog betreft die aarde alleen de sfeer van IsraŽl, want Petrus heeft geen roeping gehad voor de Heidenen. Hij blijft IsraŽlietisch Apostel, zie 1 Petr. 1:1, 2:9, (Ex. 19:6), 2:12, 2 Petr. 3:4. Hij is voor IsraŽl, krijgt geen macht over de Heidenen. Hij is bedienaar der Besnijdenis. Onder hemelen hebben we een afkorting te verstaan en wel K.d.H., pas door de Here genoemd. Maar dan naar zijn openbaring in de toekomende eeuw, als de Here Koning zal zijn op de aarde en al de koninkrijken onder de ganse hemel Zijns zullen zijn.

Ik zal u geven de sleutelen van het K.d.H.
Zo wat gij binden zult op de aarde.
Zal in de hemelen gebonden zijn.
Zo wat gij ontbinden zult op de aarde
Zal in de hemelen ontbonden zijn.

Wat is nu die binding of ontbinding? Dat blijkt uit Joh. 20:23: "Zo gij iemands zonde vergeeft, dien zijn zij vergeven, zo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden."

Aan Petrus en zijn mede-apostelen (zie Mt. 18:1, 18) wordt de macht gegeven tot zonde vergeving. Die macht oefenen zij uit in Hand. zie 4:37, 5:1-10. In Paulus' evangelie is geen sprake van zonde vergeving maar van rechtvaardiging. Vergeving toont de schuld, rechtvaardiging ontkent schuld. Ook zo blijkt, dat de sleutelen niet door gaan voor de gelovigen tot wie Paulus' evangelie komt. Voorts wordt wel aan hen die macht gegeven, maar niet gezegd, dat zij die kunnen of mogen of moeten overdragen aan anderen of opvolgers. Zo hebben de sleutelen van het K.d.H. geen betrekking op hen voor wie Paulus geroepen is. De sleutels van het K.d.H. zijn nooit overgedragen, zelfs niet aan Paulus. Ze bleven in handen van de 12 Apostelen, geroepen in Christus' aardse bediening en blijven mogelijk ook in de toekomende eeuw bij hen berusten.

MT. 18 ALS DE KINDERKENS.

22 Mt. 18:1 "Te dierzelver ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het K.d.H.? En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen en zeide: ..."

23 Mt. 18:3 "Voorwaar, zeg Ik u, indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het K.d.H. geenszins ingaan."

24 Mt. 18:4 "Zo wie dan zichzelven zal vernederen gelijk dit kindeke, deze is de meeste in het K. der H."

Wie hfdst. 18 verder naleest, zal zien dat het geheel staat in de sfeer van het Koninkrijk. Om daarin in te gaan moest men eerst andere gedachten krijgen, metanoieoo, dan zich veranderen, epistrefoo, zich omkeren, wederkeeren tot God. De kleinen worden gezien als te behooren tot de schapen, zie vs. 13, 14. Hij die de meeste wil zijn, moet eerst als een kind worden, afhankelijk, zich vernederen, verootmoedigen, vs. 4. Het geroepen kind voelde zich klein, schroomvallig te midden van al die grote mannen. Zo zal hij die in het Kon. de meeste of grotere wil zijn, beginnen moeten zich eerst klein te gevoelen t.o.v. God en door wederkeer tot Hem met verootmoediging verheven kunnen worden tot een leidende positie. Het vlees wil zich die krachtens zijn vermeende hoogheid aanmatigen, doch alleen hij die zich klein leert gevoelen kan, zegt de Here, groot worden in het K.d.H. Dit woord heeft allen wat te zeggen, maar dan als inleiding tot hogere bedelingen. Er is geen andere weg tot het meerdere dan door in de geest ook de beginstadiums door te gaan. Christus geeft hiervoor in Mt.18 de basis. Dit bevestigt echter dat er een Koninkrijk in de lagere sfeer zal zijn, op aarde.

DE TALENTEN EN DE PENNINGEN.

25 Mt. 18:23 "Daarom wordt het K. der H. vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde." Men leze verder vs. 24-35.

Hier krijgen we weer een bevestiging van ons vorig betoog. De Koning, Christus, komt eenmaal om rekening te houden met Zijn dienstknechten. Deze typeren de koninkrijken onder de hemel. Eťn ervan, IsraŽl, is 10.000 talenten schuldig. Dit wordt geschat op zeker f 24.000.000 (24 milj.). De Koning schold dit bedrag kwijt. De dienstknecht, zeker een Satraap, d.i. oosters landvoogd, (anders had hij nimmer zooveel schuld kunnen maken) gaat vrij uit. Hij vindt een zijner mededienstknechten, die hem 100 penningen schuldig is Ī f 40. Dat is type van de heiden. Zeker, de Heidenen hadden zich aan IsraŽl vergrepen, maar IsraŽls schuld bij God was veel groter. Zij hadden schatten van zegeningen ontvangen en vergooid. En wat zien we nu? IsraŽl vergeeft de mededienstknechten, de heidenen, niet. Daarom wordt het pardon ingetrokken en wordt IsraŽl besloten in de gevangenis der volken, totdat alles betaald is. Waarin zal die betaling bestaan? Zeker wel hierin dat het zich schuldig voelt. Eerst dan zal de gevangenis open gaan om het vrij te laten. Hier staat een Goddelijk "tot dat". In de ware schuldbelijdenis zit het herstel. Aan IsraŽl zal alles ontnomen worden en als arme smekelingen zullen zij tot God moeten komen. Dan zal Hij andermaal en dan voorgoed de schuld kwijt schelden. Bovendien is de schuld betaald door Zijn Koning Zelf.

Het K.d.H. heeft dus te maken, niet alleen met een vergeving van zonden, maar zelfs met een voorwaardelijke vergiffenis.

MT. 19.

26 Mt. 19:12 "Want daar zijn gesnedenen die uit moeders lijf alzo geboren zijn, en daar zijn gesnedenen, die van de mensen gesneden zijn, en daar zijn gesnedenen, die zichzelve gesneden hebben om het K.d.H.; die dit vatten kan, vatte het."

Deze tekst is door sommige sekten letterlijk toegepast. We geloven, dat Christus dit niet bedoeld heeft. De IsraŽliet mocht zich niet eens snijden.

Dat Christus' woord niet geheel letterlijk moet verstaan worden, blijkt uit de tekst zelf. Er zijn van de mensen gesnedenen. Dit is vanzelf letterlijk. Er zijn geboren gesnedenen. Hier geldt het geen letterlijke kastrering. Christus bedoelt, dat zij geen aandrang hebben tot sexuele gemeenschap en "de gave der onthouding" bezitten. Er, zijn er ook die zichzelven snijden. Moet men dit nu weer letterlijk nemen? We geloven van niet. Waar we eenmaal in de figuurlijke sfeer zijn gekomen, moeten we deze uitspraak ook als zodanig nemen. Niet letterlijk dus. De Here zegt daarom: Wie dit vatten kan, vatte het. Er zit dus meer achter dan de letterlijke zin.

In de eindtijd zullen er velen zijn die dit vatten. Dat zijn de 144.000 van De Openb. Op. 14:4 zegt van hen: "Dezen zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden." Voor maagden is hier beter te vertalen: maagdelijk, d.i. zonder sexuele gemeenschap zijnden en geweest zijnden. Het zijn allen mannen. Deze nu hebben zich "gesneden" om het K.d.H. Zij hebben niet willen huwen, omdat het in de eindtijd beter is dit niet te doen met het oog op de aanstaande (Gr.: tegenwoordig zijnde) vervolging, 1 Cor. 7:26; maar nog veel meer omdat zij zien dat zij alleen op deze wijze waardig geacht kunnen worden om te staan voor de Zoon des mensen, Luk. 21:36. Mogelijk zijn de zorgvuldigheden des levens dan zů groot, dat het beter is dan niet te huwen. En ook omdat er schier niet dan bevlekte vrouwen zijn.

27 Mt. 19:14 "Maar Jezus zeide: Laat af van de kinderkens en verhindert hen niet tot Mij te komen, want derzulken is het K.d.H."

De Here wil zeggen: Zij die aldus gestemd zijn, die een nederig gevoelen hebben, die eenvoudig zijn gelijk de kinderen; zie Mt. 18:2. Hij zegt niet, dat die kinderen het K.d.H. beŽrven zoude, maar de zodanigen.

28 Mt. 19:24 "En Jezus zeide tot Zijn discipelen: Voorwaar Ik zeg u, dat een rijke bezwaarlijk in het K.d.H. zal ingaan."

Om deze tekst te begrijpen, moet men inzien, dat we op IsraŽls bodem staan. De rijken konden daar niet dan bezwaarlijk ingaan in het K.d.H. Omdat zij eigendommen hadden die zij voor de Wet niet mochten hebben. In het Jubeljaar toch moest alles tot de eigenaren terugkeren (behalve de verkochte huizen in de stad). Wie dus rijkdommen bezat, bewees daarmee dat hij of zijn voorouders de wet niet onderhouden hadden.

De jongeling meende de wet volbracht te hebben. Uiterlijk was dan ook niets op hem te zeggen. Toch ontbrak er nog wat. Christus wijst hem daarop. Wil hij volmaakt zijn, dan moet hij alles verkopen en Hem volgen. Nu blijkt, dat de ware liefde ontbreekt. Hij wil nu zelfs de Wet niet eens onderhouden. Hij kan van zijn goederen geen afstand doen en heeft ze liever dan God en zijn naaste.

Waar hij de Wet niet wil volbrengen die wees op de Voleinder der Wet en de Schenker van het leven, kan hij ook niet tot het hogere komen, het eeuwige (aionische) leven. Dit wordt in Mk. 10:21 verbonden aan de vervolgingen en het kruis op zich nemen, het als een vreemdeling zijn in het land der belofte zoals Abraham. Dat kon de schat in de hemel geven en het aionische leven. Hij ging bedroefd heen, want hij zocht de schat in het aardse.

De eis aan de jongeling gesteld, gaat niet door voor onze bedeling. God eist thans van niemand zijn goederen te verkopen. Men ziet uit de eis, dat we op het terrein van de Wet staan waarbij Christus wel een hoger element voegt maar zonder de Wetseis op te heffen. Thans kunnen er zeer wel rijken zijn, 1 Tim. 6:17, 18.

MT. 20 DE ARBEIDERS IN DE WIJNGAARD.

29 Mt. 20:1 "Want het K.d.H. is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging om arbeiders te huren in zijn wijngaard."

Deze gelijkenis wordt gesproken naar aanleiding van Petrus' vraag en 's Heren antwoord in hfdst. 19:27-30.

Petrus en de anderen hadden alles verlaten. Wat zal hun nu geworden. Dan zegt Jezus: "Voorwaar zeg Ik u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de 12 geslachten IsraŽls."

De wedergeboorte is de tijd, als de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon Zijner heerlijkheid. Er staat niet: gij die Mij gevolgd zijt in de wedergeboorte. Dat kan niet. Vooreerst is Christus niet wedergeboren, dus kan niemand Hem daarin navolgen. Ten tweede wordt men wedergeboren, en is men dus niet actief, maar passief, kan men dus ook zo niet volgen. Ten derde: de Griekse vorm wijst een tijdsduur aan en staat in de 3e naamval, niet in de vierde, die een beweging naar iets toe aanduidt. De Wedergeboorte van IsraŽl heeft plaats in de toekomende eeuw. Dan zullen de Apostelen op 12 tronen zitten om IsraŽl te oordelen. Men ziet duidelijk IsraŽls herstel.

Christus zit nu niet op Zijn troon, maar op Zijns Vaders troon Op. 3:21. Dan zal Hij zitten op Zijn troon Mt. 25:31. Na Zijn wederkomst dus. En dan zijn Zijn Apostelen opgewekt, en tronen met Hem in IsraŽl.

Anderen die ook het hunne of de hunnen verlaten zullen hebben, ontvangen het eeuwige leven, 19:29 d.i. het leven van de toekomende eeuw. zoals Mk. 10:31 nadrukkelijk leert. "Maar velen eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten. Want het K.d.H. is gelijk aan een heer des huizen". Dit "want" zou niet mogelijk zijn als het niet ging over het aardse Kon. bedoeld in 19:28. Weer een bewijs dat het K.d.H. IsraŽlietisch in karakter is.

Dan geeft de Here de bekende gelijkenis. Alle arbeiders ontvangen evenveel, maar de laatste gaan voor de eerste. Zij die de hele dag arbeiden, zijn zij die Christus volgden in Zijn aardse bediening. Die ter derde ure kwamen, zijn zij die komen met de Uitstorting. Die ter 6e en 9e uren komen zijn als de Samaritanen en als Cornelius. Die ter 11e ure komen zijn zij die in de toekomst het evangelie des Koninkrijks zullen prediken tot een getuigenis, allen volken Mt. 24:14. Dan is het de laatste ure, 1 Joh. 2:18. (Johannes schrijft bij vooruitziening, dit woord en krijgt eerst dan zijn volle vervulling).

Weer blijkt dus dat het K. der H. het aardse rijk voor IsraŽl is. De laatsten die geroepen worden om het evangelie des Koninkrijks te predIken, zullen de eersten zijn om hun loon te ontvangen. Dat loon is het aionisch leven, d.i. het leven van de toekomende eeuw.

Waarom zullen zij de eersten zijn? Omdat zij levend ingaan en de anderen die reeds gearbeid hebben eerst moeten opstaan. Dat is de opstanding ten laatste dage, Joh. 11:24. Zij die als laatsten toch de eersten zullen zijn, leven en arbeiden al die dagen (en wellicht nog meerdere) voor het Koninkrijk.

Waar thans het Kon. uitgesteld is door een andere bedeling, is dit deel van Gods woord, n.l. het werk in de wijngaard, die het huis IsraŽls is, Jes. 5:7, ook onderbroken. Thans is de wijnstok, uit Egypte overgebracht, Ps. 80:9, met vuur verbrand en afgehouwen vs. 17. Eerst moet IsraŽl weder gebracht worden, (ten dele althans) vs. 20, zal de Here Zijn aanschijn kunnen laten lichten d.i. wederkomen om hen te verlossen. Tijdens het gedeeltelijk hersteld zijn, loopt de laatste ure.

MT. 22 DE UITNODIGING TOT DE BRUILOFT.

30 Mt. 22:2 "En Jezus antwoordende; sprak tot hen wederom door gelijkenissen zeggen de: Het K.d.H. is gelijk een zeker Koning, Die Zijn Zoon een bruiloft bereid had," Men leze ook de volgende verzen.

De verklaring. De Koning is God, de Zoon is Christus, voor Hem werd de bruiloft bereid. Een deel van IsraŽl dat Hem aanneemt als Messias, is de Bruid. Deze zien we hier echter niet getekend. Eerst in de toekomst wordt de Bruiloft gehouden, Op. 19. De dienstknechten gaan driemaal uit, tweemaal tot hetzelfde volk, eens, na hun vernieling en de verbranding van hun stad, op de uitgangen van de wegen. De genoden wilden niet komen. De bekendmaking van de Bruiloft had dus reeds eerder plaats gehad. Dat was dan ook de Oosterse gewoonte. Vaak meer dan een half jaar te voren werd zo'n vorstelijke bruiloft aangekondigd. Men had dus alle tijd om zich klaar te maken.

De eerste uitnodiging nu geschiedde door Johannes, de vriend des Bruidegoms, door Jezus en zijn 12 Apostelen en de 70 uitgezondenen. De genoden lieten echter op zich wachten. Als de ossen en gemeste beesten geslacht en alle dingen reeds gereed zijn, worden zij nogmaals genodigd, maar wilden niet komen. Dat typeert IsraŽl in de tijd van Handelingen. Toen was van Gods zijde alles gereed. Het Lam was geslacht, Hand. 3:18, 19, de Bruiloft kon beginnen. De toebereiding was voorbij Mt. 3:3; Luk 1:17. Maar IsraŽl acht het niet, het ging zijn eigen weg. Het nam de dingen licht op, Hebr. 2:3. De tekenen en wonderen en krachten van Pinksteren hadden ten slotte geen uitwerking ten goede. Ze bleven in hun gewone doen van akkerbouw en koopmanschap, zie Mt. 13:22 (de doornen).

De tweede uitnodiging maakte sommigen van hen boos. Ze grepen de dienstknechten en deden hun smaadheid aan. Men denke aan Petrus' en Johannes' gevangeneming Hand. 4:3, aan van de Apostelen smaadheid Hand. 5:41 aan Paulus' vervolging Hand, 8:3; 9:1. Er worden er zelfs ook gedood. Men denke aan Stefanus Hand. 7:59, 60, aan Jakobus Hand. 12:2. Om met een andere gelijkenis te spreken: de landlieden waren de wijngaard niet waardig.

Wat deed de Koning nu? Hij werd toornig en zond Zijn krijgsheren. De doodslagers werden vernield, hun stad in brand gestoken. Dat is geschied in het jaar 70. De Romeinen hebben IsraŽl vertreden, Jeruzalem in brand gestoken, velen gedood en hun nationaal bestaan in Kanašn onmogelijk gemaakt.

Tussen v. 7 en 8 van Mt. 22 ligt de tegenwoordige bedeling der verborgenheid evenals ze tussen het welaangename jaar des Heren en de dag der wrake onzes Gods ligt. De Koning heeft het bruiloftsfeest moeten onderbreken. Immers Hij heeft zijn heerlegers moeten zenden, en oorlog moeten voeren. Hoe zou Hij dan aan het houden van een bruiloft kunnen denken ? Daarna ó hoe lang wordt niet geopenbaard en is nog niet te zien ó zendt Hij wederom dienstknechten en zegt: De bruiloft is wel bereid, maar de genoden waren het niet waardig. De bruiloft blijft dus, God houdt Zijn bemoeienis met IsraŽl. Hij knoopt de lijn weer aan. De genoden van de vorige bedeling waren het bijwonen niet waardig evenmin als de landlieden de wijngaard. Maar God zal de wijngaard aan andere landlieden geven. Dat zijn niet de heidenen, want er staat voor anderen Alloi d.i. van dezelfde soort. IsraŽl wordt dus hersteld en krijgt andere landlieden over zich. Zo knoopt de Here weer aan, want het geldt nog steeds het K.d.H. van vs. 2. En als dat dŗŗr IsraŽl betreft, betreft het dat evenzo in vs. 8 bij de nieuwe uitnodiging.

De bruiloft is opgeschort. In de eindtijd moeten de knechten uitgaan op de uitgangen van de wegen en allen noden zovele als zij er vinden vs. 8. Ze doen dat en de bruiloftszaal wordt vol vs. 10. Dit typeert IsraŽls verstrooiÔng en mede hen, die zullen komen van oosten en westen en aan zitten met Abraham, Isašk en Jakob in het K.d.H. Zij gaven gehoor aan de uitnodiging.

De kinderen des Kon., dat is het toenmalige IsraŽl, worden uitgeworpen, andere, de verstrooiden, worden geroepen. Dat doet Jakobus, Petrus, Johannes en Judas in en door hun brieven, die voor IsraŽl zijn. Nu mogen allen, die de nodiging geloven, komen.

De wijngaard krijgt nieuwe landlieden. Hier krijgen we de vierde soort bodemgesteldheid, de goede aarde. Toch zijn allen nog niet gereed. Een van de aanzittende gasten heeft geen bruiloftskleed aan. Dat is de boze dienstknecht van Mt. 24:48-51. Die geloofde niet aan de komende Koning. Zij die zo het K.d.H., het Messiaanse rijk van Christus binnensluipen en zich geveinsdelijk onderwerpen, worden niet aan de bruiloft geduld en buiten geworpen bij de andere kinderen des Kon. die het reeds eerder zijn gedaan. Zij zijn het niet waardig, zie Mt. 10:37, 38; Hand. 13:46-52; zie vs. 51 en Mt. 10:14; Op. 3:4, 16 b; Luk. 20:35; 21:34-36.

Er komen goeden en kwaden. De engelen zullen ze scheiden Mt. 13. De reden wordt gegeven: Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren. Het bruiloftsfeest door de Koning aan gericht vraagt een kleed, De gerechtigheid der Farizeegn en Schriftgeleerden baat niet Mt.5, het fijne lijnwaad van de gerechtigheid der heiligen wordt geŽist, Op. 19:8. De roeping en verkiezing moet vastgemaakt worden 2 Petr. 1:5-11. In de laatste dagen zullen velen van IsraŽl gehoor geven aan de roeping tot de bruiloft, maar niet aller motieven daarvoor zullen voor God bestaan kunnen. Zij zullen niet allen mede aanzitten. Een wandel in oprechtheid en hoopvol uitzien naar de Bruidegom wordt geŽist, men moet het kleed van de rechtvaardigmaking der heiligen aan hebben, men moet gewassen zijn van de zonden, Op. 1:5 en gemaakt zijn tot koning en priester.

MT. 23. WEE U.

31 Mt. 23:13 "Maar wee u gij Schriftgeleerden en FarizeŽrs, gij geveinsden, want gij sluit het K.d.H. voor de mensen overmits gij daar niet in gaat en degenen, die ingaan zouden, niet laat ingaan." Dit is het eerste der 7 wee u's in dit hoofdstuk (vs. 14 ontbreekt n.l. in de betere handschriften.)

De FarizeŽn en Schriftgeleerden sloten Ťn voor zichzelf Ťn voor anderen het K.d.H. toe door hun leer en geveinsdheid. Hun leer bestond vooral uit inzettingen, die het gebod Gods krachteloos maakten, zie vs. 16, 18, 23. Het gevolg was geveinsdheid. Van buiten gereinigd, van binnen vol van roof en onmatigheid vs. 25, van buiten rechtvaardig, van binnen vol geveinsdheid en ongerechtigheid vs. 28. Zo werd het K.d.H. gesloten, men kon er niet ingaan. De gerechtigheid van het Kon. stond tegenover hun ongerechtigheid als de klare bergbeek tot het stinkend moeras.

MT. 25. DE 10 MAAGDEN.

32 Mt. 25:1 "Alsdan zal het Kon. d. H. zijn gelijk tien maagden, welke haar lampen namen en gingen uit, den bruidegom tegemoet."

Dit is de laatste tekst met de term K.d.H. Hij verplaatst ons naar de tijd van het einde, naar de laatste ure.

Alsdan. Wanneer? Als het is in de dagen van de toekomst van de Zoon des mensen Mt. 24:27. Voor wie is het K.d.H.? Voor IsraŽl. Want Mt. 24 handelt over IsraŽl. De Here Jezus voorspelt daarin 3 dingen: de verwoesting van de tempel, Zijn toekomst en het einde der eeuw (ten onrechte vertaald door voleinding der wereld 24:3 Gr. sunteleia tou aioonos. Zie Mt. 13:39, 40, 49).

In de eindtijd nu is het K.d.H., dus IsraŽls rijk, dat God weder als rijk inzet door IsraŽl ten dele in het land te brengen, gelijk aan de maagden die uitgaan tot ontmoeting van de Bruidegom. De gelijkenis is bekend, de verklaring is niet zo gemakkelijk. De gebeurtenissen gaan vanzelf vlak aan de toekomst Gr. parousia, vooraf, want men gaat uit de Bruidegom tegemoet. De gelijkenis is een aansporing om te waken. "Waakt dan", luidt vs. 13,

"want gij weet den dag niet noch de ure in dewelke de Zoon des mensen komen zal."

Niet allen die ingaan in het K.d.H. gaan in tot de Bruiloft des Lams. Het gaat hier niet over het zalig worden, zoals veelal uitgelegd wordt, maar over het waakzaam, zijn, de maagden leven wel in de verwachting van de toekomst, maar worden sluimerig en slapen alle in. De komst overviel haar bijna, alleen het middernachtelijk geroep doet hen ontwaken. Nu blijkt, dat niet allen op het lange uitstel gerekend hebben. Aan vijf harer ontbreekt de olie. Meestal wil men dat zo uitleggen, dat die vijf naam- of mondbelijders zijn, maar niet werkelijk wedergeborenen. Is dit zo, dan geven de 5 wijze maagden haar een zeer dwaze raad. Immers ze zeggen: Gaat heen en koopt olie bij de verkopers. Is de zaligheid dus voor geld te koop? Is, bij een of andere leraar heilige geest te verkrijgen, kan men nog gauw met een schuldbelijdenis geholpen worden? De gewone uitlegging die gegeven wordt, draagt van achteren uit iets in dat er niet in gelezen moet worden. De dwaze maagden hadden olie, maar niet genoeg. Wie meent, dat het kopen van de olie het middel is om zalig te worden, ontkent daarmee de volharding der heiligen. De fout zat niet in het niet hebben van de olie, maar in een tekort hebben aan olie, aan een niet klaar zijn. Allen werden sluimerig, maar de 5 wijzen hadden gerekend op een lang uitblijven; de anderen niet. Hun olie was niet toereikend d.i. zij waren niet bereid, zij waren niet voldoende verlicht. En om meerder licht te krijgen, moesten zij naar de verkopers.

Wie zijn nu die maagden in de eindtijd ? IsraŽlieten, die naar de toekomst des Heren uitzien en zich voorbereid hebben. Mogelijk zijn het groepen uit de 10 stammen die dan nog ten dele verstrooid zijn onder de volken. In de eindtijd vinden we de dan in hoofdzaak nog maar een gedeeltelijk herstel in Kanašn van de twee stammen Juda en Benjamin met enkelen uit de andere tien, terwijl de overgrote meerderheid van de 10 stammen nog buiten het land is. Waar niet gans IsraŽl de bruid is en er meer groepen bij de Bruiloft betrokken zijn (bruiloftskinderen, genoden, dienaren enz.) vormen de maagden ook groepen uit IsraŽl. Alleen de waakzamen gaan in tot de bruiloft, de anderen missen die.

Verklaring en toepassing moeten gescheiden worden. Het "alsdan" zegt ons, dat de vervulling nog niet heeft plaats gehad. Toch zijn er velen door het lezen van dit deel van Gods Woord opgeschrokken uit hun stille zondige gerustheid en zijn bevreesd geworden dat ook zij eenmaal buiten de zaligheid zouden staan. Zij hebben de Here aangelopen als een waterstroom en zijn gevorderd op de levensweg of hebben het pad des levens gevonden. Dat is de toepassing die Gods Geest maakt. Maar dat geldt dan een persoon. De uitlegging is voor de hele groep die leeft in die (toekomstige) tijd. Die groep moet waken omdat hij dag noch ure weet.

Tot slot zij gewezen op een verschil met Paulus' leer, wat wijst op een andere bedeling. Paulus schrijft in 1 Thess. 5:6 wel: "Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchter zijn." Maar aan het slapen d.i. het ingedommeld zijn, zodat die dag n.l. des Heren als een dief zal bevangen, is niet verbonden het buitengesloten worden. Want, zegt vs. 9 en 10, God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging van de zaligheid, door onzen Here Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen te samen met Hem leven zouden. Hier zijn we in een andere sfeer. Een met een rechterstoel. Niet van uitsluiting. Het werk van de slapende kan verbrand worden, maar hij zelf wordt behouden als door vuur 1 Cor. 3:12-15. Hij zelf mist het bij de Here zijn niet. En dat missen de dwaze maagden wel t.o.v. de Bruidegom. We willen daarmee niet zeggen, dat het niet erg is als men slaapt. Het is wel erg. Men zal het loon missen, wijl men niet mee gebouwd heeft op het Fundament. Maar wat God gebouwd heeft op dat Fundament, dat blijft staan. Er is geen afval der heiligen.

Hiermee sluiten we de lange uiteenzetting af en hebben tevens een overgang gemaakt naar het volgende punt: Het verschil tussen Kon. der hemelen en Kon. Gods. Vooraf willen we nog de parallel plaatsen in betrekking tot het bovenstaande en in de andere evangeliŽn nagaan.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden