De Twee Babylons

Alexander Hislop


Hoofdstuk VI
Religieuze orden

Deel I
De soevereine Pontiff - de Paus



De gave van de bediening is één van de grootste gaven die Christus aan de wereld heeft gegeven. Het is in verband hiermee dat de Psalmist, in een voorzegging over de hemelvaart van Christus, lovend spreekt over de gezegende resultaten:

"Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangene mede, gaven gaf Hij aan de mensen." (Ef.4:8-11)

In haar beginperiode had de Kerk van Rome de goddelijke gave van een schriftuurlijke bediening en regering; "haar geloof werd besproken in heel de wereld"; haar werken der rechtvaardigheid waren rijk en overvloedig. Maar, in een periode van zwakheid, werd het Babylonische element in haar bediening toegelaten en sindsdien werd datgene wat als een zegen was bedoeld, omgezet in een vloek. In plaats van de mensen te heiligen was het doel, vanaf dat moment, hen te demoraliseren en hen "tweemaal meer kinderen des verderfs" te maken dan dit het geval zou zijn geweest wanneer zij eenvoudig aan zichzelf zouden zijn overgelaten.

Als er iemand is die denkt dat er enige verborgen en mysterieuze deugd schuilt in de apostolische opvolging door het pausdom, laat hij dan op een ernstige wijze het ware karakter beschouwen van de orden van de paus zelf en van die van zijn bisschoppen en zijn geestelijken. Te beginnen bij de paus tot de laagste geestelijke, kan worden aangetoond dat ze alle zuiver Babylonisch zijn. Het college van kardinalen, met aan het hoofd de paus, is slechts het duplicaat van het heidense college van priesters met zijn "Pontifex Maximus" of "Hogepriester", dat in Rome reeds sinds de vroegste tijden bestond en waarvan bekend is dat het was opgebouwd naar het model van de grote originele Raad van Priesters uit Babylon. De paus nu maakt in de Kerk aanspraak op het hoogste gezag als de opvolger van Petrus aan wie, naar wordt beweerd, onze Heer in exclusiviteit de sleutels van het koninkrijk der hemelen toevertrouwde. Ziehier echter een belangrijk feit: tot op het ogenblik dat de paus werd bekleed met de titel, die gedurende een duizend jaar was verbonden met de macht van de sleutels van Janus en Cybele (1), werd er van zijn zijde nooit openlijk aanspraak gemaakt op superioriteit of iets dergelijks, op basis van het bezit van de sleutels die aan Petrus waren toevertrouwd. Het is inderdaad zo dat de bisschoppen van Rome reeds zeer vroeg een trotse en ambitieuze geest toonden; maar, gedurende de eerste drie eeuwen was hun aanspraak op superieure eer enkel gegrond op de waardigheid van hun zetel, namelijk die van de keizerlijke stad, de hoofdstad van de Romeinse wereld. Toen die keizerlijke zetel echter naar het Oosten werd verplaatst en Constantinopel Rome dreigde te overschaduwen, toen was het de hoogste tijd om naar iets nieuws te zoeken om de waardigheid van de bisschop van Rome te behouden. Die nieuwe basis werd gevonden toen de paus in 378 erfgenaam werd van de sleutels die de symbolen waren van twee welbekende heidense godheden van Rome.

Janus droeg een sleutel, (2) en Cybele droeg een sleutel; (3) dit zijn de twee sleutels die de paus op zijn wapenschilden aanbrengt als de eretekens van zijn geestelijk gezag. Hoe de paus liet blijken dat hij de macht bezat die aan deze sleutels werd toegeschreven wordt duidelijk uit hetgeen volgt; dat de openbare opinie hem die macht toekende, in de aangehaalde periode, is echter duidelijk. Welnu, toen hij door de achting van de heidenen, de plaats van de vertegenwoordigers van Janus en Cybele ging bekleden en daardoor ook in de positie kwam om hun sleutels te dragen, toen bemerkte de paus dat wanneer hij de christenen kon doen geloven dat alleen Petrus, wiens opvolger hij beweerde te zijn, de macht van de sleutels bezat, het zien van deze sleutels het bedrog in de hand zou werken; bovendien zou daardoor zelfs als de tijdelijke waardigheid als bisschop van Rome nog steviger bevestigd worden. Het is duidelijk dat hij volgens deze gedragslijn handelde. Er ging eerst nog een tijd overheen, maar toen de geheime werking van het mysterie der wetteloosheid eenmaal de weg geëffend had, liet de paus voor het eerst in het openbaar zijn suprematie gelden, die gegrondvest was op de sleutels van Petrus. Omstreeks 378 bevond hij zich in de positie die hem, in de ogen van de heidenen, de macht bezorgde die aan de sleutels verbonden was, doordat hij toen de Pontifex Maximus werd. In 431, en niet eerder, maakte hij openlijk aanspraak op de sleutels van Petrus. (4) Dit is beslist een opmerkelijk toeval. Verwondert de lezer zich erover hoe het mogelijk was dat men vertrouwen stelde in zulk een ongegronde aanmatiging? De woorden uit de Bijbel geven in verband met dit onderwerp een ernstig maar bevredigend antwoord (2 Thes.2:10,11):

"Daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven."

Weinig leugens konden zwaarder wegen; maar, na verloop van tijd, werd er ruimschoots geloof aan gehecht. Zoals men heden het beeld van Jupiter te Rome aanbidt als het ware beeld van Petrus, zo heeft men eeuwenlang van ganser harte geloofd dat de sleutels van Janus en Cybele een voorstelling waren van de sleutels van die zelfde apostel.

Terwijl alleen rechterlijke verblinding een verklaring kan zijn voor de lichtgelovigheid van de christenen met betrekking tot deze sleutels als embleem van een exclusieve macht die door Christus, via Petrus, aan de paus werd gegeven, is het niet moeilijk te geloven dat de heidenen zich om de paus zouden scharen, en dit des te meer toen zij hoorden hoe hij zich voor zijn macht beriep op het bezit van Petrus' sleutels. De sleutels die de paus droeg, waren de sleutels van een "Petrus" die goed bekend stond bij de heidenen die waren ingewijd in de Chaldeeuwse mysteries. Dat de apostel Petrus ooit 'Bisschop van Rome' is geweest, is zoals reeds herhaaldelijk werd bewezen, een grote dwaling. Het is zelfs in het beste geval hoogst twijfelachtig of hij ooit in Rome is geweest. Zijn bezoek aan deze stad berust slechts op het getuigenis van een schrijver van het einde van de tweede, begin derde eeuw, namelijk de schrijver van het werk 'The Clementines' genaamd. (5) Op een gewichtige wijze vertelt hij ons dat Petrus tijdens zijn bezoek in contact kwam met een zekere Simon Magus; de apostel daagt hem uit een bewijs te geven van zijn wonderbare en magische krachten, waarop de tovenaar de lucht invloog en Petrus hem met zo'n snelheid weer naar beneden bracht dat hij een been brak. (6)

Alle geschiedschrijvers van naam verwerpen dit verhaal van de apostolische ontmoeting met de magiër, omdat het verstoken is van elk eigentijds bewijs; aangezien het bezoek van Petrus aan Rome op dezelfde autoriteit berust, staat of valt het ermee, of dienen wij te erkennen dat het zeer twijfelachtig is. Maar, terwijl de zaken er zo voorstaan met de christen Petrus, kan worden aangetoond dat het beslist niet twijfelachtig is dat, vóór de christelijke periode, er een Petrus te Rome was, die de hoogste plaats in het heidense priesterschap bekleedde. De priester die de mysteries aan de ingewijden verklaarde werd soms met een Grieks woord aangeduid, namelijk de Hierophant; maar, in het primitieve Chaldeeuws, de taal van de mysteries, was zijn titel, zoals uitgesproken zonder de klinkers, "Petrus" - dat wil zeggen "de tolk". (7) Aangezien hij datgene wat verborgen was verklaarde, lag het voor de hand dat hij, terwijl hij betekenis gaf aan de esoterische leerstellingen van de mysteries, werd begiftigd met de sleutels van de twee godheden wiens mysteries hij openbaarde. (8)

Alzo wordt het ons duidelijk hoe de sleutels van Janus en Cybele bekend zouden worden als de sleutels van Petrus, de "tolk" van de mysteries. We hebben inderdaad het overtuigende bewijs dat, in landen die ver van elkaar liggen en die tevens ver van Rome verwijderd zijn, deze sleutels bij de ingewijde heidenen bekend waren niet als de "sleutels van Petrus", maar als de sleutels van een Petrus die in relatie met Rome stond. Wanneer, in de Eleusinische Mysteries te Athene, de kandidaten werden ingewijd in de geheime leerstellingen van het heidendom, dan werd de verklaring van die doctrine aan hen voorgelezen uit een boek dat door onbevoegde schrijvers het "Boek Petroma" wordt genoemd; zoals ons wordt verteld, is dit een boek dat van steen is gemaakt. (9) Dit is ongetwijfeld slechts een woordspeling, eigen aan de geest van het heidendom, om de massa bezig te houden. Zowel de aard der zaak als de geschiedenis van de mysteries, tonen ons aan dat dit boek geen ander kon zijn dan het "Boek Pet-Roma"; dat wil zeggen het "Boek van de Grote Tolk", met andere woorden, van Hermes Trismegistus, de grote "Tolk van de goden". In Egypte, waar Athene haar religie vandaan heeft, werden de boeken van Hermes beschouwd als de goddelijke fontein van alle ware kennis van de mysteries. (10) Vandaar dat Hermes, in Egypte werd erkend in de functie van Grote Tolk of "Peter-Roma." (11) Zoals men weet nam Hermes in Athene precies dezelfde plaats in (12), waardoor hij ongetwijfeld in de heilige taal, bekend is geweest onder dezelfde titel. Vandaar, dat de priesters die in naam van Hermes de mysteries verklaarden, niet alleen voorzien moeten zijn geweest van de sleutels van Petrus, maar tevens van de sleutels van "Petrus-Roma".

Hier begint zich dan het fameuze "Boek van Steen" in een nieuw licht te vertonen en wel op zo'n wijze dat daardoor één van de duisterste en meest ingewikkelde periodes van de paapse geschiedenis duidelijk wordt. Voor de oprechte geschiedschrijvers is het steeds een raadsel geweest hoe er vanaf de vierde eeuw een verband is ontstaan tussen Petrus en Rome en hoe zo velen uit verschillende landen zijn gaan geloven dat Petrus, die een "apostel voor de besnedenen" was, afvallig werd aan zijn goddelijke opdracht en een bisschop van een gemeente uit "de heidenen" of de geestelijke leider van Rome werd, zonder dat er zelfs maar enig afdoend bewijs bestaat dat pleit voor zijn aanwezigheid in Rome. Het boek van "Petrus-Roma" geeft echter een verklaring voor hetgeen anders absoluut onverklaarbaar is. Het bestaan van zo'n titel was te waardevol om door het pausdom te worden genegeerd; volgens haar normale gedragslijn was het trouwens zeker dat, zodra de gelegenheid zich voordeed, zij zich ervan zou meester maken om zelf meer invloed te krijgen. En die gelegenheid deed zich voor toen de paus in een intieme verhouding met het heidense priesterschap kwam te staan; toen zij na een tijdje onder zijn invloed stonden, trachtte hij niet alleen het heidendom met het christendom te verzoenen, maar vond hij het doeltreffender om het te laten voorkomen dat de heidense "Petrus-Roma" met zijn sleutels dezelfde was als "Petrus van Rome", die op zijn beurt niemand minder was dan de apostel aan wie Jezus Christus "de sleutels van het koninkrijk der hemelen" gaf.

Door het spelen met woorden werden alzo personen en zaken, die met elkaar niets gemeen hadden, verward; heidendom en christendom werden door elkaar gegooid om de verheven ambities van een verdorven priester te bevredigen. Alzo was de paus, voor de verblinde christenen van de afval, de plaatsvervanger van de apostel Petrus terwijl hij voor de ingewijde heiden slechts de plaatsvervanger was van Petrus, de tolk van hun welbekende mysteries. (13) Vandaar ook dat de paus de uitdrukkelijke tegenhanger was van "Janus met de twee gezichten." Hoe treffend is de betekenis van de bijbelse uitdrukking aan het adres van het pausdom, namelijk "De Verborgenheid der Wetteloosheid!"

De lezer heeft nu voldoende informatie om te begrijpen hoe het komt dat de Grote Raad van de paus, die hem in het besturen van de Kerk bijstaan, het College van Kardinalen wordt genoemd. De term Kardinaal is afgeleid van 'Gardo', een scharnier. Janus, wiens sleutels de paus draagt was de god van deuren en schanieren en werd Patulcius genoemd, als ook Clusius, 'de opener en sluiter'. (14) Dit hield een godslasterlijke betekenis in, aangezien hij te Rome werd aanbeden als de Grote Middelaar. Wat ook de reden mocht zijn en welke godheid maar ook aangeroepen diende te worden, men diende zich in de eerste plaats tot Janus (15) te richten, die werd beschouwd als de "God der goden" (16) en in wie de eigenschappen van de vader en de zoon waren verenigd. (17) Zonder zijn bemiddeling kon geen gebed worden aangehoord - de "deur van de hemel" kon niet worden geopend. (18) Het was deze god wiens aanbidding zo uitermate overheerste in Klein-Azië, in de periode toen onze Heer, via zijn knecht Johannes, de zeven apokaliptische boodschappen aan de gemeenten van dat gebied zond. Vandaar dat hij in één van deze boodschappen stilzwijgend de profane beroving van zijn waardigheid door deze godheid berispt en zijn exclusieve recht opeist voor de koninklijke onschendbaarheid die gewoonlijk aan zijn rivaal wordt toegeschreven. Alzo lezen we in Openb.3:7:

"En schrijf aan de engel van de gemeente in Filadélfia: Deze dingen zegt hij die heilig is, die waarachtig is, die de sleutels van David heeft, die opent zodat niemand zal sluiten en sluit zodat niemand opent."

Welnu, aan deze Janus, die als Middelaar in Klein-Azië werd aanbeden, net als sinds oude tijden in Rome, kwam de heerschappij van de wereld toe; "alle macht in hemel, op aarde en in zee", was volgens de heidense ideeën, in hem verenigd. (19) In deze functie werd hem "jus vertendi cardinis" toegeschreven - de "macht om de deur te openen" - om de deuren van de hemel te openen, of om de poorten van oorlog en vrede op aarde te openen of te sluiten. Vandaar dat de paus, in zijn positie van hogepriester van Janus, eveneens het recht opeiste van "jus vertendi cardinis", "de macht om de deur te openen" - om te openen en te sluiten in de betekenis die er door de heidenen aan werd gehecht. Aanvankelijk liet hij zijn macht langzaam en voorzichtig gelden; wanneer echter eenmaal het fundament was gelegd, werd eeuw na eeuw, de grote superstructuur van de priesterlijke macht op deze basis opgetrokken. De heidenen die bemerkten welke grote stappen er onder de pauselijke leiding werden gedaan om het christendom, zoals dit in Rome werd beoefend, nader tot het heidendom te brengen, waren gaarne bereid om de paus, als bezitter van die macht, te erkennen. Zij moedigden hem graag aan om, stap voor stap het hoogtepunt te bereiken van de godslasterlijke aanmatigingen zoals iedereen weet, nu, door de unanieme toestemming van de westerse afvallige christenheid worden erkend als zijnde inherent aan het ambt van de Bisschop van Rome. Om de paus de gelegenheid te bieden tot het toppunt van macht, die hij nu uitoefent, op te klimmen, was echter de medewerking van anderen vereist. Toen hij in macht toenam door de uitbreiding van zijn heerschappij en voornamelijk nadat hij een wereldlijk soeverein was geworden, werd de sleutel van Janus te zwaar voor hem alleen - hij kreeg behoefte aan iemand die met hem de macht van de "deur" wou delen. Vandaar dat zijn privé raadgevers, zijn hoge staatsfunctionarissen, die met hem verbonden waren in de regering van de Kerk en de wereld, de nu welbekende titel ontvingen van "Kardinalen" - de priesters van de "deur". Voordien was dit de titel geweest van de hoge ambtenaren van de Romeinse keizer, die als "Pontifex Maximus" zelf de vertegenwoordiger van Janus was geweest en die zijn macht verdeelde onder zijn dienaren. Zelfs onder het bestuur van de christelijke Romeinse keizer Theodosius, werd de titel van Kardinaal aan zijn minister-president toegekend. (20) Nu echter worden de titel en de macht die eraan verbonden zijn, sinds lange tijd niet meer toegekend aan burgerlijke functionarissen of wereldlijke regeerders; en de enigen die de paus helpen met de sleutel van Janus te zwaaien - bij het openen en sluiten - zijn bekend onder de titel van Kardinalen, of priesters van de "deur".

Ik heb gezegd dat de paus de vertegenwoordiger werd van Janus, die ongetwijfeld niemand minder was dan de Babylonische messias. Indien de lezer slechts de godslasterlijke beweringen van het pausdom in beschouwing neemt, dan zal hij bemerken hoe nauwkeurig de gelijkenis is met de oorsprong. In de landen waar het Babylonische systeem zich ten volle wist te ontwikkelen, vinden we dat de hogepriester van de Babylonische god is toegerust met dezelfde attributen die nu eigen zijn aan de paus. Wordt de paus niet "god op aarde" genoemd, de "plaatsvervangende god" en "Vicaris van Jezus Christus?" De vorst van Egypte, die tevens hogepriester (21) was, werd, zegt Wilkinson, met de grootste verering bejegend als "DE VERTEGENWOORDIGER VAN DE GODHEID OP AARDE". (22) Is de paus "onfeilbaar" en beroemt de Kerk van Rome er zich dientengevolge niet op dat zij steeds "onveranderd was en onveranderlijk blijft?" Dit was tevens zo ten aanzien van Chaldeeuwse Pontifex en het systeem waarover hij presideerde. De schrijver die we zojuist hebben aangehaald zegt dat de hogepriester werd aangezien als "ONBEKWAAM TE DWALEN" (23), en dientengevolge had men "het grootste respect voor de heiligheid van oude besluiten"; ongetwijfeld vindt hier ook het gebruik zijn oorsprong dat "de wetten van de Meden en Perzen niet konden gewijzigd worden." Ontvangt de paus de verering van de Kardinalen? De koning van Babylon werd als hogepriester op gelijksoortige wijze vereerd. (24) Dienen koningen en ambassadeurs niet de pantoffel van de paus te kussen? Ook dit werd aan hetzelfde patroon ontleend; want, zegt professor Gaussen in een verwijzing naar Strabo en Herodotus, "de koningen van Chaldea droegen pantoffels aan de voeten die de overwonnen koningen dienden te kussen". (25) Tot slot, wordt de paus niet aangesproken met de titel "Uwe Heiligheid"? Dit was eveneens het geval met de heidense Pontifex van Rome. De titel schijnt algemeen te zijn geweest voor alle pontifices. Symmachus, de laatste heidense vertegenwoordiger van de Romeinse keizer, als Pontifex Maximus, richt zich in de volgende bewoordingen tot één van zijn collega's of mede-pontifex, op het moment dat hij promotie ging maken: "Ik verneem dat Uwe HEILIGHEID (sanctitatem tuam) door de heilige brieven zal worden uitgeroepen." (26)

De sleutels van Petrus zijn nu aan de rechtmatige eigenaar terugbezorgd. Met de stoel van Petrus dient echter hetzelfde te gebeuren. Die fameuze stoel kwam precies uit hetzelfde oord als de kruis-sleutels. Dezelfde reden die de paus ertoe bracht zich de Chaldeeuwse sleutels toe te eigenen bracht hem er tevens toe bezit te nemen van de vacante stoel van de heidense Pontifex Maximus. Zoals de Pontifex, krachtens zijn ambt, de Hierophant, of Tolk van de mysteries was geweest, zo kon zijn ambtsstoel terecht de stoel van "Petrus" worden genoemd, net zoals de heidense sleutels bekend stonden als "de sleutels van Petrus"; en dit gebeurde dan ook zo. De ware afkomst van de befaamde stoel van Petrus zal duidelijk blijken uit het volgende feit:

"De Romeinen", zegt Bower, "hadden, zoals zij dachten tot het jaar 1662, een veelzeggend bewind, niet enkel van het oprichten van hun stoel door Petrus, maar ook dat hij er zelf op had gezeten: want, tot op dat jaar werd deze stoel, waarvan zij geloofden, of dat zij anderen wilden doen geloven, dat hij erop had gezeten, voor verering aan het volk getoond op de 18de januari, de feestdag van die genoemde stoel. Maar, toen hij werd gereinigd, ten einde hem op een opvallende plaats in het Vaticaan te tonen, werden twaalf werken van Hercules erop zichtbaar!" (27)

Waarna men hem maar aan de kant liet staan. De aanhangers van het pausdom waren niet een weinig in de war door deze ontdekking; maar zij trachtten de zaak op de beste manier op te lossen. Verwijzend naar de omstandigheden van de ontdekking, zei Ciacomo Bertolini in zijn Sacred Antiquities of Rome: "Ondanks alles was onze aanbidding niet tevergeefs aangezien ze niet gericht was tot het hout, maar tot de prins van de apostelen, St. Petrus", van wie men aannam dat hij er had opgezeten. (28)

Wat de lezer ook moge denken van deze verontschuldiging voor stoelaanbidding, hij zal op zijn minst wel bemerken, bij een vergelijking van dit voorval met hetgeen we reeds hebben gezien, dat de eerbiedwaardige fabel van de stoel van Petrus totaal opgeblazen is. In meer recente tijden schijnt Rome nog onfortuinlijker te zijn geweest in verband met Petrus' stoel; want, zelfs nadat de stoel die de twaalf werken van Hercules vertoonde was veroordeeld en ter zijde was gesteld, alsof hij niet had kunnen weerstaan aan het licht dat de Hervorming op de duisternis van de Heilige Stad had geworpen, onthulde degene die ervoor in de plaats kwam op nog belachelijker wijze het onbeschaamde bedrog van het pausdom. De eerste stoel was geleend bij de heidenen; de volgende blijkt te zijn gestolen van de Muzelmannen want toen de Franse soldaten onder generaal Bonaparte in 1795 van Rome bezit namen, vonden zij op de rug ervan in het Arabisch, de welbekende tekst uit de koran, "Er is geen God dan God, en Mohammed is zijn profeet." (29)

De paus heeft niet slechts een stoel om op te zitten, maar wanneer het hem behaagt een bezoek te brengen aan St. Pieter, of enige andere kerk van Rome, dan heeft hij tevens een stoel om, in pracht en praal, op de schouders van mannen gedragen te worden. Een ooggetuige beschrijft zo'n optocht op zondag, in het hoofdkwartier van de paapse afgoderij:

"Buiten hoorde men de trommels slaan. De geweren van de soldaten klonken op het stenen plaveisel van het huis van God, toen zij op bevel van hun officier, de wapens presenteerden, schouderden en afzetten. Wat een kontrast met de Sabbat - wat een kontrast religie - wat een kontrast met de gepaste voorbereidingen om een dienaar van de zachtmoedige en eenvoudige Jezus te ontvangen! Hierop, langzaam voortschrijdend, tussen de twee rijen gewapende soldaten, verscheen een lange processie van geestelijken, bisschoppen, kanunniken en kardinalen, die voorafgingen aan de roomse Pontifex; deze werd gedragen op een vergulde stoel en was getooid met klederen die schitterden als de zon. Er waren twaalf dragers, gekleed met karmozijnen stof, die werden voorafgegaan door verscheidene personen die een kruis meedroegen, zijn mijter, zijn tiara en andere onderscheidingstekenen van zijn ambt. Terwijl hij op de schouders van de mannen werd gedragen, te midden van de aangapende menigte, werd zijn hoofd overschaduwd door twee enorme waaiers, gemaakt van pauweveren en gedragen door twee bedienden." (30)

Dat is hetgeen er vandaag gebeurt met de Hogepriester van Rome; behalve dat hij herhaaldelijk wordt overschaduwd door de waaier, die slechts de "mystieke waaier van Bacchus" is, is zijn staatsie-stoel tevens overdekt door een baldakijn. Wanneer we nu zo'n drieduizend jaar terugblikken, dan kunnen we eens kijken hoe de hogepriester van Egypte gewoonlijk een bezoek bracht aan de tempel van zijn god. Wilkinson zegt:

"Bij het bereiken van de binnenplaats van de tempel, traden de wachters en de koninklijke afgevaardigden, die speciaal als de vertegenwoordigers van het ganse leger waren uitgekozen, de voorhoven binnen ....Militaire muziekkorpsen speelden de populaire liederen van het land; de talrijke standaarden van de verschillende regimenten, de in de wind wapperende banieren, het schitterende vertoon van wapens, de enorme toeloop van mensen, en de indrukwekkende majesteit van de verheven torens van de voorhal, behangen met hun fel gekleurde vlaggen die over de dakrand heen wapperden, dit alles bood een schouwspel dat zelden in enig land werd geëvenaard. Het meest opvallende tafereel van deze plechtige ceremonie was de luisterrijke optocht van de monarch, die ofwel door de voornaamste staatsbeambten werd gedragen in zijn staatsie-stoel onder een kostbaar baldakijn, ofwel zich te voet verplaatste, overschaduwd door kostbare pluimen waaiers." (31)

Van Wilkinson tonen we hier ter afbeelding, (Fig.47) (32) het centrale deel van één van zijn platen die verband houden met zo'n Egyptische processie, zodat de lezer voor zichzelf kan uitmaken hoe nauwkeurig de gelijkenis is van dit heidense vertoon met het welbekende verslag van de paapse plechtigheid.

Tot zover wat betreft de stoel en de sleutels van Petrus. Wat Janus aangaat, van wie de paus zich de sleutel had toegeëigend, evenals die van diens vrouw de moeder Cybele, deze was ook dezelfde als Dagon.

Janus, de tweehoofdige god, "die in twee werelden had geleefd", was als incarnatie van Noach, de Babylonische godheid. Dagon, de vis-god, vertegenwoordigde die godheid als een manifestatie van die zelfde patriarch die een zekere tijd in de wateren van de vloed had geleefd. Zoals de paus de sleutels van Janus draagt, zo draagt hij ook de mijter van Dagon. De opgravingen te Nineve hebben dit feit van elke twijfel ontheven. De paapse mijter is totaal verschillend van de mijter van Aäron en de joodse hogepriesters. Die mijter was een tulband. De tweepuntige mijter, die de paus draagt wanneer hij op de hoge plaats te Rome zetelt en de verering van de kardinalen ontvangt, is nu juist de mijter die werd gedragen door Dagon, de vis-god van de Filistijnen en de Babyloniërs. In de oudheid werd Dagon op twee manieren voorgesteld. Op de eerste werd hij afgebeeld als half mens half vis; het bovenste deel was volledig mens, het onderste gedeelte eindigde als een vissenstaart. Op de andere afbeelding werd, om de woorden van Layard te gebruiken, "de kop van de vis als een mijter boven op het hoofd van de man gezet, terwijl zijn geschubde, waaiervormige staart als een mantel afhing en hierbij de benen en voeten van de mens werden vrijgelaten." (33) Van deze vorm van Dagon geeft Layard een afbeelding in zijn laatste werk, en deze wordt hier ook voor de lezer weergegeven; (Fig.48)

Niemand, die deze mijter onderzoekt en deze vergelijkt met die van de paus, zoals weergegeven in het werk 'Horae' (34) van Elliot, kan eraan twijfelen dat het vanuit deze bron is, en geen andere, dat de paus zijn mijter heeft afgeleid. De gapende kaken van de vis die boven op het hoofd van de man van Nineve uitsteken zijn het onbetwistbare equivalent van de punten aan de mijter van de paus van Rome. Dit was de situatie in het Oosten, minsten vijfhonderd jaar voor de christelijke jaartelling. Hetzelfde verschijnsel blijkt echter ook in Egypte te hebben bestaan; want, wanneer Wilkinson het heeft over een vis van de soort Siluris, dan zegt hij "dat één van de goden van het Egyptische pantheon, onder een menselijke vorm bestond, met de kop van deze vis." (35) We hebben het bewijs dat de heidenen op een later tijdstip, in het Westen, de vis-kop-mijter van het lichaam van de vis hadden gescheiden en die mijter alleen waren gaan gebruiken om het hoofd van de grote Middelaar-god te tooien. Want, op verscheidene Maltese, heidense munten vinden we die god afgebeeld met de welbekende attributen van Osiris en zonder kenmerken van de vis, behalve dan de mijter; (Fig.49) (36)

De vorm hiervan is praktisch gelijk aan die van de paus of van een paapse bisschop uit onze tijd. Zelfs in China treffen we dit zelfde gebruik aan, waarbij het dragen van de vis-kop-mijter ooit een belangrijke plaats had ingenomen; het dragen door de Chinese keizer van het evenbeeld van de paapse mijter is zelfs tot in onze tijd blijven voortbestaan. "Het is bekend", vermeldt een bekende moderne schrijver, in een persoonlijke brief aan mij, "dat de keizer van China, te allen tijde, zelfs tot op dit moment, eens per jaar als hogepriester van de natie bidt voor het ganse volk en het ook zegent, waarbij hij zijn priesterlijke gewaden draagt en zijn mijter op zijn hoofd plaatst, die identiek is aan degene die reeds 1200 jaar door de roomse Pontifex wordt gedragen. Dat zijn de feiten." (37) Ter ondersteuning van deze aanhaling wens ik te verwijzen naar de afbeelding van de keizerlijke mijter (Fig.50) (38) welke in vooraanzicht net een reproductie is van de pauselijke episcopale mijter.

De lezer dient in gedachte te houden dat zelfs in Japan, dat nog verder van Babylon is gelegen dan China zelf, één van de godheden met dezelfde symbolen van macht wordt voorgesteld als dit in Assyrië het geval was, zelfs met de stierenhoorns, en dat hij wordt genoemd "De Prins des Hemels met de ossenkop". (39) Indien het symbool van Nimrod, als Kronos "de Gehoornde", aldus in Japan wordt gevonden, dan is het niet verwonderlijk dat het symbool van Dagon te zien zou zijn in China.

Maar, er is nog een ander symbool van de macht van de paus dat we niet over het hoofd mogen zien en dat is de pontificale staf. Vanwaar kwam die staf? In de eerste plaats is het antwoord hierop, dat de paus die gestolen heeft van de Romeinse waarzegger. De lezer van klassieken zal zich herinneren dat wanneer de Romeinse waarzeggers de hemelen raadpleegden of voorspellingen deden uit de toestand van de lucht, zij steeds uitgerust waren met een onmisbaar instrument. Het instrument waarmee zij dat gedeelte van de hemel beschreven dat voor hun waarnemingen in aanmerking kwam, was aan de ene kant gebogen en werd "lituus" genoemd. Welnu, de gelijkenis van de "lituus" of kromstaf van de Romeinse waarzeggers met de pontificale staf is zo treffend, dat rooms-katholieke schrijvers in de middeleeuwen, toen men het niet nodig achtte onderscheid te maken, niet twijfelden om de term "lituus" als een synoniem voor de staf te gebruiken. (40) Aldus beschrijft een paapse schrijver een zekere paus of paapse bisschop als "mitrâ lituoque decorus", getooid met mijter en staf van de waarzeggers, waarmee hij bedoelt dat hij was "getooid met de mijter en de staf'. Maar deze lituus of wichelrode van de Romeinse waarzeggers was, zoals men weet, afkomstig van de Etrusken die hem op hun beurt, samen met hun religie, hadden ontleend aan de Assyriërs. Net zoals de Romeinse waarzegger herkenbaar was aan zijn kromstaf, zo waren ook de Chaldeeuwse waarzeggers en priesters, bij de uitoefening van hun magische riten, voorzien van een haak of een staf. We kunnen de lijn van deze kromstaf onmiddellijk doortrekken tot de eerste koning van Babylon, namelijk Nimrod, die, zoals Berosus vermeldt, de eerste was die de titel droeg van Herder-koning. (41) In het Hebreeuws, of het Chaldeeuws uit de dagen van Abraham, wordt "Nimrod de Herder" weergegeven als Nimrod "He-Roè"; van deze titel van de "machtige jager gekant tegen Jehova", werd ongetwijfeld zowel de naam 'heros' afgeleid als de ganse heros-aanbidding die zich sindsdien over de wereld heeft verspreid. Het is zeker dat Nimrods vergoddelijkte opvolgers over 't algemeen werden voorgesteld met een kromstaf. Zoals wij kunnen zien op de nog bestaande monumenten was dit de situatie in Babylon en Nineve. De getoonde afbeelding (Fig.51) (42) uit Babylon toont ons de staf in zijn primitieve vorm.

Bij Layard vinden we een meer kunstige vorm die een grote gelijkenis vertoont met de moderne pauselijke staf. (43) Zoals de beelden van Osiris met zijn staf aantonen, was dit de situatie in Egypte nadat de Babylonische macht zich daar had laten gelden; (44) Osiris werd daar dikwijls zelf als een staf met boven aan een oog, afgebeeld. (45) Zoals dit uit de volgende woorden van Hurd blijkt, vinden we dit gebruik ook terug bij de inboorlingen van Afrika, wiens god, de Fetiche, in de vorm van een staf wordt voorgesteld:

"Zij plaatsen Fetisches voor hun deuren, en deze bescherm goden zijn gemaakt in de vorm van haken, zoals wij die gewoonlijk gebruiken om onze fruitbomen te schudden." (46)

Vandaag vinden we dit nog terug in Tibet, waar de Lama's of Theros, zoals de Jezuïet Huc vermeldt, een staf dragen als teken van hun ambt. Ook in het verre Japan kent men dit gebruik, zodat we in een beschrijving van de afgodsbeelden van de grote tempel Miaco, de geestelijke hoofdstad, het volgende lezen:

"Hun hoofden zijn getooid met aureolen, en sommigen van hen houden een herdersstaf in de hand, hetgeen erop duidt dat zij de mensheid behoeden tegen al de kuiperijen van boze geesten." (47)

Vandaar dat de staf van de paus, die hij draagt als een symbool van zijn ambt, als de grote herder van de schapen, niets meer of minder is dan de kromstaf van de waarzegger of de magische staf van de priesters van Nimrod.

Welnu, wat hebben de aanbidders van de apostolische opvolging op dit alles te zeggen? Wat denken zij nu van hun roemrijke klassen die zijn afgeleid van Petrus van Rome? Zij hebben beslist redenen om er fier op te zijn. Ik vraag mij echter af, wat de oude heidense priesters zouden zeggen, die het aardse toneel verlieten op het moment dat de martelaren hun goden bestreden, en in plaats van compromissen te sluiten, "hun leven niet meer lief hadden dan de dood"; wat zouden zij zeggen bij het zien van het hedendaagse aspect van de zogenaamde Kerk van het Europese christendom? Wat zou Belsazar zelf zeggen, indien het voor hem mogelijk was om "weer de schijnsels van de maan te zien", en de St. Pieterskerk te Rome binnen te treden om daar de paus met zijn pontificale attributen in al zijn eer en glorie te aanschouwen? Hij zou ongetwijfeld tot het besluit komen dat hij slechts één van zijn eigen welbekende tempels was binnengetreden en dat alles was zoals in Babylon tijdens die gedenkwaardige nacht, toen hij met verbaasde ogen het handschrift op de muur bemerkte: "Mene, mene, tekel upharsin".

Voetnoten

[1] Pas in de tweede eeuw voor het christelijk tijdperk werd de verering van Cybele onder deze naam in Rome geïntroduceerd, maar in Rome werd dezelfde godin wel eeuwen daarvoor al vereerd onder een andere naam, Cardes, ofwel met de "macht van de sleutel", samen met Janus (OVlDUS, Fasti, deel III, h.101, p.346).

[2] OVlDUS, Fasti, deel I, h.III, ill.95, p.18.

[3] TOOKE, Pantheon, "Cybele", p.153.

[4] Voor het bewijs van het feit dat deze aanspraak voor het eerst in 431 werd gemaakt, zie ELLIOT, Horae, deel III, p.139. In 429 werd er al op gezinspeeld, maar pas in 431 werd deze aanspraak openlijk en duidelijk gemaakt.

[5] GIESELER, deel I, pp.206-208.

[6] Zie BOWER, deel I, pp.1, 2.

[7] PARKHURST, Hebrew Lexicon, p.602.

[8] De Turkse Muftish, of "vertolkers" van de Koran, ontlenen die naam van hetzelfde werkwoord als dat waarvan Miftah, een "sleutel" is afgeleid.

[9] POTTER, Antiquities, deel I, Mysteries, p.356.

[10] Dit zijn de bronnen voor de beweringen in de tekst: "Jamblichus zegt dat Hermes (d.i. de Egyptische Hermes) de god was van alle hemelse kennis, met wie door middel van zijn priesters contact werd gezocht, en die aan hun de bevoegdheid had gegeven om hun commentaren met de naam van Hermes te ondertekenen." (WILKINSON, deel V, h.XlIl, pp.9, 10). Volgens de fabelachtige verslagen van de Egyptische Mercurius was hij degene die de mensen had geleerd hoe zij met gebeden en offers de godheden op juiste wijze konden benaderen (WILKINSON, deel V, h.XIII, p.10). Hermes Trismagistus schijnt te zijn aangemerkt als de nieuwe incarnatie van Thoth, die met meer eer bekleed was. De voornaamste geschriften van deze Hermes werden volgens Clemens van Alexandrina door de Egyptenaren met het grootste respect behandeld, en mee gedragen in hun godsdienstige processies (CLEM., ALEX., Strom., boek VI, par.III, pp.2l4-219).

[11] In Egypte werd "Petr" juist in deze betekenis gebruikt. Zie BUNSEN, deel I, Hieroglyph, p.545, waar gezegd wordt dat Ptr "aantonen" zou betekenen. De vertolker werd Hierophantes genoemd, wat eveneens het idee in zich had van "aantonen".

[12] De Atheense of Griekse Hermes wordt gevierd als "De bron van alle uitvindingen".... Hij legt ook de wiskunde in de ziel, door de wil van de vader van Jupiter te ontvouwen, en dit brengt hij tot uitvoering als de engel of boodschapper van Jupiter.... Hij is de hoeder over de exacte wetenschappen, omdat hij de uitvinder is van de geometrie, de logica en de taal. Daarom heerst hij over alle kennis, en leidt hij ons naar een beter begrip van ons sterfelijk bestaan, waardoor de verschillende gebieden van de ziel in beslag worden genomen." (PROCLUS, in Commentary on first Alcibiades, in de noten bij TAYLOR, Orfische Hymnen, pp.64, 65). De Griekse Hermes was zo wezenlijk degene die goddelijke waarheden openbaarde en deze ook vertolkte, dat gezegd wordt dat de Hermeneutiek, de uitleg of interpretatie van waarheden van deze naam zou zijn afgeleid (HYGINUS, de noot bij pagina 114).

[13] Voor bewijs met betrekking tot de titel van de vertolker van de Mysteriën, zie BRYANT, Mythology, deel I, pp.308-311, 356, 359-362.

[14] LEMPRIÈRE, sub voce.

[15] OVIDUS, Fasti, boek I, h.III, p.24.

[16] Zo genoemd in de Hymnen van Salii, MACROBIUS, Sat., deel I, p.54.

[17] Zie ante, pp.28 (noot) en 134.

[18] OVIDUS, Fasti, boek I, ill.117-121.

[19] Idem, boek I, ill.117, 120, 125.

[20] PARKHURST, Lexicon, p.627.

[21] Wilkinson toont aan dat de koning de bevoegdheid had om wetten uit te voeren, en alle Staatszaken te behartigen, ook die met betrekking tot religie, (deel II, p.22) wat aantoont dat hij de Soevereine Pontifex geweest moet zijn.

[22] WILKINSON Egyptians, deel II, p.68.

[23] WILKINSON, Egyptians. De "onfeilbaarheid" was een logisch gevolg van de populaire overtuiging rond de verhouding die de Vorst had met de goden, want Diodurus Sicilus zegt dat men in Egypte geloofde dat de koning "deel had aan de goddelijke natuur" (deel I, h.7, p.57).

[24] Uit de uitspraken van LAYARD (Nineveh and its Remains, deel II, pp.472474, en Nineveh and Babylon, p.361), blijkt dat daar de koning van Egypte "het hoofd van religie en staat" was, de koning van Assyrië dat eveneens was, hetgeen Babylon ook omvatte. Dan is er bewijs dat hij vereerd en aanbeden werd. Op alle afbeeldingen wordt hij aanbeden (LAYARD, Nineveh and its remains, deel II, p.464) wat er alleen maar op kan wijzen dat zijn onderdanen dat ook inderdaad deden. Dan is de verering die Alexander de Grote voor zich opeiste ook hiervan afkomstig. Hiermee imiteerde hij de verering die de perzische koning ten deel viel. Quint. Curtius zegt (boek VIII, h.5, p.592, 593): "Volebat ... itaque more Persarum Macedonas venerabundos ipsum salutare prostementes humi corpora." Van Xenophonius komt het bewijs dat dit gebruik afkomstig was van Babylon. Pas nadat Cyrus voor de eerste keer in Babylon was geweest, bewezen de perzen hem deze eer, want "daarvóór", zegt Xenophonius (Cyropoed., boek VIII, p.215, C) "had geen der Perzen Cyrus deze eer ooit bewezen."

[25] GASSEN over Daniël, deel I, p.114.

[26] SYMMACHUS, Epistoloe, boek VI, h.31, p.240.

[27] BOWER, History of the Popes, deel I, p.7.

[28] BARTOLINI, Antichita Sacré di Roma, p.32, Idem.

[29] Lady MORGAN, Italy, deel III, p.81. Dr. Wiseman heeft getracht dit aan te vechten, maar volgens, naar ik meen, The Times "had deze dame toch de beste argumenten."

[30] BEGG, Handbook of Popery, p.24.

[31] WILKINSON, deel V, pp.285, 286.

[32] Idem, deel VI, plaat 76.

[33] LAYARD, Babylon and Nineveh, p.343.

[34] Vierde editie, deel III, p.4, plaat 27.

[35] WILKINSON, deel V, p.253.

[36] Uit BRYANT, deel V, p.384. Zie ook de houtsnede van Ceres en de korenaar, fig.37, van deze uitgave.

[37] De weledele A.TRIMEN, de gevierde architect, Londen, schrijver van Church and Chapel Architecture.

[38] Overgenomen uit HAGER, Chinese Hieroglyphics, B XXXV, te vinden in het Brits Museum, en voor mij gekopieerd door dhr. Trimens zoon, dhr. L.B.Trimen. De woorden van Hager luiden: "Op dezelfde wijze vertoonde de offermijter van de Chinese keizer (de Pontifex Maximus van zijn land), die als van ouds deze vorm had (dan wordt de afbeelding getoond), grote gelijkenis met de Romeinse Episcopale Mijter." (etc., etc.).

[39] KEMPFER, Japan, in PINKERTON, Collection, deel VII, p.776.

[40] Zie Gradus ad Parnassum, samengesteld door G.PYPER, lid van de Jezuiten orde, sub vocibus Lituus Episcopus et Pedum, pp.372, 464.

[41] BEROSUS apud ABYDENUS, in CORY, Fragments, p.32. Zie ook EUSEB., Chron., deel I, pp.46, 47.

[42] Uit KITTO, Biblical Cyclopoedia, deel I, p.272. Zie ook KITTO, Illustrated Commentary, deel IV, p.31, waar een andere afbeelding uit Babylon met een soortgelijke staf wordt getoond.

[43] Nineveh and Babylon, p.361. Layard schijnt te denken dat het voorwerp waarvan hier melding wordt gemaakt, en dat door de koning, "uitgedost als hogepriester in zijn offerkledij", een sikkel is, maar iedereen die het aandachtig bestudeert zal zien dat het een staf is, versierd met knopjes, zoals zelfs nu nog algemeen het geval is bij Roomse staven. Alleen wordt deze niet meer opgeheven, maar meer naar beneden gehouden.

[44] De bekende naam Farao, de titel van de priesterkoningen van Egypte, is slechts de Egyptische vorm van het Hebreeuwse He-Roé. In Genesis is Farao zonder de punten "Phe-Roé". Phe is het bepalende lidwoord in Egyptisch. Het waren niet herder-koningen die de Egyptenaren verafschuwden, maar "herders van vee" (Genesis 46:34). Zonder het lidwoord wordt het Roé, een "hoeder", wat kennelijk de oorsprong is van het Franse Roi, een koning, en vandaar ook het bijvoeglijk naamwoord "royal". Afkomstig van Ro, wat de betekenis heeft van "zich gedragen als hoeder" hetgeen vaak werd uitgesproken als Reg (met daaraan toegevoegd de sh-klank, wat "Hij die is" of "die doet" betekent), wat Regsh wordt, "Hij die als hoeder handelt", waarvan het Latijnse "Rex" en in het Britse Rijk "Regal" afkomstig is.

[45] PLUTARCHUS, deel II, p.354, F.

[46] HURD, p.374, par.2.

[47] Idem, p.104, par.2.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden