Het Anti-Goddelijk Trio

--        Satan       --
De Mens der zonde
De   Valse   Profeet


De Mens der Zonde

XI. DE MENS DER ZONDE

2 Thess 2.

Eerst komt de afval. De politieke figuur die DaniŽl ziet op komen als "een Verachte" en ook ziet optreden als "de Kleine Hoorn" en als "de Koning" die naar zijn welgevallen doet, tekent Paulus in 2 Thess. 2 met andere trekken. We zeiden reeds, dat daar de termen: "Mens der zonde", "Zoon des verderfs", en "Wetteloze" gebruikt worden. We willen nu het eerste deel van het hoofdstuk bespreken.

De Thessalonicenzen meenden, dat de toekomst, d.i. de wederkomst en daarop volgende tegenwoordigheid van Christus, weldra zou zijn. Er waren er geweest die dit gezegd hadden. Anderen hadden in geestverrukkingen zich daarover geuit. Nog weer anderen hadden het door het gewone woord geleerd. Zelfs had men gezegd, dat Paulus dit in een zendbrief geschreven had en mogelijk had men een, vanzelf vervalste, brief getoond. Paulus gaat hier tegen in en zegt:

"En wij bidden u broeders, door de toekomst onzes Heren Jezus Christus en onze toevergadering tot Hem (d.i. met het oog op die toekomst en de opname), dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt door geest, noch door woord, noch door zendbrief als van ons geschreven, alsof de dag des Heren tegenwoordig waren", vs. 1,2.

Voor "dag des Heren" zoals de betere handschriften zetten, heeft de St. V. "dag van Christus"; voor "aanstaande" zette men tegenwoordig. Zo is het werkwoord vertaald in 1 Cor. 3:22, Gal. 1:4 en Hebr. 9:9, terwijl de St. V. het in 1 Cor. 7:26, 2 Tim. 3:1. En hier vertaalt door "aanstaande".

Paulus zegt nu, dat die dag des Heren niet komt voordat er iets anders plaats heeft, nl. voordat de Mens der zonde, de Zoon des verderfs gekomen is.

"Dat u niemand verleide, want die komt niet, (die dag nl.), tenzij dat eerst de afval gekomen zij en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geŽerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods zal zitten zichzelven vertoondende dat hij God is. Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb?", vs. 3-5.

Veel gaat aan de dag des Heren vooraf. Eerst moet de afval komen. Dat is bijzonder de afval in IsraŽl van Mozes' wet en inzettingen. Dan. 8:23 spreekt hier ook van:

"Als het de afvalligen op het hoogst zullen gebracht hebben, zo zal er een Koning opstaan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande".

En Dan. 11:36 -- we citeren het nogmaals -- heeft:

"En die Koning zal doen naar zijn welgevallen en hij zal zichzelven verheffen en groot maken boven allen God en hij zal tegen den God der Goden wonderlijke dingen spreken en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleindigd zij. En op de God (niet: goden) zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen (mogelijk een afgod); hij zal ook op geen God acht geven, maar hij zal zich boven alles verheffen".

Om dat te doen zet hij zich neer in de tempel Gods. Deze tempel Gods is niet een gemeente -- de gemeente van Corinthe wordt zo genoemd in 1 Cor. 3:16 -- maar de letterlijke stenen tempel te Jeruzalem die we ook in Openbaring 11 zien. Daar staat in vs. 1 en 2:

"en de engel zeide: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en degenen die daarin aanbidden en laat het voorhof uit dat van buiten den tempel is en meet dat niet, want het is de heidenen gegeven en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden".

In die tempel nu zal de Mens der zonde zich neerzetten om zich Goddelijke hulde te laten toebrengen en om zich te laten vereren.

Men zal vragen, wat hij met de tempel Gods te Jeruzalem te maken heeft. Dit komt daar vandaan, dat hij een verbond gesloten heeft met de afvallige Joden. We lezen daarvan in Dan. 9: "Een vorst zal komen en velen het verbond versterken, een week (dat is 7 jaar, in het Hebr. staat niet week, maar zeven d.i. zevental, nl. van jaren)". Het afvallige Jodendom aanvaardt hem gaarne als vorst. Echter, na drie en een half jaar, in de helft van de week, neemt hij het spijs- en het slachtoffer weg, Dan. 9:26, 27. En 't is dan waarschijnlijk, dat hij in de tempel gaat zitten als een god. Dit hangt nog met iets anders samen, dat we bij Op. 13 zullen bespreken. Hij zal daar wel niet steeds zetelen, maar zich van tijd tot tijd daar vertonen. Als hij er niet is, zal hij zich toch doen vertegenwoordigen. Op welke wijze, zullen we ook bij Op. 13 zien.

Al zal hij zich verheffen tegen God en al wat God heet, daarmede is hij toch geen volkomen Godloochenaar. Dan. 11 geeft ons wat anders te zien: "En hij zal de god MaŁzzim (d.i. de god der vestingen, mogelijk een of andere krijgsgod) in zijn standplaats (d.w.z. in plaats van God) eren; namelijk de god, welke zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud en met zilver en met kostelijk gesteente en met gewenste dingen", vs. 38. Daarvoor bezigt hij, uit haat tegen God, de tempel Gods te Jeruzalem.

Wederhouding, komst en einde. De komst van de mens der zonde wordt voorbereid door de werking van Satan. In Paulus' dagen begon deze daar reeds mee. "Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alreeds gewrocht", vs. 7. Voor "gewrocht" staat "ingewerkt". Satan begon in het verborgen de ongerechtigheid reeds in te werken. Zijn dienaars veranderden zich in dienaars der gerechtigheid, 2 Cor. 11:15. Het waren echter bedriegelijke arbeiders, vs. 13. De verharding van IsraŽl was mede Satans werk. Ze bereidde de afval, die komen zou, voor.  Echter -- het was nog slechts een verborgen inwerking. De volle ontplooiing was er nog niet.

De mens der zonde kan alleen opkomen als de zonde in de wereld zeer toegenomen is. Het zullen dagen zijn als in Noachs tijd. MT. 24:37. Hij komt, als de afval in IsraŽl gekomen is. "En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden", Mt. 24:12. "Als de afvalligen het op het hoogst zullen gebracht hebben, zal er een Koning opstaan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande", Dan. 8:23. Tot zolang echter wordt hij weerhouden.

Het is hiervan, dat Paulus in 2 Thess. 2 spreekt.

"En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alreeds gewrocht (ingewerkt), alleenlijk, die hem nu wederhoudt (vasthoudt) die zal hem wederhouden (vasthouden) totdat hij uit het midden zal worden (opkomen) en alsdan zal de ongerechtige (Gr. wetteloze) geopenbaard worden..." vs. 6-8a.

Deze verzen hebben velen grote moeite veroorzaakt. Anderen leggen ze o.i. geheel verkeerd uit. Daarop wijzen we nog nader. We willen hier eerst de dingen die er staan, duidelijk naar voren brengen. We hebben daartoe op vier punten te letten:

  • Ten eerste is er iets dat wederhoudt.
  • Ten tweede is er iemand die dit doet.
  • Ten derde is er een opkomen van de mens der zonde.
  • Ten vierde een zich openbaren als de wetteloze.

We willen elk van deze punten behandelen na vooraf iets over onze vertaling gezegd te hebben. In de grondtekst staat niet: "weerhouden" maar "vasthouden" zoals in 1 Thess. 5-2; dat kan men wel vrijer overzetten door weerhouden maar hierdoor legt men er toch een andere gedachte in. "Vasthouden" is: niet laten gaan; "weerhouden" is iets tegenhouden. Wie iets vasthoudt, kan het ook wel tegelijkertijd tegenhouden, maar dit vraagt dan een tweede werking. Het woord "weggedaan" staat niet in de tekst. Er staat: "uit het midden worde" wat men wat vrijer kan weergeven door: "uit het midden opkome". De mens der zonde wordt niet weerhouden tot hij weggedaan wordt of iets weggedaan wordt, maar hij wordt vastgehouden totdat er goede gelegenheid is voor zijn opkomen. Dit zal door de verdere toelichting verduidelijkt worden.

1. Wat weerhoudt (vasthoudt).
Er is ten eerste iets dat weerhoudt. Vele gelovigen menen, dat dit iets is "de" gemeente, waaronder zij verstaan de Thessalonicenzergroep die de Here tegemoet zal gaan in de lucht. Deze opname heeft voor hen plaats vůůr dat de grote verdrukking komt. Als deze gemeente is weggenomen, verhindert niets de komst van de mens der zonde meer en kan hij optreden.

Wij menen dat dit zeer onjuist is. Nergens leert de Schrift de opname vůůr de grote verdrukking. Ze heeft eerst plaats als de Here met MichaŽl komt. En dit geschiedt eerst dan, "als het zulk een tijd van benauwdheid zijn zal als er niet geweest is", Dan. 12:1. Van een andere komst van MichaŽl weet de Schrift niet. Verder zegt 2 Thess. 1:7 en 8, dat de verdrukten eerst verkwikking krijgen "in de openbaring des Heren Jezus van de hemel met de engelen Zijner kracht, met vlammend vuur wrake doende...". Dit is eerst bij de wederkomst (Zie ook Mt. 24:30, 31). Dan zegt 1 Cor. 15:51, dat de verandering (en daarmee de opname) zal plaats hebben in de laatste bazuin (grondtekst). Dat is dus eerst tegen het einde. Uit een en ander -- er ware nog meer te noemen -- blijkt, dat de gemeente die weggenomen wordt, niet hetgene is dat de mens der zonde wederhoudt. Het moet dus iets anders zijn.

Wat "wederhoudt" hem nu? Wij geloven dat het is de inwerking der ongerechtigheid. Zolang de laatste nog niet tot vollere rijpheid gekomen is, kan de mens der zonde niet komen. Van de Amorieten staat, "want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen". Dit geldt thans van de wereld. De ongerechtigheid is nog niet ten volle doorgewerkt. De doorwerkende kracht wordt niet alleen en uitsluitend geremd door "de" gemeente lees: de gelovigen, maar ook nog door naambelijders, christelijke kultuur, "christelijke" staten, werkingen van God's algemene genade. Al schuiven we naar die tijden heen, ze zijn er nog niet. Het voornaamste kenmerk moet men niet vergeten: de afval. Dit is niet de afval van het Christendom, maar in het Jodendom van de wet van Mozes, bijzonder in het land Palestina. Er moet dus eerst een wederkeer, althans een gedeeltelijke, van IsraŽl zijn, en een niet meer vasthouden aan de oude wetten en geboden, wil dŗt wat wederhoudt, weg genomen zijn. Men moet de dingen bezien zoals Paulus ze toen bezag. Hij wist niets van de verborgen tussenbedeeling, hem eerst later geopenbaard, maar bezag de dingen om IsraŽl geconcentreerd. Daar zou afval komen. Toen hij Romeinen schreef, en dat was al weer enige jaren later, was er een gedeeltelijke verharding, maar nog geen afval. Eerst als deze kwam kon de Mens der zonde komen. Nu werd hij nog weerhouden.

2. Wie wederhoudt.
Behalve een "wat" is er een "wie", behalve een iets is er een persoon die wederhoudt. Hierin hebben vele uitleggers de Heilige Geest gezien. Die wederhield de komst van de Mens der zonde. Zodra Die weggedaan, d.i. voor die uitleggers en hun navolgers, met "de" gemeente weggenomen was van de aarde, was de Wederhouder weg. We hebben reeds gezegd, dat de gemeente (nl. van Thessalonicensen) niet opgenomen wordt voor de grote verdrukking en daarmee de Geest dus ook niet weggenomen wordt. We wijzen er verder op, dat het, indien men aanneemt, wat de St. V. zegt, het een zeer eigenaardige wijze van uitdrukking is om van de Heilige Geest te zeggen dat Hij wordt "weggedaan".

Voor ons staat de zaak weer anders. "Die wederhoudt" is voor ons Satan. Deze houdt vast aan zijn plaats in de hemel, Openbaring 12:7-9. Wie hier aan "wederhouden" denkt, zal moeten zeggen: Hij wederhoudt de komst van de Mens der zonde door deze niet te verwekken. De tijd is er nl. nog niet rijp voor. Hij moet te juister tijd komen. En dan wordt hij niet "weggedaan", zoals de St. V. zegt, maar: komt hij uit het midden van afval en ongerechtigheid op. Zo kan men de uitdrukking: "uit het midden zal worden" zeer wel verklaren.

Satan houdt vast aan zijn plaats in de hemel. Hij "wederhoudt" de Mens der zonde totdat deze uit het midden van de afval kan opkomen en zich kan gaan openbaren.

3. Het opkomen.
Men moet in 2 Thess. goed onderscheiden tussen het "worden uit het midden" en het zich "openbaren". Eerst moet de mens der zonde uit het midden opkomen. Hiermee correspondeert Dan. 11:21; "Daarna zal een Verachte in zijn staat opstaan denwelke men de koninklijke waardigheid niet zal geven, doch hij zal in stilte komen en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen". Daarom heet hij de Kleine Hoorn. 't Is in het begin geen grootse verschijning. Hij komt wel uit de afval op, maar men ziet in hem nog slechts een "mens". Men acht hem zelfs geen koninkrijk waard. Echter "zijn kracht zal sterk worden. Doch, niet door zijn kracht", Dan. 8:24.

Wat hij doen zal bij zijn opkomen, zegt DaniŽl ons ook. "En door zijn kloekheid zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand en hij zal zich in zijn hart verheffen en in stille rust zal hij er velen verderven", 8:25. De Kleine Hoorn zal uitnemend groot worden, 8:9. Door vleierij, kuiperij, bedrog en arglistigheid zal hij verder komen en terrein winnen. Hij zal drie vorsten verslaan en zich meester maken van de troon van het vierde rijk van Dan. 7. Hierdoor verkrijgt hij wereldheersappij. Gaandeweg wordt hij erkend. Hij sluit nu met de afvallige Joden een verbond en wordt als hun vorst aangenomen.

4. Het zich openbaren als wetteloze.
Er heeft nog meer plaats. Zodra Satan gemerkt heeft, dat de Mens der zonde zich tegen God verheft, gaat hij aan het werk en heeft plaats wat 2 Thess. 2:9 zegt. Er komen nu "alle kracht en tekenen en wonderen der leugen en alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan", 2 Thess. 2:9. Satan geeft de Mens der zonde ook "zijn kracht en zijn troon grote macht", Openbaring 13:2. Hij openbaart zich nu meer en meer als de wetteloze. Dit geschiedt in de tweede helft van de week, Dan. 9:29. Dan neemt hij slacht- en spijsoffer weg, dan zal hij de tijden en de wet veranderen, dan zullen Gods heiligen in IsraŽl in zijn hand overgegeven worden, ťťn tijd ( 1 jaar) en tijden (2 jaar) en een gedeelte van een tijd (Ĺ jaar), Dan. 7:25. De overige worden verleid door de Satans tekenen. Satan gaat God dan nabootsen. Deze getuigde in de Pinksterbedeling mee door tekenen en wonderen en menigerlei krachten en bedelingen (d.i. uitdelingen) des heiligen Geestes (d.i. van heilige geest, kracht van Boven), Hebr. 2:4. Nu gebruikt Satan kracht en tekenen en wonderen der leugen en verleidt velen tot onrechtvaardigheid. Hierop heeft de Heer Jezus het oog als Hij zegt:

"Want daar zullen valse Christus-sen en valse profeten opstaan en zullen grote tekenen en wonderheden doen alzo dat zij, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen zouden verleiden", Mt. 24:24.

We komen hier bij Openbaring 13 nog op terug.

"Hem zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des Satans", 2 Thess. 2:9.

Satan introduceert hem, hij bereidt zijn "toekomst" d.i. komst en aanwezigheid voor en is van alles de inspirator. Hij verleidt de gehele wereld en noopt en dwingt er toe dat allen de Mens der zonde aanbidden. Uitgezonderd zijn alleen zij van welke namen zijn in het boek des levens. De Wetteloze treedt nu in volle kracht op en woedt tegen Gods Volk. Wat de verborgenheid der ongerechtigheid heeft ingewerkt, vindt in hem zijn eindpunt. Hij is de wetteloze die zich aan geen wet en recht, geen gerechtigheid en zedelijkheid, aan geen God noch gebod stoort, die de leugen lieftheeft als ware deze de waarheid, die het "wonderlijk verderft".

Dit zal niet zo blijven. Zijn ongerechtigheid voert hem eenmaal noodwendig ten verderve. Daarom heet hij ook: "Zoon des verderfs". "En hij zal tot zijn einde komen en geen helper hebben", Dan. 11:45. "Hij zal zonder hand verbroken worden", Dan. 8:25. Dit zal zijn zoals Paulus schrijft: "En alsdan zal de Wetteloze geopenbaard worden denwelke de Here verdoen zal (d.i. wegdoen) door den Geest Zijns monds en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst", 2 Thess. 2:8.






Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden