Uit IsraŽls Profetie

III. Israëls onvervulde
Oud Testamentische Profetie

4. JEREMIA

INLEIDING.
De Profeet Jeremia profeteerde gedurende Ī 40 jaar, 518-477 (over de Schriftuurlijke tijdrekening handelen we later). Hij trad op in de laatste tijden van het rijk van de twee stammen. Na de verwoesting van Jeruzalem, namen de Joden, die, uit vrees dat de moord op hun landvoogd Gedalja gepleegd, op hen gewroken zou worden, tegen 's Heren woord door Jeremia gesproken in, de wijk naar Egypte hadden genomen, de Profeet mede. Daar zette hij zijn profetische werkzaamheid voort.

Jeremia's profetieŽn staan niet in tijdsvolgorde. We geven een proeve van rangschikking, na opgemerkt te hebben, dat hij begon op te treden in het 13e jaar van Josia, en verder profeteerde onder Jojakim, Sallum, Jojachin, Zedekia en daarna. Zo krijgen we (mogelijk):

Onder Hfdst.
Josia 1-12
Sallum 26; 35; 43.
Jojakim 25; 36; 45; 46.
Jojachin 13?, 22; 23? 29; 27; 28; 49; 34-39; 51:59-64.
Zedekia 14-20?; 21-24; 37; 30-33; 38; 39-44.

Jeremia's profetieŽn kondigen verwoesting aan van Tempel en Land, vermanen tot berouw en bekering, beloven vergiffenis en terugkeer en troosten de Godvruchtigen door vernieuwde verzekering van de komst van Messias en het volle herstel van IsraŽl. Telkens (51 maal) vinden we de uitspraak: "Het woord des Heren geschiedde", of: "Voorts zeide de Here tot mij", of een dergelijke uitspraak, bewijs van de hoorbare inspiratie Gods.

De struktuur is als volgt:


A1 1:1-3 Inleiding.

B1 1:4-19 Jeremia's opdracht gegeven.

C1 2:1-20:18 Profetieën gericht tot de Joden.

D1 21:1-35:19 Historie, enz. Jojakim (Niet in tijdsorde).

E 36:1-32 Baruch's zending tot Jojakim.

D2 37:1-45:5 Historie, enz. Zedekia. (Niet in tijdsorde).

C2 46:1-51:64 Profetieën gericht tot de Heidenen.

B2 51:64 Jeremia's opdracht geëindigd.

A2 52:1-34 Besluit.



JER. 3, 23.
Jeremia heeft de wegvoering van de 2 stammen voorspeld en meegemaakt. Hij is de man die ellende gezien heeft. Toch blijft hij daarbij niet staan. Was zijn leven hem ellende, zijn slaap was hem zoet en zijn toekomst heerlijk. Uit zijn profetieŽn nemen we slechts enkele delen.

Jer. 3:17 en 18 "Te dier tijd (n.l. als de Here aan zal nemen zie vs. 4 en herders zal geven vs. 15) zullen zij Jeruzalem noemen: des Heren troon en alle Heidenen zullen tot hetzelve vergaderd worden. In die dagen zal het Huis Juda gaan tot het Huis IsraŽls en zij zullen te zamen komen uit het land van het Noorden in het land dat Ik uw vaderen ten erve gegeven heb.". Zie ook 12:15-17.

Jer. 23:5 en 6: "Ziet de dagen komen, spreekt de Here, dat Ik David een rechtvaardigen Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde, regeren en voorspoedig zijn en recht en gerechtigheid doen op aarde." De rechtvaardige Spruit is vanzelf Christus. Deze is thans nog geen Koning op de aarde. Dat wordt Hij eerst in de toekomst, zie Openb. 11:15. Daar eerst worden de Koninkrijken van de wereld des Heren en van Zijn Christus. Eerst dan kan Jer. 23:6 dus vervuld worden: "In Zijn dagen (n.l. als Hij Koning is), zal Juda. verlost worden en IsraŽl zeker wonen en dit zal Zijn Naam zijn, waarmee men Hem noemen zal: "De Here (d.i. Jehovah) onze gerechtigheid.

Zover is IsraŽl nog lang niet, Het erkent de Here Jezus nog niet eens als Profeet, laat staan als Koning. En verre is het in Hem de Here te zien, de Jehovah van de oude dag. Ook hier hebben we weer de open tijdsruimte, de blankotijd. Eerst als die voorbij is, gevuld met andere daden des Heren, eerst dan kan Jer. 23:7 en 8 worden vervuld: "Daarom, zie de dagen komen; spreekt de Here, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de Here leeft, die de Kinderen IsraŽls uit Egypteland heeft opgevoerd, maar: Zo waarachtig als de Here leeft, Die het zaad van het Huis IsraŽls heeft opgevoerd en die het aangebracht heeft uit het land van het Noorden en uit alle de landen, waarhenen Ik ze gedreven had, want ze zullen wonen in hun land."

Ook deze tekst spreekt over IsraŽls toekomstig herstel. God zal IsraŽl weer in hun land zetten.

JER. 30 en 31.
De schoonste voorzeggingen over IsraŽls herstel vinden we in hfdst. 30- 31. We geven eerst de struktuur:

A B1 30:1-17 Het boek.

C1 D1 30:18 De Stad. Herbouwd.

E1 30:19-31:1 Het Volk. Herstel.

    B2 31:2-26 Het gericht.

C2      E2 31:27-37 Het Volk. Herstel.

      D2 31:38-40 De Stad, Herbouwd.

30:3

"Want zie, de dagen komen, spreekt de Here, dat Ik de gevangenis van Mijn Volk IsraŽl en Juda wenden zal, zegt de Here, en Ik zal ze wederbrenger in het land dat Ik hun vaderen gegeven heb en zij zullen het erfelijk bezitten,"

Dit woord is niet vervuld bij de terugkeer uit de Ballingschap. IsraŽl en Juda zijn niet teruggekeerd, noch is het land erfelijk bezeten.

30:7

"Die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is, en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; toch zal hij daaruit verlost worden,"

Dit is de dag van de grote verdrukking, waarop ook Christus het oog heeft in Mt. 24:21.

30:8 en 9

"Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de Here der heerscharen, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken (zie 28:10 en 11) en uw banden verscheuren zal en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen, maar zij zullen dienen den Here, hun God en hun Koning David, dien Ik hun verwekken zal."

We geloven dat Koning David letterlijk Koning David betekent. Is deze al verwekt, d. i. opgewekt uit de slaap des doods? David is niet opgevaren, zegt Hand: 2:34, hij is gestorven en begraven, 2:29, en zijn graf was tot op Petrus' dagen onder IsraŽl, d. w. z. hij was nog niet opgestaan. God belooft echter David te verwekken, d.i. op te wekken uit de doden. Hij zal onder de Here Koning van IsraŽl worden, Ez. 34:24, 37:24, Hos. 3:5, De Reformatie heeft hier Christus van gemaakt. Dit nu kan niet, want IsraŽl zal dienen Jehovah hun God, dat is Christus, en David hun koning. Is dat dan ook Christus?

30:18.

"Zo zegt de Here: Zie Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden en Mij over Zijn woningen ontfermen en de stad zal herbouwd worden op haar hoogte en het paleis zal liggen naar zijn wijze,"

Men zou kunnen menen dat de stad in Nehemia's tijd herbouwd is. Waar is dan het herbouwde paleis? Nimmer is Salomo's paleis herbouwd. Uit Ez. 40-47 blijkt wat bedoeld wordt, n.l. het Tempelpaleis van de Here der Heerscharen. (Zie aldaar).

31:1

"Terzelver tijd, spreekt de Here, zal Ik allen geslachgeslachten IsraŽls tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn."

Wat de geslachten IsraŽls zijn leert ons Ex. 22:21. De oudsten van IsraŽl moesten de huisgezinnen, zelfde woord als Jer. 31:1, iets gebieden. In de Engelsche Bijbel staat: familiŽn; in Ex, 6:13 enz. is sprake van huisgezinnen van Ruben enz. Het woord betekent een bloedverwante groep. Geslachten IsraŽls zegt dus veel meer dan stammen IsraŽls. Het betekent al de familiŽn uit Jakobs zonen voortgesproten. Kan dit de "Kerk" zijn, waarin geen man of vrouw is, wat bij geslachten juist verondersteld wordt?

Jerem. 31 is het schoonste hoofdstuk over IsraŽls herstel bij deze profeet, aangezien het duidelijk naar voren brengt op welke grond dit berust, n.l. op het Verbond des Heren.

31:23 en 24.

"Zo zegt de Here der heerscharen, de God IsraŽls: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De Here zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid. En Juda mitsgaders zijn steden zullen te zamen daarin wonen, de akkerlieden en die met de kudden reizen..."

31:27 en 28.

"Zie de dagen komen, spreekt de Here, dat ik het Huis IsraŽls en het Huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten. En het zal geschieden, gelijk Ik over hen gewaakt heb om uit te rukken en af te breken en te verstoren, en te verderven en kwaad aan te doen, alzo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten, spreekt de Here."

Deze profetieŽn zijn niet vervuld in de N.T. Gemeente. Dat is licht te bewijzen uit Jeremia zelf. Wat is het Huis IsraŽls? Deze uitdrukking komt 20 x voor in Jeremia: n.l. 2:4: "Hoort des Heren woord gij Huis Jakobs en alle geslachten van het Huis IsraŽls." Deze tekst heeft betrekking op IsraŽl, zie vs. 5. Wil de uitlegging van Jeremia zich zelf nu gelijk blijven, dan moet men de andere uitdrukkingen "Huis IsraŽls" ook voor IsraŽl nemen. Welke uitlegging konden anders de Joden er aan geven. Zie verder: 2:26; 3:18, 20; 5:11, 15; 9:26; 10:1; 11:10, 17; 13:11; 18:6, 6; 23:8; 31:27, 31, 33; 33:14, 17. Het Huis IsraŽls is het huis IsraŽls, niets anders. God blijft Zichzelf ook in Zijn Woord gelijk. Men kan toch niet de straf aan het huis IsraŽls, de uit Jakob's zonen geboren geslachten, geven, en zichzelf de zegen toeŽigenen? Wie het laatste doet, doe ook het eerste. M. a. w. wie onder de zegen van IsraŽl wil komen, kome ook onder zijn oordeel.

De term "Huis Juda" komt 10 x voor in Jeremia, n. 1.: 3:18; 5:11; 11:10, 17; 12:14; 13:11; 31:27, 31; 33:14; 36:3.

Als 5:11 zegt: "Want het Huis IsraŽls en het Huis Juda hebben trouwelooslijk tegen Mij gehandeld" en 31:27 spreekt van een zegening van het Huis IsraŽls en van Juda, dan betreft dat hetzelfde Huis IsraŽls en Juda, al kunnen het andere personen zijn. Het Huis Juda betekent: "Afstammelingen uit Juda", niet Nederlanders, Duitsers, Engelsen, Fransen, enz. Men leze al die teksten en passe bij alle de uitlegkundige regel toe, die we aangaven. De Heilige Schrift moet de Schrift uitleggen, we hebben slechts consequent te volgen. Het wanneer moeten we aan God overlaten. IsraŽl en Juda vormen het gehele IsraŽlietische volk.

Verder: Aangenomen, dat we deze profetie moeten vergeestelijken, wat is dan te verstaan onder het zaad van beesten? Dan: De Here zegt, dat het bouwen en planten zal zijn GELIJK het uitrukken en afbreken. Hierin ligt onweersprekelijk aangegeven, dat beide dingen IsraŽl en Juda gelden.

31:31-34.

"Zie de dagen komen, spreekt de Here, dat Ik met het Huis IsraŽls en met het Huis van Juda, een nieuw verbond zal maken. Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk verbond met Mij zij vernietigd hebben, hoewel Ik ze getrouwd had, spreekt de Here. Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen, met het Huis IsraŽls maken zal, spreekt de Here: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent den Here, want zij zullen Mij allen kennen van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Here, want Ik zal hun ongerechtigheden vergeven en hun zonde niet meer gedenken."

Hier wordt herinnerd aan het eerste verbond, dat van SinaÔ. Is met de "Kerk" soms een eerste verbond gemaakt? Heeft de "Kerk" dat verbroken? Zo ja, wanneer? Van IsraŽl weten we beslist het tijdstip, het was bij het maken van het gouden kalf. Waar met IsraŽl het eerste verbond gemaakt is, zal ook met dat volk het nieuwe verbond gesloten worden.

In Ex. 24 lezen we van de verbondssluiting van het eerste. Het bloed werd gesprenkeld op het boek des Verbonds en het Volk, zie 24:6-8. De geslachte dieren waren de verhondmakers. Het Nieuwe Verbond is ook reeds door het Verbondsoffer Christus bezegeld. Hij was de verbondsmaker (in Hebr. 9 is dat woord onjuist vertaald door: testamentmaker, men leze overal, waar in het N.T. "testament" staat: "verbond" Dat verbond moet evenwel nog voleindigd worden, d.i. uitgewerkt. Dat staat althans in Hebr. 8:8 ". . Zie de dagen komen spreekt de Here, en Ik zal over het Huis IsraŽls en over het Huis Juda een nieuw verbond voleindigen. Gr.: sunteleoo. Dit woord staat in het N.T. in Mt. 7:28: Als Jezus deze woorden geŽindigd had; Mk. 13:4 ... wanneer deze dingen alle voleindigd zullen worden; Lk. 4:2 ... als dezelve (n.l. de 40 dagen van het vasten) geŽindigd waren; Lk. 4:13 ... en als de duivel alle verzoeking voleindigd had; Hand. 21:27 ... Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden; Rom. 9:28 ... Want Hij voleindt een zaak... ; en dan in Hebr.8:8. Men leze overal voleindigen of voleinden.

Het Nieuwe Verbond is gesloten, het bloed er voor is vergoten (zie Mt. 25:28; Mk. 14:24; Lk. 22:20 en 1 Cor. 11:25, men leze hier overal verbond) maar voleind is het nog niet. Dat moet nog geschieden in de toekomende aioon d.i. eeuw, waarin Christus als Hogepriester voor IsraŽl zal optreden, na eerst met Zijn eigen bloed te zijn ingegaan, Hebr. 7:17; Ps. 110:1; Hebr. 9:24-28; 9:11 en 12 e. a. Op grond van het bloed van het Nieuwe Verbond, bij Christus' lijden en kruisdood vergoten, zal de Here IsraŽl andermaal aannemen.

In het Nieuwe Verbond kennen allen de Here, van de kleinste tot de grootste. Men neme ook dit letterlijk en versta hieronder de oude en de jonge IsraŽliet. Men heeft dit woord toegepast op de tegenwoordige bedeling en gemeend, dat we thans in het N.V. leven. Hoeverre zijn we echter af van deze toestand. De kinderen van de gelovigen kennen niet alle de Here, vele komen tot volslagen ongeloof. We leven niet in de bedeling, waarvan staat, dat niemand zijn naaste meer leert. Heel de gelovige Christenheid leert zijn naaste en bewijst zo doende juist dat men onder een andere bedeling leeft, niet onder het N.V. Dat de individuele gelovige wel bij toepassing door een woord van het N.V. getroost kan worden, geloven we. Maar finaal geldt het IsraŽl.

De Here bekrachtigt dit verbond met een eed. Vs. 35 en 36.

"Zo zegt de Here: Indien de hemelen daarboven gemeten en de fundamenten van de aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad IsraŽls verwerpen OM ALLES, WAT ZIJ GEDAAN HEBBEN, spreekt de Here."

Het kan schier niet sterker. IsraŽl is niet verworpen, zegt de Here om alles wat zij gedaan hebben. En toch zegt en leert men het en weerspreekt de Schrift. Gods roeping en verkiezing zijn onberouwelijk.


OVER BABEL JER. 50 EN 51.
Jeremia's woord over Babel is door de Reformatie te haastig opgevat als vervuld door de inneming van Kores. Bezien we Jeremia 50 en 51 eens.

Eerst de struktuur:

A B1 50:1 Het woord des Heren tot Jeremia. Tegen Babel. Uiting.

C1 D1 50:2 en 3. Babel.

E1 50:4-7 Israël en Juda.

C2 D2 50:8-16 Babel.

E2 50:17-20 Israël.

C3 D3 50:21-32 Babel.

E3 50:33 en 34 Israël en Juda.

C4 D4 50:35-51:4 Babel.

E4 51:5 Israël en Juda.

C5 D5 51:6-18 Babel.

E5 51:19 Juda.

C6 D6 51:20-33 Babel.

E6 51:34-53 Sion en Jeruzalem.

    B2 51:54-64 Het woord van Jeremia tot Seraja. Bekrachtiging.



50:1

"Het woord, dat de Here gesproken heeft tegen Babel, tegen het land van de ChaldeŽn..."

Duidelijk zegt de Here dus dat het niet is tegen Rome, Parijs, Londen, New-York, een stelsel, het Pausdom, de Christenheid, enz. Het betreft Babel, in het land van de ChaldeŽn. Welk land dat is zegt o. a. Jer. 24:5; 25:12; Ez. 1:3. Babel is dus niet Rome in het land van de Italianen of welke andere stad van welk volk dan ook.

50:2-5 Hier wordt Babels inneming aangekondigd, door een volk uit het Noorden. Wie meent dat dit reeds geschied is, lette op vers 4 en 5: "In dezelve dagen en terzelver tijd, (dus heel precies aangegeven) spreekt de Here, zullen de kinderen IsraŽls komen, zij en de kinderen van Juda te samen, wandelende en wenende zullen zij henengaan en den Here hun God zoeken. Zij zullen naar Sion vragen, op den weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn; zij zullen komen en den Here toegevoegd worden met een eeuwig verbond, dat niet zal vergeten worden."

Wat is hiervan vervuld? Uit Gen. 17 blijkt dat het verbond, dat God oprichten zal, in de toekomende eeuw aanvangt. Noch nimmer zijn IsraŽl en Juda de Here toegevoegd met een eeuwig verbond. Uit Babel keerden hoogstens een 50.000 Joden terug en enkelen van de 10 stammen, zodat Ezra 2:70 kon zeggen, dat gans IsraŽl in zijn steden woonde. Hij bedoelt daarmee: Gans IsraŽl is vertegenwoordigd. Jak. 1:1 spreekt echter van de 12 stammen in de verstrooiÔng, bewijs dat ze niet in IsraŽl woonden en uit zijn scherpe berisping blijkt, dat ze de Here nog niet toegevoegd waren. Zo blijft Jer. 50:1-5 nog op zijn vervulling wachten. Jeremia zag de eindvervulling. De eerste terugkeer was een rimpeling in het profetisch vlak, nauwelijks waargenomen.

50:9. De verzameling van grote volken uit het land van het Noorden heeft nog niet plaats gehad. Cyrus of Koren kwam van het Oosten, wijl MediŽ en PerziŽ oostwaarts van de Eufraat en zeker ten Oosten van Kanašn lag. Onder de grote volken van het Noorden is wat anders te verstaan. Dat dit vers toekomstig is, blijkt uit vs. 8: "Vliedt weg uit het midden van Babel," welk vers in Op. 18:4 bijna ongewijzigd voorkomt. Waar De Openb. geschreven werd lang na de eerste terugkeer, moet dit woord toekomstig zijn, is althans niet vervuld na de 70 jaren.

50:13. Na de inneming door Cyrus bleef Babel bewoond, tot in Petrus' dagen zelfs, 1 Petr. 5:13. Ook dit is niet vervuld.

50:15. Overvuld zie Op. 18:6. De Joden wreekten niets bij hun eerste terugkeer. Zij roeiden niets uit.

50:19-20. "Ik zal IsraŽl wederbrengen tot zijn woning... In die dagen en te dien tijd, spreekt de Here, zal IsraŽls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn..." Dat dit woord onvervuld is blijkt uit Rom. 11:26. De Verlosser is nog niet uit Sion gekomen. Jakobs ongerechtigheid is nog niet afgewenteld, staat integendeel nog met een ijzeren griffel geschreven (Jer. 17:1).

50:35-40. Ook hier wordt Babels ondergang beschreven als een omkering van Sodom en Gomorra, waar niemand overbleef. Babel bleef na Belsazars nederlaag bestaan. In Alexander de Grote's tijd, een eeuw later was het er nog, in Rome's dagen evenzo. Sodom en Gomorra werden in een uur vernield. Hoe kan Babels. ondergang gelijk zijn aan die van Sodom, als er meer dan 5 eeuwen voor nodig waren? Men leze wel.

51:5. IsraŽl en Juda zal niet in weduwschap gelaten worden. Als men dit wil uitleggen voor de "Kerk", moet men eerst aantonen, wanneer het weduwschap van de "Kerk" begonnen is, voorts dat de "Kerk" de vrouw van Jehovah is, dan wat het land van de "Kerk" is. De Roomse Kerk met zijn vroegere in 1870 verloren doch thans weer herwonnen Kerkelijke Staat, zou zich hierop eerder kunnen beroepen dan de Reformatie met zijn Kerkstaten en Staatskerken. Voor ons is dit woord onvervuld en blijft staan voor IsraŽl.

51:6 "Vliedt weg uit het midden van Babel en redt een iegelijk zijn ziel (d.i. zichzelf). Wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid, want dit is de tijd van de wraak des Heren..." Op 18:4 zegt uit het grote Babylon uit te gaan. Bedoelt Jeremia het oude Babel en Johannes Rome? Dan is het wel vreemd, dat Jer. 51:7 geciteerd wordt in Op. 17:4 en 14:8. Laat men nuchter zijn en Gods Woord geloven. Zie voorts 51:8 en Op. 17:2.

51:13. "Gij die aan vele wateren woont." In Op. 17:1 wordt Babel de grote hoer genoemd, die zit op vele wateren. Men leze het hoofdstuk verder en zie daarin het toekomstig oordeel over het weer te herrijzen Babel aan de oevers van de Eufraat in het land van de ChaldeŽn, dat eenmaal als een steen in het water neergeploft zal worden en ondergaan zal als Sodom, en Gomorra op ťťn dag. Op. 17:8. Het zal met vuur verbrand worden (kan een stelsel dat of het Pausdom?) in ťťn ure, Op. 18-10. De woorden van vs. 63 en 64 worden herhaald in Op. 18:21. Wie meent dat dit alles nu maar profetische inkleding is, dat we de kern uit de bolster moeten halen, dat dit slaat op een toekomstig wereldstelsel, dat de H.S. maar Babel noemt, voor IsraŽl maar onder die naam gaf, moet evenzo doen t.o.v. de Messiaansche profetieŽn, dus ze in moderne geest uitleggen.

Christus is dan de Ideaalmens en wordt maar Gods Zoon genoemd. Wie vasthoudt aan de realiteit van het vervulde, kan niet het halfslachtige standpunt blijven innemen, dat het onvervulde vervaagt tot een wezen zonder ziel. In de toekomst zal Babel de ziel zijn van de Gode vijandige wereldmacht in het land van de ChaldeŽn, de stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde, Op. 17:18. Het heet het grote Babylon in tegenstelling met het Babylon van vroeger dagen.

"Een sterke engel hief een steen op als een groten molensteen en wierp dien in de zee, zeggende: Aszo zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden en zal niet meer worden gevonden." Op. 18:21.

De tegenwoordige bedeling van de Christenheid was een verborgenheid in God. Men moet de O.T. profetieŽn niet uitleggen voor iets, wat geen van de profeten ooit gezien heeft. Rome lag geheel buiten de profetische visie. Wie meent, dat de profetie van Babel op Rome, het Pausdom of wat ook overgaat, kan even goed aannemen, dat ze niet geinspireerd zijn, want zo verdwijnt alle vastheid. En wie gelooft, dat Babylon Rome is, omdat "men" het zegt, en niet Babel, zoals God zegt, keert de Schrift ook t.o.v. dat woord om, dat men God meer gehoorzaam moet zijn dan de mens.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden