Uit IsraŽls Profetie

III. Israëls onvervulde
Oud Testamentische Profetie

5. EZECHIEL

INLEIDING.
Nu volgt EzechiŽl. Hij profeteerde onder hen, die in Babel kwamen bij de eerste wegvoering. De volgorde van zijn profetieŽn is niet strikt chronologisch, d.i. in tijdsorde. Toch vormt alles een sluitend geheel.

In EzechiŽl komen 13 datums voor. Zie hfdst. 1:1-2; 3:16; 8:1; 20:1; 24:1; 29:1; 26:1; 30:20, 31:1; 32:1; 3217; 33:21; 40:f; 29:17. Zij vallen alle in de gevangenschaptijd van Jojachin en wel in het 5de, 6de, 7de, 9de, 10de, 11de, 12de, 25ste en 27ste jaar. Er is dus 13 jaar onderbreking. (Zie 33:1 en 40:1). De laatste datum is 29:17.

A1 1:1-12:28 De Verwoesting.

B1 13:1-23 Profeten en Profetessen.

C1 D1 14:1-11 Oudsten.

E1 14:12-15:8 Het Land en de Stad. (Oordelen.)

      F1 16:1-63 Jeruzalem. (Verlaten kind.)

G1 17:1-24 Babylonische Oorlog. (Gelijkenis.)

      H1 18:1-32 Het Volk. Spreekwoord. (Zure druiven.)

I1 19:1-14 De Vorsten van Israël.

C2 D2 20:1-44 Oudsten.

E2 20:45-22:31 Het Land en de Stad. (Oordelen.)

      F2 23:1-49 Jeruzalem. (Twee zusters.)

G2 24:1-32:32 Babylonische Oorlog. (Gelijkenis.)

      H2 33:1-22 Het Volk. Teken. (Wachter.)

I2 33:23-33. De inwoner van woeste plaatsen.

B2 34:1-31 Herders en Kudde.

A2 35:1-48:35 Het Herstel.



EZECHIEL 11, 16.

Ez. 11:15-20

"Mensenkind (Hebr.: Zoon van Adam, d.i. zoon des mensen, een term die 92 x voorkomt in Ez.), het zijn uw broeders... en het ganse Huis IsraŽls... Daarom zeg: "Zo zegt de Here: Hoewel Ik ze verre onder de Heidenen heb weggedaan en hoewel Ik ze in de landen verstrooid heb... Daarom zeg: Alzo zegt de Here Here: Ja. Ik zal ulieden vergaderen uit de Volken. en Ik zal u verzamelen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt en Ik zal u het land IsraŽls geven. En gij zult daarhenen komen en deszelfs verfoeiselen en gruwelen daaruit weg doen. En Ik zal hun eenerlei hart geven en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen en Ik zal hun een vlesen hart geven, opdat zij wandelen in Mijn inzettingen en Mijn rechten bewaren en dezelve doen en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn."

Dit deel spreekt van het wegnemen van het stenen hart. Is dit geschied bij de terugkeer uit Babel? Zo ja, waarom zegt Rom. 11:25 dan, dat de verharding voor een deel over IsraŽl gekomen is en Hand. 28:27, dat het hart van dit volk (IsraŽl) dik geworden is? Deze uitspraken bewijzen duidelijk dat Ez. 11 nog niet vervuld is. Het N.T. spreekt over IsraŽls verharding gedurende deze bedeling.

Ez. 16 leert ons niet alleen het herstel van IsraŽl, maar ook van Sodom. Men leze dit hoofdstuk.

Vs. 53-63.

"Als Ik haar gevangenen wederbrengen zal (n.l.) de gevangenen van Sodom en haar dochteren en de gevangenen van Samaria en haar dochteren, dan zal Ik weder brengen de gevangenen uwer gevangenis in het midden van haar... Als uw zusters Sodom en haar dochteren zullen wederkeren tot haar vorigen staat, mitsgaders Samaria en haar dochteren zullen wederkeren tot haar vorigen staat... Evenwel zal Ik gedachtig wezen Mijns verbonds met u, in de dagen uwer jonkheid en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten. Dan zult gij uwer wegen gedenken en beschaamd zijn, als gij uw zusteren die groter zijn dan gij, met degenen die kleiner zijn dan gij; aannemen zult, want Ik zal u dezelve geven tot: dochteren, maar niet uit uw verbond. Want Ik zal Mijnverbond met u oprichten en gij zult weten, dat Ik de Here ben, opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen dat gij gedaan hebt, spreekt, de Here Here."

Als er ťťn tekst is, die IsraŽls herstel bewijst, is het deze. Nog nimmer is Sodom tot heden teruggekeerd tot zijn vorige staat. De Here Jezus bevestigt dit door te zeggen: "Doch Ik zeg u, het zal het land Sodom verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan u." Mt. 11:24. Sodom zal dus terugkeren, zoals het was, de Dode Zee verdwijnen of veranderd worden. En dan zal ook IsraŽl hersteld worden. Deze konklusie is onweersprekelijk, tenzij men de H. Schrift niet gelooft. Maar dan houdt alle betoog ook op.

Sodom betekent hier niet Jeruzalem, maar heeft betrekking op het Sodom, van Gen. 19. Sodom had niet Jeruzalems voorrechten. Zijn overtreding is geringer dan die van Juda. Zie Mt. 11:23.

Op grond van een nieuw verbond wordt IsraŽl hersteld. Niet uit uw verbond, dat is het oude van SinaÔ (Jer. 31), maar op grond van "Mijn Verbond" d. i. het Nieuwe, dat van Gen. 17:8. Daartoe moet IsraŽl gebracht worden onder "den band des verbonds", Ez. 20:37. En dit geschiedt in de toekomst, als de Here hen uit de volken uitvoert Ez. 20:34, als Hij met hen recht, vs. 35. IsraŽl wordt weer ingebracht in het landschap IsraŽl, vs. 42.


EZECHIEL 34.
Ez. 34 is, het bekende hoofdstuk over de herders, die zichzelve weiden en de schapen laten dolen op alle bergen. De Here betuigt, dat Hij naar zijn schapen zal vragen en ze zal opzoeken. Dat heeft Hij ook gedaan, Joh. 10:11. "Ik ben de Goede Herder. De Goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen. Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen zijn dieven en moordenaars, vs. 8. Daartoe behoren ook de herders van Ez. 34. Vs. 10 zegt dan ook, dat de Here Zijn schapen uit hun mond zal rukken, zodat zij hen niet meer tot spijze zijn." En vs. 12 gaat voort:

Vs. 12-13

"Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzo zal Ik Mijn schapen opzoeken en Ik zal ze redden uit alle de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn ten dage der wolk en der donkerheid. En Ik zal ze uitvoeren uit de Volken en zal ze vergaderen uit de landen en brengen in hun land en Ik zal ze weiden op de bergen IsraŽls..." .

De bergen IsraŽls is een term die 12 x in EzechiŽl voorkomt n.l. in 6:2 en 3; 19:9; 33:28; 34:13; 36:1, 1, 4 en 8; 39:2, 4 en 17. Hij is niet te "vergeestelijken" en moet consequent uitgelegd worden als te zijn de bergen van het land Kanašn (zie hfdst. I.). Daar wordt IsraŽl dus weer vergaderd en geweid. Men zou kunnen menen, dat dit reeds geschied is in de dagen van de Here Jezus, Dat is echter slechts een voorvervulling van dit woord geweest. Toen heeft de Here Zijn schapen opgezocht en er weliswaar enige tezamen gebracht, maar nog lang niet alle. Hij zegt daarom:

"Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn, deze moet Ik ook toebrengen en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden ťťn kudde en ťťn Herder." Joh. 10:16.

Men meent meestal, dat dit schapen uit de Heidenen zijn. Dat nu is uitlegkundig niet zo. Het beeld van de schapen wordt steeds van IsraŽl gebezigd. Er staat dan ook: "andere" Gr. "allos" d.w.z. iets anders van dezelfde soort. Had de Here de heidenen bedoeld, dan had Hij "heteros" gebruikt, andere van een andere soort, uit andere volken. Het woord van Joh. 10 doet zien, dat de bijeenbrenging in tweeŽn geschiedt. Ez. 34 wijst daar ook op. Eerst is er sprake van opzoeken, vs. 11 ("God heeft Zijn volk bezocht") daarna van redden uit alle de plaatsen, waarheen zij verstrooid zijn ten dage van de wolk en van de donkerheid, d.i. in de dag des Heren, die een dag van duisternis en donkerheid zal zijn, een dag van wolken en dikke duisterheid, JoŽl 2:2. Dan worden ze uitgevoerd en vergaderd in het Land IsraŽls. Dan wordt ten volle vervuld Joh. 10:27-28:

"Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, En Ik geef hun het eeuwige leven (d.i. het leven van de toekomende eeuw, Zie Mk, 10:30) en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid (d.i. in die toekomende eeuw) en niemand zal ze uit Mijn hand rukken.

Zie verder Ez. 34:14-16. Zij zullen zeker wonen, in de woestijn en slapen in de wouden, zegt Ez. 34:25. En zij zullen de Heidenen niet meer tot roof zijn, vs. 27. Als dit vervuld was, zouden de Joden in 70 niet door de Romeinen weggevoerd zijn.

Vs. 29:

"Zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land (terwijl Jeruzalem in 70 uitgehongerd is) en den smaad van de Heidenen niet meer dragen (en nu is er al 19 eeuwen een Antisemitisme), Maar zij( de schapen) zullen weten, dat Ik de Here hun God ben en dat ze Mijn volk zijn, het huis IsraŽls, spreekt de Here Here."



EZECHIEL 36.
In EzechiŽl 36 vinden we weer de verzekering van IsraŽls herstel, Men ziet hoe vaak de Here dat verzekert. Hij wordt niet moede het telkens weer te beloven.

36:8-12

"Maar gij, o bergen IsraŽls." Men ziet, er is geen vergissing mogelijk. Dezelfde bergen, die de vloek moesten horen, zie 6:2, 3 e.v. horen nu de zegening. "Gij zult mede uw takken geven en uw vrucht voor Mijn volk IsraŽl dragen, want ze zullen weldra komen. Want zie, Ik ben bij u en Ik zal u aanzien en gij zult bebouwd en bezaaid worden. En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het ganse huis IsraŽls, ja dat gehťťl (dus niet enkele van de 12 stammen) en de steden zullen bewoond en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden. Ja Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen en zij zullen vermenigvuldigen en vruchtbaar zijn en Ik zal u doen bewonen als in uw vorige tijden. (Dat nu is nimmer geschied; Samaria was bevolkt door een mengras, Galilea heet Galilea der Heidenen, vanwege de meerderheid van de daar gevestigde Heidenen). Ja Ik zal het beter maken dan in uw beginselen en gij zult weten dat Ik de Here ben. En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk IsraŽl, die zullen u erfelijk bezitten (dat is niet geschied na de Ballingschap, want de Joden zijn weer uitgerukt) en gij zult hen ter erfenis zijn en gij zult ze voortaan niet meer beroven." (d.i. kinderloos maken, zie verklaring van vers 13-15).

Dan zegt de Here, waarom IsraŽl onder de Heidenen verstrooid is, n.l. vanwege des bloeds wil en der drekgoden vs. 18, En dan volgt waarom de Here hen herstelt:

vs. 23.

"Want Ik zal Mijn groten naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt en de heidenen zullen weten, dat Ik de Here ben, spreekt de Here, als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn,"

IsraŽl is niet alleen verstrooid, maar ontheiligt 's Heren naam onder de Heidenen. Het neemt niet alleen heidense gewonten aan en heidense leer, maar het werkt daarmee tegen God in. De Jood is tot een vloek onder de Heidenen (Zach. 8:13) en ontheiligt daarmee Gods naam te meer. Door zijn actie zal hij in de Antichristelijke tijd voeren tot totale Godloochening. Van veler heidenen zonde is de Jood de prikkel (Schunnig toneel, bioscoop, anti-Goddelijke actie in pers en maatschappij, handel).

36:24-28

"Want Ik zal u uit de heidenen halen en zal u uit alle de landen vergaderen en Ik zal u in uw land brengen, Dan zal Ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden. En Ik zal u een nieuw hart geven en zal een nieuwen geest in het binnenste van u en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen. En gij zult wonen in het land dat Ik uwen vaderen gegeven heb en gij zult Mij tot een volk en Ik zal u tot een God zijn."

Dit alles toeft nog. IsraŽl moet nog komen in de wedergeboorte, die hier aangegeven wordt. Dat dit zo is, leert ons Mt, 19:28:

"En Jezus zeide tot hen: "Voorwaar zeg Ik u dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des Mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf troonen, oordelende de twaalf geslachten IsraŽls."

Men leze hier niet: dat gij die Mij gevolgd zijt in de wedergeboorte. Christus is immers nimmer wedergeboren, dus niemand kan Hem daarin volgen. Bovendien kan men niemand volgen in de wedergeboorte, aangezien men in de wedergeboorte volkomen passief is. 't Is God die wederbaart. Alle pogingen om; wedergeboren te worden, zijn ijdel. De Here Jezus zei daarom tot Nicodemus: Gij lieden moet wederom (Gr. van boven) geboren worden. Niet, gij moet u zelf wederbaren. In Mt. 19 is er dan ook geen sprake van een volgen in de wedergeboorte. Elk die Grieks leest ziet, dat de vorm hier geen richting aanduidt, maar een rust, een tijdruimte dus. De Here Jezus zeide dus: "Gij zult in de wedergeboorte van IsraŽl, d.i. gedurende de tijd, dat die plaats heeft, zitten op 12 tronen, oordelende de geslachten IsraŽls."

Over dit oordeel nu heeft Ez. 36:21 het:

"Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren en gij zult een walging van uzelve hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen... Schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, gij huis IsraŽls."

Volgens Mt. 19 is de Wedergeboorte toekomstig, want nog nimmer is Christus' woord vervuld. Daarom is de vervulling van Ez. 36 ook toekomstig. Op IsraŽl ligt nog een deksel, 't is nog niet bekeerd tot God, 2 Cor. 3. Vanzelf is dus ook toekomstig vs. 33:38. "Ten dage als Ik u reinigen zal van alle uw ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen bewonen en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden. En het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was voor de ogen van een ieder, die er doorging. En zij zullen zeggen: Dit land dat verwoest was, is geworden als een hof van Eden en de eenzame en verwoeste en verstoorde steden zijn vast en bewoond" (zie Jes. 51:3).

Eeuwenlang is het land, mede door Turkse afpersingen en knevelarijen, gedoemd geweest woest te blijven liggen. Het moest aan zijn sabbatten een welgevallen hebben. Onderwijl zou IsraŽl in het land zijner vijanden zijn. Het land zou rusten, Lev. 26:34: "Alle de dagen der verwoesting zal het rusten, vermits het niet rustte in uw sabbatten, als ge daarin woondet" Lev. 26:35. Hierin zal een keer komen. Het zal worden als de hof van Eden. Ten dage als IsraŽl ondertrouwd wordt, zal Ik, spreekt de Here, den hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren en de aarde zal het koren verhoren mitsgaders de most en de olie, Hos. 2:20-21.

"Dan zullen de heidenen. die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn (verminderd als ze zijn door de oordelen, in De Openbaring beschreven en waardoor millioenen zullen omkomen) weten, dat Ik, de Here, de verstoorde plaatsen bebouw en het verwoeste beplant. Ik de Here heb het gesproken en zal het doen."

IsraŽls natuurlijk levensonderhoud zal dus gewis zijn, zie les. 62:8-9. Zij zullen niet tevergeefs arbeiden les. 65:22-23, want ze zijn het zaad van de gezegenden des Heren. "Tot u zal niet meer gezegd worden: de verlatene en tot uw land zal niet meer gezegd worden: het verwoeste, maar gij zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar en uw land: het gebouwde, want de Here heeft een lust aan u en uw land zal getrouwd worden, Jes. 62:4.


EZECHIEL 37.
Nu EzechiŽl 37 waarvan we eerst de struktuur geven:


A B1 D1 1, 2 Het gezicht gezien.

     E1 3 De vraag. Het antwoord van de profeet.

C1 a1 4 Bevel om te profeteeren tot.

b1 5, 6 Woorden van de profetie.

     c1 7- Gehoorzaamheid van de profeet.

d1 -7, 8 Gevolg.

C2 a2 9 Bevel om te profeteeren tot.

b2 9 Woorden van de profetie.

      c2 10- Gehoorzaamheid van de profeet.

d2 -10 Gevolg.

    B2 D2 11 het gezicht uitgelegd.

     E2 12-14 De vraag. Het antwoord van de Here.




E2, vs. 12-14, nader ontledend, zien we:


E2 F1 12- Zo zegt de Here.

G1 e1 -12- Ik zal uw graven openen.

f1 -12 En Ik zal u brengen in het land Israëls.

     g1 13- En gij zult weten, dat Ik de Here ben.

G2 e2 -13 Als Ik uw graven zal hebben geopend.

f2 14- En Ik zal u in uw land zetten.

      g2 -14- En gij zult weten, dat Ik de Here dit gesproken en gedaan heb.

     F2 -14 spreekt de Here.


Ez. 37 is zeer bekend. De profeet wordt "in den geest". D.w.z.: hij ontvangt een visie uit hoger sferen. Zie ook. 1:1, 3; 8:3; 11:24, 25; 40:2, 3.

Ez. 37:1-11 wordt ook "vergeestelijkt". Hoewel men dan vs. 1-14 leest, gaat men over vs, 1-11 zijn uitlegging geven en die van God Zelf in vs. 12-14 wordt weggelaten. Wij brengen die thans naar voren.

37:11-14

"Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het ganse Huis IsraŽl. Zie zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Daarom profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Here Here: Zie Ik zal uw graven openen en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk en Ik zal u brengen in het land IsraŽls. En gij zult weten dat Ik de Here ben, als Ik uw graven zal hebben geopend en als Ik u uit uw graven heb doen opkomen, o, Mijn volk. En Ik zal Mijn Geest in u geven en gij zult leven en Ik zal u in uw land zetten en gij zult weten, dat Ik de Here dit gesproken en gedaan heb, spreekt de Here."

Hier staat zeer duidelijk, dat de Here IsraŽl in zijn Land zal brengen. In Babel zuchtte IsraŽl er over, dat hun beenderen verdord waren, hun verwachting was afgesneden. De terugkeer na 70 jaar maakte aan deze toestand geen einde. IsraŽls vroegere heerlijkheid keerde nimmer weer. Het werd als begraven onder de Heidenen en is dit eeuwen lang geweest. Het moet uit die graven opstaan en opnieuw in het land gebracht worden.

Vs. 1-11 laat meer dan een faze zien in het proces van de herstelling. Eerst nadert been tot been, dan wordt het skelet met vlees, zenuwen en een huid overtrokken. Het lichaam is er dan, doch dood. Eerst als de geest komt, komt er leven in.

Men kan deze verzen symbolisch en ook letterlijk nemen. Symbolisch: In onze tijd nadert been tot been, het Jodendom begint zich een geheel te gevoelen. Het Zionisme wil over het skelet zenuwen en vlees brengen, verbindingsdraden en opvulling trachten aan te brengen. Men zal niet verder komen dan tot een dood lichaam. Er is geen geest in. Eerst als God Zijn Geest schenkt, zal er waar leven komen. Dan zullen zij de Here kennen, zien Die zij doorstoken hebben. Dan wordt lsraŽls figuurlijke opstanding uit de doden. "Wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden." Rom. 11:15. Dan zal het volk een levende eenheid vormen onder David zijn koning.

Maar wat nu met de gestorven IsraŽlieten heengegaan voor deze tijd aanbreekt? Hun wacht een dubbele opstanding. De letterlijke komt er dan bij. God zal ook letterlijk de graven openen en Zijn volk ook uit die graven doen komen om naar het Land IsraŽls te doen optrekken.

We hebben reeds opgemerkt, dat Huis IsraŽl Huis IsraŽs is, en geen volk uit de Heidenen betreft. (Zie Jeremia).

In Ez. 37:15-28 wordt ons het herstel van de eenheid in IsraŽl geleerd. Dit deel valt uiteen in tweeŽn, vs. 16-19: het teken en vs. 20-28: de betekenis. De strukturen zijn deze:

H1 vs. 16-19. J1  h1 15,16 De stok van Juda.

     j1 16 De stok van EfraÔm.

k1 17 Vereniging.

     J2      j2 18, 19 De stok van EfraÔm.

h2 19 De stok van Juda.

k2 19 Vereniging.

H2 vs. 20-28. L1 k1 20, 21 Herstel.

     l1 22 Eén volk.

m1 23- Bekering.

     L2 k2 -23 Herstel.

      l2 24- Eén koning.

m2 -24 Bekering.

     L3 k3 25- Herstel.

      l3 -25 Eén koning.

m3 26-28 Heiliging.


EzechiŽl moet een hout nemen en daarop schrijven: Voor Juda en voor de Kinderen IsraŽls, zijn metgezellen, d.i. voor Juda, de hoofdstam van het vroegere rijk Juda en de tot Juda behorende, een deel daarmee vormende stammen. Hij moet een tweede hout nemen en daarop schrijven: Voor Jozef, het hout van EfraÔm en van het ganse Huis Huis IsraŽls, zijn metgezellen, d.i. voor EfraÔm, de hoofdstam van het vroegere rijk EfraÔm en de met deze stam een geheel vormende andere stammen. Daarna moet hij de houten samenvoegen tot ťťn hout.

De verklaring van dit teken wordt in vs. 26-28 gegeven. In 't kort samengevat is het dit: Juda en EfraÔm met de bij hen behorende andere stammen zullen tot ťťn volk worden.

37:21-22

"Spreekt dan tot hen: Zo zegt de Here Here: Zie Ik zal de kinderen IsraŽls halen uit het midden van de Heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom en brengen ze in hun land. En Ik zal ze maken tot een enig volk, in het land, op de bergen IsraŽls en zij zullen allen te samen een enigen Koning tot koning hebben en zij zullen voortaan niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn."

Wij nemen deze woorden letterlijk. We hebben reeds uiteengezet, dat de bergen IsraŽls de aardrijkskundige hoogten zijn in Palestina en houden ons daar ook hier aan. (Zie hfdst. I). Daaruit volgt, dat dit woord nog nimmer vervuld is. EfraÔm en Juda is nog niet verenigd, de twee volken zijn niet tot een volk geworden, er is nog niet ťťn koning over hen.

37:23.

"En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden en met hun verfoeiselen en met al hun overtredingen en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen in dewelke zij gezondigd hebben en zal ze reinigen, zo zullen zij Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn."

Hoe zou dit woord vervuld zijn bij IsraŽls terugkeer uit Babel waar de Jood nog overal woont en overal zondigt, waar geheel IsraŽl nog onrein is.

37:24

En Mijn knecht David zal koning over hen zijn en zij zullen allen te samen ťťn Herder hebben en zij zullen in Mijn rechten wandelen en Mijn inzettingen bewaren en die doen."

Ook dit wil men "vergeestelijken", David is dan Christus. Maar zal dan Kanašn de plaats zijn waar al de gelovigen eenmaal zullen wonen? Dat zal men dan moeten aanvaarden, want, verder lezend, staat er:

37:25

"En zij zullen wonen in het land dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben, ja daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen en hun kinds kinderen tot in eeuwigheid en Mijn knecht David zal hunlieder vorst zijn tot in eeuwigheid."

Men lette er wel op: In het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb. Dat is niet de hemel, maar Kanašn. Deze zinsnede laat zich niet vergeestelijken. En wie mocht menen, dat dit betrekking heeft op IsraŽls terugkeer uit Babel, loopt vast met de tijdsbepaling: tot in eeuwigheid. Waarom dit vers niet eenvoudig genomen, zoals het er staat? Waar men meende het beter te weten kwam men van de eene duisternis in de andere. Waar men IsraŽl niet meer zag, zag men ook niet in, wat met David bedoeld werd en wist men hier geen andere verklaring van te geven, dan dat David Christus moest zijn. De vroegere David kon geen koning in der eeuwigheid zijn, meende men.

Wie inziet, dat de toekomende eeuw ook een tijdsperiode is, wie vasthoudt aan wat God zegt, leert uit dit woord wat anders en neemt het letterlijk op. Hierbij zij nog opgemerkt, dat het woord hier door eeuwigheid vertaald, elders door eeuw is overgezet. (Zie deel II).

37:26

"En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond zijn (Hebr. Verbond van de eeuw) en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid (Hebr. de duur van de eeuw). En Mijn tabernakel zal bij hen zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de Heidenen zullen weten dat Ik de Here ben, Die IsraŽl heilig, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid."

Als dat nu mede de "hemel" moet voorstellen van de N.T. gelovigen, waarom is er dan nog sprake van een heiligdom en een tabernakel, waarom nog van een heiligdom, waarom zijn er nog heidenen? Dat alles is onverklaarbaar. 't Is eenvoudig als we dit letterlijk nemen zoals het er staat. In de toekomende eeuw krijgt IsraŽl zijn ceremoniŽn terug, rijst er op de tempel, die des Heren Spruit bouwen zal, Zach. 6:12, zal God IsraŽl heiligen, zoals we zagen in Ez. 36, staan ze in de "Wedergeboorte" , is David theocratisch vorst onder de Here, d.i. Christus, wordt IsraŽl gaandeweg ingezet in het land aan de aartsvaderen beloofd, zal het in Gods inzettingen leren wandelen, wijl ze een nieuw hart en een nieuwe geest ontvangen. Dat alles heeft plaats onder het nieuwe verbond, dat berust op betere beloftenissen, wijl het bevestigd is op Christus, niet op het woord van de wensen. IsraŽl beloofde ťťnmaal: "Al wat de Here gesproken heeft zullen wij doen." Ex. 24:7 en 19:8. Dat woord hielden ze niet. Het nieuwe verbond berust op Hem, Die gezegd heeft: Ik kom om Uw wil te doen, Hebr. 10:9. En in die wil zijn zij, met wie het nieuwe verbond gesloten is, geheiligd. En wijl de dood van de Verbondsmaker tussenbeide gekomen is, ontvangen zij de beloftenissen van de eeuwige erve, Hebr. 9:15.


EZECHIEL 38 EN 39.
We wensen ook nog te spreken over Ez. 38 en 39, waarin ons de strijd met Gog wordt beschreven.

Deze trekt op naar het "dorpland", tegen degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die altemaal wonen zonder muur en geen grendel noch deuren hebben, 38:11. Dat IsraŽl na de Ballingschap steden met muren had, is bekend uit het N.T. Gog en Magog trekken op tegen een volk, dat uit de Heidenen verzameld is, 38:12. Nog nimmer is vervuld, dat IsraŽl 7 maanden het land gereinigd heeft, 39:12 en 7 jaren van het hout gestookt heeft, 39:9. En dat dit zo is, blijkt uit De Openbaring, lang na EzechiŽl geschreven. Die leert ons, dat de Gog en Magog eerst in de toekomst verschijnen. Daarmee staat onwedersprekelijk vast, dat deze profetie niet vervuld is.

Nu is er tweeŽrlei uitlegging, de letterlijke voor IsraŽl of de symbolische, tot vaagheden vervallende. Gog en Magog stellen daarbij de wereldmacht voor, die zich tegen het christendom verheft in de eindtijd, IsraŽl is dan het "geestelijk IsraŽl" de ware gelovigen. Hoe men dan de maanden en jaren verklaart, wat de bergen IsraŽls zijn, 38:8, dat mogen de voorstanders van deze leer uitleggen, wij voor ons menen, dat, als bergen IsraŽls in Ez. 6-2, 3; 19:9; 33:8, hetekent: bergen in IsraŽls land, de bergen IsraŽls in 34:12; 36:1, 1, 4, 8; 38:8 en 39:4 ook in IsraŽls land Kanašn zijn. 38:18, 19 zegt duidelijk dat Gog optrekt tegen het land IsraŽls, d.i. het land van de IsraŽlieten, zoals Egypteland het land van de Egyptenaren is.

Wij voor ons wensen niet aan deze letterlijke uitspraken te wringen en er niets anders van te maken. Daarvoor is in 't geheel geen aanleiding. Wij vatten dit alles op, zoals het er staat, als toekomstige historie. We leren daaruit, dat IsraŽl hersteld wordt, dat het rustig in zijn land zal wonen, volgens Openb. 20 1000 jaar en dat "na vele dagen", "in het laatst der jaren", 38:8, Gog en Magog in het "dorpland" komt. Hieruit volgt dus ook, dat de 1000 jaren van Op. 20 toekomstig zijn en aanvangen met 's Heren wederkomst, Op. 19, en niet met Zijn hemelvaart, zoals men veelal in een deel van de Christenheid leert. Duizend jaren woont IsraŽl in rust, dan komen de vijanden. Gog is een verzamelnaam voor de volken ten Noorden van Palestina. Het land van de Magog duidt hun land aan, Mesech en Tubal Ļ.

¹ Het woord: hoofdvorst vertaalt men wel als: vorst van Rosh.

In Rosh ziet men dan Rusland ≤,

² De Kantt. leest: vorst en hoofd of vorst des hoofds, n.l. van Mesech en Tubal.

Mesech zoekt men in Oost-Klein-AziŽ, Tubal bij de Kaukasus, PerziŽ ten Oosten van de Tigris, de Moren in EthiopiŽ = Cush, d.i. ten Zuiden van Egypte, LybiŽ = Put, Gomer = Noord Klein-AziŽ, Togarma = ArmeniŽ en Parsis = 't Sevilla van thans.

Men ziet hoeveel er nog onvervuld is. Men ziet ook, dat de toekomende eeuw, niet de eeuwighid is van onze Westerse begrippen. Immers daarin zijn jaren en maanden gelijk aan de onze. Men ziet verder, dat de gewoonten maar niet plotseling veranderen, Ook dan begraaft men en stookt men nog.

Wie de dingen aanvaardt zoals ze staan, krijgt hoe langer hoe meer perspektiet. Dan wordt De Openbaring al vast wat duidelijker. Nadat Satan ontbonden is, heeft hij een kleine tijd vrij spel en verleidt de Volken in de vier hoeken van de aarde om tegen IsraŽl op te trekken. Er zal evenwel vuur van de hemel nederdalen en hen verslinden. Op 20:9.

Voor IsraŽl is nog een grote toekomst weggelegd. God heeft immers tot Abram gezegd: Ik zal u tot een groot volk maken. God heeft Zijn volk, dat Hij te voren gekend heeft, niet verstoten. Hij moge voor een klein ogenblik hen verlaten hebben, met grote ontfermingen, zal Hij ze vergaderen, Jes. 54.7. In een kleine toorn moge Hij Zijn aangezicht voor hen een ogenblik verborgen hebben, maar met eeuwige goedertierenheid, Hebr. goedertierenheid van de eeuw, zal Hij Zich over hun ontfermen vs. 8.

Veelal zegt men, dat de profeten spraken in oosterse beelden, dat men ze niet letterlijk moet nemen en er veel inkleeding bij is. Wij willen hier wijzen op een feit, dat de letterlijkheid van de Schrift bevestigt. In 39:9 is sprake van verschillende wapenen: schilden, rondassen, handstokken, speren. Ziet ge wel, zegt men, dat dit inkleding is: de moderne wijze van oorlogvoeren heeft geheel andere wapenen. Mogen wij onder het oog brengen, dat in de 1000 jaar als Satan gebonden is geen oorlog meer geleerd wordt, men ook geen wapenen vervaardigt, dat die juist omgesmeed worden, Jes. 2:4. Hieruit volgt dat men in de "kleine tijd", die Satan heeft, geen moderne wapenen kan bereiden en terug moet keren tot de primitieve, eenvoudige, voor de hand liggende.

Verre dus, dat we hier met Oosterse inkleding te doen hebben, staan we hier voor een naakte werkelijkheid, die de letterlijkheid van de Schrift bevestigt. Als men slechts de bedelingen en aionen onderscheidt. Zonder die is de Schrift onverklaarbaar. Voor wie de Schrift verklaart naar de bedelingen, vallen de z.g. ongerijmdheden weg. Men lette daartoe op de dingen, die verschillen en beproeve die.


EZECHIEL 40-48.
Ten slotte Ez. 40-48, De struktuur is:

B. B1 40:1-44:31 Het Huis.

C1 45:1-4618 Het Land.

     B2 46:19-24 Het Huis.

C2 47:1-48:35 Het Land.


40:2. EzechiŽl wordt in de gezichten Gods gebracht in het land IsraŽls. Wat het land IsraŽls is zagen we reeds. We willen van een en ander evenwel iets herhalen. De term land-IsraŽls komt 3 maal in EzechiŽl voor. 12 maal in het 0.T.. Het eerst in 1 Sam. 13:19, waaruit blijkt dat het het letterlijke grondgebied van IsraŽl is. In Ez. vinden we de term in 27:17, 40:2 en 47:18, We nemen hem ook hier letterlijk.

In het Land IsraŽls ziet EzechiŽl op "een zeer hoge berg", "als een gebouw ener stad". Die zeer hoge berg is wel die van Jes. 2:2. Verder ziet hij een Huis, vs. 5. Dit heet in 45:4 het Heiligdom. Het is zowel Tempel 41:1 als Huis, 40:5. De best omschrijvende naam is wellicht "Tempelpaleis". Dit willen we nu beschrijven en dit bewerken, enigszins vrij en verkort naar gegevens uit de Companion Bible.

HET HEFOFFER.
Als het land opnieuw ten erve valt aan IsraŽl, zal aan de Here een hefoffer geofferd worden, tot een heilige plaats, 45:1. De lengte zal zijn 25000 meetrieten en de breedte 10000. Dat is een zeer grote oppervlakte. Een meetriet toch had een lengte van 6 ellen. In EzechiŽls gezicht was het de (gewone) el en een handbreed, de (gewone) el rekende men op 6 handbreedten, zodat de el in EzechiŽls gezicht 7 handbreedten had. De juiste lengte van de Hebreeuwse maten is niet precies bekend, maar wel ongeveer. De el stelt men op Ī 47 cm. Een meetriet bij EzechiŽl is dus 6 el + 6 handbreedten 7 el = 3,29 M. Stellen we dit gemakshalve op 3,30 M. daar de el iets meer was dan 47 cm. (47,09 cm.) (Sommigen stellen ze op 45, anderen op 49,95 cm.). Het hefoffer voor de heilige plaats is dus: 25000 x 3,30 M. = 82500 M. = 82Ĺ KM. en de breedte 10.000 x 3,30 M. = 33.000 M. = 33 KM., dat is een gebied lang ongeveer van Rotterdam naar Amsterdam, en breed ongeveer van Den Haag tot Gouda. Dat is het gebied voor Priesters en Levieten.

HET HEILIGDOM.
In dat gebied nu komt het Heiligdom te liggen. Dat bestaat uit een buitenruimte van 500 bij 500 meetrieten, dat is 1650 bij 1650 M., Ez. 45:2. In de vier hoeken daarvan zijn voorhofjes met schoorstenen, afmetingen 40 bij 30 el. Daar zijn keukens, waar het slachtoffer des Volks gekookt moet worden door de dienaren des Heren 46:22-24, (Zie de schets). In de muur rondom deze buitenste Voorhof zijn 3 poorten, de Oost-, Zuid- en Noordpoort, 40:6, 40:24, 40:35, met kamertjes, 40:7, 29, 36.

Daar binnen was de Binnenste Voorhof van 300 bij 300 meetrieten, dus: 990 bij 990 M., waarin de afgesneden plaats lag, 41:12-15, 42:1, 10, 13, en de Tempel, elk 100 meetrieten, zodat er een rechthoek was van 200 bij 100 meetrieten, d.i. 660 bij 330 M.

In het midden van het Heiligdom stond het altaar, voor het Huis, 40:47. De Tempel zelf is het Paleis. In het midden van de afgesneden plaats staat het altaar, de AriŽl, 12 el in het vierkant, 43:16. Het altaar is het middenpunt van het Heiligdom en niet het Huis of de Tempel, die er ten Westen van staat. De Tempel is het Paleis of de Residentieplaats van Messias. Met de bij het Heiligdom liggende stad verbonden gezien, spreekt de Heilige Schrift over de stad des Groten Konings, Mt. 5:35, Ps. 48:3. Daar zal Hij, de Heerlijkheid des Heren, van tijd tot tijd resideren om de zaken van de volken te beslechten.

In Ez. 43:2-6 zien we de heerlijkheid des Heren, die volgens hfdst, 10:4, 18 en 11:23 tempel en stad verlaten heeft, het heiligdom weder binnenkomen door de Oostpoort 43:4 en 44:1. Deze zal dan gesloten worden en alleen nog gebruikt worden door de Vorst, 44:3, 46:1, 2, 12, wellicht de opgewekte David 37:24, 25.

Van uit het Huis zullen wateren vlieten en zich in tweeŽn splitsen, langs de beken zal veel geboomte groeien aan beide zijden en zij zullen levenwekkend zijn, 47:1, 7, 8. Er zullen vissers staan en goede vangsten hebben, vs. 10. De vrucht is tot spijs en het blad tot heeling, vs. 12.

HET HEILIGDOM VAN EZECHIEL.

Het Heiligdom van Ezechiel


DE AFMETINGEN.
Een enkel woord is nodig over de afmetingen van het Heiligdom. Men heeft deze onmogelijk geacht of men meende, dat ze in geen meetrieten, maar in ellen waren uitgedrukt. Dat dit niet op gaat blijkt uit 48:15, 16, waar de maten van de stad worden opgegeven met de voorsteden. Deze zijn 4500 + 2 x 250, Neemt men dit nu als ellen, dan krijgen we als stad des groten Konings: 5.000 el = Ī 2350 M. in het vierkant, Dat is niet de indrukwekkende stad, die de Koningen in Ps. 48 verbaasd doet staan, verschrikt en doet vluchten, vs. 5-7. Nemen we daarentegen 5.000 meetrieten, dan wordt dit 16.500 M. in het vierkant d.i. 16.5 KM. wat een meer passende afmeting kan heten voor de stad van de Grote Koning en de hoofdstad van de wereld. Maar dan zijn die 25.000 en 10.000 ook meetrieten en dus respektievelijk: 82½ en 33 KM.

Op de tweede schets is te zien, dat de bezitting van de stad ten Zuiden van het Heiligdom. ligt. In Ps. 48 heet het: "schoon van gelegenheid (d.i. schoon van verhevenheid) een vreugde van de ganse aarde is de berg Sion aan de zijden van het Noorden, de stad des Groten Konings", Ps. 48:3.

Dat de "bezitting van de stad" parallel zal liggen met de zeer "grote vallei", die de Olijfberg zal scheiden en van oost naar west zal lopen, Zach. 14:4, 5, schijnt wel duidelijk. De stad van de Grote Koning zal daarom in een schitterende positie liggen aan de Noordzijde van deze grote vallei, schoon van verhevenheid. Zoals het oude Sion zich verhief, uit het Kedrondal, zal "Sion de stad onzes Gods" in majestueuze verhevenheid gezien worden, zich verheffende uit de noordzijde van de zeer grote vallei, waardoor de wateren zullen vlieten, die de woestijn zullen doen bloeien als een roos, 47:8 en Jes. 35.

Men heeft hier tegenin gebracht, dat het grote Heiligdom niet in de juiste verhouding zal staan t.o.v. het land Kanašn. Men gaat daarbij uit van de grenzen van het tegenwoordige land en dat is onjuist.

Als men dat verdeelt onder de 12 stammen, zoals vele kaarten dat doen, dan beslaat het Heiligdom 1/5 deel er van. En dit is zeker buiten de goede proportie.

Deze opvatting is echter geheel onjuist. We wezen er reeds op, dat in Gen. 15 iets anders beloofd is dan men meestal leert. De rivier van Egypte is niet de Sihor, maar de Nijl. Als we die grenzen aannemen, Nijl-Eufraat dus en Grote zee (Middellandse Zee) tot de Oostzee, 47:18, wat wellicht de Perzische Golf is, terwijl de "inham van Egypte" te dien dage geslagen zal worden, Jes. 11:15, dan krijgen we een zo grote uitbreiding dat alle bezwaar vervalt. Dan zijn daarbij ingesloten de Arabische en Syrische woestijnen en de vlakten van Babel. Een schoon vaderland, waardig bezeten te worden door een machtig volk, Micha 4:7. Het overblijfsel moge dan in 't eerst stukken verkrijgen aan weerszijden van het Heiligdom, maar het bezit zal zich gaandeweg uitbreiden en ten deel vallen aan de rechtvaardigen, die het "aardrijk" zullen beŽrven.

Ook zij, die in Gosen in geloof gestorven zijn en nimmer in enig stamgebied ingedeeld werden, beŽrven dan het land van hun vijanden. Zij, die in de woestijn gevallen zijn en vergeving van zonde verkregen, staan op in die woestijn en krijgen hun bezitting. De stroken mogen dan voor het overblijfsel zijn, IsraŽl wordt door de Here verlost met een eeuwige verlossing (Hebr. verlossing van de eeuwen.) De Here voorziet in het steeds groter wordende IsraŽl door thans nog woeste en ongekultiveerde landstreken. Er moge ook hier rangorde in heerlijkheid en nabijheid zijn, vele eersten mogen de laatsten wezen, maar God zal Zijn woord vervullen: Aan U en Uwen zade, zal Ik al dit land geven tot in eeuwigheid. En meer dan dat. Niet alleen tot in de toekomende eeuw, maar ook tot in nog verdere tijden want Luk. 1:31-33 zegt:

Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden en God zal Hem den troon Zijns vaders Davids geven en Hij zal over het Huis Jakobs Koning zijn in de aionen (Gr. grondtekst) d.i. eeuwen ( toekomende eeuwen) en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

De Here zal meer geven dan Hij beloofd heeft, Hij is een verrassend God, die de goede wijn tot het laatst bewaart. De Heilige IsraŽls zal groot zijn in het midden van Sion, zie Jes. 12:4-6.

HET GANSE HEFOFFER VAN EZECHIEL 48:20

Afmetingen van het Heiligdom van Ezechiel

Totale lengte: 25000 meetrieten = Ī 82Ĺ KM.

Het ganse Hefoffer is in drieŽn verdeeld, voor de Levieten, voor de Priesters, voor Vorst en Volk van de Stad. Het deel van de Priesters bevat "Het Heiligdom". Het derde deel bevat twee deelen voor de Vorst, een deel voor de Stad (dat onheilig zal zijn 48:15) en twee ter bebouwing voor hen, die de Stad dienen 48:18. De Stad krijgt dus een oppervlakte ongeveer zoo groot als de afstand: Den Haag-Leiden en Den Haag-halfweg Gouda in het vierkant.

Alles is dus groots. Het kan ook niet anders:

"DE Here IS ALDAAR"
(Ez. 48:35.)



HEILIGE WERKELIJKHEID.
Is dit alles te vergeestelijken? Zijn het "fantastische figuren van de profetenstijl", is het "oosterse inkleding", van hemelse heerlijkheid? Laat ons eens lezen:

44:5-17

... Menschenkind... zeg tot die weerspannigen, tot het Huis IsraŽls: Zů zegt de Here: Het is teveel voor ulieden vanwege al uw gruwelen, o Huis IsraŽls dewijl gij vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vleesch om in Mijn Heiligdom te zijn om dat te ontheiligen, (te weten) Mijn Huis, als gij Mijn brood, het vet en het bloed offerdet en zij Mijn Verbond verbraken, nevens al uw gruwelen. En gij hebt de wacht van Mijn heilige dingen niet waargenomen...

Alzů zegt de Here: Geen vreemde, onbesneden van hart en onbesneden van vlees, zal in Mijn Heiligdom ingaan van enigen vreemde, die in het midden van de Kinderen IsraŽls is. Maar de Levieten, die verre van Mij geweken zijn als IsraŽl ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun drekgoden achterna, zullen wel hun ongerechtigheid dragen. Nochtans zullen zij in Mijn Heiligdom bedienaars zijn in de ambten aan de poort des Huizes en zij zullen het Huis bedienen, zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten en zij zullen voor hun aangezicht staan om te dienen. Omdat zij gediend hebben voor hun drekgoden en het Huis IsraŽl tot een aanstoot van de ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven... dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen. En zij zullen tot Mij niet naderen om Mij het priesterambt te bedienen en om te naderen tot al Mijn Heilige dingen, tot de allerheiligste dingen (Hebr. tot de heiligen der heiligen) (zo ook 42:13), maar zij zullen hun schande dragen en hun gruwelen die zij gedaan hebben. Daarom zal Ik ze stellen tot wachters van de wacht des Huizes, aan al zijn dienst en aan alles, wat daarin zal gedaan worden. Maar de Levietische Priesters, de Kinderen Zadoks, die de wacht Mijns Heiligdoms hebben waargenomen als de Kinderen IsraŽls van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen om Mij te dienen en zullen voor Mijn aangezicht staan om Mij het vet en het bloed te offeren, spreekt de Here Here...

En het zal geschieden, als zij tot de poorten des binnensten voorhof zullen ingaan, dat zij hun klederen zullen aantrekken... Men leze verder vs. 18-31.

Wij vragen of men dit vergeestelijken kan en zo ja, hoe dan. Men make er zich niet met enkele algemeenheden af, maar legge in finesses, tot in onderdelen alles "geestelijk" uit. Het geestelijke is evenzeer aan wetten gebonden als het natuurlijke. Men lere ons die dingen naar vaste wetten te "vergeestelijken". Men verklare ook, wat die geestelijke spijs-, zond-, schuld-, brand- en dankoffers zijn van Ez. 42:13, 43:18, 27. Wie "geestelijke" zond- en schuldoffers brengt, houdt dus toch ook nog een slachtoffer over voor de zonde!

ONVERVULD.
EzechiŽl 40-47 is voor ons in elk opzicht onvervuld gebleven. In het verleden is er nimmer zulk een tempel geweest, thans is hij er ook niet. Hij is ook niet bestaanbaar in de hemel, want daar offeren toch geen Levietische priesters niet waar. Blijft dus alleen over, dat die tempel er eenmaal zal komen. En wel in het land IsraŽl.

WAT ER NIET IS.
Men lette er op, dat er veel gemist wordt, wat vroeger in tabernakel en tempel gezien werd. In deze tempel is geen ark. Die zal niet meer gemaakt worden. Zie Jer. 3:16. Daar is geen wierookvat, geen wierookaltaar, geen kandelaar, geen tafel der toonbrooden, geen voorhang, geen wasvat.

DE WATEREN UIT HET HUIS.
In Ez. 47 zien we wateren van onder de dorpel des Huizes komen en naar het oosten vlieten. Ook hier maakt men een geestelijke stroom van, een verzinken in Gods heerlijkheid en genade. Eerst raakt die tot de enkelen, dan tot de knieŽn, dan wordt hij ondoorwaadbaar vs. 3-6. We vragen echter verder te lezen. Aan de oever van de beek is veel geboomte, vs. 7. Die wateren vlieten af naar het voorste Galilea. De Engelse vertaling heeft hier: naar het oostelijk land. Hebr.: het oosterse gelilah, d.i. een afgerond grensland. In Joz. 13:2. 22:10, 11 en JoŽl 3:4 vinden we hetzelfde woord. Daar is het vertaald door "grenzen". Verder komt het woord niet voor. De St. V. is hier gebrekkig. De wateren vloeien in de zee. Die zee blijkt de Dode zee te zijn, want daaraan lag Engedi en Eneglaim, vs. 10. Die Dode zee, waar thans geen vis in kan leven, zal zeer rijk zijn aan vis, vs. 10, hoewel niet overal het leven weerkeert, vs. 11. Aan de beek zullen aan beide oevers allerlei spijsgeboomte opgaan, van maand tot maand vrucht dragend. Deze zal zijn tot spijs, zijn blad tot heeling vs. 12. Wij vragen, hoe men een en ander moet vergeestelijken.

HERSTEL VAN LAND, STAMMEN EN STAD.
In Ez. 47:13-48:35 vinden we het herstel behandeld van het Land, waarvan de grenzen gegeven worden, die nog niet het gehele land Kanašn beslaan, wijl de zuidgrens reikt tot "de beek", d.i. niet de rivier van Egypte, terwijl de noordgrens evenmin raakt tot de Eufraat. God zal de grenzen dus later verder uitbreiden, overeenkomstig de belofte van Gen. 15.

In 48:1-29 vinden we de Stammen met hun erfdelen, in 48:30-35, de Stad met zijn 12 poorten. De naam er van zal zijn: "Jehovah-Shammah", d.i.: De Here is aldaar.

We vragen nogmaals. Moet dit vergeestelijkt worden? Zo ja, hoe dan? Zo neen, wanneer is dit dan letterlijk vervuld? Waarom is de letterlijke vervulling buitengesloten?

Men zal er ons op wijzen, dat men, als men Ez. 40-47 letterlijk neemt, moet komen tot het herstel van de ceremoniŽn en dat er geen herstel van de ceremoniŽn plaats vindt, omdat Hebr. 10:18 zegt, dat waar vergeving is er geen offerande voor de zonde meer overblijft. Kunnen er daarom geen offers gebracht worden, die terugwijzen op het offer? Er staat: geen offer meer betreffende de zonde. Waren de O.T. offers dan wel voor de zonde, of waren het alleen afschaduwingen van het offer. En kunnen de latere offers dat ook niet zijn? Verder staat er: Geen offer meer voor de zonDE, d.i. de wortel van het kwaad. Dit laat ruimte voor offers voor zonDEN, schuld en zondoffers en brand-, spijs- en dankoffers, die ook zonder zonde kunnen gebracht worden als uitdrukking van algehele toewijding, van naderen tot God. (Zie Dl III Veelvuldige wijsheid). In geen geval wrikke men door een tekst, die heel wel een andere verklaring toelaat, heel de vastheid van de Schrift weg, door van geestelijke vervulling te spreken. Er staat geschreven. Laat ons aanvaarden zoals het er staat, God licht vragend over 't onbegrepene. Maar niet het onbegrepene "begrijpelijk" maken door het "ongrijpbaar" te maken, d.i. er iets van te maken. Alle Gods woord staat: "in der eeuwigheid". Ook Zijn woord, dat Hij aan EzechiŽl gegeven heeft.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden