Uit IsraŽls Profetie

II. Israël
het grote volk in "De Wet"

b. Het aardse natuurlijke zaad

Wat is te verstaan onder het zaad? Dat blijkt uit het verband.

Gen. 13:16

"En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, ook uw zaad geteld zal worden".

De term "stof der aarde" , komt niet vaak voor in de Schrift, Buiten deze tekst vinden we hem nog in Gen. 28:14, waar de Here aan Jakob belooft:

"En uw zaad zal wezen als het stof der aarde en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts en noordwaarts en zuidwaarts"

en in 2 Kron. 1:9 waar Salomo bidt:

"Nu Here God, laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David, want Gij hebt mij koning gemaakt over een volk, menigvuldig als "het stof der aarde".

Hieruit en uit het volgende blijkt dat Abrams zaad, dat stof der aarde genoemd wordt, IsraŽl is.
In vs. 15 nu zegt de Here:

"Want al dit land, dat gij ziet, dat zal Ik u geven en uw zaad tot in eeuwigheid".

In vers 16

"En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde"

Meent men nu, dat, waar vs. 16 spreekt van Abrams natuurlijke zaad, IsraŽl, vs. 15 over een ander zaad zou spreken? En gesteld al, dat het zaad van vs. 15 mede Christus is, dan nog volgt er uit, dat Christus eenmaal het land Kanašn zal erven. En is Christus Erfgenaam van het land (en dat is Hij ook ongetwijfeld als Abrams zoon, hoewel daar hier niet over gesproken wordt, doch wat in Gen. 12:7 beloofd is), dan volgt hieruit, dat Hij de Koning moet zijn van het zaad, dat is als het stof der aarde, wijl dat het grote volk is, dat de Here Abram belooft uit hem te doen voortkomen.

Dat men hier aan Abrams natuurlijk zaad te denken heeft en niet aan Christus, volgt uit de woorden zelf. Wordt Christus nu gesteld "als het stof der aarde"? Is Christus ontelbaar?

Zij, die menen, dat hiermee alle gelovigen in Christus bedoeld worden (wat niet het geval is), moeten ook aanvaarden, dat, als Christus met de Zijnen hier bedoeld zijn, het erfdeel in der eeuwigheid niet de hemel is, waarover men zo vaak spreekt, maar Kanašn. Wij voor ons menen; dat hier de onherroepelijk en onvoorwaardelijke belofte van een aards zaad, van een uit Abram als natuurlijk stamvader voortkomend volk op aarde, gegeven wordt, dat in de toekomende eeuw als erfdeel Kanašn ontvangt. De gelovigen van deze bedeling ontvangen hoger zegeningen. Alles wel overdenkende blijkt dit: In Gen. 13:15, 16 ligt IsraŽls toekomst vast. En daarmee de uitspraak, dat Christus "de Koning IsraŽls" is, Joh. 1:50, "de Koning der Joden", Mt. 27:37; Mk. 15:26; Lk. 23:38.

IsraŽl heeft, op grond van Gen. 13, een grootse toekomst. Wel verre, dat het voor altoos verworpen zou zijn, ligt hier mede voor altijd zijn herstel vast. Gen. 13 geldt Abrams natuurlijk zaad, het stof der aarde. Eerst in Gen. 15 is sprake van Abrams geestelijk zaad "als de sterren des hemels". Gods roeping en genadegift zijn ook voor het natuurlijk zaad, onberouwelijk Rom. 11:29.

VOORTYPERING.
In Gen. 12 en 13 ligt in Abram, IsraŽls historie voorgetypeerd. Abram verlaat het land, komt in Egypte, moet terug en ontvangt dan de belofte het land "in der eeuwigheid" te zullen bezitten. Zo zal IsraŽl wel uit zijn land uitgaan, eerst in Egypte, later in de gehele wereld, onder de volken komen, maar terugtrekken en het land bezitten. Abram krijgt het land eerst in de toekomende eeuw, in de opstanding. Hierin ligt profetie voor IsraŽl. Hun aanneming zal het leven uit de doden zijn.

In Gen. 14 geeft de overweldiging door Kedor Laomer ons een tweede type, Wat Kedor Laomer deed tegen Kanašn; is type van wat eenmaal Assur door de Antichristus doen zal tegen IsraŽl Jes. 14:25. Eenmaal zal deze tegen IsraŽl optrekken om het te vernielen. De Here zal dan het juk en de last doen wijken Jes 14:24. Zie ook 13:5-11 en 14:1-7. De tijd van IsraŽls benauwdheid moet nog komen, Dan. 12:1 en Mt. 24:21, maar IsraŽl zal verlost worden Jer. 30:7 en Micha 5:4, 5, Jakobs overblijfsel "zal zijn onder de Heidenen in het midden van vele volken als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij dat niemand redt". Mich. 5:7 De overwinning van Abram is type van IsraŽls toekomstige zegepraal. Gods volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Gods heerkracht Ps. 110:3. Zoals Abram eenmaal de wereldmacht van die tijd overwon door het geloof Hebr. 11, zo zal IsraŽl eenmaal in de eindtijd overwinnen door IsraŽls sterke Held.

Na het slaan van de vijanden treedt Melchizedek op en brengt brood en wijn voort en zegent Abram, zeggende:

"Gezegend zij Abram Gode, d.i. voor God, den Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit. En gezegend zij de Allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft".

Zo zal IsraŽl gezegend worden door de Here. Zij zullen verkwikt worden door het brood des Levens, dat uit de hemel nederdaalt, door de wijn, die het hart van God en van de mensen vrolijk maakt. Brood en wijn zijn tekenen van het Nieuwe Verbond. Als de grote Melchizedek verschijnt, zal Hij met IsraŽl het Nieuwe Verbond oprichten (eigenlijk: eindigen) en hen zegenen met zegeningen des Allerhoogsten.

HET VERBOND VAN GEN. 15.
In Gen. 15 geeft de Here Abram een nieuwe belofte. Hij belooft Abram een zaad "als de sterren des hemels". We gaan daar thans niet verder op in. (Zie bizonder deel III). Wat wel besproken moet worden, is het verbond, dat de Here met Abram maakt. "Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de Here Die u uitgeleid heb uit Ur der ChaldeŽn om U dit land te geven om dat erfelijk te bezitten". Men ziet, de Here herhaalt de belofte van Gen. 13: Abram zal het land erfelijk, d.i. blijvend bezitten. "En hij (Abram) zeide: Here Here, waarbij zal ik weten dat ik het erfelijk bezitten zal?" Men lette er op, dat hij niet spreekt van zijn zaad maar van zichzelf. Waarbij zal ik weten, dat ik het land erfelijk bezitten zal? Hand. 7 zegt dat hij er geen voetstap van bezeten heeft, ook IsraŽl heeft het niet erfelijk bezeten doch slechts "een weinig tijds", zie Jes. 63:18.

De Here zegt nu wat hij doen moet. Hij zal een verbond maken op de toen gebruikelijke wijze. "Neem Mij een driejarige vaars, een driejarige geit en een driejarigen ram en een tortelduif en een jonge duif," vs. 9. Abram doet dit, deelt de grotere dieren midden door en legt elke helft tegenover zijn helft. De duiven blijven ongedeeld. Zo liggen daar 8 stukken. Nu eiste de gewoonte, dat de bondgenoten bij zo'n verbond tussen de delen doorwandelden om hiermee te kennen te geven, dat, evenals die stukken hen insloten, zij bijeen behoorden. In Jer. 34:18 is ook sprake van zo'n verbond. Onder het tussen de stukken doorgaan, las of besprak men de inhoud van het verbond om daarna het verbonds-offer in brand te steken. De slachtoffers waren dan de verbondmakers (in Hebr. 9:17 onjuist overgezet door testamentmaker).

Abram bereidt alles toe en wacht op de grote Bondgenoot. De Here toeft te komen. Ondertussen komt het wild gevogelte en aast op het offer. Abram jaagt het weg. Nog komt de Here niet. De zon is reeds aan het ondergaan. Daar overvalt Abram een diepe slaap. En in die slaap valt een schrik en grote duisternis op hem, profetie van wat komen zou. IsraŽls zon zal ondergaan, roofgedierte zal komen, duisternis staat te wachten. Eindelijk verschijnt de Here en zegt:

"Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat van hen niet is, en zij zullen hen dienen en zullen ze verdrukken vierhonderd jaar. Doch Ik zal dat volk rechten hetwelk zij zullen dienen en daarna zullen zij uittrekken met grote have. En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede, gij zult in goeden ouderdom begraven worden en het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren, want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen." 15:13-16.

BEEK VAN EGYPTE EN RIVIER VAN EGYPTE.

Gen. 15:18-21

"En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en zie, daar was een rokende oven, (teken van IsraŽls verdrukking) en een vurige fakkel, (teken van Gods tegenwoordigheid). Te dienzelfden dage maakte de Here een verbond met Abram zeggende: uwen zade (uw zaad) heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier Frath. Den Keniet, en den Keniziet en den Kadmoniet en den Hethiet en den Fereziet en de RefaÔeten en den Amoriet en den Kanašniet en den Girgaziet en den Jebusiet".

Velen menen, dat IsraŽl dit gebied bezeten heeft in de tijd van IsraŽls grootste uitbreiding onder David en Salomo, Men wijst er dan op, dat in 1 Kron. 18:3 staat, dat David Hadar-ťzer, de koning van Zoba sloeg, naar Hamath toe om zijn hand (d.i. zijn macht) te stellen aan de rivier Frath, en dat SyriŽrs en Amorieten en Edomieten onderworpen werden, zie 1 Kron. 19. Verder, dat Salomo met gans IsraŽl feest hield van de ingang af van Hamath (in Noord-SyriŽ.) tot de rivier van Egypte 1 Kon. 8:65. Bij nauwkeuriger onderzoek blijkt evenwel iets anders, We zullen dat onderzoek instellen. Vooraf echter een opmerking over de Staten-Vertaling (St. Vert.).

De Ned. Bijbel is voor zijn tijd een uitmuntend stuk werk geweest (alhoewel men toen reeds teleurgesteld werd in zijn verwachtingen). Veel is er op schone wijze in weergegeven, maar het betere is vaak niet in de tekst geplaatst, maar in de kanttekeningen. Bij nauwkeuriger onderzoek blijkt dat veel verkeerd vertaald is. Een van deze dingen is de term "de rivier van Egypte".

Nu ons onderzoek. Volgens een volledige Nederlands concordantie komt de term "de rivier van Egypte" voor in de volgende schriftplaatsen:

  • Num. 34:5 "Voorts zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte", Jozua 15:47 "... Gaza zijn onderhorige plaatsen en zijn dorpen tot aan de rivier van Egypte".

  • 1 Kon. 8:65 en 2 Kron. 7:8 "Te dien tijd ook hield Salomo het feest en gans IsraŽl met hem, een grote gemeente van den ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte...".

  • 2 Kon. 24:7 "... de Koning van Babel had van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Frath ingenomen al dat des Konings van Egypte was."

  • Jes. 27:12 "En het zal te dien dage geschieden, dat de Here dorsen zal van der, stroom af tot aan de rivier van Egypte, doch gijlieden zult opgelezen worden, ťťn bij ťťn, gij kinderen IsraŽls."

Schijnbaar lopen de termen in deze teksten parallel met Gen, 15, Uit een goede concordantie evenwel blijkt, dat er in het Hebreeuws twee woorden staan, die beide in de St. Vert. door rivier zijn vertaald. Dit ware nog daar aan toe, als de St. Vert. dit consequent gedaan had, Wat deden de vertalers evenwel met het tweede woord? Ze vertaalden het nu eens door rivier, dan weer door beek, ook wel door dal. Dit nu moest tot verwarring leiden en heeft dit ook gedaan. De vertaling legde hiermee struikelblokken op de weg des geioofs, die de Schriften niet hebben. De waarheid moet nu opgedůlven worden, was zonder de onnauwkeurige vertaling voor het oprŗpen geweest.

Het Hebreeuws heeft twee woorden voor stromend water: nahar en nachal. Een nahar is een brede stroom, een rivier die steeds zijn water behoudt, een nachal is een klein smal, dikwijls een uitdrogend water en wordt vandaar ook dal genoemd. Het woord nahar komt het eerst voor in Gen. 2:10 (rivier). Het woord nachal later. Door beek is het vertaald in Num. 21:12: beek Zered, Deut. 2:24: beek Arnon, Deut. 2:37: beek Jabbok, Richt, 4:7: beek Kison; op andere plaatsen door dal, b, v. Gen. 26:17: dal van Gerar, Num. 13:23: dal Eskol, 1 Sam. 15:5: dal.

Welk van deze twee woorden staat nu in Gen. 15:18; nahar of nachal? Het eerste, dus nahar. De hele term in het Hebr. luidt: Nahar-MitsraÔm (MitsraÔm is Egypte), De St. Vert. vertaalde dus goed: tot aan de rivier van Egypte. Welk woord staat in de andere hierboven genoemde teksten? Niet Nahar, maar overal Nachal, Nachal MitsraÔm. En dat heeft de St. Vert. ook steeds voor rivier van Egypte vertaald, behalve in Joz. 15:4. Dat is de enige tekst, waar de term Nachal MitsraÔm overgezet is door: Beek van Egypte. In vs. 47 van hetzelfde hoofdstuk plaatste de St. Vert. weer: Rivier van Egypte.

Is het nu van zoveel belang dit nauwkeurig na te gaan zal men vragen. Ongetwijfeld, want de beek van Egypte is iets heel anders dan de rivier van Egypte. Evenmin als de Oude Rijn de Rijn is, en de Oude Maas de Maas, evenmin is de beek van Egypte de riviťr van Egypte.

Wat is nu de beek van Egypte? Dat is het stroompje de Sihor, die voor aan, dus niet in Egypte is. Joz. 13:3. Die beek van Egypte ligt bij Gaza, Joz. 15:47.

De rivier van Egypte is echter de Nijl. De Here nu beloofde aan Abram niet het land van af Gaza tot aan de Eufraat, het gebied waarover Salomo regeerde. Van deze koning toch staat, dat hij regeerde van de rivier (de Frath) tot het land der Filistijnen en tot aan de landpale van Egypte, 1 Kon. 4:21 tot aan de beek van Egypte, de Sihor, die bij Gaza is. Aan Abram wordt mťťr beloofd. Hem wordt beloofd het land van de rivier van Egypte, d.i. de Nijl, tot aan de grote rivier, de rivier Frath (Eufraat). Dat gebied heeft IsraŽl nog nimmer bezeten.

HET GEHELE LAND KANAAN.
Het land Kanašn is klein in vergelijking met dit beloofde gebied (zie het kaartje). Het strekt zich uit van de Nijl tot de Eufraat. Dat land nu heet volgens Gen. 17:8: "Het gehele land Kanašn" en omvat dus mede de SinaÔtische, Arabische, Syrische en Babylonische woestijngebieden. Het strekt zich uit tot aan de Perzische golf. Een zeer groot land, zeker 16 maal groter dan Nederland, dat ongeveer de grootte van het Kanašn van Jozua's tijd heeft, d.i. van Dan tot Berseba.

Maar zal men vragen: Wat heeft IsraŽl aan al die woestijnen? "Zoekt in het Boek des Heren en leest, niet ťťn van deze dingen zal feilen, het een noch het ander zal men missen, want Mijn mond zelf heeft het geboden en Zijn Geest zelf zal ze samenbrengen. Want Hij Zelf heeft voor hen het lot geworpen en Zijn hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer tot in der eeuwigheid (Zie Gen, 13:15 en ons onderdeel: tot in E.) zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daar in wonen. De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn en de wildernis zal zich verheugen... Het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren, in de woning der draken (harige wezens), waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn," Jes. 34:16, 17; 35:1, 7.

"Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen en fonteinen in het midden der valleien, Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten en het dorre land tot watertochten. Ik zal in de woestijn den cederboom, den sittimboom en den mirteboom en den olieachtigen boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen den denneboom, den beuk en den busboom te gelijk, opdat zij zien en bekennen en overleggen en tegelijk verstaan, dat de hand des Heren zulks gedaan heeft en dat de Heilige IsraŽls zulks geschapen heeft," Jes. 41:18-20.

Er is dus tweeŽrlei Kanašn, het Kanašn dat IsraŽl beŽrfd heeft onder Jozua, dat onder David en Salomo zijn grootste uitbreiding verkreeg, doch met dat al toch maar een weinig tijds bezeten werd Jes. 63:18, En een nog groter Kanašn, Dat Kanašn is het betere, het hemelsche vaderland, Heb. 11:16, het van uit het overhemelsche, het van Boven uit, bereide vaderland.

God heeft met de tweeŽrlei toestand rekening gehouden. Deut. 32:8 zegt: "Toen de Allerhoogste den Volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen van een scheidde, heeft Hij de landspalen der Volken gesteld naar het getal van de kinderen IsraŽls." God heeft reeds bij Babels spraakverwarring IsraŽls erfdeel bepaald. Waar Hem alle dingen bekend zijn, heeft Hij met wijs beleid een gebied afgezonderd dat ook voor het Grote Volk toereikend zal zijn. Slechts een deel ervan maakte Hij bewoonbaar, het andere liet Hij woestijn, juist om het in de toekomst aan IsraŽl te kunnen geven, Hij behoeft daarin slechts bronnen en rivieren te openen en het wordt ťťn vruchtbaar veld.

HET GEHELE LAND KANAAN.

Het gehele land Kanaan

DE VOLKEN VAN HET LAND.
IsraŽl heeft nimmer het gehele land Kanašn bezeten. Het heeft ook nimmer de 10 volken onderworpen, die in Gen. 15 genoemd worden. Dat bewijst het overzicht op de volgende bladzijde van al de hoofdstukken, waarin de door IsraŽl overwonnen volken genoemd worden.

OVERZICHT

(De cijfers wijzen de volgorde aan, waarin de namen in de betreffende hoofdstukken voorkomen. Wij zetten de namen naar de volgorde in Genesis).
In Gen. 15
In Ex. 3
In Ex. 33
In Ex. 34
Deut. 7
Deut. 20
1 Keniet
 
 
 
 
 
2 Keniziet
 
 
 
 
 
3 Kadmoniet
 
 
 
 
 
4 Hethiet
2 Hethieten
3 Hethieten
3 Hethieten
1 Hethieten
1 Hethieten
5 Ferezieten
4 Ferezieten
4 Ferezieten
4 Ferezieten
5 Ferezieten
4 Ferezieten
6 RefaÔeten
 
 
 
 
 
7 Amoriet
3 Amorieten
2 Amorieten
1 Amorieten
3 Amorieten
2 Amorieten
8 Kanašnieten
1 Kanašnieten
1 Kanašnieten
2 Kanašnieten
4 Kanašnieten
3 Kanašnieten
9 Girgaziet
 
 
 
2 Girgazieten
 
10 Jebusiet
6 Jebusieten
6 Jebusieten
6 Jebusieten
7 Jebusieten
6 Jebusieten
 
5 Hevieten
5 Hevieten
5 Hevieten
6 Hevieten
5 Hevieten

In Gen. 15
In Joz. 3
In Joz. 9
In Joz. 11
In Joz. 12
In Joz. 24
1 Keniet
 
 
 
 
 
2 Keniziet
 
 
 
 
 
3 Kadmoniet
 
 
 
 
 
4 Hethiet
2 Hethieten
1 Hethieten
3 Hethieten
1 Hethieten
4 Hethieten
5 Ferezieten
4 Ferezieten
4 Ferezieten
4 Ferezieten
4 Ferezieten
2 Ferezieten
6 RefaÔeten
 
 
 
 
 
7 Amoriet
6 Amorieten
2 Amorieten
2 Amorieten
2 Amorieten
1 Amorieten
8 Kanašnieten
1 Kanašnieten
3 Kanašnieten
1 Kanašnieten
3 Kanašnieten
3 Kanašnieten
9 Girgaziet
5 Girgazieten
 
 
 
5 Girgazieten
10 Jebusiet
7 Jebusieten
6 Jebusieten
6 Jebusieten
6 Jebusieten
7 Jebusieten
3 Hevieten
5 Hevieten
5 Hevieten
5 Hevieten
6 Hevieten

In Gen. 15
In Richt. 3
In 2 Kron. 8
In Neh. 9
1 Keniet
 
 
 
2 Keniziet
 
 
 
3 Kadmoniet
 
 
 
4 Hethiet
2 Hethieten
1 Hethieten
2 Hethieten
5 Ferezieten
4 Ferezieten
3 Ferezieten
4 Ferezieten
6 RefaÔeten
 
 
 
7 Amoriet
3 Amorieten
2 Amorieten
3 Amorieten
8 Kanašnieten
1 Kanašnieten
 
1 Kanašnieten
9 Girgaziet
 
 
6 Girgazieten
10 Jebusiet
6 Jebusieten
5 Jebusieten
5 Jebusieten
 
5 Hevieten
4 Hevieten
 


GEN. 15 ONVERVULD 7 EN 10.
Uit het voorafgaande overzicht blijkt duidelijk, dat in al de volkerenlijsten na Gen. 15 niet voorkomen de RefaÔeten, de Kenieten, de Kenizieten en de Kadmonieten. Verder blijkt, dat alleen in Deut. 7 en in Joz. 3 en 24 de 7 overwonnen volken worden genoemd, waarvan Hand. 13:19 zegt: "... ... en zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanašn ... ...". In de andere lijsten vinden we er slechts 6. Onder die 6 of 7 komen de Hevieten voor, maar deze worden niet in Gen. 15 genoemd. Laat ons de alleen in Gen. 15 genoemde volken nader nagaan.

De Kenieten horen we noemen in Bileams zegenspreuk. Num. 24:21. Ze worden genoemd na Edomieten en Amalekieten in vs. 18 en 20. Bileam zegt van hen "Uw woning is vast en gij hebt uw nest in een steenrots gelegd; evenwel zal KaÔn (d.i. de Kenieten, zie kantteek. St.V.) verteerd worden, tot dat u Assur gevankelijk wegvoeren zal" vs. 22. Waar Edom en Amalek op het SinaÔtisch schiereiland woonden, zijn de Kenieten daar ook te zoeken. Dat blijkt nader uit 1 Sam. 15. Saul zegt de Kenieten uit het midden van de Amalekieten uit te gaan, opdat zij niet met dezen verdelgd zouden worden, vs. 6. Uit Richt. 1:16 blijkt, dat de Kenieten het volk zijn, waaruit Mozes' schoonvader, was. Enigen er van waren met IsraŽl meegetrokken, zie Richt. 1:6; 4:11. De vrouw van Heber, de Keniet, JaŽl sloeg Sisera, Richt. 4:17. Ook uit 1 Sam. 27:10 blijkt, dat de Kenieten ten Z. van Juda, dus op het SinaÔtisch schiereiland woonden. Ze vielen dus buiten de grenzen van het land van de beek van Egypte tot de Frath, buiten IsraŽls vroegere land Kanašn.

De Kenizieten zijn ons niet nader bekend. Kaleb heet de zoon van Jefunne, de Keniziet, Num. 32:12; Joz. 14-6, 14. Hier echter is het woord afgeleid van Kenaz, voorvader van Kaleb, 1 Kron. 4:13. Van hem stammen de Kenezieten van Gen. 15 zeker niet af. En ook niet van zijn broer Kenaz, Joz. 15:17; Richt. 1:13; 8:9, 11 of zijn kleinzoon, 1 Kron. 4:15. Er zijn echter nog twee anderen Kenazsen bekend, n. l. een zoon van Elifaz, Gen. 36:11, 15, 42, en een kleinzoon van hem, 1 Kron. 1:36. Waar Ezau in Abrams tijd niet geboren was en de Here toch de Kenizieten reeds noemt, zal men hier te denken hebben aan een ander dan uit Ezau voortgekomen volk, aan Abram bekend, doch ons verder onbekend.

De Kadmonieten komen nergens anders voor dan in Gen. 15.

De RefaÔeten komen voor in Gen. 14:5; 15:20; Deut. 2:11, 20; 3:11, 13 (vertaald door reuzen); Joz. 12:4; 13:12 (reuzen); 15:8; 17:15; 18:16; 2 Sam. 5:18, 22; 23:13; 1 Kron. 11:15; 14:9; 20:4 (Kinderen van Rafa) ; 20:6 (8) ; Jes. 17:5. Men ziet, dat de "reuzen", die de IsraŽlieten zagen, RefaÔeten of RefaÔm (Hebr. meervoudsvorm) waren en hun stamvader Rafa was. Ook tegen hen had IsraŽl te strijden, maar nergens worden zij onder de overwonnen volken genoemd. Verder komt het woord RefaÔm voor in Job. 26:5; Ps. 88:11 (overledenen); Spr. 2:18 (overledenen) ; 9:18 (doden) ; 21:16 (doden) ; Jes. 14:9 (doden); 26:14 (overledenen); 26:19 (overledenen). In a1 deze teksten staat RefaÔm (dus RefaÔeten). Jes. 26:19 zegt, dat het land de overledenen, Hebr. de RefaÔm, zal uitwerpen. Zij staan dus op, maar moeten het Land verliezen.Ļ

Ļ Noot: Volgens ons is de schrijver hier abuis, in Jesaja 26:14 staat: "Dood zijnde zullen zij niet weder leven, overleden (Hebr. r‚ph‚', reph„'Ôm) zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hun gedachtenis doen vergaan." De RefaÔm, zijn het bastaard ras ontstaan door vermenging van engelen en mensen. Deze kennen geen opstanding. Deze niet door God geschapen soort had er nooit mogen zijn, zij zijn de reden van de zondvloed en zullen noch ten leven noch ten oordele worden opgewekt.

Met bovenstaande voor ogen, krijgen we dus bewijzen te meer, dat aan Abrams zaad het gehele land Kanašn, Groot-Kanašn is beloofd. Zij zullen het bezitten in de toekomende eeuw, de duur van de eeuw, zoals het Hebreeuws zegt in Gen. 13:15. Dat gebied zal, zoals uit het kaartje te zien is, mede omvatten Gosen, de Rode Zee (de inham van Jes. 11:15), de woestijn Paran, de Syrische, Oost-Jordaanse en Noord-Arabische woestijnen en de West-Babylonische laagvlakte. In de woestijnen zal God wateren en rivieren geven, Jes. 43:20; 41:18-19.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden