Uit IsraŽls Profetie

IV. Het Boek Daniël

d. DANIEL 8

RAM, BOK, KLEINE HOORN.
We komen nu tot het gezicht van DaniŽl. De struktuur is als volgt:

B2 E1 1, 2 De omstandigheden.

Het gericht

F1 H1 a1 3, 4 De Ram.
              b1 5- De Bok.
                c1 -5-7 De Grote Hoorn.
                  d1 8- De Grote Hoorn verbroken.
                    e1 -8 Vier Horens.
                      f1 9-12 De Kleine Hoorn (toekomstig).

J1 13,14 Tijd Aantal dagen

G1 15,16 Bevel gegeven aan de engel
                 om Daniël de uitlegging te geven.

G2 17-19 Het bevel gehoorzaamd.

De uitlegging

F2 H2 a2 20 De Ram.
              b2 21- De Bok.
                c2 -21 De Grote Hoorn.
                  d2 22- De Grote Hoorn verbroken.
                    e2 -22 Vier Horens.
                      f2 23-25 De Kleine Hoorn (toekomstig).

J2 26 Tijd: "Vele dagen".

      E2 27 De omstandigheden.


Met DaniŽl 8 begint de Hebreeuwse taal weer gebruikt te worden:

"In het derde jaar van het koninkrijk des konings Belsazars verscheen mij een gezicht, mij DaniŽl, na hetgeen dat mij in het eerst verschenen was." Vs. 1.

Dat was twee jaar na de droom en de gezichten van hfdst. 7. DaniŽl as toen dus 86 jaar oud. Hij was toen niet in Babel, maar in de burg Susan, de hoofdstad van PerziŽ vs. 2, waarheen hij zich mogelijk terug getrokken had of geroepen was gedurende Nebukadnezars krankzinnigheid en nog vertoefde. Hij was toen in dienst van de koning van PerziŽ, want vs. 27 zegt: "... daarna stond ik op en deed des konings werk." Deze koning was Darius de Meder uit hfdst. 6, de Astyages uit de ongewijde geschiedenis. Velen zal het ongerijmd toeschijnen, dat de Ahasveros van het boek Esther 1:1, de Artaxerxes van Ezra (6:1) en Nehemia (2:1) en de Darius van DaniŽl (6:1) een en dezelfde persoon zijn en dat DaniŽl tijdgenoot was met Nehemia en Ezra. Men wete, dat de gehele menselijke chronologie in de war is en we op grond van de Schrift tot een geheel andere, althans zeer afwijkende komen. (Zie hiervoor dl. II De Tijden der Eeuwen hfdst. VII).

DE RAM.
In het gezicht dat DaniŽl ontvangt, ziet hij zich aan de vloed Ulai staan (de rivier, die langs Susan stroomt).

"En ik hief mijn ogen op en ik zag en zie, een ram stond voor dien vloed; die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de ene was hoger dan de andere en de hoogste: kwam het laatst op." Vs. 3.

De man, die later voor hem stond, vs. 13 moest DaniŽl de uitlegging te kennen geven, vs. 16. Nadat DaniŽl eerst in een diepe slaap gevallen was en aangeroerd was om wakker te worden, zegt de man tot hem:

"Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde van deze gramschap, want ter bestemder tijd zal het einde zijn." Dit wijst heen naar de toekomst.

"De ram, met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen." Vs. 19, 20.

De hoornen zijn zinnebeelden van macht en heerschappij. De twee lange hoornen wijzen op grote macht en uitgebreide heerschappij. Ze stellen het rijk van de Meden en Perzen voor.

De ene hoorn is groter dan de andere. Daarmee wordt uitgedrukt, dat de Perzische macht groter was dan de Medische. Koning Cyrus of Kores was een Pers. De hoogste hoorn kwam het laatst op. Dit is in overeenstemming met de historie. Eerst voerden de Meden de boventoon, wat later begonnen de Perzen, en krachtiger, de eerste viool te spelen. De ram met de twee ongelijke hoornen beeldt zo zeer juist het Medo-Perzische rijk af, dat nog in opbloei was en Babel nog niet ingenomen had, doch aan de vooravond stond van de gebeurtenissen. Immers in datzelfde jaar werd Belsazar gedood.

"En ik zag, dat die ram met de hoornen tegen het westen stiet en negen het noorden en tegen het zuiden en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan en daar was niemand, die uit zijn hand verloste; maar, hij deed naar zijn welgevallen en maakte zich groot." Vs. 4.

De ram stiet, d.i. ging oorlogvoeren. Hier hebben we allereerst aan Cyrus' veroveringen te denken. Hij stiet tegen het westen, d.i. tegen het Babylonische rijk. Jes. 46:2 zegt dan ook, dat God een roofvogel riep van het oosten, en in Jes. 41:2 heet Cyrus de rechtvaardige, die van de opgang der zon, dus het oosten, komt. Dit was van uit Palestina bezien. Vanuit Susan was het een stoten naar het westen.

In het stoten naar het noorden is Darius Hystaspis' beoorlogen van de Scyten en ArmeniŽrs te zien. De ram immers stelt niet Cyrus voor, maar het Medo-Perzische rijk, dus ook de volgende koningen. Voor dat rijk waren geen andere dieren, symbolen voor rijken, bestand. Ongeveer een eeuw lang beheerste Medo-PerziŽ de oude wereld. BabyloniŽ, LydiŽ, Klein-AziŽ, Egypte, EthiopiŽ en andere landen vielen het ten deel en het bezat groter gebied dan Babel ooit had. De ram kon er wezen, al was het dan ook naar het bestuur het rijk van zilver. Hij maakte zich groot en deed naar zijn welgevallen.

DE GEITEBOK.

"Toen ik dit overleide, zie daar kwam een geitebok van het westen over den gansen aardbodem en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijke hoorn tussen zijn ogen." Vs. 5.

Die harige bok nu is de koning van Griekenland en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning." Vs. 21. Aldus de uitlegger.

In vs. 5 zien we het derde rijk opkomen. Dit wordt getypeerd door een bok. De grote hoorn is Alexander de Grote, de eerste koning genoemd en wel omdat hij de eerste was, die over het verenigde rijk van MacedoniŽ en Griekenland heerste.

De bok roerde de aarde niet aan. Dit ziet op Alexanders grote snelheid in zijn veroveringstocht. Met slechts 35.000 man en weinig voorraad trok hij in 334 als jongeling van 20 jaar uit om PerziŽ te overwinnen. Het scheen onmogelijk. Het was evenwel Gods tijd.

"En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht. En ik zag hem naken aan den ram en hij verbitterde zich tegen hem en hij stiet den ram en hij brak zijn beide hoornen en in den ram was geen kracht om voor zijn aangezicht te bestaan en hij wierp hem ter aarde en hij vertrad hem en daar was niemand die den ram uit zijn hand verloste." Vs. 7.

In deze woorden geeft de Schrift de kernachtige en toch alles omvattende beschrijving van Alexanders onderwerping van Medo-PerziŽ. De grote hoorn stiet de ram neer na met groot geweld en grimmigheid op hem te zijn aangestormd. Dit geschiedde in 333 in de slag bij Issus, waarin hij Darius Kodomannus versloeg. Hierop veroverde Alexander Egypte, zette toen de veldtocht voort en versloeg in 331 in de slag bij Arbela het opnieuw tegen hem aangevoerde Perzische leger, waarna hem PerziŽ, BabyloniŽ en andere streken in handen vielen. Hiermee eindigde het Perzische rijk; beide hoornen waren afgebroken, niemand hielp het. Alexander was wereldveroveraar geworden.

"En de geitebok maakte zich uitermate groot, maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn." Vs. 8a.

Alexander ging nu voort en veroverde ook de oostelijke provinciŽn, ving toen zijn tocht naar IndiŽ aan, die hij echter moest opgeven. In Babel teruggekomen was hij thans verzadigd en weende hij, naar men zegt, omdat er niet meer werelden waren te veroveren. Reeds in 323, 12 jaar na zijn optrekken uit Griekenland, stierf hij tengevolge van zijn losbandig leven, en verzwakt door allerlei uitspattingen op 33 jarige leeftijd. De grote hoorn, waarmee de geitebok zich onweerstandelijk betoond had, was afgebroken.

DE VIER HOORNEN.

"... en er kwamen op aan deszelfs plaats (n.l. in de plaats van de grote hoorn) vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels." Vs. 8b.

"Dat er vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was: vier koninkrijken zullen uit dit volk ontstaan, doch niet met zijn kracht." Vs. 22.

Alexander liet geen opvolger na en het derde rijk had zijn grootste roem gehad. Voor de grote hoorn kwamen vier aanzienlijke hoornen in de plaats, doch zij waren niet als de eerste. Het rijk werd onder Alexanders veldheren verdeeld, doch eerst na langdurige krijg. De verdeling was als volgt:

  • Ptolomeus kreeg Egypte, LybiŽ, ArabiŽ, Palestina en een deel van SyriŽ. Dit is het Zuiden te noemen.
  • Kassander kreeg MacedoniŽ en Griekenland. Het Westen.
  • Lysimachus kreeg BythiniŽ, TraciŽ en MysiŽ. Het Noorden.
  • Seleucus kreeg SyriŽ, Babel, ArmeniŽ en de Oost-Eufraatlanden. Het Oosten.


DE KLEINE HOORN.

"En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd tegen het zuiden en tegen het oosten en tegen het sierlijke land. En hij werd groot tot aan het heer des hemels en hij wierp er sommigen van dat heer, namelijk van de sterren, ter aarde neder en vertrad ze; ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst van dat heer en van Denzelve werd weggenomen het gedurig offer en hij wierp de waarheid ter aarde en deed het en het gelukte wel." Vs. 9-12.

"Doch op het laatste huns koninkrijks als het de afvalligen op het hoogst zullen gebracht hebben, zo zal er een koning opstaan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande. En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven en zal geluk hebben en zal het doen en hij zal de sterken mitsgaders het heilige volk verderven. En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand en hij zal zich in zijn hart verheffen en in stille rust zal hij er velen verderven en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden." Vs. 23-25.

Velen menen, dat deze woorden reeds vervuld zijn in de tijd van Antiochus Epifanes, de bekende koning uit het Syrische rijk. Diens vader, Antiochus de Grote, had het land van de Joden, dat vanaf de deling van Alexanders rijk aan Egypte hal toebehoord, aan SyriŽ gebracht. Zijn zoon Antiochus Epifanes (de Verlichte), die van 175-168 v. Chr. regeerde, heeft de Joden zeer onderdrukt. Vandaar dat velen hem, voor de "Kleine Hoorn" houden. Het zou te ver voeren alles uitvoerig te behandelen. Alleen zij nog meegedeeld dat de Joden door de zonen van de priester Mathias verlost werden.

Bijzonder is Judas, bijgenaamd de MakkabeŽr, d.i. de Strijdhamer bekend. Hun strijd had tot uitkomst, dat de tempel vernieuwd werd, welke gebeurtenis de Joden elk jaar feestelijk herdachten, Joh. 10:22. Voor verdere bijzonderheden verwijzen we naar de boeken der MakkabeŽn en (of) naar: Geschiedenis der IsraŽlieten van T.M. Looman.

UITGELEGD DOOR DAN. 7.
Dat de afgeschreven verzen een voorvervulling gehad hebben in de dagen van Antiochus Epifanes, achten we mogelijk en waarschijnlijk, dat deze echter de "Kleine Hoorn" zou zijn, achten we buitengesloten. Evenzo andere meningen, die hierin enig ander reeds geleefd hebbend persoon of tegenwoordig stelsel zouden willen aanwijzen. We menen, dat de Kleine Hoorn nog toekomstig is en we in hem het Beest van Op. 13 moeten zien. We willen een en ander nagaan.

Dan. 8 moet mede uitgelegd worden door Dan. 7. Daar wordt de Kleine Hoorn reeds genoemd. We hebben reeds gezien, dat hij daar inkomt de 10 hoornen, vs. 8. Zie de verklaring aldaar bij vs. 8, 20, 21, 24-26. Als nu uit Dan. 7 blijkt, dat het Ant. Ep. niet kan zijn, waarom moeten we dat dan in Dan. 8 toch leren? Waar blijft dan het zich gelijk blijvende in de verklaring?

De Kleine Hoorn komt op nadat het vierde rijk er is. We zullen even aannemen ó niet toegeven ó, dat het vierde rijk van Dan. 7 het Romeinse rijk is. Is dan Ant. Ep. gekomen toen er 10 hoornen waren ó welke zijn dat geweest in die tijd in het Rom. rijk? ó en heeft hij er drie van uitgerukt ó welke? ó om, zelf het hoofd te worden. Is Ant. Ep. ooit keizer van Rome geworden na drie vorsten, stadhouders, konsuls of wie dan ook verslagen te hebben? Geen spoor van te vinden. Dus reeds zo genomen kan de Kleine Hoorn van Dan. 7 Ant. Ep. niet zijn. Als nu de Schrift in Dan. 8 weer van die Kleine Hoorn spreekt, moeten we hem nu ineens voor een ander houden? Dan zouden we hier hetzelfde doen als de Christenheid veelal doet men de termen Huis Jakobs, IsraŽl, enz., m.a.w. in het ene geval er een andere betekenis aan toekennen dan in het andere. We hebben uiteengezet dat de Kleine Hoorn van Dan, 7 het Beest is, we houden dus in Dan. 8 hem op grond van de zichzelf gelijkblijvende verklaring er ook voor.

UIT EEN VAN DIE.
Dat de Kleine Hoorn ook niet het Pauselijk stelsel of enige paus is, volgt uit de woorden: "Uit een van die". De Schrift leert, dat de Geitebok Griekenland is. Hij had een Grote hoorn. Dat was Alexander de Grote. Dat was 'n persoon en ook ťťn persoon. Daarna kwamen er vier aanzienlijke hoornen, zijn 4 generaals, 4 persůnen dus. Niet 4 stelsels. Dan komt er een kleine hoorn. Dat moet dus ook een persůon zijn, geen stelsel. Uit Dan. 8 volgt dus, dat het Beest een persoon is. Dus geen reeks van pausen of enig antichristelijk stelsel, een georganiseerde grůep van personen.

De Schrift leert ook, waar het Beest vandaan komt. Niet uit Rome, maar uit een van die, n.l. uit een van de 4 Grieks-Macedonische rijken, Hoe kan hij dan het Pausdom of een paus zijn, dat (die) uit een ander rijk is voortgekomen? Als we nog willen spreken van uit een rijk voortkomen, wat ook al onjuist is; want het Pausdom is geen produkt van het Rom. rijk, maar van de Paulus niet gevolgd zijnde Christenheid. Begon het Pausdom in een van de 4 Griekse staten? Is men in Griekenland Rooms Katholiek? Heeft het Pausdom of een paus drie rijken vernederd om zelf heerser te worden? Geen spoor van aan te wijzen.

De Antichristus komt uit ťťn van die, n.l. van de 4 rijken. De lezer zal weer zeggen: Maar die zijn er niet meer. Welnu, dan staan we voor hetzelfde geval als in DaniŽl 2, dan zullen ze weer op moeten komen. We hebben dat ook betoogd bij Dan. 7, dat het herstel dier rijken beschrijft, Hier wordt dit betoog nader bevestigd. Uit een van de 4 rijken, die er nu niet zijn, komt het Beest.

Uit welk? Dat wordt negatief gezegd, niet positief. De Kleine Hoorn maakt zich groot tegen het zuiden. Hij kan dus niet uit Egypte, het zuidelijk rijk, zijn. Hij maakt zich ook groot tegen het oosten, dus komt hij niet voort uit het oostelijk rijk ó SyriŽ, Hij kan dus zijn uit het westen, Griekenland, of uit het noorden, het rijk; waarvan het tegenwoordige Turkse rijk wellicht de kern is.

"En hij werd groot tot aan het heer des hemels en hij wierp er sommige van dat heer, namelijk van de sterren ter aarde neder en vertrad ze." vs 10

Dit ziet op de vervolging onder het vijfde zegel. Vele zielen worden gedood, De Here Jezus heeft hier ook het oog op als Hij in Mt. 24:9 zegt: Alsdan, n.l. als volk tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk zal opstaan, zullen zij u overleveren in verdrukking en zullen u doden en gij zult gehaat worden van alle volken om Mijns naams wil."

"Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst van dat heer en van Denzelve werd weggenomen het gedurig offer en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen." vs 11

De uitlegging, die dit gedeelte van Dan. 8 vervuld acht in de dagen van Ant. Ep., houdt geen voldoende rekening met wat de Schrift zegt. Die Kleine Hoorn wordt uitnemend groot tot aan het heer des hemels, het zaad van Abraham, dat zal zijn als de sterren des hemels. Gen. 15:5. Dit houdt in, dat hij zich met hen gelijk wil stellen, dat hij met hen ťťn wil zijn, Dat nu wilde Ant. Ep. in genen dele. Hij wilde de Joden verheidenschen. Er staat niet, dat hij groot werd tegen het heer, maar tot aan dat heer, Eerst daarna gaat hij ze vertreden, Nu wilde Ant. Ep. zich groot maken tegen Egypte, niet allereerst tegen de Joden, die reeds zijn onderdanen waren.

Ook staat er, dat hij groot werd tot de Vorst van het heer. Die Vorst was toen nog niet verschenen, Christus was nog niet geboren. Kende Ant. Ep. Christus? Zo neen, hoe kon hij zich dan groot maken tot aan die Vorst? Men lette er op, dat er weer staat: tot aan, niet: tegen. De nadere uiteenzetting van dit groot maken geeft 2 Thess. 2:4. De mens der zonde, de zoon des verderfs zal zich verheffen boven al wat God genaamd of als God geŽerd wordt, alzo dat hij in de tempel Gods (te Jeruzalem dus) zal zitten, zichzelf vertonende, dat hij God is. Is dat ooit door Ant. Ep. gedaan?

Men lette ook op de woorden: het heiligdom werd neder geworpen. Dit betekent niet: afgebroken, maar kan vertaald worden door: verworpen zoals in Jes. 14:19; in Jer. 22:28 door weggeworpen, in Ps. 22:10 en Ez. 19:12 door werpen.

Veel wat in Ant. Ep. dagen plaats vond kan men als voorschaduw rekenen van wat eenmaal in de Kleine Hoorn vervuld zal worden. Als we evenwel streng Schrift met Schrift uitleggen en uit Dan. 7 putten om Dan. 8 te verklaren, volgt daaruit, dat we verder dan Ant. ED. moeten zien.

Het Adventisme houdt eerst de Kleine Hoorn voor het politieke Rome, dat Griekenland overwon. Later houdt het hem voor het Pausdom, dat de waarheid ter aarde wierp en dat drie Ariaanse machten (volgelingen van Arius) ten onder bracht, n.l. de Herulen, de Vandalen en Oost-Goten. Deze mening is niet houdbaar. De Kleine Hoorn is geen stelsel, maar een persoon. De Kleine Hoorn komt niet voort uit het vierde rijk, maar uit een van de Griekse rijken. Bovendien is het vierde rijk niet Rome, maar de vereniging van het vierde en vijfde rijk van DaniŽl 2. Om al deze redenen is deze mening onhoudbaar.

DE AFVAL.

"En het heer werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer en hij wierp de waarheid ter aarde en deed het en het gelukte wel.", vs. 11-12.

Uit: en het heer... enz. zou men kunnen opmaken, dat dit het heer des hemels is, dat afvallig wordt. Dit nu staat er niet. Er staat: een heer werd... overgegeven, d.i. een leger werd gesteld, klaar gehouden om het gedurig offer, het morgen- en avondbrandoffer, te verhinderen. Bij de afval hebben we hier te denken aan de afval van de Wet van Mozes, het werpen van de waarheid ter aarde is het verkrachten van Gods geopenbaarde wil. Vůůr het Beest geopenbaard wordt, moet eerst de afval komen, zegt Paulus. Hij doet de herstelde tempeldienst ophouden en plaatst een leger om hem te verhinderen.

OP HET LAATSTE HUNS KONINKRIJKS.
Nu nemen we vs. 23-25,

"Doch op het laatste huns koninkrijks; als het de afvalligen op het hoogst zullen gebracht hebben, zo zal er een koning opstaan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande."

Luther vertaalt dit door: "na deze koninkrijken". Zeer onjuist. Andere nieuwere Duitse vertalingen volgen hem dan ook hierin niet en stemmen, wat betekenis betreft, met de St. Vert. overeen. Zo ook Franse en Engelse. De Leidse Vert. heeft: "aan het einde van hun heerschappij." Beter ware: in het einde. In hfdst. I van dit deel is de term in het laatste der dagen besproken. Die betekende niet: na de dagen, maar in het einde der dagen n.l. van deze aioon. Als hier nu gesproken wordt van "in het laatste van hun koninkrijk", volgt daaruit ontegensprekelijk, dat hun koninkrijk er weer moet wezen. Niet zij, n.l. de vier aanzienlijke hoornen zelf maar hun koninkrijk. Ligt hierin niet duidelijk opgesloten, dat, waar die 4 koninkrijken er niet zijn, zij weer hersteld zullen worden? We kunnen tot geen andere uitkomst komen. In Dan. 7 bespraken we het toekomstig herstel van de 3 grote wereldrijken, door Dan. 2 gevorderd. Hier zien we het herstel van de vierdeling van het Grieks-Macedonische rijk, En eerst als dat daar is, kan uit een van de vier het Beest opkomen. Men ziet zo, hoe Dan. 8 voortzetting en uitbreiding is van Dan. 7.

"Als de afvalligen het op het hoogst zullen gebracht hebben", betekent: als de afvalligen tot hun volheid zullen gekomen zijn, hun maat vol gemaakt hebben. Ook hieruit blijkt, dat dit vers naar de eindtijd wijst. 't Is immers niet zo, dat eerst de Koning opstaat en dan tot afval dwingt, maar omgekeerd: hij wordt koning vanwege de afval. Eerst moet de afval komen, dan wordt de mens der zonde geopenbaard. Deze is de zůůn der wetteloosheid, niet de vŗder er van. De Koning is stijf van aangezicht d.i. hard, meedogenloos. Raadselen verstaande betekent: moeilijke problemen op kunnende lossen. Ook wel: in alle listen bedreven.

  • "En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht en hij zal het wonderlijk verderven en zal geluk hebben en zal het doen en hij zal de sterken mitsgaders het heilige volk verderven."

  • "Zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht." Zijn toekomst zal zijn naar de werking des Satans 2 Thess. 2:9. Deze zal hem stijven. De draak zal hem zijn kracht en troon en grote macht geven, Op. 13:2.

  • "... en hij zal het wonderlijk verderven," d.i. wonderlijk tot verderf brengen of: buitensporig verwoesten, Men denke, hier mede aan de vervolging der heiligen, Op. 12.

  • "... en zal geluk hebben en zal het doen." De ganse wereld zal zich eenmaal achter het beest verwonderen en hem zelfs aanbidden, Op. 13:3-4, 15.

  • "... en hij zal de sterken en het heilige volk verderven." Het heilige volk is Israël, de sterken zijn mogelijk de twee getuigen van Op. 11.

  • "En door zijn kloekheid, zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand en hij zal zich in zijn hart verheffen." De bedriegerij doen gedijen betekent: al zijn bedrog zal gelukken.

  • "en in stille rust zal hij er velen verderven." Ant. Ep. werkte niet in die stille rust, hij had veel krijg. Het Beest is veel zekerder van zijn zaak; hij doet het in stille rust.

  • "... en hij zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden." Ant. Ep. heeft niet gestaan tegen de Vorst der vorsten. Die kende hij niet. Het Beest kent hem wèl. Zijn einde zal zijn, dat hij zonder hand, dus van Godswege, verbroken wordt.

 



DE 2300 AVONDEN EN MORGENS.

"Daarna hoorde ik een heilige spreken en de heilige zei tot den ongenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heer ter vertreding zal overgegeven worden? En hij zeide tot mij: Tot twee duizend en drie honderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden." vs. 13-14

Nu komen we tot de 2300 avonden en morgens. We willen eerst nagaan of ze vervuld zijn in de dagen van Antiochus Epifanes, daarna wat het Adventisme er van zegt om ze ten slotte te plaatsen in het licht van de door ons gegeven uitlegging.

ANTIOCHUS EPIFANES' TIJD?
In 1 Makk. 1:57 is sprake van de gruwel der verwoesting, die op de 15e dag van de maand Chisleu op Gods altaar gezet werd. Dat was zeer waarschijnlijk het afgodsbeeld van Jupiter, want volgens 2 Makk. 6:2 heette de tempel de kerk van Jupiter Olympus. Velen menen, dat in die tijd de 2300 avonden en morgens vallen, in Dan. 8 genoemd. Letten we echter op de duur van de ontheiliging, dan blijkt deze geen 2300 avonden en morgens, dus 2300 dagen, geduurd te hebben. Josefus zegt van de inwijding van de gereinigde tempel: Dit was op denzelfden dag, dat de tempel drie jaar te voren door Antiochus snodelijk ontheiligd en verwoest was, want dat was geschied op de 25ste van de maand Apelleus (in het Hebr. Chisleu) in het 145 jaar (van de Seleucidische tijdrekening; die begon in 312; volgens de gewone opgave 168 v. Chr.) en in de honderd drie en vijftigste olympiade; en deze vernieuwing geschiedde op denzelfden dag van het 148 jaar en de honderd vier en vijftigste olympiade. Joodse Oudheden, Boek 12, Hfdst. 11, ß 476. Volgens Josefus' opgave dus juist 3 jaar of 1080 dagen. Volgens 1 Makk. 1:57 werd de gruwel der verwoesting gesteld op de 15e dag van de maand Chasleu (of Chisleu) in het 145ste jaar (van bovengenoemde tijdrekening) en werd volgens 1 Makk. 4:52 de dienst hersteld op de 25ste dag van de maand Chasleu (Chisleu) in het 148ste jaar, wat dus neerkomt op 3 jaar en 10 dagen of 1090 dagen. Men ziet, dat dit geen 2300 dagen kunnen zijn. De Kanttek. van de St. V. wringen de zaak ook in allerlei bochten om tot 2300 dagen te komen. Ze moeten daarbij het jaar op 365 d. stellen en voor 3 maanden 92 d. rekenen. Uit een en ander blijkt, hoe men met die 2300 dagen schipperen moet om ze uit te leggen met betrekking tot die tijd. Volgens 1 Makk.zijn het 3 jaar en 10 dagen, geen 6 jaar 3 mnd. en 18 d., zoals de St. V. wil (2300 = 6 x 365 + 92 + 18). In die tijd moet men die 2300 dagen dus niet zoeken.

LOPEND TOT 1844?
Bezien we nu de Adventistische verklaring. William Miller, de geestelijke vader van het Adventisme, meende, dat men een dag voor een jaar moest nemen, zoals in Num. 13:34 en Ez. 4:6 geschiedt. Dit is de jaardag-theorie. Die 2300 jaren begonnen dan in 457, toen het bevel werd gegeven Jeruzalem te herbouwen en lopen tot 1843 of 1844. Dan zou het heiligdom gerechtvaardigd worden; d.i. hersteld, geheiligd, gereinigd. Dit betekende voor hem het verbranden van hemel en aarde, dus de wederkomst van Christus. Velen waren dan toen ook in verwachting van Zijn wederkomst. Evenwel, de tijd ging voorbij en Christus kwam niet weder. In plaats van de fout te erkennen, zijn zijn volgelingen er een bij gaan maken door te verkondigen, dat de Here toen in het hemels heiligdom ingegaan is om dat te reinigen. Zodra dit geschied is, komt Hij weder. Dat werk duurt dus nu reeds een kleine eeuw. Opgemerkt zij, dat Miller niet de vader is van deze heiligdoms-theorie.

HET INGAAN IN HET HEILIGDOM.
Tegen de Adventistische gedachte zij het volgende opgemerkt.

  1. Ten eerste dat de Schrift in de twee teksten, waarin een dag voor een jaar wordt genomen, de letterlijke dagen niet terzijde stelt. De verspieders waren 40 dagen weg, zo zou IsraŽl 40 jaar in de woestijn zijn. EzechiŽl moest 390 op de ene en 40 dagen op de andere zijde liggen. Deze symboliseren 390 en 40 jaar. Consequent genomen moesten er dus in type 2300 dŗgen zijn om in antitype 2300 jŗŗr te geven. Die 2300 dagen zijn niet aan te wijzen, zoals we reeds zagen. Hiermee valt de vastheid van de 2300 jaar.

  2. Ten tweede begint men met een letterlijk heiligdom om met een geestelijk te eindigen.

  3. Ten derde zie men, dat de Schrift niet spreekt van 2300 dagen, maar van 2300 avonden en morgens, wat wijst op dagen van 24 uur, etmalen, Ook hiermee wankelt veel.

  4. Ten vierde kan men niet beginnen in 457. Dit moet volgens de Schrift-chronologie (zie Dl II) zijn 454.

  5. Ten vijfde heeft men geen oog voor de tussenbedeling, door God aan Paulus gegeven. Men telt de 2300 jaren door alsof er sinds 457 niets veranderd is. Verder heeft men IsraŽl uitgeschakeld en zijn herstel voorbijgezien.

  6. Ten zesde is Christus niet in 1844 ingegaan in het hemelse heiligdom. Dat deed Hij al na Zijn opstanding, bij Zijn eerste hemelvaart, Joh. 20:17. Toen ging Hij in door Zijn eigen bloed, Heb. 9:12-14. Het ingaan in het heiligdom had plaats kort nadat Hij Zichzelf geofferd had, evenals de O.T. hogepriester met het bloed inging nadat de offers gedood waren, Lev. 16. Christus was Offer en Offeraar. Hij kon dus eerst na Zijn opstanding ingaan. Maar dat deed Hij niet eerst Ī 18 eeuwen later. Hij heeft direkt de weg ingewijd. Anders hadden de HebreŽn (en anderen) toen niet reeds kunnen toegaan, Hebr. 10:19.

  7. Ten zevende is Hij nu niet en was Hij in 1844 niet in het heiligdom, naar is Hij de hemelen doorgegaan, Heb. 4:14 en zit Hij aan Gods rechterhand, Ef. 1:20. Hij stŗŗt niet in het hemelse heiligdom om dit te reinigen, maar zit boven dat heiligdom in de heerlijkheid Gods, Hebr. 10:11-12.


VANAF HET EINDE.
Noch in Ant. Epifanes' dagen, noch in de Adventistische leer vinden we de 2300 avonden en morgens die Dan. 8 noemt. Er blijft dan ook geen andere oplossing dan om die in de toekomst te stellen en hierin 2300 dagen aangewezen te zien ten tijde van het Beest, de Kleine Hoorn.

Om het begin ervan te weten, moeten we tellen vanaf het einde, dat is vanaf Christus' wederkomst. Rekenen we zo terug, dan komen we in de 70ste jaarweek van DaniŽl. Dan zal de verwoestende afval zijn, d.i. de afval, die tot verwoesting leidt, dan wordt het heer ter vertreding overgegeven. Zie nader hfdst. 9 en het overzicht van DaniŽl aan het eind van dit hoofdstuk.

Dat de profetisch-toekomstige uitlegging de juiste is, blijkt uit vs. 17 waarin gezegd wordt: "Versta gij menschenkind, want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde," Deze uit drukking is in DaniŽl de telkens terugkerende term voor de tijd van de Antichristus, de laatste tijd van deze aioon. Zie 11:35, 40; 12:4, 9. Als deze woorden in andere gedeelten van DaniŽl naar de eindtijd verwijzen, dan ook in Dan. 8. Men zij ook hier consequent.

Eveneens wijst naar de tijd van het einde vs. 26:

"Het gezicht nu van den avond en van den morgen, dat er gezegd is, is de waarheid en gij, sluit dit gezicht toe, want daar zijn nog vele dagen toe."

"Toen werd ik, DaniŽl zwak en was enige dagen krank; daarna stond ik op en deed des konings werk; en ik was ontzet over dit gezicht, maar niemand merkte het." Voor: Toen werd ik, DaniŽl, zwak kan wellicht beter gelezen worden: Toen kwam, ik, DaniŽl bij. DaniŽl was in flauwte gevallen, alles had hem ontzettend aangegrepen.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden