Het Hooglied

V. De diepere strekkingen

De drie andere betekenissen.
Na de letterlijke uiteenzetting komen we tot de diepere strekkingen van het Lied der liederen en willen we uitvoeriger nagaan:

  1. de geestelijke betekenis,
  2. de allegorische (symbolische) betekenis
  3. de profetisch - typische betekenis.


A. DE GEESTELIJKE BETEKENIS.

De ziel gevonden door Christus.
De geestelijke betekenis van het Hooglied ligt op het terrein van de Wedergeboorte. Wij komen er niet mee tot de hoogte van de Paulinische Brieven: “rechtvaardiging door het geloof”, “verzoening door Christus' dood”. We vinden hier de levenservaring van de ziel hoogstens tot aan het met Hem sterven, begraven worden en opstaan. Laten wij dit nagaan.

De ziel is door Christus gevonden zoals de Sulammitische door de Herder gevonden werd, 8:5. Die appelboom stelt hier de Adamietische sfeer voor. In die staat heeft Christus de liefde van de ziel opgewekt. In die sfeer is Christus geboren. Hij heeft vlees en bloed aangenomen. En als Zoon des mensen verschijnt Hij en zoekt de ziel. Deze wordt gevonden, liggende in haar verlatenheid. Die ziel is zwart doch liefelijk in Zijn oog. Die zwartheid is ontstaan door de dienstbaarheid van de zonde en door het werk dat de mens volgens de wet van zijn geweten zocht te doen.

Die wet wordt gesymboliseerd door de broers. Zij zijn de handhavers van het recht van Gods wet. Zij leggen op de wijngaard, het hart, te bewaken en vrij te houden van de kleine vossen. Dat doet de ziel, de ikheid, niet, 4:6. Zo komt dat hart in zekere dienstbaarheid aan hem die later als verleider optreedt, 8:11. In de dienstbaarheid van het eigen-ik kan verandering komen: “als de Sulammitische de Herder huwt, zal zij niet meer uit behoeven te gaan”; bij het zich verbinden van Christus aan de ziel ontstaat de eerste hoop vrijgemaakt te worden van de dienstbaarheid der verderfenis. Evenwel, daarmee is het hart nog niet bevrijd van Satans invloed. Salomo houdt de wijngaard onderworpen aan belasting.

Traagheid.
De ziel die door Christus gevonden is, is eerst zeer verblijd. Maar dan komt de vroegere traagheid weer boven. Christus verlangt toegang tot haar. Hij komt in de avondtijd, als het rustig is en duister. De ziel is dan ingesluimerd. Hij klopt, maar de ziel laat Hem wachten. En dan wijkt Hij, evenwel de sporen van Zijn komst achterlatend in de liefelijkheid van enige verkwikkende gave (hfdst. 3). Nu gaat de ziel uit om Hem te wekken. In de stad, in de beslotenheid van de oude natuur zoekt zij Hem. Daar vinden haar de wachters: zij stuit tegen de gewone conventie en conversatie en wil Jezus andermaal bezitten. In het eerst laat men dat passeren, dan kan men wel vragen waar Jezus te vinden is, maar het antwoord blijft uit en men laat de ziel verder aan haar lot over. Deze zoekt verder tot ze Jezus andermaal heeft. Hij moet tot haar inkomen en haar verkwikken met Zijn wezen van liefde (hfdst. 3).

Evenwel - Hij blijft niet blijvend, Hij wóónt nog niet in het hart. En dan dwaalt de ziel weer af. Hoewel Zijn beeld in de gedachten hebbend, meent zij dat zij zich wel enige vrijheid kan veroorloven. Zij gaat uit en volbrengt de taak niet. De ziel wil nu al onder haar kruis uitkomen. Ze zal niet verdwalen. Maar plotseling komt zij in handen van de verleider, die haar voor zichzelf wil toeëigenen (hfdst. 1). Ze komt in gevangenschap, verlokt door eigen begeerte (6:11). En dan ontstaat de strijd.

Telkens weer komt de verleider en wil haar ontrouw maken. En met beschuldigend geweten zit ze neer, peinzend over wat was en wat nu is. En dan rijst het beeld op van Hem, in Wie ze eenmaal haar heil en lust stelde en Wiens wezen liefde is en nu verre is. De ziel ziet zich wel zwart vanwege de dienstbaarheid, doch liefelijk. Zij gaat van Hem spreken tegen de mede verleidende krachten van de wereld en zoekt Hem. Zij wil Hem weer vinden, dat geeft blijdschap en vreugde. Hij geve te kennen waar Hij is (1:8).

Zo zoekt ze verder, bespot, gesmaad door anderen. Dan komt de verleider andermaal en spreekt meelokkende woorden. Maar de ziel voelt te goed dat dit schijn is en weet zich bovendien gevangen door de verleider. Hoe zal zij hem gehoor geven (9-11).

Vertroosting en druk.
In die benarde positie behaagt het Christus zich weer te openbaren. Nog niet ter bevrijding. De ziel wordt verkwikt, maar nog niet vrijgemaakt. Des te meer klemt ze zich aan Hem vast. Wel gaat Hij weer heen, maar de indruk die Hij achterlaat voert terug naar het verleden, naar de tijd der eerste min, toen Hij kwam om haar uit te voeren in de stralende lente van Zijn natuur. De oude natuur hield evenwel gevangen. De ziel ziet in Hem de vrije als het welp der herten (gazellen). Hij kan steeds komen, Hij is vrij (hfdst. 2) Nu begint andermaal de overpeinzing aan wat vroeger was en nu werd.

Inmiddels blijft de ziel zuchten in ballingschap. Ze wordt niet vrij gelaten. Integendeel, de verleider omklemt haar nauwer. Zij wordt meegevoerd; tegen wil en dank komt zij nog sterker in de macht van de vijand. De wereld prijst haar gelukkig, dat zij mee gaat in het gevolg van de verleider, maar zij zelf is in-en in ongelukkig (3:6-11). Doch zie ook hier weer de liefde van Christus. Weer bezoekt Hij haar, troost haar, spreekt Zijn liefde uit voor haar. De ziel wordt nauwer aan Hem verbonden, er komt een belofte van toekomstige nog inniger verknochtheid. Hij kondigt zich aan als bruidegom, zij is Hem een gesloten hof geworden en heeft geleerd niet onbedacht meer af te dwalen. En de zielebruid jubelt in Hem (4:1-5:1).

Tweeërlei beeld.
Weer begint de inkering tot zichzelf. Weer tekent de ziel het beeld af van Hem die tot haar kwam. En steeds hoger rijst Hij ,op in grootheid. In volle gestalte staat Hij daar afgebeeld, van hoofd tot teen uitgebeeld, al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. En de ziel vindt een rustpunt in het geloof: Ik ben Zijn, Hij is mijn (5:2 - 6:3).

Nog eenmaal komt de verleider. Nu in al zijn kracht. Hij wil de ziel nogmaals meevoeren, nu mede door de nabootsing van de woorden van de Geliefde 6:4-12. Maar dan ook wil de ziel met kracht bevrijd worden en stelt ze pogingen in het werk heen te gaan. 6:13. Nogmaals beproeft de verleider de strijd te winnen. 7:1-10. Maar steeds duidelijker tekent zich de nederlaag af en triomfantelijk is het ten slotte andermaal: Ik ben ,Zijn, Hij is mijn. 7:10 - 8:4.

En dan moet de verleider aflaten. En dan komt Christus en voert mee naar de plaats van rust. En dan bidt de ziel dat Hij haar toch altijd bewaren moge en haar dicht bij zich moge houden. Maar dan ook is de liefde in kracht ontwaakt en kan niet meer uitgeblust worden. Dan is de ziel gepantserd geworden en ziet uit naar de dag der vereniging. 8:14.

“Ten dele”.
We vinden hier een geestelijke afdwaling, gevolgd door een geestelijke gevangenschap, een in banden zijn, bevrijd willen worden en terug willen keren tot de eerste liefde. Dat heeft tot gevolg: “verdieping der liefde, loutering”. En ook een vrijmaking. Die heeft echter niet eerder plaats dan nadat de begeerte tot afdwaling overwonnen en gedood is en de ziel alleen Christus begeert als het hoogste goed. Dan breekt de strik, dan springen de kluisters als vanzelf, dan is er een uitgaan in vrijheid.

De verleider is Satan met al zijn listige omleidingen. Hij gebruikt om voor zich te winnen de instrumenten die in zijn dienst zijn, de “Dochters van Jeruzalem”. Later komt hij zelf om de ziel voor zich te nemen. Alleen door de blik op Christus komt er bevrijding. Dan keert de ziel terug tot de plaats van haar rust en verhaalt de metgezellen, hen die er velen de weg der gerechtigheid wijzen, de onderherders van de Goede Herder, wat God aan haar gedaan heeft en hoe zij bevrijd is geworden. Neerliggend in banden, heeft ze de Here aangeroepen: Och Here, bevrijd mijn ziel. De Here deed wel; Hij verloste uit de angsten, deed de koperen deuren springen, de ijzeren grendelen in stukken breken. Alleen het volle herstel toeft nog.

Wel beslist de Sulammitische ten dele over haar wijngaard, wel bepaalt zij dat er zoveel zilverlingen zijn voor de hoeders van de wijngaard, maar de andere 800 zijn voor Salomo. De hoeders krijgen loon uit de wijngaard, er wordt naar de wet geleefd, maar de wijngaard is nog niet gelost, er ligt belasting op. De lossing er van wordt niet gezien. Er is geen volle vrijmaking. Het Hooglied geeft alleen het begin van de oplossing en de inleiding tot een betere hoop; slechts een deel wordt de Here toegewijd, het andere is nog in andere handen. We zien Christus alleen nog maar als Goede Herder, nog niet als de Grote Herder die uit de doden is wedergebracht. Hij heeft alles nog niet gelost en het land nog niet weder gebracht. Zo blijkt dat we met het Hooglied nog niet komen tot de Paulinische hoogte van de volkomen man, bij wie alles vrijgemaakt wordt voor God. Dat kan alleen door het met Christus sterven en opstaan. Dan komt er een nieuwe schepping en wordt het gehele leven vrijgemaakt van de dienstbaarheid. In Hem dan. In het Hooglied zien we Hem wel als de Meerdere dan Salomo in liefde en beleid, maar Hij wordt nog niet gezien op de troon Zijner heerlijkheid om alles vrij te maken. Alles is nog “ten dele”.

Het Hooglied en het evangelie van Paulus.
Het Hooglied reikt dus niet zo ver als Paulus’ evangelie. Het Hooglied ligt, zoals we reeds zeiden, op het terrein van de Wedergeboorte. De verzoening reikt verder. Het Hooglied geeft het wederkeren aan tot Christus, nog niet het met Christus één geworden zijn. Het sluit dan ook niet met de vereniging van Herder en Bruid, maar met het naar Hem uitzien. Het Hooglied geeft tot hoop de parousia, de wederkomst. Het ligt dus in de lijn van het Koninkrijk, van het komen van Christus tot de ziel.

Het Hooglied is de inleiding tot Paulus’ evangelie. Achter de bevrijding van de ziel ligt het met Christus mogen sterven en opstaan. Daar lezen we in het Hooglied niet van. Daar is de liefde sterk als de dood; bij Paulus is zij sterker dan de dood en is alles van Christus. We lezen niet van de verzoening met God. Noch de Vader van de Herder, noch die van de Bruid worden genoemd. Beide weglatingen wijzen er op, dat het in Adam tot zondaar gesteld en het met God verzoend zijn, niet geopenbaard wordt. Het Hooglied geeft een tussentafereel aan. Er is wedergeboorte, nog geen volle toegang, er is liefde tot Christus, maar nog niet die, welke de kennis te boven gaat. Er is terugkeer tot Christus, nog geen toegang tot de Vader. We lezen niet van de dood van de Herder, alleen van de hoop op Zijn wederkomst. Paulus’ evangelie reikt hoger en geeft een nieuwe sfeer te zien: “Gerechtvaardigd in Zijn bloed, verzoend door Zijn dood”. Hiervan vinden we in het Hooglied geen enkel spoor.


B. DE ALLEGORISCHE BETEKENIS.

Toestanden in Israël.
Onder de allegorische betekenis willen we verstaan het uitbeelden van de toestanden in Israël onder Salomo's regering. Hiervan kunnen we slechts een enkele hoofdlijn geven, daar we die toestanden niet zodanig kennen, dat we kunnen aanwijzen, wat de allegorie, d.i. voortgezette uitgebeelde vergelijking, aanwijst.

Salomo symboliseert de regeringsvorm van die tijd. Die wordt toegejuicht door een groep die er profijt van trekt, de Dochters van Jeruzalem. Dat is dus de partij van het politieke voordeel, de utiliteitspartij, de materialistische groep in Israël. De wijngaard van Salomo zijn de landen buiten Kanaän die onder Salomo's heerschappij stonden. Baäl Hamon betekent dan ook: "heer der menigte, der volken)). Hij heerste over al de koningen van de Eufraat af tot de grens van Egypte, 2 Kron. 9:26. Om de volken van deze landen in bedwang te houden en de schatting te innen, was een korps ambtenaren en een bezetting nodig. Al onder David deden elke maand 24.000 ambtenaren dienst, 1 Kron. 27:1; hij legde vanzelf bezetting in de overwonnen landen, 2 Sam. 8:14. Salomo had deze bestuursinrichting slechts over te nemen. De leiders nu van het staatsbestuur waren de hoeders van Salomo's wijngaard.

Israëls wijngaard.
De wijngaard van de Sulammitische is Israëls land. Dat land nu had Israël niet gehoed. Israël had een koning begeerd, 1 Sam. 8. Samuel had hun onder het oog moeten brengen, dat zij o.a. de vrije beschikking over hun land zouden verliezen. De koning toch zou van hun akkers, wijngaarden en olijfgaarden de beste nemen om ze aan zijn knechten te geven. Ook zou hij van hun zaad en van hun wijn tienden nemen tot opbrengst voor zijn hovelingen en knechten, 1 Sam. 8:14,15. Het volk was bij zijn eis gebleven en God was het terwille geweest. Het zou de gevolgen ondervinden. Juist in Salomo's dagen viel het koninklijke juk zwaarder dan ooit. Reden waarom het volk aan Salomo's zoon Rehabeam verlichting vroeg, 1 Kon. 12:4. Israël had zijn wijngaard niet gehoed, de koning had er medezeggenschap over. - De broers zijn Israëls hoge geestelijke en burgerlijke ambtsdragers die mede van God gebruikt werden om Samuels profetie in vervulling te brengen. - De Sulammitische is het gelovig overblijfsel dat lichtelijk afweek. Zij waren zwartachtig geworden en hun schoonheid voor God had er onder geleden. Salomo's politiek won meer en meer in glans en het volk (de moeder van de Sulammitische) en het innig gelovige deel (zij zelf), kwamen op de achtergrond.

Het gelovige volksdeel.
De regeringspolitiek deed alles om dat volksdeel te verblinden en voor zich te winnen. Ze bracht het in banden. Het liet zich niet winnen en zag in dat Salomo en zijn politiek niet was, wat het hebben moest. Onwillekeurig er onder gekomen, hebben zij er geen vrede mee en vrede bij. Telkens weer wil Salomo het verleiden zich bij zijn politiek aan te sluiten. Telkens weer stuit dit af. Het ziet een Ander voor zich, schoner dan Salomo, de Beloofde der Vaderen. Het weet zich Zijn erfdeel, niet dat van Salomo. En zo ontstaat het geestelijk conflict. Salomo beantwoordt niet aan de ware Davids Zoon, hij wordt hun de verleider. Zijn politiek is er één van wereldgrootheid, niet van ware grootheid voor God. Hij kan de ware Davids Zoon niet zijn. Het oog des geloofs gaat uit naar de Ander aan David beloofd, Die wel op de achtergrond staat, maar voor het Bruidsdeel uit Israël des te scherper naar voren treedt en Die het gaat aanhangen met geheel zijn ziel.

De Sulammitische moet Salomo van haar wijngaard ook 1.000 zilverlingen opbrengen. Zij heeft slechts één voorwaarde: “Twee honderd zilverlingen zijn voor de wachters van haar wijngaard”. Dit zijn de priesters die volgens de Wet het recht des volks op zijn land handhaven. De Koning die de tempel had gebouwd, moest nu een deel van zijn inkomsten die hij uit Israels land trok, ter beschikking stellen van Israëls geestelijke hoeders.

De Meerdere dan Salomo.
Het Hooglied werd op de juiste tijd aan de Bruidsgroep van Israël gegeven. Het kon zich door deze uitbeelding des te meer vast klemmen aan wat David reeds gegeven had in de Messiaanse profetieën en uitingen. Het Messiaanse beeld werd nu verscherpt. Het Hooglied is zo bezien een waarschuwing, voor Israël om niet aan Salomo's grootheid te gaan hangen. Er komt een Meerdere dan Salomo is. Zijn eerste werk zal zijn dienen door liefde, niet heersen door uiterlijke macht. In Salomo's dagen was er een sterke verzoeking om mee te doen aan de uitwendige wereldpolitiek en zich te verliezen in de grootsheid van het leven. Nu wordt de eenvoudige Herder getekend, zachtmoedig en nederig. Voor Hem zijn de dieper zoekenden, Israëls gelovig overblijfsel, de Bruid. Deze wacht op de verschijning van de Goede Herder. Zo spreekt het Hooglied van de Messias, bijzonder in nederigheid, toen Salomo's wereldpolitiek aan het groeien was. Toen zag het oog des geloofs reeds: “Meer dan Salomo komt”. Hij zal alles vrijmaken. Ook de wijngaard.


C. DE PROFETISCHE BETEKENIS.

Israël in de toekomst.
Ten slotte een woord over de profetisch typische betekenis. Voor hem die Israëls toekomstig herstel ziet en Israëls wederinenting gelooft, heeft het Hooglied nog een vierde betekenis. Deze sluit zich wel nauw aan bij de derde, de allegorische, is daarvan feitelijk de voortzetting, maar kan, met het oog op de onderbreking, afzonderlijk onderscheiden worden. In Salomo's tijd had het Hooglied diezelfde strekking: “het was tevens profetie voor de toekomst”. Het heeft die strekking thans nog.

Wat in Salomo's dagen slechts een voorschaduw was, zal in de eindtijd tot volle vervulling komen. Is Salomo's regering wat symboliek betreft eensdeels afschaduwing van Christus' vrederijk, wat wezen betreft, is het wegens zijn persoonlijke afval en grootsheid des levens, wegens zijn politiek, voorschaduw van het rijk van de Zonde mens. Aan deze zullen ook de volken van de aarde onderworpen zijn, hij zal ook gediend worden. Zijn wijngaard zullen zijn de koninkrijken der aarde. Met Israël zal hij ook een verbond sluiten, Dan. 9:27, Israëls wijngaard komt ook onder hem. Hij zal veel moeite doen om geheel Israël te winnen. Velen zullen hem bijvallen: de voorstanders van de welvaartspolitiek zullen hem verheerlijken, omdat alles zo goed gaat.

Maar Israëls ware overblijfsel, het gelovig deel dat dieper zoekt, vindt in hem geen behagen. Het zal uitzien naar de ware Messias. En met het oog daarop is ook het Hooglied geschreven. Salomo is dan type van de verleider, hij is de Anti-christus in de ure der verzoeking, de Sulammitische is het Bruidsdeel dat uitziet naar een Ander die het heeft leren kennen uit de profetie. We weten dat de verzoeking ontzettend groot zal zijn. Maar zij die het Hooglied verstaan zullen, door allerlei moeilijkheden heen, toch staande blijven. De metgezellen van de Herder zullen zij zijn, die er velen rechtvaardigen, de leraars; de moeder van de Sulammitische is het volk Israëls, de broers een deel van de geestelijke leiders en handhavers van de Wet, de wachters van de Anti-christus dienaren, priesters.

Na wat we zeiden over de allegorische betekenis, is de profetisch typische niet zo moeilijk. In de eindtijd zullen alle groepen weer daar zijn die er in Salomo's tijd ook waren.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden