Het Anti-Goddelijk Trio

--        Satan       --
De Mens der zonde
De   Valse   Profeet


SATAN

VIII. SATANS MACHT

Op elk terrein. Satan heeft grote macht. Deze wordt door de wereld vanzelf niet gezien. Deze is verblind en bemerkt niet door wie zij tot allerlei dwaling vervoerd wordt. Echter, ook vele gelovigen houden er te weinig rekening mee of onderschatten ze. Wij willen een en ander onder de aandacht brengen. Het terrein is zeer breed en omvat eigenlijk het gehele leven in al zijn schakeringen. Satan is immers de God dezer eeuw en oefent overal zijn invloed uit, hetzij meer rechtstreeks, hetzij zijdelings. Alleen hij die de zinnen geoefend heeft tot onderscheiding van goed en kwaad zal enigermate beseffen wat het zeggen wil, dat de wereld in het boze ligt en dat we leven in een win-gewest van een vijand die de mens door allerlei leugen van de ware Souverein afhoudt en Deze als Ďs mensen vijand voorstelt of door allerlei openlijke of bedekte aanvallen zijn macht doet gevoelen. Hij zal ook meer en meer verstaan, dat Christus hem zo terecht tekent als de mensenmoordenaar. We willen achtereenvolgens iets zeggen van zijn macht in de natuur, over de mensenwereld, over de gelovigen en over zijn heerschappij des doods. Op zijn macht in de toekomst wijzen we nog nader in het slothoofdstuk als we zijn twee handlangers besproken hebben.

1. In de natuur.

Vuur. -- Storm. Satan heeft macht over de krachten der natuur. Dat blijkt uit de geschiedenis van Job. De Here gaf Jobs eigendommen in Satans hand, 1:12; aan zijn leven mocht hij niet raken. Wat zien we nu onder andere? Dat een vuur uit de hemel valt en schapen en knechten verteert, 1:16; ook dat er een grote wind kwam en het huis waarin Jobs kinderen waren, deed instorten, 1:19. Dit was Satans hand. Hij wendde de natuurkrachten tegen Job.

Men zal zeggen: "zeker, docht eerst moet God Job in zijn hand geven, eerder kon hij met die krachten niet werken". We merken op, dat dit er niet staat. Satan kreeg toen voor dat doel alleen geen macht over vuur en wind maar mocht die gebruiken tegen Job. Hij had er reeds macht over -- vanzelf geen absolute, maar toch een zekere en tamelijk grote.

Voor wie hierover nog in twijfel is, wijzen we op Mt. 8:26 (Mk. 4:39, Luk. 8:24). Toen de Heer Jezus overvoer en onderwijl sliep, werd er een grote onstuimigheid in de zee zodat het schip van de golven bedekt, ja, zelfs vol werd. De discipelen waren in grote vrees. Ze wekten de Here . En wat deed Deze? Hij stond op en bestrafte de winden en de zee. Er werd toen grote stilte. Ook hier hebben we een vijandelijke macht. Deze wil Christus doen omkomen. De Here herkent hem die er achter werkt dadelijk en bestraft hem zonder hem te noemen. Zo vinden we hier een bewijs dat Satan de natuurkrachten kan gebruiken. Ook hier lezen we niet, dat hij daarvoor een bijzondere toelating krijgt.

Men zal hiertegen wel inbrengen, dat het O.T. leert, dat de Here alles doet. Hij werpt b.v. een grote wind op de zee bij Jona, 1:4. De stormwind doet Zijn woord, Ps. 148:8. We zijn er verre van dit te ontkennen. Maar toch houde men hierbij twee dingen in het oog. Ten eerste, dat Satan ook een zekere macht heeft over de natuurkrachten en dat er dus kan staan, dat de Here die gebruikt en ook, dat Satan ze bij zijn werk ziet te benutten. En ten tweede, dat het O.T. alles aan de Here toeschrijft, terwijl we toch van achteren of op een andere plaats de middellijke oorzaken zien genoemd. Zo wordt b.v. gezegd, dat de Here het kwaad schept: "Ik maak de vrede en schep het kwaad", Jesaja 45:7. Hier wordt met kwaad niet bedoeld zonde, maar allerlei rampen of onheilen, anders vormt het woord geen tegenstelling met "vrede". De Here doet dit evenwel niet onmiddellijk, maar middellijk. Hij kan alle dingen benutten naar Zijn vrije wil. Wat niet uitsluit dat Hij het middellijk doet. Hij benut alles zonder dat iemand Hem wederhoudt. Daarom leert het O.T. Gods souvereiniteit, d.i. opperhoogheid, over alle dingen en zegt in die zin dat de Here het doet. Is er een kwaad in de stad dat de Here niet doet, heet het. Van Ďs mensen zijde zijn het dan b.v. invallende vijanden, door eigen onreinheid veroorzaakte ziekten en dergelijke dingen. Dit zijn de middenoorzaken.

God alleen heeft opperhoogheid. Satan heeft beperkte macht. Maar, zoals de mens de natuurkrachten, zij het dan ook op andere wijze, tegen god gebruikt, b.v. om zijn medemens te verderven, zo gebruikt Satan de natuurkrachten tegen de mens in. Hij veroorzaakte -- hoe dan ook -- in Jobs geschiedenis een storm, hij deed vuur afkomen en heeft zekere macht over de natuurkrachten. We lezen in Openbaring 13:13, dat de Valse Profeet vuur uit de hemel doet afkomen. Waar deze, een mens, dit nu ook kan, zou Satan dan geen macht hebben over de natuurkrachten? We geloven van zeer zeker.

Men heeft ook hier zijn werk uit het oog verloren. Nogmaals, alles staat onder Gods opperhoogheid, maar dit sluit niet uit, dat God aan de schepselen zekere vrijheid van beweging heeft gegeven die ze kunnen misbruiken. Satan doet dit o.a. met de natuurkrachten.

Dit gezichtspunt kan ons oog doen krijgen voor veel rampen en onheil die anders onverklaard blijven of aan God worden toegeschreven. We horen van plotselinge hoge watergolven, van windhoozen, van cyclonen (wervelstormen) waardoor velen omkomen, enz. Wij geloven niet dat God dit doet. Het is Satan die hier de mensen verderven wil en hij zet dit snode werk nog steeds voort. Hij gebruikt ook nu de natuurkrachten tegen de mens.

Hiermee willen we niet zeggen dat men nu weer alles aan hem toe moeten schrijven. We weten dat de aarde veroudert, dat er verschuivingen plaats hebben door inkrimping of anderszins die natuurkundig te verklaren zijn. Bergstoringen, lawines, verschuivingen, enz. Behoeft men niet op Satans rekening te schrijven. Hij doet niet alles. Maar er blijven genoeg rampen over die we als een persoonlijk ingrijpen aanvoelen. Dan moet men zeggen dat God dit doet of Satan. Velen kiezen dan huiverend God omdat dit zo geleerd wordt. Ďt Is beter als we, op grond der Schrift, Satan voor deze dingen aansprakelijk stellen. Hij wil nu eenmaal vernielen, verderven. "Verderver" is immers een van zijn namen. (Gr. Apollyon, Hebr. Abaddon). Welnu, hij doet dit mede door de krachten van de natuur die hij misbruikt.

2. Zijn macht over de mensen.

Op staatkundig terrein.

Onzichtbare leiders. Satan oefent ook een geweldige macht uit over de mensheid. We willen tweeŽrlei terrein waarop hij zich beweegt bespreken. Al de andere gebieden zijn hierin mee begrepen. De twee terreinen zijn het staatkundig en godsdienstig geestelijke leven.

In Dan 10 lezen we, dat DaniŽl door een hand werd aangeroerd en dat iemand, waarschijnlijk de engel GabriŽl (zie: 9:22 en 23 en 10:11, 19), tot hem zei, dat de Vorst van het koninkrijk van PerziŽ hem tegengestaan had maar dat MichaŽl hem was komen helpen, vs. 13. Daarna zou de vorst van Griekenland komen, vs. 20. Onder deze "vorsten" zijn geen gewone vorsten te verstaan, maar geestelijke leiders die de koninkrijken der aarde leiden. Dit zijn boze machten, want zij stonden GabriŽl tegen. Zij zijn maar niet voor een zekere tijd de leiders der volken, maar blijvend, het zijn hun vorsten, hun voorsten, hun voortdurende leiders. Achter hen staat Satan, de "Koning" . Door de vorsten leidt hij de volken. Hij beroemt er zich tegen Christus op, dat hem de macht en heerlijkheid van de koninkrijken is overgegeven en dat hij ze geeft aan wie hij wil, Luk. 4:6.

Als we de zaak zo bezien, gaat ten eerste veel licht op over IsraŽls historie. Satan heeft zich na de Vloed de heerschappij aangematigd over de koninkrijken der aarde. Doordat de volken gingen wandelen naar het goeddunken van hun hart, kreeg hij vrij spel er mee. God wilde echter Zijn heerschappij op aarde, die door de eerste mens had moeten gevestigd worden, niet prijs geven. Daarom roept hij Abram om hem tot een groot volk te maken en geeft hij aan IsraŽl Kanašn. Satan moest dit vanzelf tegenstaan. Hij deed dit op meer dan een wijze. We noemen slechts enkele dingen. Eerst door Farao te verharden om het volk niet te laten trekken. Dit deed hij door de bezweringen der tovenaars en anderszin. Later door de onderdrukking en aanvallen van andere volken. Eindelijk door overheersing en wegvoering. We stipten slechts aan.

Gods plan schijnt hiermee verijdeld. In DaniŽl echter zien we, hoe Hij door GabriŽl en MichaŽl ook in de tijd der ballingschap de strijd voortzet en Satans vorsten weerstaat. Ze kunnen maar niet doen wat ze willen. Hij houdt Zijn volk in stand. En dat niet alleen totdat de ware Koning gekomen is, maar ook tot in de verre toekomst, totdat het Koninkrijk des Heren en van Zijn Christus wordt (Op. 11:15). Dan zal Hij Satan doen binden en zijn heerschappij doen ophouden.

In het licht van Dan. 10 moet men ook de dingen van vroeger en van onze dagen bezien. Satan is de overste van de macht der lucht. Hierin ligt ook zijn macht over de volken besloten. Hij zet over elk volk een zijner vorsten. Telkens weer drijven deze de volken tegen elkaar op. Dan ontstaat oorlog; verdragen, conventies en in onze dagen vredesconferenties en ontwapeningspogingen ten spijt breekt het dan los en verteren de volken elkaar. De meeste oorlogen zijn te beschouwen als een verdeeldheid van Satans rijk; de ene geestelijk-sanatische vorst bekampt de ander; zij strijden door middel der volken. Satan, als mensenmoorder, bereikt hiermee, dat velen door de oorlog en zijn gevolgen ten grave of ten verderve worden gevoerd. De elkaar vijandig gezinde geestelijke leiders -- hoe kan in het rijk der duisternis harmonie zijn -- bestrijden elkaar ten koste van de mensheid. Satan verhindert dat niet, want daardoor komen des te meer mensen om.

Met dit alles loochenen we niet ís mensen verantwoordelijkheid. Satan zou die macht niet hebben indien de mens zelf niet mee werkte door zijn zonde. Satan en zijn vorsten blazen het vuur van de tweedracht boosaardig aan. Het vuur zelf is de zonde van de mens. Hier ligt de menselijke verantwoordelijkheid. Anders zou God eenmaal niet kunnen oordelen. Anderszijds zijn Satans vorsten als onzichtbare leiders door de mens niet te herkennen buiten het licht der Schrift om. Waar de volken dat niet alle of slechts zeer beperkt hebben, heeft hij veel macht. Zelfs "Christen" volken vallen in zijn strikken.

Satans verleiding. Satan zal eenmaal "de gehele wereld" verleiden, Openbaring 12:9; "Gehele wereld" betekent de meer ordelijk bewoonde wereld. Hij zal de koningen vergaderen tot de krijg van de grote dag des doorluchtigen Gods, Op. 16:14. Dat zal zijn in Armageddon, in het Joodse land, vs. 16. Men ziet zijn grote staatkundige macht. Hij zal allen verleiden en tegen God en Zijn Gezalfde opzetten. Daar rekent God evenwel met hem af en wordt de eindstrijd gestreden door Sions Koning met Zijn heerlegers uit de hemel, Op. 19:11-14. Satan wordt gebonden en 1.000 jaar in de afgrond gesloten, Op. 20:1-3. Na die 1.000 jaar echter wordt hij ontbonden en verleidt hij andermaal de volken die aan de vier hoeken der aarde zijn, Gog en Magog. Op. 20:8. Men ziet welk een grote macht hij dan nog heeft. Noch zijn vernedering, noch zijn 1.000 jarige gebondenheid is in staat de volken zich van hem af te doen keeren, wel een bewijs ten eerste voor zijn leidersgenie, te tweede van de onbekeerlijkheid van Ďs mensen hart buiten Gods Geest om, zelfs in de 1.000 jaren vredestijd. Nu volgt echter het eindoordeel en komt Satan in de vuurpoel.

Boven al Satans woelen staat God. Hij is Souverein, Opperhoge. Hij beheerst al dat woelen, Hij laat het zijn gang gaan om het kwaad zijn loop te geven. Als Hij echter ingrijpt is het uit. Daarom staat er, dat Hij naar Zijn wil doet met het heer van de hemel en met de inwoners van de aarde, daar is niemand die Zijn hand kan afslaan, Dan. 4:35.

"De Heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich, Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt. Komt, aanschouwt de daden des Heren Die verwoestingen op aarde aanricht, Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde . Laat af, weet dat Ik God ben, Ik zal verhoogd worden onder de Heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde". Ps. 46:8-11.

In deze laatste woorden ligt opgesloten, dat God Zijn koninkrijk op aarde wil oprichten. Het bewijst mede, dat de Overste van de macht der lucht zal falen in al zijn pogingen.

Dit is tot heden niet het geval. Satan verleidt nog altijd de volken. Die uitleggers die menen dat hij al gebonden is om de dat hij de Kerk niet meer aanvalt zooals in de eerste eeuwen, vergeten, dat hij nog steeds de overste van de macht der lucht is en dat Op. 12:9 zegt, dat hij de gehele wereld verleidt. Waar deze wereld gevormd wordt door volken die verleid kunnen worden, kan hij niet gebonden zijn om ze niet te verleiden. Het een weerspreekt het ander. Wij voor ons menen dat Satan nog steeds doende is en macht heeft over de koninkrijken der aarde en wel door zijn geestelijke vorsten die deze rijken beheersen. In welke kluisters liggen zo de landen, in welke banden liggen nu de volken. Het zijn banden door de zonden der mensen. Ze kunnen alleen losgemaakt worden door Christusí heerschappij op de troon van David.

Op Godsdienstig en geestelijk gebied.

Satan oefent ook een geweldige grote macht uit op een godsdienstig en geestelijk gebied. Dit doet hij door verblinding, vreesaanjaging, misleiding, bedrog, ophitsing.

Verblinding. Door zonde is het verstand van de mens verduisterd. Zijn geest is van de ware Gods-kennis vervreemd door de onwetendheid die in hem is. Hij kan de dingen niet meer klaar onderscheiden. Hiervan nu maakt Satan gebruik om verder te verblinden. Hierin was hij niet geslaagd als de mens zich aan de Godsopenbaring gehouden had. Eenmaal heeft de mensheid God gekend, Rom. 1:21. Maar zij hebben Hem niet als God verheerlijkt of gedankt. Zij zijn verijdeld in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. Zij hebben de heerlijkheid van de onverderfelijke God veranderd in de gelijkenis van een beeld van een verderfelijk mens en van gevogelte en van viervoetige en kruipende gedierten, vs. 23. In dit alles heeft Satan mee de hand gehad. Het god niet verheerlijken of danken was voor hem het aangrijpingspunt om het onverstandig hart te verduisteren. Eerst werd de Godheid uitgebeeld in de gedaante van een verderfelijk mens, daarna, na verdere verduistering, werden het dieren. Zo is de mensheid tot allerlei afgoderij vervallen. En Satan houdt hen verblind. De gewone heiden mens bindt hij door allerlei gouden, zilveren, koperen en andere afgoden, de meer ontwikkelden laat hij levende afgoden eren en aan demonen offeren, 1 Cor. 10:20. Geen wonder dat zij bekeerd moeten worden van de duisternis tot het licht en van de macht des Satans tot God, Hand. 26:18.

Onder welk een zwarte nacht van verblinding ligt het Heidendom. Eeuwen aan eeuwen zit het gekluisterd aan zijn afgoderij en demonen-verering. Door dit alles bindt Satan. In de diepste grond der zaak eert het Heidendom de god dezer eeuw. Als men inziet dat men zich bijzonder na de Vloed van God heeft afgekeerd en gekomen is tot afgoderij, verstaat men deze term te beter. Deze eeuw toch loopt vanaf de Vloed tot Christusí wederkomst. En van deze eeuw is Satan de god die door afgoderij en demonendienst geŽerd wordt. Tegenwoordig gaat men nog verder en gaat men hem rechtstreeks eren. Er is reeds Satan aanbidding en men heeft erediensten voor Satan ingesteld. Uit de veelheid klimt de mens tot de eenheid op, maar bekeert zich niet tot God; hij komt tot de consequentie van de negatie; hij dringt voort naar het diepst der duisternis en eindigt in openlijke Satansdienst. Welk een macht heeft Satan toch. En hoe weet hij alles aan zichzelf dienstbaar te maken.

Vreesaanjaging. Niet alleen door verblinding, ook door vreesaanjaging heeft Satan grote macht. De naÔeve Heidenvolken vrezen voor allerlei boze invloeden. Zij menen zicht te moeten beschermen tegen allerlei boze geesten. De doden laten hen niet met rust, de geesten van voorvaderen of andere geesten moeten steeds door offers goedgunstig gestemd worden. Wij mogen aannemen, dat ook hier Satanische invloeden werken die te weinig in het oog gehouden worden. Alom vrees.

De vrees van het Heidendom werkt nog na in de bijgeloovigheid onzer dagen. Deze bloeit opnieuw op in onze tijd door allerlei beschermgodjes, popjes, enz., waardoor men zich wil vrijwaren tegen boze invloeden. Ook in onze moderne maatschappij is de vrees niet verdwenen.

Heb. 2:15 spreekt van hen die "met vreze des doods door al hun leven der dienstbaarheid onderworpen zijn". Ook deze vrees wordt door Satan gewekt. Het is bij hen die hun zonden gevoelen, maar geen Verlosser kennen, b.v. vrome Heidenen. Zij vrezen voor een toekomstig gericht en verkeren daardoor in voortdurende geestelijke dienstbaarheid. Zij doen alles om van de vrees bevrijd te worden, maar Satan houdt hen hun hele leven in die vrees. Hij jaagt die aan en kwelt daarmee. Gelukkig dat ook zij daarvan eenmaal bevrijd zullen worden.

Bedrog. Een derde middel om zijn macht uit te oefenen is bedrog. Paulus spreekt van zijn listige omleidingen, Ef. 6:11. Deze betreffen wel allereerst de gelovigen, maar zijn niet tot hen beperkt. Heel het mensendom wordt omgevoerd door arglistigheid om het tot dwaling te brengen.

In het Heidendom geschiedt dit door het animisme (de leer dat alles bezield is en de geesten van de gestorven en in dingen, planten en dieren hun leven voortzetten). Bij de meer beschaafde en moderne mens worden theosofie, spiritisme en aanverwante stromingen gebruikt. De theosofie leert de verlossing door herhaalde incarnaties, 't is de leer van het telkens in een vleselijk lichaam verschijnen. Telkens zal men dan weer voor vroeger bedreven zonden moeten boeten. Het spiritisme leert, dat de doden niet dood zijn maar in hogere sferen voortleven. Hiermee bedriegt Satan de mens t.o.v. zijn verlossing en zijn staat in de dood. Hij bouwt wat het spiritisme betreft voort op de woorden van Gen. 3:4 "Gij zult den dood niet sterven" en t.o.v. de theosofie op het: "gij zult als God zijn", want in dat stelsel is elke ikheid (de ego) een deel van de Godheid. Deze stromingen winnen veld, bijzonder het spiritisme. En Satan heeft het gaarne zo. Hij bedriegt de mensen door zulke stelsels. Hij voert ze om door allerlei wind van leer.

Alleen wie verlichte ogen des verstands krijgt, leert zijn listen en leugens onderkennen en kan er zich tegen wapenen. God zal eenmaal het omwindsel van het aangezicht waarmee alle volken omwonden zijn verslinden. Dan zullen de natiën zien wie hen omwonden heeft en wat de waarheid is, Jes. 25:7.

Misleiding. Het vierde middel om zijn macht uit te oefenen is misleiding. Dit middel gebruikt hij zodra God Zijn licht begint te laten schijnen. Dan bootst hij Hem na om Zijn werk te laten mislukken. Zo zaait hij b.v. onkruid tussen de tarwe, Mt. 13. Dit onkruid gelijkt zo zeer op de goede tarwe, dat alleen de echte kenners het bij de groei kunnen onderscheiden en het eerst bij de oogst voor anderen openbaar wordt uit de vrucht (de slechte of wilde tarwe heeft zwart zaad). Daarom moet het opwassen tot de oogsttijd (Mt. 13:26-30, 36-40) Hij liet demonen uitwerpen om Christusí werk te lasteren, Mt. 12. Judas was een duivel, Joh. 6:70, in schijn een discipel. Hij bootste Paulusí werk na door de bedrieglijke apostelen in Corinthe die zich veranderden in dienaars der gerechtigheid, 2 Cor. 11:15. In Efeze wilde hij dit doen door de zeven zonen van Sceva, Hand. 19. In de eindtijd zal hij misleiden door allerlei tekenen en wonderen en krachten der leugen, 2 Thess. 2:9. Indien het mogelijk ware, zou hij zelfs de uitverkorenen nog verleiden (Mt. 24:24) Hij verandert zich bij het bedienen van dit middel meest in een engel des lichts, 2 Cor. 11.

Voor dit werk gebruikt hij zijn instrumenten. Elymas de tovenaar was er een van. Deze heet dan ook "een kind (zoon) des duivels, vol van alle bedrog en arglistigheid", Hand. 13:10. Zulke instrumenten zijn vijanden van alle gerechtigheid, zij verkeren de rechte wegen des Heren . Dit punt vormt reeds de overgang naar het volgende onderdeel. De grenzen zijn niet steeds scherp aan te geven.

Inwerking. Door al de genoemde middelen -- en er zijn er nog wel meer -- oefent Satan zijn macht in het algemeen uit. Traditie komt hem hierin goed van pas. In sommigen werkt hij meer rechtstreeks in. Zoals God uitverkiest, schijnt hij dat ook te doen. Zijn uitverkorenen zijn zij die de zonde doen, 1 Joh. 3:8. Er staat niet: "die zondigen" : maar "die de zonde doen". Dit ziet op een bepaald iets. Het is de tegenstelling van; "de rechtvaardigheid doen", vs 7. Dit laatste betekent ; in alle dingen de gerechtigheid betrachten, in alles recht zoeken te handelen. "De zonde doen" is dan: in alles de ongerechtigheid lief hebben. Dit werkt Satan in. Dat zijn de kinderen der ongehoorzaamheid. Zij verzetten zich tegen alle vermaan om het recht te zoeken.

Bij anderen vervult hij het hart om te liegen, Hand 5:3. Bij nog anderen werkt hij tijdelijk in om zich te verzetten tegen de gebrachte waarheid. Paulus moest uit Tessalonica vluchten omdat de Joden het hem onmogelijk maakten te blijven, Hand. 17:5-9. Later kon hij, zeker doordat Satan hen op hem deed loeren, er niet terugkeren, 1 Thess. 2:18. In nog weer anderen werkt hij in om zijn begeerte te doen, nl mensen te doden, bijzonder die de waarheid verbreiden, Joh. 8:44. Men ziet, dat er nuancering is, maar 't is alles door Satans inwerking.

De tegenstander. Satan verblindt en verleidt niet alleen, hij bewaarheidt ook zijn naam: satan, d.i. tegenstander, door meer rechtstreeks Gods werk tegen te staan en daardoor de macht over de mensheid aan zich te houden. Hij werkte Christus tegen door het woord weg te rukken uit het hart, Mt. 13:19. Het is bij hen die het niet verstaan. Hij ging tegen Hem in door het werk des Geestes voor Satans werk uit te geven, Mt. 12:24, 28. Hij wilde Hem zelfs afbrengen van Zijn lijden en dood, Mt. 16:22; 23. Hij werkte Paulusí zending tegen door telkens de Joden tegen hem op te zetten. De secte van de Nazareners werd overal weersproken, Hand. 28:22. Zo gaat het nu ook nog. Nog telkens verwekt Hij tegenstanders daar waar zuiverder en meer licht doorbreekt of doorbreken zal. Hij vormt zelfs synagogen, Op. 2:9. Zij die hem wederstaan worden vaak de martelaars. Zij blijven pal staan te midden van de tegenstand. Dit kan Satan niet verdragen en hij wordt nu een persoonlijk tegenstander der getuigen Gods. Satan gaat dan om als een brieschende leeuw om te verslinden (1 Petr. 5:8 ). Zij die vaststaan in het geloof kunnen hem echter weerstaan.

Men ziet op hoeveel wijzen Satan zijn macht uitoefent. We vleien ons niet ze alle genoemd te hebben. We hebben slechts op een en ander gewezen. De lezer moge het zelf verder en breder uitwerken bij het licht der Schrift.

3. Zijn macht over de gelovigen.

Door begeerlijkheden. Heeft Satan grote invloed op de mensheid in het algemeen, hij heeft die ook nog op de gelovigen. En wel door meer dan een oorzaak. Het kan zijn door de begeerlijkheid des vleses of de begeerlijkheid der oogen of de grootsheid des levens. Het kan ook zijn door twijfel en verzoeking. Het kan verder zijn door het gevangen leiden tot zijn wil.

De begeerlijkheid des vleses speelde David parten in het geval Uria. De begeerlijkheid der oogen beving Hiskia toe hij zijn schatten toonde aan Babels gezanten. De grootsheid des levens kan hoogmoedig maken. Zo david bij de volkstelling.

Het is op deze terreinen dat Satan verzoekt. Op zichzelf behoeft de begeerlijkheid nog niet werkzaam te zijn, de aanwezigheid is voldoende. "Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende, baart zonde..." En de begeerlijkheid ontvangt door Satans verzoeking en verleiding. Hij brengt daarmee als Ďt ware weer over op zijn terrein en men wordt gebonden onder zijn macht. Het geloof gaat dan kwijnen omdat men zich verwijderd heeft van het Voorwerp ervan. Er ontstaan magere jaren in het geloofsleven en... Satan verblijdt zich er over. Men kan hem plaats geven door lang de toorn te behouden, Ef. 4:27 en daardoor tot zonde te komen. Dit behoort mee tot de werken des vleses.

Twijfel en verzoeking. Kan Satan het niet door begeerlijkheden klaar spelen, dan tracht hij door twijfel en verzoeking zijn macht die hij in beginsel door het geloof verloren heeft, te herwinnen. Hij brengt tot twijfel. Is het ook dat God gezegd heeft? Is het nu allemaal wel waar wat in die bijbel staat? Kan God het wel volbrengen? Wat baat het nu eigenlijk of men dit alles gelooft? Zulke en dergelijke vragen zijn vaak door hem geÔnspireerd.

Nog verder gaat hij in de verzoeking. Dan wordt men heftig heen en weer geslingerd. Dan tracht hij te ontdekken of de stukken van het geloof wel vastheid hebben; hij tracht dan alles uit zijn verband te rukken of te benevelen. Dan werpt hij heen en weer zoals de tarwe in de wan geworpen wordt. Alleen wat dan de geestelijke zwaarte heeft, valt weer neer en verstuift niet; het kaf echter onder het koren des geloofs vervliegt. Satan heeft eenmaal ook begeerd de discipelen te ziften als de tarwe. Christus wist dat. Hij heeft voor hen gebeden dat hun geloof niet zou ophouden. Bij twijfel en verzoeking kan alleen wat door en uit het geloof is stand houden en behouden blijven. Hoewel Satan het niet zo bedoelt, is het einde dat er een zuivering komt, het kaf van het koren gescheiden wordt en wat vastheid heeft er nog vaster door wordt.

Gevangenleiding. Een bijzondere macht oefent Satan uit door gevangenleiding. Niet door begeerlijkheden -- ook dat zijn gevangenleidingen -- maar doordat men niet voorvaart in de waarheid en niet toeneemt in de genade en kennis van de Here Jezus Christus. Dit is heel gevaarlijk; de eeuwen door is dit gebleken. Dan gaat men het getuigenis van mensen stellen boven dat van God en -- het getuigenis Gods is meerder. Dan ontstaat traditie, dan zweert men bij belijdenissen en credoís, dan maakt men Gods woord krachteloos door menselijke inzettingen. Men meent en beweert dan de zuiverste waarheid te hebben, de enige en genoegzame leer van de zaligheid, men meent de juiste verklaring voor alles gevonden te hebben en neemt een hooghartige houding aan tegenover anderen. Men meent voor de waarheid te strijden, maar kent die niet en zit in een soort duisternis. Men ziet niet, dat men blijft staan bij van de vaderen overgeŽrfde leer en de oude zuurdesem niet heeft uitgezuiverd. Men staat de waarheid tegen in de mening een palstaander voor die waarheid te zijn. Men meent dat er niet meer is of kan zijn dan men aanneemt en wendt zich af als men hoort en bewezen ziet dat er meer is. Dat is nu een strik van Satan.

Het overgrote deel van de Christenheid ligt in deze strik. Men weet het niet eens dat men leeft bij het getuigenis van mensen. Bij traditie. Wat een kerkvader of hervormer of leider gezegd heeft, meent men de volle te zijn. De van de vaderen overgeŽrfde leer geldt als pure essence der Schrift. Geschreven of ongeschreven belijdenissen hebben meer kracht dan het Woord.

Nu is er op zichzelf niets op tegen als men begint met door middel van andere getuigenis te geloven (Joh. 4). Het is zelfs de natuurlijke gang. God laat prediken. Alleen, indien we het getuigenis van de mensen aanvaarden, het getuigenis Gods is meerder. En als daarop weer door anderen gewezen wordt, als er aangetoond wordt dat er meerder licht is dan men eerst meende dat er was, en men keert zich dan af omdat men bevreesd is waar men nu zal uitkomen wijl het buiten het traditiepaadje gaat of omdat men bang is dat het gevolgde systeem ondersteboven zal gaan, dan komt men in de strik van Satan. Deze is insluimering op mensen woord, staan blijven bij de vaderen, vasthouden aan niet op de Schrift te baseren instelling of aan verkeerde snijding van het Woord. Satan heeft het gaarne zo. Hij is vijand van alle licht, het meest van het volle licht. Hij verblindt ook gaarne de gelovigen en wil hen weerhouden tot voller licht voor te schrijden. Dit doet hij door de leer dat men een zuiver leerstelsel heeft, dat men de waarheid het zuiverst gegrepen heeft, dat het een beproefde waarheid is, enz.

Velen zien heel niet in wat de strik is. Paulus licht ons dat toe in 2 Tim. 2:25 en 26. De dienstknecht des Heren moet met zachtmoedigheid onderwijzen hen die tegenstaan. Vanzelf niet in de traditie, in de leer der mensen maar in het Woord Gods. Waartoe? Of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid. Erkentenis is naar het Grieks: volle kennis. Er is dus zekere kennis, maar die wordt niet uitgebreid wegens traditioneele belemmeringen waardoor men de waarheid tegenstaat. Er moet nu bekering komen tot vollere kennis. Dan komt er een ontwaken uit de strik des Duivels waarin men gevangen is tot zijn wil, d.i.: waarin zij zich naar zijn wil voegen.

Menigeen zal menen, dat die tekst voor ongelovigen geldt. Twee dingen beletten dit: ten eerste staat er, dat zij tot vůlle kennis moeten komen. Er is dus reeds kennis aanwezig. Het zijn hier geen onwetenden, want zij staan tegen. Ten tweede staat er, dat zij wŤderům ontwaken mogen. Zij zijn dus al eens ontwaakt, het moet nu andermaal geschieden. Daarom geldt dit woord geen ongelovigen maar gelovigen. En wel hen die in traditie, leer, inzetting, enz., voor Schriftleer aanzien wat leer van mensen is. Hen vangt Satan in een strik: zij menen het volle licht te hebben, maar vertoeven hoogstens in de halfschaduw; soms zelfs in de slagschaduw. Zij houden duisternis en onwetendheid voor licht en staan het vollere licht tegen.

De wapenrusting. Tegen de listige omleidingen van Satan moet men zich beschermen. Hiertoe is maar ťťn middel: de gehele wapenrusting Gods aandoen. We vinden die beschreven in Ef. 6:11-17. De lendenen moeten omgord zijn met de waarheid zoals soldaten zich gorden met de koppelriem, de borst beveiligd door het borstwapen, de borstplaat der gerechtigheid als een verdediging tegen de lasteringen waarmee de boze onze naam wil bezwadderen; de voeten geschoeid met bereidheid tot het prediken van het evangelie des vredes. Zoals soldaten hun voeten door schoeisels beschermen tegen de puntige stenen en ruwe wegen, moet de gelovige het evangelie des vredes gebruiken tegen de ruwheid op de weg. Verder moet gedragen worden het schild des geloofs waarmee het gehele lichaam kan worden bedekt; hiertoe is het nodig de gehele Schrift te aanvaarden en dat in al haar kracht, zonder onnodige vergeestelijking en inlegkunde van dogmaís; eerst dan kan men de vurige pijlen die de boze afzendt om te wonden af doen ketsen; dan nog moet men dragen de helm der behoudenis, om het hoofd te beveiligen tegen de slagen die Satan toebrengt; eindelijk nog nemen het zwaard des Geestes, Gods Woord, waarmee men de vijand op de vlucht kan drijven, wijzende op het: "er staat geschreven".

Hoe gaarne wil Satan dat men een van deze stukken niet heeft of dat ze beschadigd zijn. Hoe gaarne neemt hij het schild des geloofs weg. Hoe gaarne maakt hij het zwaard des Geestes stomp en bot door tradities en inzettingen. Niet allen dragen deze wapenrusting. Dat kunnen alleen zij zijn die tot de volkomen man gekomen zijn (Ef. 4:13) Deze betrachten de waarheid -- niet de traditie b.v. -- in liefde en wassen op in Christus het Hoofd.

4. Invloed op het Lichaam.

Het lichaam verderven. Behalve op de geest, heeft Satan invloed op het lichaam. Hij sloeg Job met boze zweren, Job. 3:7. Hij kan door demonen de mens beheersen. Stomheid, doofheid, enz., waren het gevolg. Een vrouw was achttien jaar samengebogen door een geest der krankheid, Luk. 13:11. Velen waren van de duivel overweldigd, Hand. 10:38. Deze beÔnvloeding behoeft niet door bijzondere zonden veroorzaakt te zijn. De bezetenen en Satans zieken waren geen groter zondaars dan anderen. Hun natuur lag er meer voor open.

Het macht verkrijgen op het lichaam was echter in sommige gevallen wel een bijzonder oordeel. Dit betreft dan gelovigen. Paulus gaf de hoereerder in Corinthe aan Satan over tot verderf des vleses, 1 Cor. 5:5. Het doel was, dat de geest, het door het geloof verkregene, mocht behouden worden in de dag des Heren Jezus Christus. Hij gaf ook HymeneŁs en Alexander aan Satan over, 1 Tim. 1:20. Hier staat niet bij: "tot verderving des vleses". Mogelijk is dat ook hier zo geweest, want het was niet: "opdat zij verloren zouden gaan", maar: "opdat zij zouden leren niet meer te lasteren". Zij hadden van het geloof schipbreuk geleden, vs. 19. Hoe dan ook, Satan kan het lichaam verderven. Hij deed dit mogelijk ook bij hen die zich een oordeel aten en dronken, niet onderscheidene het lichaam des Heren . Daarom waren onder CorinthiŽrs vele zwakken en zieken en velen waren ontslapen (aldus betere vertaling van 1 Cor. 11:20). Bekend is, hoe MichaŽl met Satan over Mozesí lichaam twiste, bewijs dat hij aanspraak maakt op de doden. Paulus zelf werd door een engel des Satans met vuisten geslagen, 2 Cor. 12:7. Het was om zich niet te verheffen. Wat het geweest is, is niet te zeggen. Wel, dat ook hieruit Satans macht tot zelfs op Paulusí lichaam blijkt.

5. Het geweld des doods.

De mensenmoordenaar. Het voorgaande betreft meer bijzondere oordelen. De Schrift leert meer. Ze zegt, dat Satan in het algemeen het geweld, d.i. de heerschappij van de dood heeft, Hebr. 2:14.

Welk een openbaring is dat. Satan heeft de heerschappij des doods. Waar hij een mensenmoorder is van den beginne, Joh. 8:44, maakt hij van die heerschappij gretig gebruik. Waar hij kan, doodt hij, het is zijn lust velen in de macht des doods te voeren, in het stille graf neer te leggen. Hij doet dit uit vijandschap tegen God. Hoe meer mensen in het dodenrijk neerdalen, des te meer viert hij zijn begeerte om te moorden bot.

Deze openbaring der Schrift werpt het licht op veel dat ons anders onverklaarbaar was. Hoe vaak staan we niet voor plotselinge rampen waarbij velen omkomen. Satan zag zijn kans schoon en benutte die. Door storm en vuur greep hij bij Job in, door dergelijke en andere middelen grijpt hij ook nu in. we schrijven niet alles op zijn rekening -- dat niet; er zijn ongelukken en rampen die veroorzaakt worden door de mens zelf en waarvoor we Satan beslist niet verantwoordelijk mogen stellen. Botsing van voertuigen, treinen en autoís, ongelukken in bedrijf en beroep worden niet steeds door hem veroorzaakt. Maar er is veel dat hij wel doet. Vloedgolven en cyclonen b.v. kunnen door hem aangewend worden om zich in zijn heerschappij des doods te doen gelden.

De schuld hiervoor ligt bij de eerste mens. Door ťťn mens is de zonde in de wereld ingekomen en door de zonde de dood. Adam is onder het oordeel des doods gekomen. Satan voert dit vaak uit. Dit wil niet zeggen, dat elke dood door hem wordt veroorzaakt. De natuurlijke dood is door verval van kracht en het uitgaan van de levenslamp. Maar er zijn genoeg doodsgevallen waarin hij de hand heeft. Plotselinge stormen en natuuronheilen zijn middelen om de mens te verderven. Oorlogen door zijn vorsten aangesticht zijn middellijk welkome middelen om zijn heerschappij te benutten.

Door sommigen wordt naar we zagen geleerd, dat Satan als zondaar geschapen is. Hieruit moet voortvloeien dat hij ook geschapen is om te doden, want hij heeft de heerschappij daartoe. De Schrift weerspreekt zulke stellingen reeds door te zeggen dat hij een mensenmoordenaar is. Hij is geen scherprechter maar: een mensenmoorder, een moordenaar. Een moordenaar is het niet te doen om de wetten van de gerechtigheid te handhaven of een vonnis uit te voeren; Ďt is hem te doen om zijn lust tot doden bot te vieren. Satan is niet aangesteld als Gods scherprechter, hij is een mensenmoordenaar. Hij doet het niet krachtens zijn aldus geschapen zijn, hij doet het uit boze lust. Het is zijn werk niet krachtens zijn zo geschapen, het is zijn boze lust krachtens zijn zonde. Indien het zijn werk was zondigde hij niet; nu het zijn boze lust is, -- en dat om "Gods geslacht" te verderven, -- nu zondigt hij van den beginne.

Mogelijk zal wel deze of gene wijzen op 1 Sam. 2:6 waar staat: "De Here doodt en maakt levend, Hij doet in de sheool nederdalen en opkomen" en zeggen: hier wordt het doden aan de Here toegekend. We verwijzen naar wat we schreven in: Satans macht over de natuur. Het N.T. kan ons de midden oorzaken aangeven, terwijl het O.T. alles aan Gods souvereiniteit onderwerpt. We zeggen daarbij niet dat God Zelf ook niet doodt. In de woestijn werden meerderen door Zijn vuur gedood. Het is een strijdt zo nog niet met het ander.

Satan heeft de heerschappij van de dood. Welk een ontzettende macht ligt daarin opgesloten. Hij is de vogelvanger die zijn strikken uitzet; hij schiet zijn pijlen af, hij verwoest; Ďt is door hem dat er vaak slechts ťťn schrede is tussen ons en de dood, dat banden des doods zo kunnen omvangen. Hij die in de schuilplaats des Allerhoogsten zit en op de Here vertrouwt, zal zeker door Hem bewaard worden. En verder is iemand zo lang onkwetsbaar als God een taak voor hem heeft. Hij weert veel onheil en ramp af. En al moge Satan woeden, Hij is de God Die beschermt en bewaart.

Indien wij beseften dat wij steeds in gevaar zijn, dan zouden we meer tot de Here onze toevlucht nemen. Wie dit doet, zal zeker ervaren dat hem geen kwaad wedervaart, want ook nu kan God Zijn engelen bevelen geven om ons te bewaren op al onze wegen, Ps. 91. Wel geldt deze psalm bijzondere gelegenheden, maar Hebr. 1:124 bevestigt de algemene strekking; nl. dat God door Zijn engelen de Zijnen beveiligt.

Christusí opstanding. Satans heerschappij van de dood kon alleen gebroken worden doordat Christus in de dood ging en Satan op eigen terrein overwon. Christus heeft, zo bezien, Satan aangevallen en door in de dood te gaan, de dood en in hem Satan, overwonnen. Christus behoefde niet te sterven. Niemand had macht Zijn leven te nemen, Joh. 10:18. Hij was niet aan Satans heerschappij onderworpen. Nochtans trad Hij op Satans terrein en ging de dood in. Wat was de uitkomst? Dat Hij van de dood niet gehouden kon worden, Hand. 2:24, ja meer, dat Hij de dood verslond tot overwinning. Hij hernam het leven weer en verrees. Dat is van Zijn zijde bezien. Van Gods zijde is dat geweest de inwerking van de uitnemende grootheid Zijner kracht naar de werking der sterkte Zijner macht, Ef. 1:19, 20. Hiermee is de heerschappij van Satan in beginsel gebroken. Christus, opgewekt zijnde van de doden, sterft niet meer, de dood heerst niet meer over Hem, Rom. 6:9.

In Christusí opstanding ligt aller opstanding vast. Al heeft die voor allen niet gelijktijdig plaats, te eniger tijd zullen allen die in de graven zijn Zijn stem horen, Joh. 5:28 en uitgaan. Hiermee moet Satan alles opgeven. Welk een nederlaag. Niemand kan hij in de dood houden. Dan zullen zij die met vreze des doods hun hele leven de dienstbaarheid onderworpen waren van de vrees ontslagen worden en mede Christus groot maken. Dan worden de tranen van de zuchtenden en wenenden van de ogen gewist. Wel hem die nog meer mag zien en verwachten en gelooft dat dezelfde grote kracht Gods ook nu reeds kan inwerken, Ef. 1:20. Hij kan komen tot de uitopstanding waarbij de dood hem reeds nu niet houden kan.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden