Uit IsraŽls Profetie

II. Israël
het grote volk in "De Wet"

c. Het geestelijke zaad

Abram ontvangt nog meer van de Here. Hij zal niet alleen een zaad hebben "als het stof der aarde", een natuurlijk zaad, een uit hem op natuurlijke wijze afstammend volk IsraŽl, dat eenmaal als het "Grote Volk", "het gehele land Kanašn" zal beŽrven "in der eeuwigheid", maar ook een geestelijk zaad. Dat zijn zij, die in Abraham de Vader der gelovigen zien, die gezegend zullen worden met de gelovige Abraham, Gal. 3.9.

De belofte voor dat zaad geeft de Here aan Abram in Gen. 15:5, 6. Als de Here hem verschenen is en hem een erfgenaam beloofd heeft die uit hem zou voortkomen, vs. 4, blijft het bij deze belofte niet. Dat blijkt uit vs. 5 en 6:

"Toen leidde Hij hem uit naar buiten en zeide: Zie nu op naar den hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt. En Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn. En hij geloofde in den Here en Hij rekende het hem tot gerechtigheid".

Men lette hierbij op het volgende.

Vooreerst wordt Abram uitgeleid uit de tent. Reeds dit heeft betekenis en wijst op twee sferen, een "in de tent", type van de latere legerplaats, IsraŽl, een "buiten de tent", type van een wijdere sfeer, waartoe zij zullen behoren, die evenals Abram uit zijn tent uit hun legerplaats zullen willen uitgaan.

Dan: Tel de sterren; zo zal uw zaad zijn. Dit is een ander soort zaad dan het stof der aarde of het zand der zee. Hiermee opent de Here een nieuw verschiet, n.l. de sfeer van de hemelen, voorbereid in Melchizedeks zegening, waarin de Allerhoogste de Bezitter genoemd wordt van hemelen en aarde (hfdst. 14:19). De sterren zijn lichtend in zich zelf en beÔnvloeden de aarde, wellicht meer dan we weten. De Here belooft nu aan Abram, dat hij ook een dusdanig zaad zal hebben. Hiermee geeft Hij hem een rijke uitbreiding van de beloften van Gen. 12. Wat daar nog niet vermoed werd, wordt hier beloofd, n.l. een groep hemelse gelovigen, lichtend als de sterren des hemels. We willen die kortheidshalve de Abrahamietische gelovigen noemen.

Velen menen dat het woord: "zo" een aantal uitdrukt, en lezen: Zo groot in aantal zal uw zaad zijn. Deze mening is onjuist. Op andere plaatsen is het vertaald door: aldus (zie Gen. 24:30, alzo, Num.. 6:23, Jes. 7:7; 18:4, e.a.). Hiervoor kan men niet lezen: zoveel. Alzo in Gen. 15 is dan ook geen telwoord, betekent niet: zoveel, maar is een bijwoord, betekenend: Op deze wijze, zodanig, als deze.

Voorts: En Hij geloofde in den Here en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. Waarom staat er dat nu eerst? Abram had toch vroeger de Here ook geloofd, waarom was het hem toen niet tot gerechtigheid gerekend? O.i. komt het hier op ťťn woord aan, n.l. op in. Abram geloofde niet alleen de Here, maar in de Here. Daarin is veel besloten. Het laatste is meer dan het eerste. Dat bewijst Rom. 4:1-3, waaruit blijkt dat op het-in-de-Here geloven de gehele rechtvaardiging berust.

"IN DEN Here".
Vanwege het groot belang van deze zaak, willen we kort aangeven, wat voor zegeningen verbonden zijn aan het de Here en het in de de Here geloven. Het-de-Here-geloven geeft gerechtigheid in negatieve zin: het niet toerekenen van schuld, de vergeving der zonden en het schenken van "eeuwig" d.i. aionisch leven, (het leven van de toekomende eeuw op aarde). Het-in-de-Here-geloven geeft mťťr. Die in de Here gelooft, gelooft in Jehovah-Christus, Die het al volbrengt. Hij erlangt daarmee positieve gerechtigheid, d.i. hem worden de verdiensten van Christus als eigen gerechtigheid toegerekend. Hij wordt gesteld als had hij nimmer zonde gekend of gedaan. Wat Christus tot aan Zijn hemelvaart volbracht heeft, wordt hem toegerekend als door hem volbracht. Hij wordt dan als de sterren des hemels.

Aan de gerechtigheid of rechtvaardigheid (onjuist vertaald door rechtvaardigmaking) zijn dus twee zijden: Negatief het niet toerekenen van schuld, het toerekenen van Christus' wets volbrengend werk; positief het toerekenen op grond van Christus' geloof. Negatief het toebereiden tot een bezitsverkrijging op aarde, positief tot het "erfgenaam" zijn (beter bezitsverkrijger) van de hemelen. Negatief het betalen van de aardsche schuld, door Adam gemaakt; positief het geven van de goederen van de hemelen, nimmer aan Adam beloofd, (Zie Gen. 1:28).

Men ziet hoe belangrijk de belofte van Gen. 15 is. Feitelijk ligt daarin de verandering in een punt des tijds en de opname de Here tegemoet in besloten. Om n.l. als sterren te schitteren, is verandering nodig, om sterren te zijn, verplaatsing naar de hemelen dus opname nodig.

Abram heeft in de Here geloofd. Daarmee heeft hij uit genade de eerste schreden gezet op de weg der rechtvaardiging, waarbij zijn geloof hem tot gerechtigheid gerekend werd. Hier viel alle werk weg. Om een zaad te verkrijgen als het stof der aarde kon Abram nog wat doen en heeft hij ook wat gedaan (Hagar-IsmaŽl). Om echter een zaad te verkrijgen als de sterren des hemels, kon hij niets doen dan alleen 's Heren woord geloven. Abram zag zeer wel in, dat om zulk een zaad te verwerven, de Here tussenbeide moest komen met Zijn veranderende, transformerende kracht, En zo werd Abram tot vader der gelovigen dit uit Besnijdenis of Voorhuid zijnde, hetzelfde geloven. Rom. 3:30; 4:11-13.

De Reformatie heeft deze lijnen niet goed onderscheiden. Vandaar velerlei strijd en verwarring over IsraŽl en het "geestelijk IsraŽl". Men heeft ťťn willen maken, waar God onderscheiden heeft. IsraŽl en de Abrahamietische gelovigen zijn 2 sferen. Het eerste verwerft het land, de anderen zijn bestemd voor de stad, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is, voor het Nieuwe Jeruzalem, Gal. 4:26; Heb. 11:10. Dat zal eenmaal op aarde dalen. Eerst is het nog Boven, Gal. 4. Tot zolang (n.l. de duur van de toekomende eeuw door, want eerst na die eeuw, die aioon, komt het neder, als de nieuwe hemel en de nieuwe aarde van Op. 21 daar is) is de plaats van de Abrahamietische gelovigen "eeuwig", Gr. aionisch, n.l. de toekomende eeuw door, in de hemelen, 2 Cor. 5, in afwachting tot God de residentie bereid heeft, waar Hij zonder tempel (die er nog wel zal zijn in de toekomende eeuw) bij de mens kan wonen.

HET KNOOPPUNT VAN GEN 17.
In Gen. 17 komen de beide lijnen, die in Gen. 13 en 15 hun beginpunt, in Gen. 12 hun oerkiem hebben, als in een knooppunt bijeen. We willen dat nagaan. Lezen we eerst vs. 4-8:

"Mij aangaande zie Mijn verbond is met u en gij zult tot een vader van menigte der volken worden en uw naam zal niet meer genoemd worden Abram (Verheven Vader), maar uw naam zal wezen Abraham (Vader van een menigte), want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken."

Dit is voortzetting van de hogere lijn van Gen. 15. Het houdt veel meer in dan dat Abram mede de stamvader zou zijn van de 6 zonen uit zijn latere huwelijk met Ketura voortgesproten. Zes is nog geen menigte. De 6 zonen typeren iets van de hoogere geestelijke belofte. Het antitype is rijker. Paulus leert het ons dan ook dieper opvatten en zegt, dat Abraham hiermee gesteld wordt tot een vader van allen; die geloven, hetzij in de voorhuid, hetzij in de besnijdenis zijnde, Rom. 4:11, 12.

Uit dit woord blijkt, dat God de Volken niet weg neemt, maar het nationale onderscheid vooreerst handhaaft. Hij houdt de Volken in stand. Het Adventisme laat in de toekomende aioon de aarde woest en ledig zijn. De Volken zijn dan verdwenen. God zegt echter, dat Abraham een vader van menigte der Volken zal zijn.

God bemint de volken, zegt de Schrift. En daarom stelt Hij boven die Volken Abraham tot vader. Het woord "stellen" wijst op een heersende, leidende positie. De Here zette Mozes (zelfde woord) tot een god over Farao d.i. om over deze te heersen en te gebieden, om boven hem te staan met slaande strafgerichten (Ex. 7:1). Zo wordt Abraham gesteld tot een vader van vele volken, d.i. om boven hen te zijn in bestierende, leidende goedheid, beleid, zegening en ontferming. Een vader ontfermt zich over de kinderen, Zo zal ook eenmaal Abraham zich tot al die Volken met vaderlijke ontferming inlaten.

Het woord "vader" zegt nog meer. Een vader in het Oosten betekent een voorganger te zijn. Het woord "zoon" betekent allereerst iemand, die bezig is in en met de dingen van zijn vader (wat een kind niet is), in het Oosten ook: een navolger. Paulus noemte Titus en Timotheus zijn "zonen", d.i. geestelijke navolgers. Hij is hun "vader", hun voorganger, die zij willen volgen, Zo ook Abraham, Deze wordt de geestelijke voorganger en leidsman der Volken.

DE VADER DER GELOVIGEN.
Zo ligt in deze belofte des Heren de verzekering, dat Abraham een reeks navolgers zal hebben, die in de voetstappen des geloofs zullen wandelen, God zal er vele roepen, die mede leidslieden van de volken zullen zijn en de wedergeboren volkeren door invloeiÔng van geestelijke kracht zullen opheffen en doen toenemen.

Het zijn zij, die gezegend worden met de gelovige Abraham. Men lette wel op de woorden met en in. Een kind wordt gezegend in goede ouders, d.i. door middel van hen; een zoon, die opgenomen is in de zaak van zijn vader en mede de zaken drijft, wordt gezegend met zijn vader, die hij als kompagnon bijstaat. Het in geeft een ondergeordende positie aan, het met een gelijkgeordende. De Volken worden inAbraham en zijn geestelijk zaad gezegend; Abrahams navolgers op de weg des geloofs met hem. Het met van Gal. 3:9 zet dus boven de Volken.

Het Calvinisme heeft deze waarheden doorvoeld, niet doorzien, nog minder overzien, Het volgde het Lutheranisme in de rechtvaardiging des geloofs, maar werd door toedoen van Zwingli, van wie Calvijn de verbondsleer overnam, neergetrokken tot IsraŽls lijn en hinkte sindsdien op twee gedachten: eenerzijds op de vrijmacht Gods, uitkomende in de verkiezing tot "zoon", anderzijds op de leer van het wettische verbond. Men heeft niet ingezien, dat men de Volken als zodanig nu niet bekeren kan of beheersen mag. Beide zijn Roomse ideeŽn, berustend of scheve snijding van het Woord, Nog afgezien van het feit, dat we in een andere, in een andere niet- Abrahamietische bedeling leven, liggen de twee lijnen van de Abrahamietische beloften in het niet voldoende zich aan het Rooms Katholicisme ontworsteld hebbende Calvinisme verward dooreen.

Dit komt, omdat men niet gelet heeft op de dingen, die verschillen. Abraham heeft tweeŽrlei zaad: ťťn als het stof der aarde, ťťn als de sterren des hemels, een natuurlijk en een geestelijk zaad. Het laatste is uit IsraŽl en uit de volken en is ťťn geest met de Here d.i. Abrahams Zoon.

VADER VAN VOLKEN.
De tweede lijn vindt z'n knooppunt in vs. 6-8 van Gen. 17. Daarin gaat het over Abrahams natuurlijk zaad.

"En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen. En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uwen zade na u in hun geslachten tot een eeuwig verbond (Hebr. Verbond der eeuw d.i. van de toekomende eeuw) om u te zijn tot een God en uw zaad na u. En Ik zal u en uwen zade na u het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele Kanašn tot eeuwige bezitting (Hebr. tot bezitting van de eeuw) en Ik zal hun tot een God zijn."

In vers 6 wordt Abraham gesteld tot Volken. Men lette er op: Hier staat niet tot vader van Volken. Een vader van volken blijft er zelf boven verheven. Hier gaat hij in die volken op als natuurlijk vader. Er staat ook niet: tot een menigte van volken. Uit Abraham zijn (na IsmaŽl) 7 volken voortgekomen: IsraŽl door Isašk, en de volken voortgekomen uit Ketura en haar zonen. Vs. 6 spreekt over natuurlijke, vleeselijke voortplanting.

In vers 7 zien we de verbondslinie in IsraŽl. Ook dit vers is door de Reformatoren niet verstaan. De verbondslijn loopt niet over ŗl Abrahams zonen. IsmaŽl valt er, als naar het vlees geboren, buiten, Maar ook met de 6 latere zonen sloot God geen verbond. Dat geschiedde alleen met IsraŽl, aan welk volk God de eed bevestigde aan Abraham bezworen Gen. 26:3, zie 22:18. God zegt: in hunne geslachten d.i. in de lijn van degene, die God als zaad van Abraham erkent, n.l. Isašk, Gen. 21:12. "In Isašk zal uw zaad genoemd worden". Daarna in de lijn van diens erkend zaad, Jakob, Gen. 28:13-15.

God zegt duidelijk, dat Hij met ťťn zaad (uwen zade d.i. de Oud-Nederlandse vorm voor uw zaad) Zijn verbond zal oprichten, n.l. het verbond der besnijdenis, Hand. 7:8. De anderen vallen er dus buiten, zijn daarmee niet, verworpen, maar krijgen geen centrale plaats, zij staan aan de omtrek van Gods heilsgang, Een lichaam kan maar ťťn hart hebben. Zo kan er in het Volkenlichaam maar ťťn Centraalvolk zijn,dat het middelpunt is. Dat is IsraŽl. Daaromheen liggen vele andere organen, de Volken. Met ťťn zaad, IsraŽl; richt God een Nationaal verbond op, dat doorgaat in de geslachten. Dat is een eeuwig verbond d. i. van de toekomende eeuw.

Ook hier faalde de Calvinistische Schriftbeschouwing. Calvijn meende, dat hier gedoeld werd op het in, Christus vastliggend heil, dat God van vader tot kind zou voortplanten, indien zij Gods verbond hielden. Dat is dan feitelijk een werkverbond, want nu hangt het van de mens af of hij het verbond houdt of niet. God zegt duidelijk: IK zal Mijn verbond oprichten.

Ook verstond het Calvinisme het woord "eeuwigheid" niet. Eeuwig heeft in de H.S. nimmer de betekenis van eindeloos. Het eeuwig verbond dat God maakt, is het verbond van de toekomende eeuw, dat Jeremia 31 het Nieuwe Verbond noemt, in tegenstelling met het "Oude", het eerste, dat bij SinaÔ gesloten is en waarbij IsraŽl alles voor zijn rekening nam. God belooft hier, dat Hij het zal doen. Dat het hier over IsraŽl gaat, blijkt uit vs. 8. "En Ik zal u en uwen zade na u het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanašn tot eeuwige bezitting".

We vragen, wat er van die "eeuwige" bezitting ó eeuwig opgevat in de traditionele zin van eindeloos ó terecht gekomen is, IsraŽl is sinds Ī 19 eeuwen van land en stad verdreven. Heeft het Kanašn eindeloos bezeten? Dan moet het er nu nog wonen. En meent men, dat 't woord eeuwig hier niet als eindeloos moet opgevat worden, waarom vat men het dan een vers hoger wel in die betekenis op? Hier zinkt alle logica weg. Een eeuwig verbond heet eindeloos, een eeuwige bezitting niet. Van zelf moet men dan gaan plooien en zeggen: Vs. 7 slaat op het "geestelijke IsraŽl", vs. 8 op het letterlijke. Maar God spreekt in vs. 7 niet van zaden als van vele volken, maar zaad in engere omvang, want Hij zegt: uw zaad na u in hun geslachten. Zij, die menen, dat hierop de verbondsleer voor de N.T. gemeente gebouwd moet worden, verwerpen hiermee juist de basis, waarop zij hun betoog willen stellen. Eerst noemen zij Abraham de vader van vele volken, Dan maken zij die vader van vele volken tot vader van ťťn geestelijk volk en menen, dat in geestelijk IsraŽl de verbondslijn doorgaat. Het een sluit het ander uit. Vader van vele volken en ťťn geestelijk IsraŽl is een ongerijmdheid.

Verder zegt Hij niet: Gij moet dat verbond oprichten door leer en godsdienst, maar: IK zal het oprichten. En waarom Hij in vs. 7 met "uw zaad" geestelijk IsraŽl zou bedoelen en in vs. 8 met hetzelfde "uw zaad" het aardse volk IsraŽl, zien wij niet in.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden