Voorwoord | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 1.a


Israëls Herstel en Toekomst

Inleiding



Het Joodse vraagstuk is een wereldvraagstuk geworden. Door de ontzettende verdrukking en afslachting van onze dagen door mannen, die als dragers van een nieuwe kultuur, de Europese Joden hebben willen uitmoorden waarin zij niet geslaagd zijn, noch konden slagen, is de vraag: En wat met de Jood?, nog dringender geworden dan ooit te voren. Velen zoeken een oplossing voor dit vraagstuk en houden zich zodoende bezig met IsraŽls toekomst.

Voor vele gelovigen is dit een uitgemaakte zaak. IsraŽl heeft volgens hen geen toekomst meer. Geen officiŽle kerkleer rept er ook maar in het minst van en veelal bijzonder in Gereformeerde kringen, heerst de mening: IsraŽl heeft in Gods raadsplan afgedaan. Het heeft zijn taak vervuld door het voortbrengen van de Messias. Van een nationaal herstel is echter geen sprake. De mening is niet nieuw, ze is van de vaderen overgeŽrfde leer. Voor onze Calvanistische vaderen trad het vraagstuk naar voren in de dwaalgeest en verwerpelijke praktijk der Wederdopers. Zij maakten er dus wel kennis mee, maar ze verwierpen en dat weer op het voetspoor van de oude Kerkvaders, alle herstel. Van een IsraŽl van onze dagen, dat Palestina voor zich opvordert, wisten ze niets. Hierover konden de zestiende en zeventiende eeuw niets zeggen en de Formulieren en Geloofsbelijdenissen dier dagen zwijgen er over. De Nederlandse geloofsbelijdenis ziet alleen alle ceremoniŽle wet afgeschaft (Art. 25).

Waar IsraŽls zaak echter meer naar voren is gekomen en men hierover meer is gaan denken, heeft men de kerkelijke leiders gevraagd of de Schrift hierover toch iets te zeggen heeft. Bijzonder in Gereformeerde kringen is dan het antwoord, dat het niet buitengesloten is, dat IsraŽl nog een tehuis in Palestina krijgt en een natie wordt, een volk als de andere volken met een eigen regering. Maar, verzekert men, dit ligt geheel buiten Gods raadsplan. Voor de heilsgeschiedenis heeft het afgedaan. Zeker, er zullen nog Joden bekeerd worden. Maar niet het Joodse volk als volk.

Waarom IsraŽl dan tot op heden voorbestaat, waarom het na lange bange eeuwen, waarin het overal op de aardbodem verstrooid was en als ďde wandelende JoodĒ zijn bestaan onder alle volken voorsleepte, nog niet is ondergegaan, daarop kan men geen antwoord geven. Hoogstens kan men zeggen: Om Gods vloek te demonstreren.

In het achterstaande willen we de Schrift in dezen raadplegen en zien of zij ons wat te leren heeft. Heeft IsraŽl werkelijk in Gods raadsplan afgedaan? Dat het met de Volken is gelijk gesteld, beter, dat het minder dan de Volken is, dat zien we voor onze ogen. Maar is het soms toch nog anders dan de Volken, niet in zichzelf maar krachtens Gods woord? Geldt soms Lev. 26: 44 ook thans nog voor hen als het zegt: ďEn hierboven is dit ook: als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen noch van hen walgen om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen, want Ik ben de Here hun GodĒ. Dit en nog meer willen we bezien.

Voorwoord | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 1.a



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden