Uit IsraŽls Profetie

IV. Het Boek Daniël

c. DANIEL 7

DANIELS DROOM.
We geven eerst de struktuur:

B2
      Het gezicht
      A1 C1
1-8 De vier dieren.

      D1 9-14 Het oordeel van de Zoon des mensen.

B1 15-16 Daniëls verwarring en vraag.

     De uitlegging
     A2 C2
17 De vier dieren.

      D2 18 Het oordeel van de Zoon des mensen.

B2 18-22 Daniëls vraag.

     De uitlegging
     A3 C3
23-25 De vier dieren.

      D3 26-27 Het oordeel van de Zoon des mensen.

B3 28 Daniëls verwarring.



TIJD.

"In het eerste jaar van Belsazar, den Koning van Babel, zag DaniŽl een droom en gezichten zijns hoofds op zijn leger; toen schreef hij dien droom en hij zeide de hoofdsom der zaken.", vs. 1. L.V.: de hoofdzaak verhalende.

In hoofdstuk 2 hebben we Nebukadnezars droom, hier die van DaniŽl. DaniŽl had deze droom in het eerste jaar van Belsazar. Hij was toen 84 jaar oud, Het was drie jaar vůůr hij in de kuil van de leeuwen geworpen werd. Deze droom kreeg DaniŽl nog in Chaldea. Hij werd in de Arameese taal opgeschreven.

Dan. 7 is de voortzetting van Dan. 2. God geeft DaniŽl inzicht in wat geschieden zal "in de dagen van die koningen." We krijgen een inblik in het op een na laatste stadium van de heerschappij van de Heidenen over IsraŽl. Het laatste stadium zelf vinden we in hoofdlijnen in het vervolg van DaniŽl en verder uitgewerkt in De Openbaring. Nebukadnezars droom heeft betrekking op het begin en de loop van de tijden der Heidenen. DaniŽls droom op het begin van het einde van hun heerschappij. De gezichten van Dan. 8 worden twee jaar later gegeven en zijn voortzetting of nadere verbijzondering van hfdst. 7. (Zie de struktuur). Gaan we een en ander na.

DE ZEE.

"Ik zag in mijn gezicht bij nacht en zie, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee. En daar klommen vier grote dieren op uit de zee, het een van het ander verscheiden." Vs. 2, 3.

DaniŽl ziet een "zee". Dit is geen werkelijke zee, want Dan. 7 is een visionair beeld, d.w.z., de werkelijkheid wordt voorgesteld door beelden, die enige trekken gemeen hebben met wat afgebeeld moet worden. DaniŽl ziet de toekomstige rijken als wilde dieren. Daarmee wordt hun boos karakter uitgebeeld. Zo is de zee symbool van wat anders. In Op. 17:15 wordt ons geleerd, wat die zee is: "De wateren, die gij gezien hebt,... zijn volken en scharen en talen en natiŽn". In Op. 13:1 ziet Johannes ook die "zee". De zee stelt voor het bruisende, golvende. Jes. 17:12 zegt: "Wee der veelheid der grote volkeren, die daar bruisen gelijk de zeeŽn bruisen en wee het geruis der natiŽn, die daar ruisen gelijk de geweldige wateren ruisen." Zie ook vs. 13.

De vier winden zijn wellicht geestelijke stromingen, die de volkenmassa's te meer opzwepen. Eenmaal ontbonden, zullen ze volken en natiŽn doen opstuiven. Vooral tegen IsraŽl. In die tijd zal het evangelie des koninkrijks gepredikt worden, alle volken tot een getuigenis, Mt. 24:14. De oprichting van het komende koninkrijk wordt dan aangekondigd.

HOE ONTSTAAN.
Hoe is deze zee ontstaan? Hoe is de vaste orde van het wereldrijk van de 10 koningen zo opeens veranderd in een golvende, stromende, bruisende menschenwereld? We geloven, dat we hier moeten denken aan een komende wereldrevolutie voorvoeld en wellicht mede voorbereid door het communisme of gelijksoortige of nog erger uitbarsting van haat en nijd, in de hand gewerkt door hooghartigheid en rechtsvertrapping. Die wereldrevolutie zal wel ingeluid worden door het opstaan van volk tegen volk, van koninkrijk tegen koninkrijk, dus van een algemene wereldoorlog. Mt. 24:6; 7. Zo kan de "zee" ontstaan, de dooreen golvende, opbruisende volken, scharen, natiŽn en tongen.

Door die "zee" nu, uit die wereldrevolutie, veroorzaakt door wereldoorlog, ontstaan andere machtsverhoudingen, uit die "zee" stijgen 4 dieren op. Men lette er op, dat deze dieren ongeveer tegelijk of zeer kort na elkaar opklimmen; het een is wel van het ander verscheiden, maar zij bestaan eenmaal gelijktijdig. De politieke verschuivingen zijn al veel eerder voorbereid.

Dat zij eenmaal gelijktijdig zullen opstijgen, is uit meer dan een ding af te leiden. Vs. 7 zegt, dat het vierde dier het overige vertrad, vs. 12 zegt: en aangaande de overige dieren,men nam hun heerschappij weg. Een derde bewijs, in vs. 7 liggend, n.l. het woord "voor" geven we hieronder. De beide voorgaande bewijzen zijn voor thans voldoende om aan te tonen, dat de dieren nagenoeg gelijktijdig opkomen, wat vs. 2 dan mede bevestig.

DE DIEREN.
Welke zijn nu die vier dieren? Voor ons zijn het toekomstige rijken, wijl we menen, dat Dan. 2 zich nog niet tenvolle heeft verwezenlijkt. Vele uitleggers echter laten Dan.7 parallel lopen met Dan. 2 en menen, dat het dezelfde wereldrijken zijn uit dat hoofdstuk. Men verliest daarbij uit het oog:

  1. dat de vier dieren gelijktijdig opklimmen;
  2. dat ze opklimmen uit de grote zee;
  3. dat in Dan. 2 sprake is van 5 en niet van 4 rijken.

Dan. 7 is geen herhaling van Dan. 2, maar een blik in de verre toekomst. Waarom DaniŽl nog eens dezelfde droom moest hebben, die hij Nebukadnezar verklaard had en zelf nu niet wist, blijft anders een raadsel. DaniŽl verstond de droom niet. In vs. 16 toch staat duidelijk: "Ik naderde tot een dergenen, die daar stonden en verzocht van hem de zekerheid over dit alles en hij zeide ze mij en gaf mij de uitlegging van deze zaken te kennen." God heeft DaniŽl deze droom (met 4 rijken) toch niet gegeven, omdat hij de droom van Nebukadnezar, (met 5 rijken), die bovendien opgeschreven was, vergeten had? Zo rest dan alleen de verklaring, dat Dan. 7 een toekomstbeeld is, geen herhaling van de reeds voorziene dingen.

Zij, die Dan. 7 willen beschouwen als een herhaling van Dan. 2 in een andere vorm, dus er in zien Babel, Medo-PerziŽ, Griekenland, Rome, staan voor minstens drie moeilijkheden. De eerste is, dat zij moeten aannemen, dat DaniŽl, als het eerste dier, de leeuw, het BabyloniŽ van zijn dagen voorstelt, een terugblik krijgt in het verleden, wijl BabyloniŽ er toen al was, ja ten einde liep. De tweede is, dat zo onverklaard blijft, hoe het vierde dier de overige kan vertreden. De derde is, dat Johannes ook de rijken uit de zee ziet opkomen, Op. 13:1. Zijn boek is toekomstig.

Vraagt men of de vroegere rijken dan ook niets van het dierlijke in zich hadden, dan geven we dit grif toe. We willen ook toegeven, dat zij de voorlopers waren van de eenmaal opkomende rijken. Met dit al geloven we, dat deze droom van DaniŽl bijzonder betrekking heeft op het einde. Het vierde dier althans zeker is nog niet geweest in die vorm, zooals DaniŽl het zag.

DE DRIE EERSTE DIEREN.
Gaan we een en ander na.

"Het eerste was als een leeuw en het had arendsvleugelen; ik zag toe totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren en het werd van de aarde opgeheven en op zijn voeten gesteld als een mens en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven." Vs. 4.

Dit dier is niet het BabyloniŽ van DaniŽls dagen. Dat was er reeds en behoefde niet op te komen, toen waaiden er geen 4 winden over de volkenzee. Bovendien kwam het niet op met andere dieren. Nebukadnezar was sinds 23 jaar dood en Babel was reeds over zijn hoogtepunt heen. Bij de uitlegging in vs. 17 wordt ons gezegd, dat die 4 rijken 4 koningen zijn, die uit de aarde zullen opstaan. De uitlegger stelt dit (en de andere rijken) in de toekomst en laat ze alle vier zowat gelijktijdig opkomen. Daarom zien wij ze als toekomstige rijken, niet alleen voor DaniŽl, maar ook voor ons. Nimmer is er nog een volkenzee geweest, waarop vier geestelijke invloeden tegen elkaar in werkten en de zee van alle kanten opstuwden. We zoeken er eerder in een na de toekomstige wereldoorlog en revolutie zich uit de omknelling van het Tien-tenenrijk losgevoelend en zich opnieuw verheffend Babylonisch rijk. Wat de verdere beschrijving betreft, menen wij daar niet verder op in te moeten gaan. Dat zijn toekomstige gebeurtenissen in symbolen beschreven. Daar we ons niet scharen kunnen ander de toekomstvoorzeggers, laten wij aan de historie over wat hieronder te verstaan zij. DaniŽls droom is opzettelijk ingewikkeld, omdat hij niet algemeen voor de wereld bekend mag worden. De verstandigen uit de laatste tijden zullen hem ten volle verstaan.

Dat Babel hersteld wordt, althans opnieuw zal opkomen, is duidelijk uit De Openbaring. De Vrouw, met purper en kostelijk gesteente en paarlen, met in haar hand een drinkbeker vol van gruwelen en van onreinheid harer hoererij, is het grote Babylon, de moeder der hoererijen. Op. 17:4, 5. Hiermee wordt de stad Babel bedoeld. Waar deze echter een gebied tot ommeland moet hebben, ligt in het herrijzen van Babel mee opgesloten, dat het rijk BabyloniŽ terug zal keren. En dat het rijk van de leeuw van Dan. 7 mede deel zal uitmaken van het gebied door Babel beheerst, volgt uit Op. 17:3 waar de vrouw, het economische Babylon; zit op het dier met de 7 hoofden en 10 hoornen. In dat dier is ook de leeuw versmolten, Op. 13:2.

"Daarna, ziet het andere dier, het tweede, was gelijk een beer en stelde zich aan de ene zijde en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees." Vs. 5.

In dit dier ziet men het vroegere Medo-Perzische rijk. Voor ons is het dat niet. We geloven eerder aan een in de toekomst herleefd Medo-Perzische rijk. Het "zich op een zijde stellen" wijst er mogelijk op, dat een van de twee rijken, wellicht het Perzische, sterker zal zijn dan het andere, MediŽ. Wat onder de drie ribben te verstaan zij, zal de toekomst leren. Velen verstaan er onder de drie door Oud-Medo- PerziŽ veroverde rijken: LydiŽ, Babel en Egypte. Wij geloven ook, dat het 3 staten zullen zijn, maar weten de namen niet. Het "sta op, eet veel vlees" wijst o.i. op grote veroveringen, die gemaakt worden. Verder laten we het beeld onverklaard. Alleen merken we nog op, dat ook dit rijk opgenomen wordt in het beest, dat Johannes zag opkomen.

"Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier vier hoofden en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven." Vs. 6.

In dit dier ziet men het vroegere Macedonisch-Griekse rijk. Voor ons is het weer een nog op te komen rijk. Mogelijk het in de toekomst herleefde Griekse rijk met zijn vier, na Alexanders dood daaruit ontstane en weer herleefde staten, de vier hoofden (zie Dan. 8). De vier vleugels geven een snelle uitbreiding aan.

HET VIERDE DIER.

"Daarna zag ik in de nachtgezichten en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at en verbrijzelde en vertrad het overige met zijn voeten en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen." Vs. 7.

Het vierde dier heeft geen naam. We staan hier voor een buitengewoon gedrocht, waaraan veel aandacht geschonken wordt in het gezicht en waardoor DaniŽl bijzonder ontroerd wordt. Tevens is het het laatste dier. Geen ander stijgt meer op.

Het vierde dier is een schrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk rijk. Het is voorzien van grote ijzeren tanden, wellicht duidend op een enorm sterke modern toegeruste militaire macht die reeds schrik aanjaagt bij de verschijning. Het zal dan ook gruwelijk, zeer wreed zijn en alles vertreden, wat het door zijn tanden gewond of stervend heeft terneer geworpen.

In dit rijk is mogelijk het in de toekomst in enige vorm herleefde vierde en vijfde rijk van Dan. 2 te zien. Men weet, dat het vijfde rijk mede door wereldoorlog en wereldrevolutie uit zijn voegen geslagen wordt. Het stabiliseert zich en verbindt zich met het gedeeltelijk herstelde Romeinse rijk tot ťťn rijk. 't Is eigenaardig, dat de voeten van hetzelfde metaal zijn als de beenen. Dit wijst mogelijk op een latere versmelting. Men houde wel in het oog, dat gissen hier missen kan zijn en dat we alleen spreken van een mogelijk zijn.

Wat dit rijk betreft, zou men kunnen zeggen, dat het in de dagen van Christus nog niet tot zijn volle ontwikkeling gekomen was. Het kan zich nog uitbreiden. Het vindt dan ook zijn voortzetting in de voeten, die mede van ijzer zijn, bewijs, dat het eenzelfde karakter heeft, 't Is wel eigenaardig, dat eerst meer dan een eeuw na Christus' komst het rijk zijn grootste uitbreiding verkreeg. Ware Christus na Zijn hemelvaart door IsraŽl aanvaard, dan zou Zijn tweede komst in elk geval uitgesteld zijn tot de tijd, waarop het verschrikkelijk monster van Dan. 7 daar was in al zijn grootte. Het ware dan geworden tot een tienhoofdig rijk, had tien koningen gekregen, zoals Dan. 2:45 aangeeft. De tenen hadden zich dan nog moeten vormen. Het Romeinse rijk had dan nog meer veroveringen moeten maken. Hierin is een stilstand gekomen. Het rijk is gaan kwijnen en is zelfs vervallen, zodat er een onderbreking gekomen is in de ontwikkelingsgang. Die ligt dan aangeduid in Dan. 2 met zijn vijf rijken, Een vijfde rijk is nu eerst nodig om het vierde van Dan. 7 tot stand te brengen. Dan. 7 ziet, hoe in de toekomst beide ťťn zijn, de samensmelting van een (gedeeltelijk) hersteld Romeins Rijk met het vijfde wereldrijk (Duitsland-Rusland?) is in zijn nachtgezicht het vierde rijk, dat dan zou omvatten ongeveer Europa minus Griekenland met omgeving, dat het derde rijk vormt.

Hoe alles zich precies ontwikkelen zal, vermogen we ook hier niet te zeggen. De toekomst zal ook hier de ontsluiering brengen.

VOOR.
De opmerkzame lezer zou in vs. 7 met zijn Bijbel voor zich, voor een moeilijkheid kunnen komen te staan. Daar staat enerzijds, dat het vierde dier het overige met zijn voeten vertrad, onder welk overige men de overige dieren heeft te verstaan en waaruit dus volgt, dat die dan tegenwoordig, dus ongeveer gelijktijdig of althans kort na elkaar herleefd moeten zijn en er staat tevens, dat ze vůůr hetzelve geweest zijn, wat in de mening kan doen komen, dat ze niet meer bestaan en waarvan oppervlakkige uitlegging dan ook gebruik maakt om de opeenvolging daaruit af te leiden. De oplossing is eenvoudig: het "voor" is geen tijds-, maar een plaatsbepaling. Het betekent: met ťťn zijde gericht naar. Het werkwoord: "geweest waren" moet dan worden: "zijn", wat zeer wel kan. Het werkwoord ontbreekt in het Chaldeeuws.

Het woord door "voor" vertaald, komt in zijn Hebr. vorm het eerst voor in Gen, 2:8. Het is daar vertaald door: ten oosten van. Zie ook Gen. 3:24, 10:30; 11:2, 13:11; 25:6 (oostwaarts) enz. De wisselende betekenissen zijn: ten oosten van, oostwaarts, voor, voor het aangezicht van, met een zijde gericht naar.

Deze wisseling in betekenis is licht te verklaren. De IsraŽliet wendde zich met het aangezicht naar het oosten. De ark stond in de tabernakel aan de oostelijke zijde, Ex. 36:27, het westen was de ingang. Al wat in het oosten lag, was dus vůůr de IsraŽliet, in het aangezicht van, vůůr zijn aangezicht.

In de Chaldeeuwse vorm vinden we het woord o.a. in Ezra 4:18: De brief is voor mij gelezen. Zie ook vs. 23 en 7:14, 19. In DaniŽl 2, 3 en 5 komt het telkens voor. Het eerst in hfdst. 2:6 (van mij ó moet zijn: voor mij, voor mijn aangezicht); dan o.m. in vs. 9, 10, 24, 25, 27. Dan, in 3:13, 4:6, 7, 8, In hfdst. 5 en 6 heeft het ook weer die betekenis. In hfdst. 7 vinden we het in vs. 7, 8, 10, 13, 20, In vs. 10 lezen we: "... een vurige rivier ging van voor Hem uit", in vs. 13 "... en zij deden Hem (de Mensenzoon) voor Hem (de Oude van dagen) naderen", in vs. 20 ... de tien hoornen ... en den anderen ... voor denwelke drie afgevallen waren." In al deze plaatsen heeft het voorzetsel de kracht van: in tegenwoordigheid van, voor het aangezicht van.

Terugkomende tot Dan. 7:7: het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve waren, menen wij, dat uit het woord "voor" volgt, dat al de andere rijken aan een zijde begrensd worden door het vierde rijk. De Schrift zegt duidelijk: al de dieren, heeft het dus over de voorgaande drie. Het vierde rijk ligt voor die drie, aan een zijde dus. Hieraan voldoet alleen een rijk, dat zich uitstrekt van ItaliŽ door Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Rusland. Eerst zo'n rijk grenst tegelijk aan Griekenland, BabyloniŽ en PerziŽ.

Een en ander samenvattend, hebben we:

  1. Het eerste dier is een leeuw: een toekomstig Babylonisch rijk.
  2. Het tweede dier is een beer: een toekomstig Medo-Perzisch rijk.
  3. Het derde dier is een luipaard: een toekomstig Grieks rijk.
  4. Het vierde dier is onbenoemd: Dat zal waarschijnlijk een Paneuropees monsterrijk zijn waarin al de z.g. Christelijke staten van Europa zijn verenigd, dus niet alleen West Europa.

Dit vierde rijk zal een sterke militaire en tot de tanden toe gewapende schrikkelijke, d.i. vreesaanjagende en gruwelijke, d.i. allerlei wreedheid bedrijvende macht zijn, die zich boven de andere drie dieren zal verheffen en hen zal vertreden om zodoende de wereldleiding te bemachtigen. Mogelijk worden de 10 koningen van het ondergegane of zinkende vijfde rijk van Dan. 2 vervangen door 10 andere, de 10 hoornen van het Beest, die met nog groter macht optreden. De wisseling in de profetische gezichten wijst op de bewogenheid dier tijden. Als de zee een algemene wereldchaos is en daaruit weer bet dier met de 10 hoornen opkomt, wijst dit op een ineenzinkende; doch zich weer herstellende macht. In de toekomst zal alles duidelijk zijn. We kunnen een en ander nu slechts enigszins benaderen.

DE KLEINE HOORN.

"ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende." Vs. 8.

DaniŽl ziet, nadat het vierde dier opgekomen is, nog meer gebeuren. Het vierde dier beheerst de wereld, maar wereldvrede is er niet. Dit moge in het oog gehouden worden door hen, die een wereldstatenbond bepleiten en beogen. De mededinging, die er eerst tussen de volken en dieren was, blijkt niet weggenomen, Nu komt er een strijd wie hoofd zal zijn over het vierde rijk. Hoewel er een hoofd is, is er geen rust. Er komt een mededinger, die drie van de 10 hoornen uitrukt, dus vertreedt of verdrijft en dan tussen de andere in zich een plaats verovert om zodoende de wereldmacht in handen te krijgen.

Het Adventisme en Russellisme menen, dat dit de pauselijke macht is, die in de Middeleeuwen is opgekomen in de staten ontstaan uit het Romeinse rijk. De Schrift zegt echter, dat er ťťn hoorn opkomt, niet een reeks van hoornen. De Schrift zegt, dat de tien hoornen tien koningen zijn, 7:24 elke hoorn is dus een koning. Is dan de "Kleine Hoorn" een stelsel of een rťťks van pausen? Alle logica en helder nadenken is hier zoek. Als de tien hoornen tien koningen zijn, is de kleine hoorn ťťn koning. De Schrift zegt, dat die kleine hoorn drie koningen zal vernederen. Heeft ooit enige paus drie koningen ongeveer tegelijk verreden om meester te worden van het niet bestaande vierde dier? De Schrift zegt, dat de Kleine Hoorn eerst opstaat nadat de tien koningen er zijn 7:24. Kan het Adventisme of Russellisme ons in de historie een tijd aanwijzen, waarin tegelijk tien koningen regeerden, en waarvan er later drie door een of andere paus vernederd werden? De Schrift zegt, dat na die koningen een ander of andere, dus andere koning, zal opstaan, De Paus noemt zich geen koning, maar stedehouder van Christus, Als de kleine hoorn een stelsel is, zijn de tien andere koningen ook stelsels. Men wijze ons die eens aan.

Voor ons is de "Kleine Hoorn" niet het Pausdom. Hij is niemand anders dan het eerste Beest van Op. 13, dat we voortaan kortheidshalve het Beest zullen noemen. Men lette er op, dat het Beest- in Op. 13 zowel aanduiding is van het opkomende vierde rijk als van hem,die dat rijk eenmaal zal beheersen.

Terloops zij opgemerkt, dat men bij de term Antichristus mogelijk beter zal doen te onderscheiden tussen het Beest en de Valse Profeet. De eerste zou men de politieke Antichristus kunnen noemen, de laatste de godsdienstige. We geloven, dat de eerste de mens der zonde is, die opkomt uit de Heidenwereld, de laatste meer de eigenlijke Antichristus. Deze zal dan voor IsraŽl optreden als Valse Profeet. De eerste vindt zijn type in Nero, de laatste in Herodes.

Het Beest nu zal als een verachte opkomen, men zal hem niet eens de koninklijke waardigheid geven; hij zal in stilte komen en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen, Dan. 11:21. Dat koninkrijk is nog niet de heerschappij over het vierde dier, want het Beest komt niet uit het vierde rijk, maar er in. Hij komt, staat er, tussen de hoornen, er werden er drie voor hem uitgerukt. Waar uit Dan. 8:23 blijkt, dat de kleine Hoorn uit het derde rijk komt en de tien koningen over het vierde rijk heersen, volgt hieruit noodzakelijkerwijze, dat hij zich baan breekt naar dat vierde rijk en hij niet opkomt te midden van de koningen, maar tussen hen in komt. Hieruit blijkt andermaal de onjuiste leer van Adventisme en Russellisme en alle andere leer, die meent in het Pausdom of een heerser over ItaliŽ het Beest te zien. Of een voorloper er van. Zie nader hfdst. 8.

Als de "Kleine Hoorn" eindelijk wereldheerser is geworden gaat hij tegen de heiligen krijg voeren. Het Adventisme meent, dat dit de pauselijke vervolgingen zijn tegen de gelovigen. Wij geloven, dat dit de verdrukking van IsraŽl is. De heiligen der hoge (plaatsen) zijn de getrouwe Joden. Voor: heilige der hoge (plaatsen) leze men: heilige des Allerhoogsten (zie bewijs daarvoor bij vs. 27). De Antichristus gaat woeden tegen IsraŽl, zie Op. 12 en dit gaat door tot het einde toe.

Men leze nu vs. 9-14. Er worden tronen gezet en de Oude van dagen zet zich. De Oude van dagen is volgens velen Christus. Bewijs daarvoor is voor hen Joh. 5:22: "Want de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel aan den Zoon overgegeven." Uit de beschrijving van Op. 1 zou dit mede volgen. Anderen menen, dat de Drie-enige God bedoeld wordt. Wij laten dit hier aan elks inzicht over. Oude is bij betere overzetting: Bestendige, Onvergankelijke van dagen. Duizend maal duizenden is minstens 2 miljoen (1000 x 1000= 1.000.000), tienduizend maal tienduizenden minstens 200 miljoen (10.000 x 10.000=100.000.000). De boeken worden geopend, de boeken van Gods raadsbesluit en het gericht wordt voltrokken. Het vierde dier wordt gedood en zijn lichaam met vuur brand. Aan de overige dieren wordt de heerschappij ontnomen, maar zij worden niet gedood en mogen voorlopig blijven leven. De drie rijken ten oosten van het vierde, bestaan dus voort, maar de gruwelijke westerse macht wordt vernietigd. Bij het dier denke men niet aan de Antichristus, want die wordt niet gedood (Op. 19:20), maar aan het rijk. Dat wordt vernietigd.

DE VERDERE UITLEGGING.
Bij de uitlegging van een en ander staan we nog eens stil, na er vooraf op gewezen te hebben, dat DaniŽl in vs. 13 en 14 iets van het toneel ziet, dat Johannes ons in Op. 4 en 5 beschrijft. Hierop gaan we niet in. Alleen zij opgemerkt, dat de Mensenzoon heerschappij en eer en het koninkrijk gegeven wordt, dat Hem alle volkeren natiŽn en tongen eren zouden. Wat blijft er zo over van de Adventistische leer, dat de volken verdelgd zullen worden en de aarde woest en ledig zal zijn? Wat van de Calvinistische mening, die zegt, dat alleen de uitverkorenen behouden worden? We lezen hier van alle volken, niet van alle uitverkorenen.

DaniŽl, wiens geest doorstoken (getroffen) was en wie de gezichten zijns hoofd verschrikten, begeert van een dergenen, die daar stonden, ongetwijfeld een van de duizenden heiligen die hem omringden, de zekerheid over dit alles; de uitlegging moet hij weten.

"Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen." Vs. 17

Voor "koningen" staat in de Septuaginta "koninkrijken", wat mogelijk de juiste lezing is. Verder zij er op gewezen, dat de Schrift ter voorkoming van verwarring met kleinere rijken, nadrukkelijk zegt: grote dieren, die vier zijn.

"Toen wenste ik naar de waarheid aangaande het vierde dier, hetwelk verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren en zijn klauwen van koper, het at, het verbrijzelde en vertrad het (of de) overige met zijn voeten. En aangaande de tien hoornen, die op zijn hoofd waren en den anderen, die opkwam en voor welken er drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn, die oogen had en een mond, die grote dingen sprak en wiens aanzien groter was dan zijner metgezellen. Ik had gezien, dat die hoorn krijg voerde tegen de heiligen en dat hij die overmocht tot dat de Oude van dagen kwam en het rijk werd gegeven aan de heiligen der hoge (plaatsen) (beter: des Allerhoogsten) en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het rijk bezaten." Vs. 19-22.

Enkele opmerkingen. De Hoorn is het Beest van Op. 17:11, de zevende en tevens de achtste koning. Als zevende koning wordt hij dodelijk gewond, Op. 13:2, als achtste koning herleeft hij. Wat zijn metgezellen zijn, blijkt uit vs. 24. Het rijk is het koninkrijk, dat in hfdst. 2:44 genoemd wordt en IsraŽls heerschappij op aarde is. De heiligen zijn IsraŽls gelovigen. Die worden benauwd en vervolgd en verdrukt en gedood. Zie Op. 12:4, 13 (de Vrouw is IsraŽl), 17; 6:9-11; Mt. 24:9, 10.

HET MILITAIRE MONSTER.

"Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken en het zal de ganse aarde opeten en het zal dezelve vertreden en het zal ze verbrijzelen." Vs. 23.

We hebben reeds opgemerkt, dat het vierde dier "voor het aangezicht van" de andere in het Westen moet gezocht worden. Zie vs. 7. We hebben daar zeer waarschijnlijk in te zien het verheidenste Europa, misschien met steun van Amerika, dus al de "Christelijke" volken.

We hebben reeds opgemerkt, dat het vierde dier voor het aangezicht van de andere moet gezocht worden, vs. 7. Het vierde dier is waarschijnlijk een Paneuropese samenhang, mogelijk nog gesteund door Amerikaanse macht, een groot en sterk Europees rijk, dat al wat er buiten ligt verbrijzelt en vertreedt, het zal de ganse aarde opeten, vs. 23. Dat hierbij ook de andere drie rijken zijn, blijkt uit vs. 12: "aangaande de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven." Hieruit blijkt, dat zij er in de eindtijd zijn en waar ze er op het ogenblik niet zijn of niet zijn in de vereiste grootte, daar moet een herleving of herstel plaats vinden.

De toekomst brengt ons, in plaats van wereldvrede, een militair monster, dat zijns gelijke nimmer gehad heeft. De ijzeren tanden, de koperen klauwen; het vraatzuchtig karakter, zijn een tegenhanger van wat de vredesaktie wil. Onze dagen zijn voorbereiding voor die tijden. De hoge politiek bereidt mede door haar huichelachtig beleid de dierlichamen voor. Inzonderheid zal het vierde dier het produkt zijn van staatsmansvalsheid en volksopzweeping en haat. Geen wonder dat dit dier gedood en zijn lichaam d.i. krijgsmachinatie, verbrand zal worden.

VERSCHEIDEN VAN DE ANDERE.

"Belangende nu de tien hoornen, uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan en die zal verscheiden zijn van de vorige en hij zal drie koningen vernederen." Vs. 24.

In het vierde rijk komen 10 koningen. Deze heten de 10 hoornen. Na hen, d.i. later dan zij, zal een ander opstaan, die van de vorige zal verschillen. Die ander is het Beest; hij zal van de andere verschillen. Mogelijk wordt hij bovennatuurlijk geboren en heeft Satan tot rechtstreeks vader. Hij zal, om zelf aan het roer te komen, drie van de tien koningen vernederen, zonder dat kan hij zich geen baan breken in het vierde rijk. Hij zelf komt uit het derde (Dan. 8:9), moet dus de troon veroveren. De hele persoon en het doen van het Beest zal verschillen van die zijner metgezellen. Dat blijkt nog nader uit het volgende.

"En hij zal woorden spreken tegen den Allerhoogste en hij zal de heiligen der hoge (plaatsen), d.i. des Allerhoogsten, verstoren en hij zal menen de tijden en de wet te veranderen en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot een tijd, tijden en een gedeelte eens tijds." Vs. 25.

Het Beest zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, d.i. bepaalde redevoeringen houden tegen God. Hij zal de heiligen des Allerhoogsten verstoren, verdrukken. L. Vert.: mishandelen, volgens anderen: vernietigen. Daarbij zal hij zich voornemen de tijden en de wet te veranderen. Tijden wil zeggen: vaste tijden, termijnen. (Zie Neh. 2:6; Esther 9:27, 31; Pred. 3:1).

Het verstoren van de heiligen wordt verschillend verklaard. Rome ziet daarin de oorlogen van de Christenheid tegen de Turken, de Modernen de vervolgingen onder Antiochus Epifanes, orthodoxe Protestanten en Adventisten veelal de vervolgingen van Rome. Door in de Kleine Hoorn het Beest te zien, vervallen al die kerkhistorische uitleggingen en komt er eenheid.

Vanzelf vervalt dan ook de Adventistische mening, dat het Pausdom de sabbat veranderd heeft in de Zondag. We hebben reeds meer dan eens opgemerkt, dat de historie van de Chr. Kerk geen onderwerp is van de O.T. profeten, Voorts heeft niet het Pausdom de sabbat veranderd, maar is deze een heidens insluipsel. De Heidenen wijdden een dag aan Heer Zon, Jupiter. We geven toe, dat de Schrift nergens de Zondag leert; de term "eerste dag der week" komt niet in de Gr. Schriften voor, het is slechts vertaling en nog wel een onjuiste. Steeds staat er: "op een der sabbatten". En voor IsraŽl was de Zondag geen sabbat. Met dat al behoeft men geen sabbattist te worden. Alle dagen moeten ons gelijk zijn, omdat we steeds in de rust moeten staan, door Christus aangebracht, de rust in God en steeds in het werk moeten staan, dat Hij ons oplegt. We hebben uit te werken, wat God inwerkt. Filp. 2:12,13.

TIJD, TIJDEN, HALVE TIJD.
Dat al de oud-orthodoxe en nieuw-orthodoxe (Adventistische) verklaringen niet opgaan, bewijst het vervolg van het vers: De heiligen worden in zijn hand overgegeven een tijd, tijden en een gedeelte eens tijds. Dat is: 1 jaar + 2 jaar + Ĺ jaar = 3Ĺ jaar. Dat is te zien uit De Openbaring. In Op. 12:14 vinden we dezelfde term. De Vrouw, dat is IsraŽl, moet in de woestijn vluchten en wordt daar een tijd, tijden en een halve tijd gevoed, In Dan. 12:7 vinden we gelijksoortige woorden; en uit Dan. 9:27 blijkt, dat we dan zijn in de tweede helft van de 70 jaarweek. Dan houdt slacht- en spijsoffer op en wordt de gruwel der verwoesting gesteld, dan wordt de waarheid ter aarde geworpen. Waar die jaarweek in het geheel 7 jaar duurt, duren die tijd, tijden en een halve tijd 3Ĺ jaar, dat is 42 maanden of 1260 dagen, welke getallen in De Openb. voorkomen en ook betrekking hebben op de laatste jaarweek. In de laatste helft van de week valt de vervolging van de heiligen des Allerhoogsten.

Het Adventisme heeft hiervan 1260 jaar gemaakt. Die 1260 jaar ó voor elke dag een jaar ó laten zij beginnen in het jaar 538, toen de bisschop van Rome door keizer Justinianus tot hoofd van alle kerken werd verklaard. Ze eindigen dan in 1798, toen Napoleon de paus gevangen naar Frankrijk voerde. Jammer, dat de pausen weer in Rome gezeteld zijn, nu is er veel kans, dat de heiligen weer opnieuw in de hand van dat Rome kunnen vallen bij nieuwe vervolgingen, dus dat het bij die 1260 jaar niet blijft. Men ziet op wat losse schroeven men het Woord zet, met al die spitsvondige filosofische redeneringen.

De tijd, tijden en een halve tijd liggen in de toekomst en betreffen de tweede helft van de 70 jaarweek van DaniŽl 9, die voor DaniŽls volk is afgesneden: uw volk, uw heilige stad, vs. 24. Als deze tijd geen 3Ĺ jaar is, maar 1260 jaar, dan is b.v. de 3Ĺ dag van Op. 11 3Ĺ jaar (voor elke dag een jaar). Zo kunnen we dan bij vele getallen een jaardagtheorie opstellen.

HET GERICHT.

"Dan zal het gericht zitten en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende tot het einde toe." d.i. tot voleindens toe, geheel. Vs. 26.

We hebben er reeds op gewezen, dat de Hoorn een persoon is de 10 hoornen zijn immers 10 koningen, vs. 24, geen 10. De Kleine Hoorn is dus ook geen stelsel, maar een persoon. Hiermee vallen Adventistische en Russellistische meningen die er het Pausdom in zien. Dus ook de Adv. uitlegging dat dit gericht in 1798 gezeten heeft en het pausdom toen gericht is. Dat dit niet zo is, blijkt verder uit de woorden: hem verdelgende en verdoende, d.i. te niet makende. Nu is het Pausdom weer herleefd en bestaat nog. Wat is er zo gekomen van de tenietmaking. Het zitten van het gericht sluit aan bij het overgeven van de heiligen in 's Antichristus' hand. Zijn heerschappij wordt weggedaan. Ook zo blijkt, dat de 3Ĺ jaar toekomstig zijn.

Niet de mens grijpt in, maar God. Niet Napoleon vernedert het Pausdom, maar God maakt het Beest te niet. De hemel wordt geopend en Christus komt neer. Op. 19:11. Hier is dan ook gevoeglijk vs. 14 van Dan. 7 in te lassen: "En Hem werd gegeven heerschappij en eer en het koninkrijk, dat Hem alle volkeren natiŽn en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan en Zijn koninkrijk zal niet verdorven worden." En in Zijn koninklijke macht deelt Zijn volk IsraŽl.

HET RIJK ONDER DE GANSE HEMEL.

"Maar het rijk en de heerschappij en de grootheid der koninkrijken onder den gansen hemel zal gegeven worden aan het volk der heiligen der hoge (plaatsen) d.i. des Allerhoogsten, welks (Wiens) rijk een eeuwig rijk zijn zal en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen." Vs. 27.

We hebben reeds laten uitkomen, dat voor "hoge plaatsen" "Allerhoogsten" te lezen is. Dit vers kan dit, ook gezien de struktuur, nader bewijzen. Vs. 9-14 en 26-27 balanceeren met elkaar, In vs. 14 is sprake van Zijn koninkrijk en lezen we: En Hem werd gegeven, dat Hem alle volkeren, natiŽn en tongen eren zouden. Zijn heerschappij is een eeuwige (aionische) heerschappij. In vs. 27 komen dezelfde zinsneden voor. Alles wordt scherper als men het vers aldus leest: "Maar het rijk en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder den gansen hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten, Wiens rijk een eeuwig rijk zijn zal en alle heerschappijen zullen Hem eren." Dan is "welks", betrekkelijk voornaamwoord, niet bij volk maar bij Allerhoogste en "Hem", het daarbij behorende persoonlijke voornaamwoord. Zeker, het kan ook anders, men kan "welks" laten staan, maar moet dan "hem" in hetzelve veranderen. Ons lijkt het beter toe alles hier op Christus betrekking te doen hebben. Dan is de Mensenzoon van vs. 14 de Allerhoogste van vs. 27 en is Hij IsraŽls Koning, Die het rijk ontvangt. Uit de werkwoorden: eren en gehoorzamen volgt o.i. nog te meer, dat we het "Hem" opvatten als de Allerhoogste aanwijzend en niet het volk IsraŽl, dat wel in Gods zegen zal delen, maar hier niet op de voorgrond staat.

In die tijd komt ook Ps. 46 tot nadere vervulling. "God is ons een toevlucht ... en hulp in benauwdheid ... Laat de wateren bruisen ... beroerd worden, ... God zal helpen in het aanbreken van de morgenstond. De Heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich, Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt ... Aanschouwt de daden des Heren, Die verwoestingen op aarde aanricht, Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde ... Laat af en weet dat Ik God ben, Ik zal verhoogd worden onder de Heidenen. Ik zal verhoogd worden op de aarde." En dan zingen de heiligen des Allerhoogsten, die het koninkrijk bezitten: "De Here der heerscharen is met ons, de God Jakobs is ons een hoogvertrek."

HET RIJK OP AARDE.
Het rijk en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder de ganse hemel worden Christus gegeven. Men lette er op, dat het betreft het rijk onder de ganse hemel, niet de hŤmel. Er staat niet: de koninkrijken, maar: het rijk of koninkrijk. Dit wijst op 'n rijk dat boven die koninkrijken staat. Dit is geen koninkrijk in de hemel, maar een op aarde. Verder worden de andere koninkrijken niet direct vernietigd, maar al hun heerschappij en grootheid wordt IsraŽl gegeven. De rijken blijven dus bestaan. Hiermee keert de Schrift zich tegen het Adventisme, dat de aarde 1000 jaar woest en ledig maakt. Hier blijkt, dat er koninkrijken zullen zijn. Voorts tegen het Russellisme, dat meent een geestelijk koninkrijk op te moeten richten. En wel op aarde. Dat zijn zij dan of nader nog, de 144.000 verzegelden. De Schrift geeft dat rijk aan de heiligen des Allerhoogsten op aarde. Niťt in de hemelen maar op aarde ontvangen deze heiligen een rijk. De groep, waarin de Russellisten willen zijn, staat daarboven. Zo wisselt men het meerdere uit voor het mindere. Dan keert zich dit woord tegen alle Katholicisme en Protestantisme (Lutheranisme en Calvinisme) dat niet weet van een voortbestaan van de koninkrijken na Christus' wederkomst. Alle heerschappijen, (dus die moeten er zijn), zullen Hem eren en gehoorzamen. Genoemde Ismen hebben daar geen oog voor, omdat zij IsraŽls herstel niet zien. Zij willen IsraŽls plaats innemen en ruilen daarmee ook het meerdere voor het mindere in.

"Tot hiertoe is het einde van deze rede. Wat mij, DaniŽl aangaat, mijn gedachten verschrikten mij zeer en mijn glans veranderde aan mij, doch ik bewaarde dat woord in mijn hart." Vs. 28.

DaniŽl was zeer ontroerd Ťn over het vreselijke gruwelijke dier Ťn over de Kleine Hoorn Ťn over IsraŽls vervolging. Hij bewaarde echter de woorden en overlegde die, bewijs, dat hij er mee werkzaam bleef. En ook, dat hij alles maar niet ging uitdragen naar buiten. Ook hier kan hij ons wat leeren.

DE 7 HOOFDEN EN 10 HOORNEN.
Johannes ziet vooral het vierde rijk, dat al de andere heeft overweldigd, geusurpeerd. Toch zijn de delen niet ťťn geworden, geassimileerd. Het beest, dat Johannes ziet, was een pardel of luipaard, (gevlekte tijgerkat) gelijk ó 3e rijk van Dan.7, ó had voeten als een beer ó 2e rijk ó en de mond van een leeuw ó 1e rijk. Het had zeven hoofden en tien hoornen. We moeten hier even op DaniŽl 8 vooruitlopen. Daarin wordt van het derde rijk gezegd, dat er 4 koninkrijken uit ontstaan, het wordt zo dus vierhoofdig. Nu is het monster van Op. 13:1-2 te verstaan. We hebben:

1e rijk
Het Babylonische rijk herleeft en heeft 1 hoofd.
2e rijk
Het Medo-Perzische rijk herleeft en heeft 1 hoofd.
3e rijk
Het Grieks-Madeconische rijk herleeft en heeft 4 hoofden. Egypte, Syrië, Griekenland en een rijk in Klein Azië, waarvan het tegenwoordige Turkije mogelijk het begin is.
4e rijk
Het Romeinse rijk herleeft en heeft 1 hoofd.
Het Tientenenrijk herleeft en heeft 10 hoornen.
Samen 7 hoofden en 10 hoornen.

Dat er sprake is van 7 hoofden is wellicht aanwijzing, dat de vorige rijken herleven, dat de 10 koningen geen hoofden heten, is wellicht omdat ze hun troon terugkrijgen en met elkaar geen rijkseenheid vormen.

VERBAND TUSSEN DAN. 2 en 7.
Bij Dan. 2 hebben we aangetoond, dat er vijf rijken zijn. Tevens, dat in de toekomst het gehele beeld weer aanwezig is, wijl alles te samen vermalen wordt. We merkten op dat we hier voor een verborgenheid staan. DaniŽl beschreef aan de koning de opeenvolging van de rijken, hij legde de toekomstige gelijktijdige aanwezigheid niet uit, hoewel hij die vaststelde. Waar nu geheel DaniŽl een eenheid vormt en het een het ander aanvult, kunnen we niet aannemen, dat Dan. 7 om zou gaan buiten Dan. 2. We geloven dan ook, dat het de aanvulling er van is. Dan. 2 geeft de loop van de tijden der Heidenen, Dan. 7 een van de laatste stadiums van diezelfde Heidenen. Voor ons handelt Dan. 7 dan ook over dezelfde groepen, nu Ťn van Gods zijde Ťn in de eindtijd bezien. We zoeken in Dan. 7 de wedersamenstelling van het beeld van Dan. 2 in een, op ťťn na, laatste stadium. Het laatste geeft ons dan Johannes in De Openb. Zo genomen is dus Dan. 7 de beschrijving van de weder uit de algemene wereldoorlog en -revolutie zich mogelijk in wat gewijzigde vorm herstellende rijken, die DaniŽl 2 in hun opeenvolging zag. De eerste drie dieren kunnen dan zijn een Babylonische, een Medo-Perzische en een Grieks rijk, terwijl dan in het monsterachtige vierde rijk, een versmelting te zoeken zou zijn van het vierde en vijfde van Dan. 2. Voornamelijk een Pan-Europa waarvan men tegenwoordig de noodzakelijkheid reeds gevoelt.

Is deze veronderstelling juist, dan wordt meer dan ťťn moeilijkheid weggenomen.

  1. Ten eerste vinden we dan een bevredigende oplossing van Dan. 2, het te sŗmen aanwezig zijn.

  2. Ten tweede wordt de eenheid van DaniŽl er door versterkt. Dan. 2 is dan het vlak waarop en waarbinnen al het verder geopenbaarde zich afspeelt.

  3. Ten derde blijkt dan, dat de uitleggers, die in de rijken van DaniŽl 7 BabyloniŽ, Medo-PerziŽ, Griekenland en Rome zagen zich minder vergist hebben t.o.v. de rijken dan wel naar de tijd. Alleen hebben ze het vierde rijk te beperkt genomen.

  4. Ten vierde bestaan de vroegere rijken reeds bijna alle weer of bestaat de mogelijkheid dat ze zich vormen. Waar het vijfde rijk ze eerst zal overheersen, is het niet dan natuurlijk, dat ze eenmaal hun zelfstandigheid zullen zoeken te herwinnen en zich uit en mede door de revolutie of golving van de zee zullen trachten te herstellen. Uit elke revolutie wordt altijd een nieuw staatswezen herboren. De combinatie van het vierde met het vijfde rijk zal de illusies van de andere verstoren, maar ook dan nog blijven ze bestaan. Dan. 7:12.

  5. Ten vijfde spreekt Johannes in De Openb. van geen beeld maar van het monsterdier, dat al de kenmerken heeft van DaniŽl 7, maar waarvan de delen in omgekeerde volgorde genoemd worden. Volgens Johannes wordt het koninkrijk des Heren en van Zijn Christus, volgens DaniŽl wordt het beeld vermalen en de Steen tot een Berg die de wereld vervuld. Beide achten we identiek, gelijk, zodat hieruit o.i. mede volgt, dat het eindbeeld van DaniŽl 2 en het beest van Op. 13 samenvallen. Wij nemen aan dat het Beest in Op. 13 zowel aanduiding is van het rijk als van hem, die dat rijk eenmaal zat beheersen. Er geschieden niet twee dingen: er wordt geen beeld vermalen en geen beest gedood. De zaak is ťťn, maar de voorstelling verschillend. Evenals Farao's droom van aren en koeien ťťn was, zo zijn Nebukadnezars en DaniŽls droom ťťn in betekenis. De een beziet de zaak naar de menselijke zijde, de ander vanuit die van God. Daarom is het niet dan zeer waarschijnlijk, dat de samenstellende delen van beeld en beest samenvallen. Hierbij is dan het vierde dier van Dan. 7 een combinatie van ijzer en ijzer en leem.

Alles overziende voor zover we thans kunnen, achten we het voor waarschijnlijk, dat de oplossing van Dan. 7 in de door ons aangegeven richting ligt. Nogmaals zij opgemerkt, dat we geen bijzonderheden kennen en ons zeer wel bij de poging tot verdere afdaling vergist kunnen hebben. Wie beter of meer licht heeft, geve ons en anderen dat.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden