De Twee Babylons

Alexander Hislop


Appendix N
Zoroaster, het hoofd van de Vuuraanbidders



Dat Zoroaster het hoofd was van de vuuraanbidders, mag ondermeer uit het volgende blijken. Buiten het gegeven dat de naam Zoroaster bijna een synoniem is voor een vuuraanbidder, is de getuigenis van Plutarchus van belang: "Plutarchus agnoscit Zoroastrem apud Chaldaeos Magos instituisse, ad quorum imitationem Persae etiam sus habuerunt. (19) Arabica quoque Historia (ab Erpenio edita) tradit Zaradussit non primum instituisse, sed reformasse religionem Persarum et Magorum, qui divisi erant in plures sectas." (CLERICUS, boek I, De Chaldaeis, bundel II, h.2, par.I, p.195). "Plutarchus erkent dat bij de Babyloniërs Zoroaster de magiërs instelde, in navolging waarvan de Perzen eveneens hun (magiërs) hadden. Het Arabische verhaal vermeldt eveneens (bewerkt door Erpenius) dat Zaradussit, of Zerdusht, niet als eerste de religie van de Perzen en hun magiërs instelde, maar deze slechts hervormde, daar zij in vele sekten was onderverdeeld." Het getuigenis van Agathias komt op hetzelfde neer. Hij geeft het als zijn mening weer dat de vuuraanbidding bij de Perzen afkomstig is van de Babyloniërs (boek II, h.25, pp.118, 119). Dat de magiërs de hoeders waren van het "heilige en eeuwige vuur" kon worden opgemaakt uit Curtius (boek III, h.3, pp.41, 42), die zegt dat vuur "op zilveren altaren" voor hen uit werd gedragen, en uit een opmerking van Strabo: (Geograph., boek XV, p.696) "de magiërs bewaarden op hun altaren een hoeveelheid as en een onsterfelijk vuur", en van Herodotus vernemen wij: (boek I, p.63) "zonder hen kon geen offer gebracht worden". De vuuraanbidding was een essentieel onderdeel van het systeem van de Perzische magiërs (WILSON, Parsee Religion, pp.228-235). De Perzische magiërs beweerden niet dat zij de vuuraanbidding hadden uitgevonden, maar het populaire verhaal traceert de oorsprong ervan in de dagen van Hoshang, de vader van Tahmurs, die Babylon stichtte (WILSON, pp.202, 203 en 579), ofwel de tijd van Nimrod. In overeenstemming hiermee hebben wij gezien dat uit een fragment van Apollodorus (Müller, 68) is op te maken dat Ninus het hoofd was van de vuuraanbidders; Layard, die dit fragment aanhaalt, suggereert dat Ninus niet dezelfde is als Zoroaster (Nineveh and its Remains, deel II, p.443, de noot), maar het kan worden aangetoond dat, ofschoon vele anderen de naam Zoroaster droegen, alle bewijzen toch neerkomen bij de conclusie dat Ninus, Nimrod en Zoroaster toch één en dezelfde waren. De legenden van Zoroaster tonen aan dat hij niet alleen bekend stond als magiër, maar ook als krijger (ARNOBIUS, boek I, p.327). Plato zegt dat Eros Armenius (waarvan CLERICUS in De Chaldaeis, bundel II, p.195, zegt dat hij dezelfde was als de vierde Zoroaster) stierf en na tien dagen weer opstond, na in de strijd gedood te zijn, en dat hij, hetgeen hij in de Hades geleerd had, in zijn nieuwe leven aan de mensen zou hebben doorgegeven (PLATO, De Republica, boek X, p.614). Wij hebben gezien dat de dood van Nimrod, de oorspronkelijke Zoroaster, niet die was van een krijger die in de strijd gedood werd, maar toch is de legende van de strijder Zoroaster geheel in overeenstemming met de gedachte dat de oorspronkelijke Zoroaster, het oorspronkelijke hoofd van de magiërs, niet een priester was, maar een strijder en koning. Overal worden de Zoroasters of vuuraanbidders Guebres of Gabrs genoemd. Nu toont Gen.10:8 aan dat Nimrod de eerste der "Gabrs" was.

Daar Zoroaster het hoofd van de vuuraanbidders was, was Tammuz dat kennelijk ook. Wij hebben reeds bewijs gezien dat genoegzaam aantoont wie Tammuz of Nimrod was, maar enkele woorden kunnen hier wellicht nog ter verduidelijking worden toegevoegd, en kunnen zo meer licht werpen op de primitieve vuuraanbidding.

  1. In de eerste plaats is aangetoond dat Tammuz en Adonis dezelfde godheid zijn. Hieronymus, die in Palestina woonde ten tijde van de verering van Tammuz en Adonis, tot aan de tijd waarin hij heeft geschreven, stelt ondubbelzinnig vast (Commentary on Ezechiel, VIII, 14) dat Tammuz en Adonis dezelfde waren, en dat de Joodse vrouwen Tammuz beweenden; het getuigenis van Hieronymus wordt algemeen als betrouwbaar gezien met betrekking tot dit onderwerp. Ook was de wijze van uitvoeren van de riten van Tammuz en Adonis in Syrië hetzelfde als bij de riten van Osiris. De bewering van LUCIANUS (De Dea Syria, bundel III, p.454) toont dit op verbluffende wijze aan, en BUNSEN (bundel I, p.443) onderschrijft dit. De identiteit van Nimrod en Osiris is in het grootste deel van zijn werk aangetoond. Als dan Tammuz of Adonis geassocieerd worden met Osiris, dan volgt daaruit natuurlijk de associatie van Tammuz met Nimrod. Dit komt dan ook volledig overeen met het taalgebruik van Bion in zijn Lament for Adonis, waarin hij Venus voorstelt als uitzinnig van verdriet, terwijl zij als een aanhangster van Bacchus na de dood van Adonis door de wouden en valleien zwerft en "de naam van haar Assyrische echtgenoot roept" (BION, Idyll, h.I, v.24 in Poetae Minores Graeci, p.304). Dit komt ook overeen met de uitspraken van Maimonides, dat, toen Tammuz ter dood werd gebracht, de grote plaats waar hij beweend kon worden, de tempel van Babylon was (zie ante, p.62).


  2. Indien nu Tammuz dezelfde was als Nimrod, dan komt de verklaring over de betekenis van deze naam overeen met het verband tussen Nimrod en de eerste vuuraanbidding. Na hetgeen reeds is aangetoond, is het niet nodig om aan te tonen dat de Chaldeeën de eersten waren die de naam en de macht van de koningen invoerden (SYNCELLUS, deel I, p.169), en daar Nimrod zonder twijfel de eerste van deze koningen was die de titel Moloch droeg, was het ter ere van hem dat "de kinderen door het vuur van Moloch moesten gaan". Maar dit door het vuur gaan had ongetwijfeld een zuivering als bedoeling. De naam Tammuz heeft klaarblijkelijk hierop betrekking, want het betekent "volmaken", dat wil zeggen, "zuiveren" (20) "door vuur", en indien het Nimrod was, zoals de Paschal Chronicle (deel I, pp.50, 51) en de stem uit het antieke verleden hem afschilderen, die de bedenker was van de vuuraanbidding, dan geeft deze naam zeer nadrukkelijk zijn aard weer wat dit betreft. Het is echter een feit, op te maken uit het lied van Zoroaster, dat elders is aangehaald (ante, p.245), dat het vuur zelf werd vereerd, evenals Tammuz, want het wordt genoemd "de vader die alle dingen volmaakt". In zeker opzicht stelde dit het vuur voor als de scheppende God, maar aan de andere kant kan er geen twijfel over bestaan dat het betrekking had op het "volmaken" van mensen door hen te "zuiveren". Het zuiverde in het bijzonder hen die het verteerde. Deze gedachte, die reeds sinds mensenheugenis bestaat, en tot in het heden doorgaat, bewoog zoveel weduwen in India ertoe zich te offeren op de crematieplaats van hun echtgenoten, terwijl degenen die zo verbrandden als gezegend werden beschouwd, omdat zij Suttee, (21) ofwel "rein door verbranding" werden. Zonder twijfel verzoende deze gedachte de ouders, die hun kinderen aan Moloch offerden, met dit wrede ritueel, zodat zij het geloof konden koesteren, dat het vuur dat hen verteerde, hen ook zou "volmaken", en hen het eeuwige geluk zou schenken. Daar zowel het door het vuur gaan als het branden in het vuur een essentieel onderdeel waren van in de riten van de verering van Moloch of Nimrod, is dit een reden om aan te nemen dat Nimrod Tammuz was. Als de priester en vertegenwoordiger van het reinigende en volmakende vuur was hij degene die de volmakende en reinigende werking van het vuur voortzette, en dus ook onder die naam werd aangeroepen.

Als wij ons tot de legende van India wenden, vinden wij daar hetzelfde soort bewijs als hetgeen wij met betrekking tot Zoroaster en Tammuz gezien hebben als hoofd van de vuuraanbidders. Het vijfde hoofd van Brahma, dat afgehouwen was om de drie werelden leed toe te brengen door het "schijnsel van zijn verblindende stralen", waaraan via de tekst van dit werk wordt gerefereerd, associeert zich met Nimrod. Het feit dat van dit vijfde hoofd wordt gezegd dat het de Vedas gelezen zou hebben, ofwel de gewijde boeken die door de vier andere hoofden waren gemaakt, toont naar ik meen een opeenvolging aan. (22) Wat kan deze opeenvolging zijn in de lijn vanaf Noach? Van Berosus krijgen wij bewijs dat in de dagen van Belus ofwel Nimrod, de gewoonte begon van het maken van beelden zoals die van de tweekoppige Janus. (23) Aangenomen dat Noach, omdat hij in twee werelden heeft geleefd, voorgesteld werd met twee hoofden, dan was Cham het derde, Kush het vierde, en Nimrod het vijfde hoofd. Dit vijfde hoofd werd om dezelfde reden afgehouwen als waarvoor Nimrod gedood werd. Ik vermoed dat deze Indiase legende de sleutel is tot de woorden van Plutarchus, die op zich in visuele zin absurd zijn. Het zit als volgt in elkaar: Plutarchus zegt (in het vierde boek van zijn Symposiaca, Quaest.5, h.II, p.670, B) dat "de Egyptenaren geloofden dat de duisternis er eerder was dan het licht, en dat dit laatste (dat wil zeggen, het licht) tijdens een nieuwe maan gemaakt werd door muizen van de vijfde generatie. In India zien wij dat "een nieuwe maan" een betekenis heeft die afwijkt van wat gebruikelijk is, en dat het maken van die nieuwe maan niet enkel van belang was in de Indiase mythologie, maar ook overeenkwam met de vijfde periode waarin het vijfde hoofd van Brahma de wereld blakerde met zijn ondraaglijke schoonheid. Het verhaal van zijn schepping zegt dat de mensen absoluut ontevreden waren met de maan die zij hadden, "omdat hij geen licht gaf", en dat bovendien de planten armzalig waren en de vruchten niets voorstelden, en dat zij daarom de Witte Zee omwoelden (of zoals het algemeen wordt gezegd, "zij woelden de oceaan om") toen alle dingen werden gemengd, dat wil zeggen, in verwarring door elkaar werden gegooid, en dat toen een nieuwe maan werd aangesteld die een geheel nieuwe orde teweegbracht (Asiatic Researches, deel IX, p.98). In MAURICE'S lndian Antiquities (deel II, par.6, pp.264, 266) lezen wij dat gedurende deze tijd van het omwoelen van de oceaan, de aarde in brand werd gestoken, en een enorme inferno was het resultaat. Maar de naam van de maan in India is Soma, of Som (want de slot a is slechts een aspiratie, en het woord wordt ook gevonden in de bekende tempel van Somnant, hetgeen betekent, "heer van de maan", en de maan is in India mannelijk. Daar deze transactie van symbolische aard is, rijst de vraag wie bedoeld wordt met de maan of regent van de maan, die in de vijfde generatie van de wereld verstoten werd. De naam Som toont onmiddellijk aan wie dit geweest moet zijn. Som is niets anders dan de naam van Sem, Want Sem komt van Som of Sem in het Grieks, en het was dan ook ten tijde van de dood van Sem, als de grote leraar van de wereld, dat wil zeggen, de grote verspreider van het geestelijke licht, dat gedurende de vijfde generatie de wereld in verwarring werd gestort en in brand werd gezet. Hoe toepasselijk het was om Sem te vergelijken met de maan, zal blijken als wij zien hoe blijkbaar zijn vader werd voorgesteld. Het hoofd van een gezin wordt door God vergeleken met de zon zoals in de droom van Jozef (Gen.27:9) en het zal dus duidelijk worden dat Noach door zijn welvaart algemeen gezien werd als de gelijke van de zon in de wereld. Bryant, Davies, Faber en anderen zijn het hierin met elkaar eens dat zij van mening zijn dat Noach zo gesymboliseerd werd in het heidendom. Toen echter zijn jongere zoon, want Sem was jonger dan Jafet (Gen.10:21) de plaats innam van zijn vader, tot wie de wereld had opgezien als "het grote licht", zou Sem natuurlijk door degenen die hem haatten en tegen hem in opstand waren gekomen, vergeleken worden met "het kleine licht" ofwel de maan. (24) Nu past de schepping van het licht door muizen gedurende deze periode nauwkeurig bij deze redenering. Een muis is in het Chaldees "Aakbar", en Gheber of Kheber in het Arabisch, Turks en sommige van de andere Oosterse dialecten, wordt "Akbar", zoals in het bekende van de moslims, "Allah Akbar", "God is groot". Het hele verhaal van Plutarchus komt slechts hierop neer, nadat het is ontdaan van alle onzin, dat het licht werd geschapen door de Guebres of vuuraanbidders toen Nimrod tegen Sem in opstand kwam als de vertegenwoordiger van Noach als de grote verlichter van de wereld.

Voetnoten

[19] De hoge antiquiteit van het stelsel van magiërs blijkt uit de uitspraak van Aristoteles,'bewaard in Theopompus, waaruit valt op te maken dat zij "ouder zijn dan de Egyptenaren", van wie de ouderdom algemeen bekend is (Theopompi Fragmenta in MÜLLER, bundel I, p.280).

[20] Van tam, "volmaken", en muz, "branden". Het in de Schrift "rein van hart" zijn, is hetzelfde als "volmaakt van hart" te zijn. De naam Deucalion schijnt een bekend begrip te zijn geweest onder de water-aanbidders. Dukh-Kaleh betekent "reinigen door wassing", van Dukh, "wassen" (CLAVIS STOCKII, p.233), en Khaleh, "aangevuld" of "volmaakt". Het zelfstandig naamwoord van dit werkwoord, dat in 2 Kron.4:21 wordt teruggevonden, toont aan dat de stam de betekenis heeft van "zuiveren", "zuiver goud". Soms wordt voor de koning van de goden een naam gebruikt die bijdraagt aan het begrip hiervan. Die naam is "Akmon". Wat is de betekenis hiervan? Het is klaarblijkelijk slechts de Chaldese vorm van het Hebreeuwse Khmn, "hij die verbrandt", dat op gelijke wijze Akmon wordt, zoals het Hebreeuwse Dem, "bloed", dat in het Chaldees "Adem" wordt. Hesychius zegt dat Akmon Kronos is, sub voce "Akmon". In Virgilius (AEneid, boek VIII, p.425) zien wij dat dit een samengestelde naam is, en een precieze beschrijving van Tammuz, terwijl Pyracmon de naam is van een van de drie bekende Cyclopen die de dichter introduceert. Wij hebben gezien dat de drie oorspronkelijke Cyclopen Kronos en zijn broers waren, en afgeleid van "Pur", de Chaldese vorm van Bur, "zuiveren", en "Akmon" betekent de naam niets anders dan "hij die met verbranden zuivert".

[21] MOOR, Pantheon, "Siva", p.43. De titel voor een vrouw die zichzelf verbrandt wordt geschreven als "Sati", maar uitgesproken als "Suttee", zoals hierboven vermeld.

[22] De huidige Indiase Vedas schijnen nog niet zo oud te zijn als de geschreven documenten, maar de legende gaat veel verder terug dan welke gebeurtenis dan ook in India. Het schrift schijnt erg oud te zijn, maar de vraag of er al dan niet een geschreven religieus document was ten tijde van Nimrod, doet niets af van het feit dat er wel een veda geweest moet zijn, want wat is de betekenis van het woord "Veda"? Het heeft waarschijnlijk dezelfde stam als ons woord "eed", afkomstig van "ed", een "getuigenis" of een "religieus verslag", of en "geloofsgetuigenis". Zo'n "verslag" of "getuigenis" werd mondeling of op schrift afgelegd, en moet van het begin af bestaan hebben.

[23] Berosiana in BUNSEN, bundel I, p.708.

[24] Wat betreft een koninkrijk, is het de gezamenlijke visie van de Oriental Oneirocritics, (h.167), dat de zon symbolisch is voor de koning en de maan voor "degene die naast hem staat in macht". Deze zin, genomen uit DAUBUZ, Symbolical Dictionary (p.115), en aangevuld met wijze noten van mijn geleerde vriend, de eerwaarde A. Forbes, Londen, toont aan dat de conclusie die ik eerder, zonder het zelf te weten, getrokken had met betrekking tot de symbolische betekenis van de maan, volledig in overeenstemming is met de Oosterse wijze van denken. Zie voor enige voortreffelijke aantekeningen bij Babylon hetzelfde werk, p.38.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden