Uit IsraŽls Profetie

IV. Het Boek Daniël

b. DANIEL 2

NEBUKADNEZARS DROOM.
DaniŽl 2 is een van de belangrijkste profetische hoofdstukken van de Heilige Schrift. Wie Dan. 2 verstaat, al is het dan ook maar in hoofdtrekken, zal inzien, dat het een verschiet opent, dat verder reikt dan onze bedeling. Het omspant de hele duur van de "tijden der Heidenen". Deze vingen aan met Juda's wegvoering naar Babel, dus met Nebukadnezar en eindigen eerst, als het Beest te niet gemaakt wordt bij 's Heren persoonlijke komst uit de hemel. God heeft Nebukadnezar in de droom zulk een alle wereldrijken omspannende visie gegeven, dat een tweede onbekend is.

Nebukadnezar en zijn bezig zijn met "wat hierna geschieden zou" beschaamt menig gelovige, die niet eens weet hoe en waar en voor wie Christus nederkomen zal en onkundig is van de grote lijnen van de toekomst. Een Heidens koning krijgt een Goddelijke openbaring over de toekomst en belijdt: "Het is de waarheid, dat ulieder God een God der goden is en een Here der koningen en die de verborgenheden openbaart" Dan. 2:47. Vele van Gods in de H.S. geopenbaarde verborgenheden zijn de gelovigen onbekend, eenvoudig omdat men er niet bij stil staat.

De grote toekomstlijnen zijn thans uitgestippeld in de Schrift. Nebukadnezar had die niet. God gaf hem er enig inzicht in. Hij heeft ons veel meer gegeven. Vele gelovigen zien daar niets van en zien veroordelend neer op hen, die de verborgenheden die God geopenbaard heeft, willen leren kennen. Eenmaal zal de Heiden Nebukadnezar hen veroordelen, die door onbevangen lezing en overdenking van de Schrift lichten hadden kunnen zijn in de wereld.

De struktuur van DaniŽl 2 is deze:

B1 2:1-49 De droom van Nebukadnezar.

E1 a1 1-3 De Chaldeën ingebracht.

b1 4-9 's Konings eis.

     c1 10-11 Hun onmacht.

F1 G1 d1 12-16 's Konings toorn.

     e1 17-19 Daniël en anderen.

H2 19-23 Openbaring.

E1 a1 24, 25 Daniël ingebracht.

b2 26, 27 's Konings eis.

      c2 28-30 Daniëls in staat zijn.

F2                H2 31-45 Mededeling en uitlegging van de droom.

      G2 d2 46-48 's Konings dankbaarheid.

     e2 49 Daniël en anderen.


De droom (Hebr. dromen) en de verdere omstandigheden en gebeurtenissen er aan verbonden achten we bekend. We houden ons daarom vooral bezig met de uitlegging. Dat is het kardinale punt. Een enkele opmerking ga evenwel nog vooraf.

EEN EN ANDER UIT DANIEL 2.
Nebukadnezar, een geniaal vorst, hield zich niet alleen bezig met het tegenwoordige doch ook met de toekomst. God gaf hem nu een belangrijke en belangwekkende droom. In die droom ziet hij een heterogeen, d.i. uit verschillende ongelijksoortige delen samengesteld beeld. Zijn geest wordt er door verslagen en hij wil door Babels wijzen nader van de betekenis horen. Een viertal soort wijzen worden ons genoemd: Tovenaars, mogelijk geleerden in beeldschrift; sterrenkijkers, mogelijk astrologen; guichelaars d.i. spiritisten; chaldeŽn, geleerden in allerlei geheime wetenschappen. Van hen wil Nebukadnezar ook de droom weten. En vanzelf daarna de uitlegging.

We staan hier voor de vraag of Nebukadnezar die belangrijke droom vergeten was. Schijnbaar is dit zo en de vertaling van vs. 5 werkt deze gedachte in de hand. Daar immers, staat: De zaak is mij ontgaan. Zo ook vs. 8. Toch zijn deze verzen niet beslissend, want de vertaling kan anders zijn en wel: Het woord, d.i. het bevel, n.l. om; in stukken te houwen, is van mij uitgegaan. De Leidsche Vert. heeft: De zaak staat bij mij vast, n.l. om in stukken te doen houwen. Ook buitenlandse vertalingen zetten in die geest over. V.d. Palm zet: de zaak is bij mij afgedaan. Men ziet dat de St. Vert. hierin niet beslissend is.

Er is mťťr dan een reden om aan te nemen, dat de zaak de koning niet was ontgaan, maar dat hij de gelegenheid te baat nam: de wijzen van Babel eens te beproeven en hun trots zo mogelijk te fnuiken. Door de droom zelf van hen te vergen had hij, mits zij hem weer konden geven, enige zekerheid dat de uitlegging ook niet ver mis zou wezen.

Dat Nebukadnezar de droom niet vergeten was, volgt o.i. hieruit. Vooreerst wordt nergens gezegd, dat hij hem vergeten is (Vs. 5 en 8 bespraken we reeds). Dan is het niet wel aan te nemen, dat een droom die zijn slaap brak, dus waarvan hij niet verder kon slapen en zijn geest verslagen maakte, vs. 1, het beeld, dat zo treffelijk en welks gedaante zo schrikkelijk was, vs. 31 onder de drempel van het bewustzijn was weggezonken om als een onrustige, in het onbewuste rondwarend doch voor het geestesoog niet meer zichtbare vage herinnering, N. te kwellen. God gebruikt intussen N.'s list om de wijsheid van de wijzen te niet te maken en het verstand van de verstandigen te doen vergaan. En bovenal om Zichzelf te verheerlijken en tevens om IsraŽls getrouwe overblijfsel, getypeerd en geconcentreerd in DaniŽl en zijn vrienden, een belangrijke voorsprong te geven. Dit alles is type voor de toekomst: IsraŽl zal de onderwijzer van de Volken worden, nadat God de wijsheid en raad van de Heidenen vernietigd heeft.

Het verdere verloop is bekend. Noch 's Konings bedreiging, noch zijn in het vooruitzicht gestelde beloning baten. Tevergeefs is het protest van de wijzen tegen 's Konings onbillijke eis. Hun wijsheid gaat failliet, ze belijden hun onmacht. Alsnu komt DaniŽl naar voren. Als eenmaal de wijsheid van deze wereld zich stuk gelopen heeft tegen de muur van de eisen van het leven, zal God in IsraŽls gelovigen het licht geven, dat uit de ontstane chaos van gebroken wereldwijsheid en geleerdheid voert naar Hem, in Wien alle schatten der wijsheid verborgen zijn. DaniŽl wijst op God, IsraŽls overblijfsel zal wijzen op Christus, Die ook voor hen wijsheid geworden is.

HET BEELD.
Aan DaniŽl geeft de Here de uitlegging te kennen. Deswegen dankt hij God, "Die de tijden en stonden verandert, Die de koningen afzet en bevestigt, Die wijsheid geeft aan de wijzen en verstand aan de verstandigen en Die diepe en verborgen dingen openbaart". Nu gaat hij tot de koning en geeft hem, droom Ťn uitlegging te kennen, de uitlegging evenwel niet verder dan N. kan verstaan en God hem (DaniŽl) heeft getoond. Er is n.l. ook hier nog een waarheid achter de waarheid en die wordt hier niet direkt geopenbaard. Moge DaniŽl die al gezien of geweten hebben, alles voor N. uitgelegd heeft hij niet. En juist daar komt het tegenwoordig voor ons op aan. Laat ons zien. DaniŽl zegt:

Vs. 31-33 "Gij o koning, zaagt en zie, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk en zijn glans was uitnemend) staande tegenover u en zijn gedaante was schrikkelijk.

  1. Het hoofd van dit beeld was van zuiver goud,
  2. zijn borst en zijn armen van zilver,
  3. zijn buik en zijn dijen van koper,
  4. zijn benen van ijzer,
  5. zijn voeten eensdeels van ijzer en eensdeels van leem.

N.'s grote beeld geeft ons een openbaring van de opeenvolgende wereldmachten die echter niet op zich zelf staan doch elkaar opvolgen en onderdelen zijn van de Anti- Goddelijke wereldmacht. Zij zijn ťťn in het jagen naar wereldheerschappij buiten God om. Dat in deze ontwikkeling een neergang zit, volgt nader uit deze droom. Van zuiver goud loopt alles uit op modderig leem. Wel verre dat de wereldmachten in innerlijke kracht en vastheid vooruit gaan, is er een afdaling naar een verdeeld, weinig of geen waarde hebbend wereldbewind. Ondanks alle beschaving en kultuur is de basis zwak. Het beeld is feitelijk topzwaar.

Welke zijn nu de opeenvolgende wereldmachten? Er heerst tot op zekere hoogte wel zekere eenstemmigheid bij de uitleggers doch geen volkomen. Er is bovendien nog een leemte in de verklaringen. En juist die leemte is oorzaak, dat de orthodoxe verklaring zwak staat tegenover de opgekomen jongere Protestantse afwijkende vertakkingen van Adventisme en Russellisme.

DANIEL 2.

HET EERSTE KONINKRIJK.
"Gij o Koning zijt een koning der koningen, want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht en sterkte en eer gegeven. En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten des velds en de vogelen des hemels in uw hand gegeven en Hij heeft u gesteld tot een heerser over alle dezelve gij zijt (d.i. representeert, stelt voor) dat gouden hoofd". Vs. 37-38.

Het eerste wereldrijk is dat van Babel. Het was als 't ware in ťťn persoon vervat. Het "zuiver goud" typeert N.'s absolute monarchie, zijn alleenheerschappij. Hij kon beschikken over alles, mede over het leven en de dood zijner onderdanen. "Wien hij wilde, doodde hij en wien hij wilde, behield hij in het leven". Dan. 5:19.

N. kon de absolute heerschappij dragen. Hij was een eminent (voortreffelijk) vorst en geniale persoonlijkheid. Hij muntte uit op velerlei gebied en was vorst, staatsman, veldheer, wetgever, geleerde, enz.. Zelf ondervroeg hij de opgeleide prinsenzonen, Dan. 1:19, 20.

Met N. en zijn rijk beginnen de tijden der Heidenen gedurende welke aan IsraŽl de scepter uit de hand is gevallen en het niet langer hoofd van de Volken is. Van nu af zal er een reeks wereldrijken opkomen, die de wereldmacht aan zich trekken en vijandig tegenover God en Zijn Gezalfde staan, beheerst als ze worden door Satan, in wiens hand de koninkrijken van de wereld overgegeven werden, Mt. 4:9 en dienend het schepsel boven de Schepper, daar ze de heerlijkheid van de onverderfelijke God veranderen in de gelijkenis van een beeld. Babel was het land van gesneden beelden, Jer. 50:38 en de opeenvolgende rijken hadden alle hun afgodsdienst. Dit gaat door tot het einde. Uit Op. 9:20 blijkt, hoe men ook dan aanbidt de duivelen en allerlei afgoden. Eerst met Christus' tweede komst begint de aarde vol te worden van de kennis des Heren.

HET TWEEDE KONINKRIJK.
"En na u zal een ander het uwe koninkrijk opstaan, lager dan het uwe.". Vs. 39.

Het tweede wereldrijk is Medo-PerziŽ. Men houde bij de rijken wel in het oog, dat het wereldmachten zijn die voor korter of langer tijd de wereld beheersen. Kleinere tussenrijken vallen in het beeld weg.

Waarin zat nu het lagere van het tweede rijk. Niet in de mindere omvang of uitgebreidheid, maar in minder absolute vorstenmacht. Nebukadnezar kon zeggen: De staat ben ik. De volgende rijken misten dat absolutisme. Bij de Medo-Perzische heerschappij moest met de staatsregeerders en lagere vorsten rekening gehouden worden. De koning was aan wetten gebonden, die hij niet eigenmachtig buiten werking kon stellen. De wetten van de Meden en Perzen zijn bekend. (Dan. 6:16). Wel had de koning nog veel glans, maar niet het absolutisme van Babel.

Dat met het zilver Medo-PerziŽ bedoeld is, blijkt niet alleen hieruit, dat het 't eerste wereldrijk was dat op het Babylonische volgde, maar ook, dat het een tweedelig rijk was, getypeerd in de armen van het beeld. Wel was het in de loop der tijden ťťn rijk geworden, maar het bleef de tweeheid in zich dragen.

HET DERDE KONINKRIJK.
"...daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, hetwelk heersen zal over de gehele aarde". Vs. 39.

Het derde wereldrijk is het Grieks-Macedonische. Dit was weer minder in waarde dan de twee vorige. De Grieken waren republikeins in aanleg en wilden wel leiders, doch geen despotische heersers. De vorsten konden zich alleen door persoonlijke eigenschappen tot heersers verheffen en waren nog meer door wetten en instellingen gebonden. Het aanzien van de vorst daalde naarmate de invloed van het volk toenam.

Het derde rijk zou over de gehele aarde heersen. Deze aanwijzing zegt duidelijk, dat hier op het Grieks-Macedonische rijk gedoeld wordt, dat in en door de persoon van Alexander de Grote de toenmaals beschaafde landen van de aarde onderwierp en zijn invloed en macht dermate uitbreidde als nog geen ander rijk bezeten had. Deze heerschappij duurde niet lang.

HET VIERDE KONINKRIJK.
"En het vierde koninkrijk zal hard zijn gelijk ijzer, aangezien het ijzer alles vermaalt en vergruist; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, alzo zal het vermalen en verbreken". Vs. 40.

Het vierde wereldrijk is het Romeinse. Na Griekenland toch is er geen macht geweest, die de wereldheerschappij verkreeg dan alleen Rome. Weer is het gehalte minder dan van de vorige machten. Het volk heeft nog meer invloed dan in Griekenland, de glans van het staatshoofd is nog minder dan die in Griekenland. De Romeinse koningen, consuls, tribunen, keizers waren feitelijk niet meer dan eerste dienaren van de staat en regeerden veelal bij de gratie van het volk. Het volk was niet meer zo slaafs onderworpen als in vroeger eeuwen, het had zijn eigen strevingen.

Het vierde wereldrijk zou hard zijn als ijzer en alles vermalen, vergruizen en verbreken. Hier staan we voor een langzaam, maar zeker zich baanbrekende; alles onderwerpende, in zich opnemende en veroverende macht, die voor niets terug deinsde. Vermalen en vergruizen gaat niet in ťťn slag of stoot. Rome heeft dan ook meer dan een eeuw over zijn veroveringen gedaan. Won Alexander als met ťťn slag de oosterse wereld, Rome bereikte eerst op de lange duur zijn doel. Het vermaalde en vergruisde. Beide woorden wijzen op de langzame maar zeker voortgaande onderwerping en bewijzen daarmee, dat het vierde rijk Rome is. Geen ander. Het Griekse rijk vermaalde niet, het heerste als met een slag. Rome vermaalde. Het duurde dan ook tot 117 na Chr. dat het zijn grootste uitbreiding had, Toen toch veroverde keizer Trajanus o.a. Babel en zette hij de grenzen van het rijk tot over de Tigris uit door ArmeniŽ, AssyriŽ en MesopotamiŽ in Romeinse provinciŽn om te zetten. Trajanus wilde toen, evenals Alexander de Grote IndiŽ gaan veroveren. Hij werd evenwel door opstanden tot de terugtocht gedwongen en kwam daarbij om. Reeds eerder had Rome zich in West Europa baan gebroken (58-50 v Chr. tochten in GalliŽ d.i. het tegenwoordige Frankrijk en BelgiŽ en naar Brittanica, Engeland). Zo werd Rome het vierde wereldrijk vermalende, vergruizende, ook verbrekende.

Dat het het vierde rijk is, volgt niet alleen uit het woord vermalen en vergruizen, bezien in het licht van de historie, maar ook uit het feit, dat het ten slotte Babel veroverde.

Nebukadnezar toch bezag alles van uit Babel. Hij wilde weten, wat hierna geschieden zou, vs. 29. Hij dacht vanzelf ook over het grote Babel en zijn rijk. Welnu, Medo-PerziŽ nam Babel en BabyloniŽ in, Griekenland evenzo. En ten slotte ook Rome. Dat de stad Babel toen nog bestond, blijkt uit de gewijde en ongewijde geschiedenis. De ongewijde (zie Weber, Weltgeschichte, dl. I onder Trajanus) vermeldden wij hier boven; de gewijde zegt, dat Petrus vanuit Babylon schreef, 1 Petr. 5:13. Wij geloven, dat hiermee letterlijk Babylon wordt aangeduid, niet typisch Rome, wat men er gaarne van maken wil, niet alleen van Roomse, maar ook van Protestantse zijde.

Zo hebben we 3 opeenvolgende machten, die alle Babel en BabyloniŽ innamen, de stad en het land, waarin Nebukadnezar allermeest belang stelde. Hierbij komt ook nog, dat alle ook Jeruzalem bezeten hebben. Jeruzalem en Babel, de heilige en de onheilige stad, waren steeds betrokken in de uitbreiding en bij de uitgestrektheid van de wereldmachten.

Dat Rome geen koninkrijk was, toen het in 63 vůůr Chr. Juda, veroverde en in 31 vůůr Chr. de slag bij Aktium won, waardoor het Griekenland onderwierp, is van geen overwegend belang. Onder "koninkrijk" is hier eenvoudig "rijk" te verstaan, hetzij dat een stad, vorstendom, koninkrijk, keizerrijk of republiek was. Een staatsmacht dus.

BUIK EN DIJEN.
Voor we nu verder gaan moeten we een schrede terug doen en stilstaan bij de vertaling van: buik en dijen, voorkomend bij het derde rijk. Dat is nodig om twee redenen: Vooreerst om de uiteenlopende vertalingen. Dan vanwege de vraag, met welk wereldrijk de tweedeling begon, met of in het derde of met en in het vierde.

Allereerst dus de verschillende vertalingen. Luther vertaalt: Buik en lendenen. Nieuwere Duitse vertalingen volgen hem hierin na. Andere zetten: heupen. Nieuwere Franse vertalingen zijn hierin verdeeld, de een zet: heupen, een ander dijen. De Oude en Herziene Engelse vertaling zet: dijen. Men ziet in, dat dit punt van belang is: een heup of lenden is geen dij. Als buik en dijen van koper zijn, begint de deling in Griekenland, daar zou dus in later tijden een tweedeling moeten plaats hebben gehad, die dan een voortzetting zou gevonden hebben in het Romeinse rijk. Immers de schenkelen (scheenbenen) zijn de voortzetting van de dijen. Laat ons nu een en ander met de concordantie onderzoeken.

Het woord buik en dijen vinden we slechts eenmaal in het Arameese gedeelte van de Schrift. Dit is in Dan. 2. Dit is evenwel geen bezwaar want de Hebr. woorden ter aanduiding van deze lichaamsdelen verschillen weinig of niets van de Arameese.

Het Hebr. woord, door buik vertaald, is overgezet door "ingewand", in Gen. 25:23; Num. 5:22; 2 Sam, 20:10; 2 Kron. 21:15; 18, 19; Job. 20:14; Ps. 22:15; 40:9; 71:6; Hooglied 5:4; Jes. 16:11; 48:19; 49:1; 6315; Jer. 4:19; 31:20; Klaagl. 1:20; 2:11; Ez.3:3; 7:19; Jona 1:17; 2:1, door lijf in Gen. 15:4; Ruth 1:11; 2 Sam. 7:12; 16:11; 2 Kron. 32:21, door buik in Hooglied 5:14 en in Dan. 2:32, Dit zijn al de teksten, Men ziet, dat ingewand het meest voorkomt: 23 van de 30 maal, lijf 5 maal en buik met Dan. 2 mee, slechts 2 maal. De St. Vert. heeft in de Kanttekening op Dan. 2:32 Hebr.: ingewand. Voor de HebreŽr zijn het ingewand de inwendige organen, in de lichaamsholte liggend, meestal die van het onderlijf.

Het Arameese woord door "dijen" vertaald, is hetzelfde woord, dat in het Hebr. voor zijde(n) gebruikt wordt en steeds in de St. Vert. door "zijde(n)" is vertaald. En wel 28 maal: Gen. 49:13; Ex. 26:22, 23, 27; 36:27, 28, 32; Richt. 19:1, 18; 1 Sam. 24:4; 1 Kon. 6:16, 2 Kon. 19:23; Ps. 48:3; Jes. 14:13, 15; 37:24; Jer. 6:22; 25:32; 31:8; 50:41; Ez. 32:23; 38:6, 15; 39:2; 46:19; Amos 6:10; Jona 1:5. Alleen in Dan. 2:32 vertaalde de St. V. hetzelfde, nu Arameese woord, door "dijen". We vinden dit niet consequent en onjuist en menen, dat het woord ook in Dan. 2 door zijden had moeten vertaald worden, iets wat de Leidse Vertaling dan ook doet. Zeer terecht. Een "zijde" is iets heel anders dan een dij. Dan. 2:32 wekt de gedachte, alsof het beeld van borst tot knieŽn van koper was, alsof de tweedeling reeds in Griekenland begon, alsof het Romeinse rijk de voortzetting was van het Griekse. Geen van drieŽn is waar. Nebukadnezar zag alleen buik (ingewand) en zijden van koper, en niet de schenkelen (scheenbenen) maar de gehele benen van ijzer. Een lichaam laat zich wel indelen in hoofd, borst, buik (onderlijf) benen, voeten, maar niet zoals de St. V. dit doet.

Of bij de benen te denken is aan de later in het Romeinse rijk voorgekomen splitsing in Oost- en Westromeinse rijk, is niet te zeggen, Velen nemen dat aan. Daarbij moet men zich dan voorstellen, dat de benen tot een eind beneden de dijen door een gewaad bedekt zijn, zodat alleen het onderste deel zichtbaar is. De mogelijkheid bestaat. Alleen zij er dan op gewezen als men het een aanneemt, men dikwijls ook gebracht wordt tot het ander. De splitsing van het rijk had plaats in het jaar 395 n. Chr.; het West-Romeinse rijk ging onder in 476 n. Chr., het Oost-Romeinse echter eerst in 1453. Dan zou men, zo gezien, ook moeten aannemen, dat het ene been langer moet zijn geweest dan het ander. We laten een en ander over aan eigen inzicht.

HET VIJFDE KONINKRIJK.
"En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen ten dele van Pottenbakkersleem en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, ten welken (d.i. waarom) gij gezien hebt ijzer, vermengd met modderig leem en de tenen van de voeten ten dele ijzer en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard en ten dele broos zijn. En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt". Vs. 41-43.

We hebben hier een nieuw koninkrijk. Dit wordt te weinig ingezien. De traditionele mening, dat in het beeld van Dan. 2 slechts 4 rijken zijn, is zo ingeworteld, dat ze bijna onuitroeibaar is. Dat komt mede, omdat IsraŽl uit het oog verloren is en men meent, dat dit volk geen toekomst meer heeft. Men ziet dan in het beeld wel een steeds in macht minder wordende regeringsvorm, maar laat het feitelijk eindigen in het Romeinse rijk, dat dan in onze dagen zijn eindpunt bereikt. Het zuivere goud heeft dan successievelijk plaats gemaakt voor het broze leem, de absolute monarchie is vervangen door de broze democratie, de alleenheerschappij door een volksregering, die alle glans verloren heeft. Het leem is dan de voorstelling van Socialisme, Nihilisme, Anarchisme, Bolsjewisme, de "sterke mannen" zijn het ijzer, die het wereldbeeld voor korte tijd staande houden, de dictatoren. Men zegt dan nog in het Romeinse rijk te leven, niet staatkundig, maar omdat het Romeinse recht nog heerst, omdat de "Romeinse" (Latijnse) taal nog gebruikt wordt in de Roomse Kerk en in de wereld van geleerden, omdat de Romeinse leuze: "brood en spelen" steeds luider klinkt, enz. Hiermee maakt men een letterlijk bestaand hebbend wereldrijk tot een figuurlijk zich voortzettend rijk; men "vergeestelijkt" dus in velerlei opzicht en ziet geen letterlijk vijfde rijk, dat ons toch getekend wordt.

Dit geschiedt evenwel niet door allen even sterk. Naar Adventistische mening, zijn de voeten de rijken, die ontstaan zijn uit het Romeinse rijk in de Volksverhuizing (4e en 5e eeuw). Het tegenwoordige Europa zou dus de voeten symboliseren. Deze mening komt praktisch op hetzelfde neer.

Evenzo de Russellistische visie, die in het vijfde rijk Engeland ziet. Nog een andere mening is deze: het vijfde rijk is de Mohammedaanse heerschappij, die in 636 na Chr., d.i. 666 jaar nadat Rome zijn eerste keizer kreeg (31 v. Chr. Slag bij Aktium, Cesar alleenheerser) zich van Jeruzalem meester maakte. In geen van deze drie meningen kunnen we delen. We zien er wel aanwijzingen in, dat er meer inzicht komt, dat er vijf en niet viťr wereldrijken zijn, maar geloven, dat de Schrift iets anders zegt dan men er van maakt. We willen dat nagaan.

NOG TOEKOMSTIG.
Vooreerst staat er: En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen..., dat zal een gedeeld koninkrijk zijn. Hier wordt een nieuw lichaamsdeel genoemd. Rijken ontstaan op het grondgebied van het Romeinserijk, dus in de benen, kunnen de voeten niet zijn. De Schrift spreekt van rijken, die buiten de benen liggen, al hebben zij er verbinding mee. Verder wordt er gezegd: dat zal een gedeeld koninkrijk zijn; niet: dat zullen gedeelde koninkrijkEN zijn. Samen vormen ze ťťn rijk, niet vele.

Ten tweede staat er: Zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan de ander niet hechten. Hierin meent men verschillende door huwelijk aan elkaar verwant geworden vorstenhuizen te zien, die toch elkaar zullen afvallen. Wij voor ons zijn weer een andere overtuiging toegedaan.

Wie zijn die "zij"? Dit persoonlijk voornaamwoord kan alleen terug slaan op de in vs. 42 genoemde tenen, een soort statenbond. Deze zullen zich vermengen met menselijk zaad, Chald. "zaad van Enosh". Wat wil dit zeggen? Het woord Enosh is zowel persoons- als soortnaam. Persoonsnaam is het woord in Gen. 4:26; 5:9; Lk: .2:38, soortnaam, genomen voor het menselijk geslacht, is het in Gen. 6:4; Ezra 4:11; Dan. 2:38 (mensenkinderen, Chald.: zonen van Enosh.) Hij, Die op de wolken komt en een koninkrijk ontvangt, heet een Zoon van Enosh, Dan. 7:13. Het zaad van Enosh nu in 2:43 en de Zoon van Enosh schijnen ons fysiek (natuurlijk) verwant, te meer, waar deze hoofdstukken met elkaar balanceren. (Zie struktuur). Is dit zo, dan is het "menselijk zaad" IsraŽl, het volk, welks heiligen des Allerhoogsten eenmaal het koninkrijk ontvangen zullen. Jer. 18:1-6 stelt ons het Huis IsraŽls voor als leem. Het ijzer stelt dan de 10 koninkrijken van de Heidenen voor, die mede het vijfde rijk vormen, en waarin het uitloopt. Zo bezien zou daaruit volgen, dat IsraŽl, en wel het afvallige deel, dienst zou moeten doen als een soort cement, hechtsel tussen de 10 tenen. Die zijn ten dele van ijzer, ten dele van leem. De teenkootjes (beentjes) vormen het ijzer bestanddeel, het overige het leem element. Dit is dan mogelijk door IsraŽls geldmacht. Het Joodse element speelt op deze wijze een hoofdrol in dit vijfde rijk. Elk van de 10 tenen is er mee omgeven. Op zichzelf stoten de tenen elkaar af, het afvallige Jodendom moet en, wil trachten ze te verbinden.

Hierin is Satans hand. Hij wil op deze wijze IsraŽl met de Volken assimileren, het grote Volk emanciperen (gelijk maken) met de Heidenvolken. Dit is mogelijk door de afval, in 2 Thess. genoemd.

De opzet lukt niet. De tenen verenigen zich niet, omdat ijzer en leem niet aan elkaar hechten. Vandaar dat alles zijn zelfstandigheid behoudt en de tweedracht blijft heersen Ťn tussen de tenen Ťn tussen Jood en Heiden.

Waar in het goud, zilver, koper en ijzer mede volken zijn begrepen, kan het leem, ook een aardse substantie geen groep personen zijn, het moet mede een volksmacht voorstellen.

Ten derde staat er: "Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid (Chald. in de eeuwen, dat zijn de 2 toekomende aionen) niet zal verstoord worden. En dat koninkrijk zal geen ander volk overgelaten worden, het zal al die koninkrijken vermalen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid (Chald. in de eeuwen, de olamim of aionen hierboven genoemd) bestaan." Vs. 44.

In de dagen van die koningen. Hoe is dat mogelijk, als men die koningen laat beginnen te regeren van af de 4 of 5 eeuw? Dan zouden ze nu 1500-1400 jaar oud moeten zijn! Men lette er wel op, dat er staat: in de dagen van die koningen, niet: van die koninkrijken. Hierin ligt het derde bewijs, dat we hier met een toekomstig koninkrijk te doen hebben, niet met een in de Middeleeuwen ontstane opeenvolging van rijken of een hedendaagse wereldmacht.

In de dagen van die koningen wil zeggen: in de tijd van hun regering. Zodra dus de Tien-Statenbond gevormd is, weten we, dat de tijden der Heidenen een eind zullen nemen. Dat er veel in die dagen geschieden zal is zeker, maar binnen hun regeringsjaren valt de eindkrisis.

We houden ons hierbij vast aan het door God gegeven letterlijke getal tien. Dat is geen bepaald voor een onbepaald getal. Het zijn letterlijk 10 koningen Op. 13 en 17 spreken van een beest met 7 hoofden en 10 hoornen. Waar we aan kunnen tonen, dat die 7 letterlijk 7 betekent, geloven we ook, dat de 10 letterlijk 10 is. Nergens nu in de historie is een rijk aan te wijzen, dat na het Romeinse komende, aan de kenmerken van vs. 44 heeft beantwoord. Uit het Romeinse rijk ontstonden geen 10 koninkrijken. Bovendien vallen ze buiten dat rijk, daar de tenen buiten de benen vallen. Nergens vinden we, dat die 10 rijken ťťn koninkrijk vormen, een statenbond in dit geval. Nergens zien we, dat Engeland met 9 anderen de wereldmacht uitgeoefend heeft. Evenmin de Islam. Nog nimmer is in de dagen van diť koningen, het aionen bestaande rijk van de God des hemels opgericht. Daarom geloven wij, dat Dan. 2:44 toekomstig is. Eerst als dat rijk verschijnt, weten we dat het einde nabij is. Tussen het vierde en vijfde rijk is een onderbreking gekomen, waarin we nu nog leven.

VERGELIJKING.
Hegel, de Duitse filosoof, heeft de verschillende stadiums in het politieke leven van de volken aldus gekwalificeerd. In Babels tijd leefden de Volken in de politieke kinderleeftijd, tijdens het Medo-Perzische rijk in de politieke knapenleeftijd; in het Griekse rijk in de politieke jongelingsleeftijd, in het Romeinse rijk in de politieke mannenleeftijd.

Hiermee is de leeftijd van het politieke leven niet ten einde. Op de mannenleeftijd volgt de grijsaardsleeftijd. Deze is nog niet ingetreden. Er zal eenmaal een rijk komen, dat de kenmerken van afgeleefdheid duidelijk vertoont. En dan, als de eerste mensheid is afgeleefd, kan de nieuwe Mens geopenbaard worden. Hij, Die de dagen verlengd heeft en door Wien het welbehagen des Heren gelukkiglijk zal voortgaan. Dit voert ons tot de wederkomst van Christus, de Steen, die het beeld zal vermalen.

DE STEEN.
"Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een Steen zonder handen afgehouwen werd, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalt.", vs 45

Hier hebben we een profetische penseelstreek, die de ondergrond aanbrengt voor de latere kleurmengelingen op het doek van de toekomst. Wat er in die dagen nog meer plaats heeft, zegt DaniŽl niet aan de koning. Dit ging hem niet aan, wijl dit IsraŽl betreft. De uitwerking vinden we in DaniŽl 7 en andere gedeelten, alsmede in De Openbaring. Nebukadnezar wist nu genoeg. Zijn rijk zou niet blijven bestaan, doch de andere evenmin. Zijn eenhoofdig gezag liep uit op een gedeelde regeringsvorm. Doch ook deze is niet bestendig. Na het vijfde, komt het zesde rijk. En dan neemt God het woord en richt het rijk op, waarin de Mensenzoon Koning zal zijn over alle volkeren, Dan. 7:14. We willen vs. 45 nog nader bezien en eerst nagaan, wat de Steen is.

WAT HIJ NIET IS.
Vaak meent men, dat met de Steen het Christendom bedoeld is. Dit kwam in de tijd van het vierde rijk en heeft zich over de hele aarde verbreid. Deze verklaring is niet houdbaar. De Steen toch komt niet, voordat de tenen er zijn. Het Christendom kwam, toen de benen er waren. Verder is het Christendom nimmer een koninkrijk, een staatsmacht geworden, tenzij men daar het Pausdom voor wil nemen, wat naar Protestantse mening niet aanvaard wordt. Hierbij komt nog, dat noch het Christendom in algemene, noch het Pausdom in bijzondere zin heel de wereld vermalen heeft. Er zijn nog een kleine 1200 miljoen niet-christenen tegenover ruim 650 miljoen christenen (300 milj. R.K., 230 milj. Prot., 120 milj. Gr. Kath. tegenover 250 milj. Mohammedanen, 235 milj. Brahmanen-Hindoe's ó, 570 milj. Boeddhisten ó SjintoÔsten ó GonfuciÔsten ó Laotzisten, 90 milj. afgoden dienaars ó Fetisjisten ó Sjamanisten, 14 milj. ongodsdienstigen, los van alles staanden, Ī 13 milj. Joden). Hoe het Christendom dus als steen de wereld vermalen heeft, is met deze cijfers voor ogen, niet in te zien. En neemt men daarvoor de "Christelijke" naties, dan gaat ook dit niet op, want hun macht is aan het ondergaan en heerst bovendien nog niet op de gehele aarde. Voorts zal het Christendom, noch de Chr. wereldmacht in alle eeuwigheid bestaan.

De Steen is wat anders. Hij is niet het produkt van een geleidelijke voortgang, maar verschijnt plotseling en kent niet de geleidelijke ontwikkeling, die men zich gaarne bij het Christendom voorstelt. Tegenwoordig wil het Russellisme mede voor deze Steen doorgaan. Eenmaal zou dus de aarde door het Russellisme vervuld worden. Zij met het Hoofd menen de Steen te vormen. Dit is een in wezen Roomse trek, die erger is dan Rome zelf. Ook het Russellisme zal niet in eeuwigheid bestaan.

Noch het Christendom, nog enig "isme" is de in de droom geziene Steen. Wie dat meent, zij er op gewezen, dat het gehele beeld vermalen wordt. Ware het Christendom de Steen, dan zou het in de eindtijd de grote macht moeten ontwikkelen die de Steen bezit. Nergens wordt ons dat in de Schrift geleerd. Juist het tegendeel.

WAT HIJ IS.
De Steen is Christus. Maar niet in Zijn eerste komst. Toen heeft Hij geen enkel rijk vermalen. Toen was het bovendien niet in de dagen van die koningen, die er tijdens het vijfde rijk zullen zijn. De Steen is Christus in Zijn tweede komst. Van Zichzelf zegt Hij: "Wie op dezen Steen valt, zal verpletterd worden." Mt. 21:44. Zie ook Jes. 8:14, 15. Dat betrof Zijn eerste komst. Toen struikelde IsraŽl over Hem en werd verpletterd (70 n. Chr.). "En op wien Hij valt, dien zal Hij vermorzelen." Dat is de tweede komst. Dan gaat Hij vermalend te werk. Men ziet hieruit, dat de Steen noch het Christendom, noch Rome, noch enig "Isme" is. Die bestonden er in Christus' dagen nog niet. En toch was de Steen er.

De Steen wordt "afgehouwen" zegt de St. Vert. De Leidse Vert. heeft: dat vanzelf een Steen zich losmaakte, V.d. Palm: dat uit de berg een steenklomp zich losrukte. Ook buitenlandse vertalingen hebben het wederkerende werkwoord zich losmaken, zich losrukken. Strikt genomen is de vertaling "werd afgehouwen, afgesneden" echter beter.

De Steen wordt afgehouwen, losgemaakt uit de berg. Die berg wordt door velen aangezien als de Olijfberg. Daarop komt Christus weder, Zach. 14:4, Hand. 1:11. Van die berg zal Hij Zich mogelijk snel losmaken om tegen de vijanden te strijden en de wereldrijken te vermalen. Zach. 14 zegt, dat de Here zal uittrekken en strijden tegen de Heidenen. o.i. hebben we hier echter te denken aan Christus' openbaring uit God in heerlijkheid. De Symbolische Steen wordt niet losgemaakt uit een letterlijke berg.

De uitdrukking "zonder handen" in vs. 34 vinden we ook in Dan. 2:34; 8:25; Job. 34:20; Klaagl. 4:6; Hand. 7:48; 17:24, 25; 19:26: 2 Cor. 5:1; Ef. 2:11; Col. 2:11; Heb. 9:11, 24. Hij wijst Gods rechtstreekse ingrijpen aan, niet op een geleidelijke ontwikkeling van een Kerk, leer of stelsel. God sluit de ontwikkelingsgang van de koninkrijken plotseling af. Het beeld wordt dan gaandeweg vermalen.

DE VERBORGENHEID VAN DAN. 2.
Op een bijzonderheid valt alle nadruk. En toch wordt deze door geen enkele groep of richting naar voren gebracht en berust daarop Ťn de verborgenheid van Dan. 2 Ťn de verdere verklaring van Dan. 7 en 8 en daarmee van geheel DaniŽl en mede die van De Openbaring. De Steen vermaalt het ijzer, koper, leem, zilver en goud. Men zou menen, dat alleen het ijzer-leem vermalen werd, het laatste rijk. De Schrift zegt, dat ook het ijzer, koper, zilver en goud vermalen worden.

Verder zegt de Schrift, dat het beeld geslagen werd aan zijn voeten, vs. 34. Hieruit volgt een allergewichtigste conclusie n.l. deze: In de eindtijd is het gehele beeld weer daar. Nebukadnezar zag het beeld geslagen worden aan de voeten, hij ziet het hele beeld vermalen worden. DaniŽl spreekt daar ook van in zijn uitlegging. Dus moet het hele beeld weer aanwezig zijn, anders kon het niet in zijn geheel, in al zijn onderdelen vermalen worden. Dit nu is dŤ verborgenheid van Dan. 2, maar hierover spreekt DaniŽl verder niet tot de koning. We zinspeelden hierop in dit gedeelte, waar we spraken over de komst van het zesde rijk. Eerst komt het vijfde, het IJzerleemrijk, daarna verrijst het gehele beeld als zesde wereldrijk. Dit schijnt aan DaniŽl niet nader verklaard te zijn, want in zijn droom (hfdst. 7) wordt dit geopenbaard en verzoekt hij om uitlegging (7:16).

We gaan een en ander nog eenmaal na. Vooreerst letten we er op, dat er 5 rijken in het beeld aangeduid worden en niet 4, zoals veelal wordt geleerd, dat dus het Romeinse rijk niet het laatste is. Dat wordt driemaal in het beeld aangegeven:

Vs. 32, 33
Vs. 35 ¹
Vs. 45Ļ
goud
ijzer
ijzer
zilver
leem
koper
koper
koper
leem
ijzer
zilver
zilver
ijzer-leem
goud
goud
¹ De Septuaginta heeft in vs. 35 en 45
de volgorde leem, ijzer, koper, zilver en goud.


De vierde maal vinden we het vijftal in de uitlegging:

 

1 een koninkrijk ó Babylonische rijk.
2 een ander koninkrijk ó Medo-Perzische rijk.
3 het derde koninkrijk ó Grieks-Macedonische rijk.
4 het vierde koninkrijk ó Romeinse rijk.
5 een gedeeld koninkrijk ó Toekomstig IJzer-leemrijk.


Men ziet van hoeveel belang dit punt is. Viermaal brengt de Schrift het naar voren, bewijs, dat er sterk de aandacht op wordt gevestigd. Dat de koning de zaak wilde weten en de ChaldeŽn die zwaar vonden, is nu te begrijpelijker. DaniŽl heeft echter niet alles geopenbaard of kunnen openbaren. Eerst vele jaren later kreeg hij zelf meer licht. (Zie Dan. 7).

Dan zie men wel in, dat het gehele beeld vermalen wordt. Dit wordt drie maal naar voren gebracht. Eerst in vs. 34: "...een steen ... die sloeg dat beeld aan zijn voeten". Het zou geen zin hebben van een beeld te spreken, als het geheel er niet was en niet van voeten, als de andere lichaamsdelen, ontbraken. Dan in vs. 35, "Toen werden TE SAMEN vermalen, ijzer, leem, koper; zilver en goud en zij werden gelijk kaf ... en de wind nam ze weg en daar werd geen plaats voor dezelve gevonden. Alles wordt te samenvermalen, dus moet in zijn geheel aanwezig zijn. De Schrift zegt niet, dat er ťťn vermalen wordt.

Waar we reeds uiteenzetten, dat de Steen Christus is in Zijn tweede komst, is dit vermalen nog niet geschied. Men kan niet zeggen, dat Babel vermalen is door de Steen. Hoogstens (en dat is dan nog onjuist) dat het vermalen werd door Medo-PerziŽ. Evenmin is Medo-PerziŽ door de Steen vermalen. Evenmin het Romeinse rijk. Waar de metalen van het beeld nochtans vermalen worden door de Steen, moeten zij er eenmaal weer zijn, dus hersteld worden. En eindelijk zegt vs. 44: "... het zal al die koninkrijken teniet doen". Er staat niet: al de koninkrijken, dus in het algemeen, maar al DIE koninkrijken. Dit kunnen geen andere zijn dan de 5 door DaniŽl opgesomde. Waar 4 daarvan reeds voorbij zijn gegaan, maar nimmer door de Steen werden vermalen (ook Rome niet, zelfs al zou men het Christendom, voor de Steen houden ó wat het niet is ó want niet het Christendom heeft een einde gemaakt aan het Romeinse rijk, maar de opdringende volken buiten het Romeinse rijk, in de Volksverhuizing) daar volgt hieruit, dat, zal DaniŽls uitlegging bewaarheid worden, al die koninkrijken, dus Babel, Medo-PerziŽ, Griekenland, Rome, in zekere vorm terugkomen en in de eindtijd dŗŗr zullen zijn. We herhalen daarom: Eenmaal keren al die rijken terug.

TE SAMEN.
Men zegge niet, dat de andere metalen in het ijzerleem overgegaan zijn en daar in mede vermalen worden. Dit is een verkeerde uitlegging. Er staat, dat alles te samen wordt vermalen, dat al die koninkrijkEN te niet gedaan worden. Als alleen het vijfde rijk vermalen wordt, is er geen sprake van een te samen vermalen en van koninkrijkEN. Het te samen drukt niet uit, dat het een eerst in het ander wordt opgelost, omgesmolten en dat dit mengsel, dit amalgama, nu vermalen wordt; het te samen drukt uit een gelijktijdig tegenwoordig zijn.

Het woord te samen komt in het Aramees maar ťťnmaal voor, n.l. hier. In de Hebr. vorm echter meermalen. Het betekent eigenlijk: als ťťn en wijst steeds op een gelijktijdig aanwezig zijn van gelijksoortige personen of dingen. Enkele bewijzen:

  • Ezra 2:64 "Deze ganse gemeente te samen (n.l. al degenen, die vooraf opgesomd waren) waren 52.360".
  • Ezra 3:9 "Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen en KadmiŽl met zijn zonen, kinderen van Juda als een man" (zelfde woord als te samen). Stond Jesua alleen op? Of de anderen met hem? En moesten zij daarom bij hem tegenwoordig zijn?
  • Ezra 6:20 "Want die Priesters en de Levieten (dus velen) hadden zich gereinigd als een enig man, zij waren allen rein."
  • Pred. 11:6 "Zaai uw zaad in den morgenstond en trek uw hand des avonds niet af, want gij weet niet, wat recht wezen zal, ůf dit of dat, of dat die beide te samen goed zijn zullen."
  • Jes. 65:25 "De wolf en het lam zullen te samen weiden". Zie voorts 2 Kron. 5:13 (eenpariglijk), Neh. 7:66.

Ziet men wel, hoe het te samen niet betekent, dat er ťťn is, maar aanwijst; dat er twee of meer zijn. Als de Schrift dus zegt, dat de rijken te samen vermalen worden, moeten ze er te samen zijn. Vs. 35 zegt dan ook, dat zij werden (niet ťťn dus) als het kaf, dat de wind ze wegnam, dat er voor dezelve (niet voor het vijfde dus alleen) geen plaats gevonden werd.

Uit het "te samen" volgt nog iets. Het goud wordt geen zilver, deze beide geen koper, deze drie geen ijzer. Medo-PerziŽ is geen omgevormd BabyloniŽ, Griekenland geen omgevormd BabyloniŽ en Medo-PerziŽ, Rome geen omvorming van de vorige drie. Elk van de rijken komt eerst zelfstandig op en vermeestert dan de andere. Hieruit volgt onweersprekelijk, dat het rijk van ijzer en leem geen omgevormd Romeins rijk kan zijn, niet kan zijn de uit dat rijk ontstane staten, maar een geheel nieuwe vorming moet zijn, een eerst op zich zelf staand rijk zal zijn. Het kan zijn wortel, de voetwortel wel hebben in of tegen dat rijk aan, maar moet met dat al een aparte vorming zijn. De voeten zijn de benen niet, dus het vijfde rijk kan noch een hersteld Romeins zijn, noch bestaan uit de staten van het uiteengevallen rijk. Historie en logica verzetten zich tegen die mening van Adventisten, Russellisten en Darbisten. En niet het minst de Schrift. Als de benen het Rom. rijk zijn en dit terug komt, met de andere delen van het beeld, dan kunnen de voeten dat rijk niet zijn.

Wat en waar het vijfde rijk zal zijn moet de historie leren. Het is mogelijk Rusland, door het voetgewricht Duitsland, verbonden aan de delen van het vroegere Romeinse rijk. Rusland moet dan een conglomeraat (samenhang) worden van 10 op zich zelf staande staten, wat zeer wel mogelijk is. Thans reeds bestaat het uit een aantal republieken. Geografisch is het thans het enige grote rijk, dat Babel en Jeruzalem kan bezitten, daar het in Voor-AziŽ vooruitgrijpt. Men houde bij dit alles in het oog, dat we slechts een můgelijkheid geven, geen zťkerheid stellen.

Dat het Engeland niet is, geloven we hierom: Engeland maakte eens deel uit van het Romeinse rijk en zijn delen liggen wijd uiteen over de wereld. Evenmin komt America in aanmerking, gescheiden als het is van Europa. Zo blijft tot heden toe alleen Rusland, of Duitsland-Rusland, over als het meest waarschijnlijke vijfde rijk.

Stellen we dit als mogelijkheid, met alle zekerheid ontkennen we, dat we nu al, in onze dagen, in het laatste stadium van Nebukadnezars wereldrijkenbeeld leven. De Schrift zegt, dat het vijfde rijk een gedeeld koninkrijk zal zijn, uit 10 staten bestaande. Deze zijn nog niet aan te wijzen.

In de tijd van het einde zullen al de metalen, dus al de rijken tegenwoordig zijn. En wel gelijktijdig. Vs. 44 spreekt dan ook van: al die koninkrijken. Vs. 35 versterkt dit door het woord: toen. Toen nl. toen het hele beeld daar voor de koning stond, toen, toen de Steen de voeten trof. Waar de Steen nog komen moet, moet dat "toen" ook nog plaats vinden. Vs. 44 noemt de delen, al die koninkrijkEN, niet: het laatste koninkrijk. Wij menen, dat men met de Schrift in de hand genoegzame bewijzen heeft voor de herleving van de oude rijken.

Zo goed als alle uitleggers hebben dit te samen vermalen van al die koninkrijken uit het oog verloren. Ons is althans geen enkele exegeet of werk bekend, die dat leren. Men spreekt wel van van een hersteld Romeins rijk. Hierdoor ontstaat een leemte in de uitlegging van de profetie, die zich wreekt en Adventisme-Russellisme, Darbisme en de verdere christenheid doet dwalen. Zonder de te samen vermaling is Dan. 7 niet goed te verstaan en veel van het overige van DaniŽl ook niet.

We moeten daarom met nadruk herhalen, dat in de eind tijd alle vroegere wereldmachten opnieuw hun rol zullen spelen, daartoe vlak na elkaar weer zullen opkomen, waartoe van te voren de verhoudingen voorbereid worden. Een van de nieuwe zal overheersen. Dit is het vierde rijk van Dan. 7 en Op. 13 en 17. En dat geheel verschijnt. Hierin zal het Beest zich als hoofd opwerpen en zo zal Satan aantonen, dat hem alle koninkrijken van de wereld overgegeven zijn, Mt. 4:8. Dan ó daarboven staat een ander woord. Satan moge veel macht hebben, hij moge thans zijn de overste van de macht der lucht, hij is niet almachtig. "Mij is gegeven ŗlle macht in hemel en op aarde", Mt, 28:18, zegt Christus. En Hij is de Steen, die te samen vermalen zal het weer herleefde beeld en alle als kaf zal verstrooien.

HERSTEL VAN HET VROEGERE ROMEINSE RIJK?
Vele gelovigen onzer dagen voorspellen de herleving van het Romeinse rijk. Op grond van Op. 13. Daarin meent men te kunnen lezen, dat het Beest dat Johannes zag opkomen, hetzelfde rijk is, dat er eenmaal in zijn dagen was. Men gaat hierbij uit van de vier rijken van Dan. 7 en meent dat het vierde rijk het Romeinse is. In het pardel- beer- en leeuwachtige gedrocht ziet men dan het herstelde Romeinse rijk. Wij kunnen die opvatting niet delen. We moeten o.i. uitgaan van Dan. 2 en eerst zien, dat er vijf wereldrijken op elkaar volgen en elk zelfstandig opkomt. Dan komt alles anders te staan. In hoeverre de 4 van Dan, 7 met de 5 van Dan. 2 overeenkomen, zal nader besproken worden. Hier gaat het om het uitgangspunt: de vijf rijken.

Dat het Romeinse rijk in zijn vroegere vorm hersteld zal worden, kunnen we niet zien, dat het in een zekere beperkter vorm eenmaal weer aanwezig zal zijn, geloven we wŤl. Zo ook de andere rijken. Vooraf moet echter het vijfde rijk optreden. Dit zal grote veroveringen maken. Oudtijds overwon Medo-PerziŽ Babel, Griekenland Medo-PerziŽ, Rome Griekenland. Zo is het mogelijk, dat het vijfde rijk doende als het vierde, het in zekere vorm bestaande vierde overwint en tevens de andere ook onderwerpt. Het is evenwel niet nodig, dat het eerst in zijn vroegere omvang hersteld wordt. Toen Rome in 146 Griekenland inlijfde, overwon het een inwendig verdeeld en tweedrachtig zijn. Zo zou ook het vijfde rijk wel eens in het vierde een inwendig verdeeld West-Europa kunnen vinden; dat een gemakkelijke buit werd. De toekomst zal dit leren. Eťn ding staat o.i. wel vast: Het vijfde zal het gebied van het vierde aan zich trekken. Indien het vijfde rijk Rusland is, mogelijk met Duitsland verbonden of dit in zich opgenomen hebbende, dan zou daaruit volgen, dat er in West-Europa een Russische overheersing te wachten is, die zich tevens ook over de vroegere rijken Griekenland, PerziŽ, die er al zijn en BabyloniŽ, het opkomend en thans door Engeland als zelfstandig erkende Irak, zou kunnen uitstrekken. Deze Al-russische (Panslavische) expansie (uitbreiding) zou verre uitgaan boven die van een hersteld Romeins rijk.

DE TIJD VAN HET EINDE?
De oorlog van 1914-'18 heeft de vervulling van Dan. 2 mogelijk een belangrijke stap naderbij gebracht, Rusland is een vijandige wereldmacht geworden, die velen met vrees vervult, Europa is in twee helften en partijen verdeeld. In hoeverre de pogingen om een (West)-Europese Statenbond tot stand te brengen de loop der dingen zal versnellen, vermogen we niet te overzien. Mogelijk loopt dit plan uit op een opwekken van Rusland's haat en bespoedigt het zijn aanval op het Westen.

Dat er voorboden zijn van de nadering van de tijd van het einde, zullen we niet ontkennen. In korte tijd kan er veel gebeuren. Toch geloven we niet, dat het einde vlak voor de deur, nabij, is. Mogen ook al de schaduwen van de dag der verzoening zich beginnen te verlengen, het einde van die dag is er nog niet. Komt dat, dan zal duisternis de aarde bedekken en donkerheid de volken, Jes. 60:2. Thans is het evenwel nog de dag der zaligheid. Om, nu het middernachtelijk geroep aan te heffen: De Bruidegom komt! is niet alleen voorbarig, maar ook verwarrend. Men mag er op wijzen, men doe evenwel niet, alsof hij er is. God heeft de bedeling der genade nog niet afgesloten en tot zolang houdt Hij de ontwikkeling van de profetie en de verdere uitwerking van DaniŽl op. Het onderzoek van Dan. 2 leert ons mede, dat terstond het einde er nog niet is. Het vijfde rijk moet eerst nog gaan overheersen en eerst dan kan het komen tot het opkomen van het beest van Op. 13. Hieraan gaat, evenwel dan nog vooraf het opkomen van de vier dieren van Dan. 7.

Eenmaal zullen alle bestanddelen van het beeld weer aanwezig zijn. Te samen zullen zij het beeld vormen. Elk heeft dan een zekere sfeer die het beslaat. Toch vormen ze te samen een eenheid al zal het een gedrongene zijn. Dat is het beest van Op. 13. Dat is evenwel groter dan het herstelde Romeinse rijk. En voordat het Beest gekomen is, komt het einde niet. Met de herleving van de delen houdt zich DaniŽl 2 evenwel niet op, Die moeten we in hfdst, 7 zoeken.

HET KONINKRIJK DER AIONEN.
"... en dat koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden, het zal al die koninkrijken vermalen en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan," (Chald.: in de olamim, de 2 laatste grote wereldtijdgangen, de toekomende eeuwen van Ef. 2:7).

Van dit koninkrijk, opgericht door de zonder handen afgehouwen Steen, heeft men een geestelijk koninkrijk gemaakt. De Reformatie heeft hierin eenvoudig de traditie van de Kerkvaders voortgezet. Hiertegen nu verzet zich het hele verband niet alleen, maar ook het gehele O.T. Het verband: Wat kon Nebukadnezar verstaan onder een "geestelijk" koninkrijk? Hij moet het opgevat hebben als een reŽel, aards koninkrijk met een zichtbare Koning, volk, hoofdstad en land. En terecht, Het is het rijk van Christus op aarde; het vangt aan in Palestina, gaat dan omvatten geheel Kanašn (zie hfdst. 11), breidt zich dan verder uit, de hele toekomende aioon (eeuw) door om ten slotte de hele aarde te omspannen. Dit is het geval in de tweede toekomende aioon als het Nieuw- Jeruzalem op aarde zal nederdalen.

Er komt een aards Messiaansch koninkrijk. Dat koninkrijk is wel niet van, Gr.: uit de wereld, Joh. 18:36, maar daarom toch wel op aarde. Het is een even letterlijk aards koninkrijk als de andere letterlijke rijken waren. Het wordt opgericht van uit de hemelen en heet daarom ook: het koninkrijk der hemelen, d.i. van de hemelen, maar is niet in de hemel, maar onder de ganse hemel, Dan. 7:27.

Dat koninkrijk nu zal aan geen ander volk overgelaten worden. Hij zegt niet, dat het aan geen vůlk zal overgelaten worden. Hij drukt zich negatief uit: het wordt niet overgelaten aan een ander volk. Als dat koninkrijk aan geen ŗnder volk zal overgelaten worden, ligt daarin opgesloten, dat het dus wel aan 'n volk gegeven zal worden, Dat volk is niet de N.T. "Gemeente", de "Kerk", de 144000 verzegelden uit Adventisten, Russellisten of welke andere groep meer, dat volk is IsraŽl. Zie nader Dan. 7:27.

De Steen wordt tot een grote berg. Hij gaat aan het vermalen. Uit Dan. 7 blijkt, dat aan drie van de rijken verlenging van leven gegeven wordt. Alleen het vierde dier wordt gedood. In het de ganse aarde vervullen van de Steen, ligt mede IsraŽls zich uitbreidende en aangroeiende wereldheerschappij over de Volken besloten. En wel onder het Nieuwe Verbond. Door Christus als Zoon van David Die recht heeft op Davids troon, richt God het koninkrijk aan IsraŽl op. Door Hem als Zoon van Abraham, de erfgenaam van de wereld, wordt de ganse aarde Zijn koninkrijk. De andere rijken zullen Hem eeren, alle volken zullen Hem dienen. Uit Zion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem (de stad des Groten Konings), Jes. 2:9; Mt. 5:35. "Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot den Here bekeren en alle geslachten der Heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden. Want het koninkrijk is des Heren en Hij heerst onder de Heidenen." Ps. 22:28, 29.

VERMALEN.
In verband met het bovenstaande tekstwoord moeten we nog wijzen op het woord "vermalen". De Steen zal vermalen. Bij het vierde wereldrijk is ons reeds gebleken dat dit een langzaam maar zeker zich voortzettend werk is. Niet op eenmaal wordt Christus erkend als de Grote Koning. Eerst gaandeweg breidt zich het Koninkrijk der hemelen dat aan IsraŽl wordt opgericht uit tot een alle volken omspannend rijk. Voordat zich dat als zodanig openbaart is er veel te vermalen. Eerst gaandeweg zal vervuld worden: "ja alle koningen zullen zich voor Hem nederbuigen, alle Heidenen zullen Hem dienen" Ps. 72:11. Doch eenmaal zal de Steen toch de ganse aarde vervullen. En eerst dan kan de Zoon het Koninkrijk overgeven aan de Vader, 1 Cor. 15:24.

CHRISTUS' ZICHTBARE WEDERKOMST OP AARDE.
In Dan. 2 is ook Christus' zichtbare wederkomst op aarde besloten. Dat is te zien uit de woord van vs. 34: ... een Steen ... die sloeg (of trof) het beeld aan zijn voeten. De Steen moet om de voeten te treffen vanzelf eerst op de aarde komen, want de voeten van het beeld stonden op de aarde. De Steen symboliseert iets zichtbaars, dus Christus is zichtbaar bij Zijn tweede komst. Aller oog zal Hem zien. Zo bewijst Dan. 2 onweersprekelijk Christus' letterlijke, persoonlijke, zichtbare wederkomst. Eerst dan kan de vermaling beginnen. Voor hen die aan een figuurlijk of ook wel een onzichtbare komst denken, geven we de volgende parallel tussen de symboliek en de realiteit:

Symboliek: Realiteit:
Het beeld
De 5 rijken
De Steen
Christus
De voeten
Het 5de rijk (een letterlijk rijk)
Getroffen aan de voeten
door de Steen
Christus overwint het rijk op aarde


Uit Dan. 7 zal blijken, dat het door Christus het eerst geslagen deel opgenomen is in het vierde dier dat schrikkelijk en gruwelijk is. Dat dier wordt gedood, maar aan de overige verlenging van leven gegeven. Ook dit is mede bewijs voor het vermalen, het niet in eens alles doen, en voor het aanwezig zijn van de andere rijken, want al wordt hun heerschappij weggenomen. hun wordt verlenging van leven gegeven, Dan. 7:11, 12, 26. Hiermee vallen in dit opzicht verschillende "ismen".

Ten eerste het Adventisme. Dit meent (en het heeft dat met vele andere uitleggers van DaniŽl gemeen) dat:

  1. het verbrokkelde Romeinse rijk het rijk van ijzer en leem is, Des ijzers vastigheid houdt men dan voor het Romeinse wezen dat nog ten grondslag ligt aan de West Europese regeringsvormen. De Schrift houdt zich niet bezig met de ondergang van de rijken, maar met hun opeenvolging.

  2. dat er geen zelfstandig opnieuw opkomend vijfde wereldrijk is. De Schrift somt er vijf op, geen vier, de historie ziet elk daarvan zelfstandig opkomen, uit beide is af te leiden, dat het vijfde rijk nog te verwachten is.

  3. dat het leem de Germaanse volken zijn, die het ijzer verbrijzelen. Nu kan wel ijzer leem, maar niet leem ijzer vermalen. Als het Adventisme beweert, dat Gothen, Bourgondiers, Vandalen, Sueven, Alanen, Hunnen, Angel-Saksers, enz. de ijzeren monarchie, het Rom. Rijk, verbrijzelden, dan zijn die feiten op zichzelf genomen juist, maar de uitlegging van Dan. 2 niet. De Schrift leert niet, dat het leem het ijzer verbrijzelt, maar dat er een apart zelfstandig rijk van ijzer en leem zal zijn, buiten de vorige vier om.

  4. dat Babel reeds verwoest is als Sodom en Gomorra. Babel is slechts langzaam vervallen en nog niet in een ure verwoest geworden, Op. 18:19. Als men het vijfde rijk ziet kan men wel geloven in een herleefd Babel, maar niet in een nieuw ontstaan geestelijk Babel waarover het oordeel van Op. 18 komt.

  5. dat het ene element het andere in zich opneemt in die zin alsof het goud zilver wordt, dit koper, dit ijzer, en dit leem met wat ijzer bestanddelen. De Schrift zegt dat eenmaal te samen de vijf substanties vermalen worden, niet een rijk van ijzer en leem.

  6. dat we nu reeds 1400 en meer jaren "in de dagen van die koningen" leven. De Schrift spreekt van koningen, niet van koninkrijken. Dan. 7 zegt duidelijk, dat de tien koningen zullen zijn dus personen. Nergens zijn in West Europa koningen aan te wijzen die 1400 of meer jaren oud zijn.

  7. dat de aarde in de 1000 jaar woest en ledig zal zijn. Maar dan is er niets te vermalen en kan de steen geen berg worden die de gehele aarde vervult, dan kan er geen kaf wegstuiven voor de wind.

Ten tweede het Russellisme ook om meer dan ťťn reden.

  1. De Schrift zegt, dat ze te samen vermalen worden en noemt dan de metalen op. Te menen, dat het vermalen nu reeds begonnen is, mede door hen, doet vergeten, dat het een vermalen is, waarbij de wind alles wegneemt. Wij hebben nog niets gezien van het meevoeren door de wind van de zware metalen van goud, zilver, koper en ijzer, die vormen van staatsregeringen, door het Russellisme. IJzer ó en leem, zelfs staan nog daar. Niet een leer, het Russellisme, zal alles vermalen, maar de Steen. En als het in die Steen dan mede het Lichaam van Christus wil besluiten, moet het niet zo enghartig zijn, alleen zijn volgelingen voor het Lichaam te houden. Want nog afgezien van het feit, dat er ook thans buiten het Russellisme nog vele anderen zijn, die deel zullen uitmaken van dat Lichaam, komen we dan tevens Ťn voor de vraag te staan of het Lichaam van Christus er dan niet was vůůr het Russellisme er was Ťn of dat vermalen dan eerst dateert vanaf de geboorte van het Russellisme. Indien het Russellisme mede in de Steen begrepen is en thans aan het vermalen is, dan bewijst het daarmee, dat het zich op ťťn lijn stelt met de orthodoxe verklaarders, die er het Christendom voor houden. Een altijd nog wat bredere opvatting.

  2. We hebben reeds opgemerkt, dat de Steen niet Christus is in Zijn eerste komst, want toen bestond het ijzer-leem rijk nog niet. De Steen kan daarom ook niet het Christendom zijn of enig-"isme". Hij is Christus in Zijn tweede komst. Maar die komst is niet onzichtbaar, maar zichtbaar, want de Steen is symbool van iets zichtbaars. De Steen slaat het beeld aan de voeten, die op de aarde staan; dus Hij moet zelf op de aarde komen, anders gaat de symboliek niet op.

  3. Het gehele beeld wordt getroffen, dus moet het tegenvoor zijn. Het Russellisme is opgekomen in een tijd, toen het beeld niet in zijn geheel tegenwoordig was. 't Is er nu zelfs nog niet. Daarom kan het Russellisme niet mede in de Steen begrepen zijn. Bovendien als de Steen Hoofd en leden zijn, waar is dan een deel van de Steen (de Leden) wel zichtbaar tegenwoordig, maar een ander, het voornaamste deel, het Hoofd, niet? De gehele Steen treft, niet een deel ervan.

  4. De Steen vermaalt, d.i. al wat Hij treft wordt vergruisd. Nu kan een malende steen niet een deel treffen en een ander deel in dezelfde omgeving ongetroffen laten. Wat op ťťn lijn ligt, maalt de molen fijn. Als dus het Russellisme de vermalende steen is, is het vreemd, dat het zo ongeregeld en onzuiver vermaalt. Slechts hier en daar wordt iets "getroffen", d.i. enige gewonnen voor hun leer. Al het andere blijft onvergruisd staan. Ware het Russellisme de steen, dan had het eerst America moeten vermalen, daarna Engeland bijv., daarna West-Europa, enz. Wij zien van die vermaling niets. Reeds symbolisch en logisch is de Russellistische verklaring onhoudbaar. Vanzelf dus ook voor de Schrift.

Ten derde het rooms-katholicisme, Lutheranisme en Calvinisme. Die menen.

  1. dat met Christus' wederkomst de "eeuwige staat intreedt, waarin storeloze zaligheid en volmaakte heerlijkheid heerst. De Schrift zegt, dat vanaf Christus' komst, dat is bij de aanvang van de toekomende eeuw, een langzaam voortschrijden van Zijn Koninkrijk, dat Hij dan op aarde opricht, te verwachten is. Geen eindelooze eeuwigheid vangt aan, waarin niets is dan de nieuwe herboren mensheid, maar een tenietdoen van alle macht en kracht, een uitbreiden van het koninkrijk van IsraŽl. De Steen gaat vermalend te werk, geleidelijk, maar zeker.

  2. dat de Schrift onbepaald spreekt en maar in het algemeen de "wereldmacht", het "wereldstelsel" bedoelt. De Schrift zegt, dat al die koninkrijken vermalen worden, niet maar een onbepaalde macht welker zetel niet nader aan te geven is, maar al de koninkrijken, die DaniŽl in zijn uitlegging aangewezen heeft. Dat alle rijken van de wereld hier uiteindelijk mee onder inbegrepen zullen zijn, willen we niet ontkennen, maar dat er bepaalde met name te noemen zijn aan te wijzen, volgt onweersprekelijk uit vs. 44. Daarin ligt dan mede opgesloten, dat de stad Babel herbouwd zal worden en tal van vorige dingen mede zullen terugkeren. De Schrift geeft een bepaald beeld van de eindtijd en verliest zich niet in de vaagheid, die genoemde stelsels kenmerkt.

  3. dat IsraŽl afgedaan heeft; de N.T. Gemeente, de "Kerk" daarvoor in de plaats gekomen is. De Schrift zegt, dat er koninkrijk komt, dat aan geen ander volk zal overgelaten worden. Dat volk zijn niet de gelovigen van deze bedeling, die vormen geen volk. Dat volk is IsraŽl zoals Dan. 7 nader zal bewijzen. Luk 1:33 zegt dan ook, dat Christus over het Huis Jakobs Koning zal zijn in de aionen (St. Ver . in der eeuwigheid). Uit hfdst. I kan men zien, wat het Huis Jakobs is. Van dat volk zijn DaniŽl en zijn vrienden de vertegenwoordigers en medebezitnemers. In DaniŽl en zijn vrienden staat IsraŽl daar.


DE UITLEGGING ZEKER.
DaniŽl zegt, dat de uitlegging zeker is. Men mag daarom niet aan zijn woorden toe of afdoen. Geen enkele trek moet er overgeslagen worden. Zo eerst komt men tot een helder in- en overzicht en ziet men welke ontzaglijke perspektieven Dan. 2 heeft en welke diepten er in schuilen. 't Is dan ook een Goddelijke droom.

DaniŽl 2 handelt over de tijden der Heidenen. Die zijn nog niet ten einde. De Here Jezus zegt, dat Jeruzalem van de Heidenen zal vertreden worden, totdat de tijden der Heidenen zullen vervuld zijn, Luk. 21:24. Ligt hierin mede niet opgesloten, dat IsraŽl in de toekomst een grote rol zal spelen, hetzij als afvallige natie, hetzij als gelovig overblijfsel? Alle wereldrijken hebben Jeruzalem bezeten, o.i, zal het vijfde het ook innemen. En ook Babel. Zo krijgen we tevens een kenmerk aan de hand, wat we als wereldrijken moeten aanmerken: alleen die staatsmachten, die Ťn Jeruzalem Ťn Babel veroverden, want Nebukadnezar denkt over Babel en DaniŽl over Jeruzalem. (Dan. 9:2). IsraŽl is er steeds bij betrokken. Hiermee valt de mening van het Adventisme, die in de kleine West- en Middeleuropese middeleeuwse rijken het vijfde rijk wil zien. Zelfs al zou men in de verovering van Jeruzalem door de Kruisvaarders een bewijs willen vinden, dat de Westeuropese staten het vijfde rijk vormden, dan nog blijft Babel buitengesloten. Dat namen zij niet.

Nebukadnezar bezag de dingen van Babel uit. Het beeld stond tegenover hem, d.i. had mede wat met Babel uit te staan. Waar Babel in de Middeleeuwen geen betekenis had, heeft de vervulling van Dan. 2 toen niet plaats gehad.

Waar de uitlegging zeker is en we gezien hebben, dat eenmaal het gehele beeld weer dŗŗr zal zijn, volgt hieruit, dat Babel zal herbouwd worden. We spraken hier al over in hfdst. III. Nu blijkt des te duidelijker het waarom. Hiermee wordt De Openbaring meer voor ons geopend en zien we te beter in, dat het grote Babylon het oude Babel is, de stad aan de Eufraat.

Hiermee vallen allerlei meningen van Adventisme en Russellisme. Babel is niet het Pausdom of de afvallige of van een dier systemen afkerige Christenheid. Hier ziet men ook de vaagheid van het Calvinisme, dat enige stad van de wereld aanneemt, waarin het wereldsysteem zijn eindpunt zal hebben. Dat kan dan Parijs, Londen, New-York, enz. zijn. De Schrift zegt dat het is het grote Babylon. Wie DaniŽl 2 inziet, verstaat dat duidelijk.

De zŤkere uitlegging bewijst mede Christus' persoonlijke, letterlijke, zichtbare wederkomst op aarde en de oprichting van het koninkrijk aan IsraŽl. Johannes ziet dit plaats hebben bij het zevende zegel. Dan zullen er grote stemmen geschieden, zeggende: Het koninkrijk (niet de koninkrijken) der wereld is geworden (of wordt) onzes Heren en van Zijn Christus en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid (Gr. in de aionen der aionen, de twee laatste, parallel lopend met de in Dan, 2:44 genoemd.) Op. 11:15.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden