Het Anti-Goddelijk Trio

--        Satan       --
De Mens der zonde
De   Valse   Profeet


De Mens der Zonde

X. DE KLEINE HOORN.

In DaniŽl.

DaniŽl 2. In DaniŽl 2 wordt ons, naar men weet, Nebukadnezars droom verhaald en DaniŽls uitlegging er van gegeven. Men heeft hierin steeds de opeenvolging van de grote wereldrijken gezocht. En terecht. Toch is het zo goed als aan alle uitleggers ontgaan, dat er vijf grote rijken zijn. Te algemeen neemt men er vier aan. Of, indien men er al vijf ziet, zoekt men het vijfde o.i. op een verkeerde plaats. Voor een uitvoerige uiteenzetting verwijzen we naar ons werk: "Uit IsraŽls Profetie", hfdst. IV. Het Boek DaniŽl. Hier het volgende:

Het eerste koninkrijk wordt genoemd in vs. 31, 't is het hoofd; het tweede de borst, in vs. 32; het derde de buik, in vs. 39; het vierde de benen, in vs. 40; het vijfde de voeten en tenen, in vs. 41-43. Dit vijfde rijk is voor ons nog toekomstig en zal de voorgaande overmeesteren. Dat er vijf zijn, volgt duidelijk uit wat er staat in vs. 32 en 33, 35 en 45. Daarin worden goud, zilver, koper, ijzer en ijzer en leem genoemd. Voor ons typeert het goud het Babylonische, het zilver het Medo-Perzische, het koper het Grieks-Macedonische, het ijzer het Romeinse en het ijzer en leem een toekomstig rijk. Dit is het eerste wat men in het oog moet houden. Het tweede is, dat ze eenmaal alle te samen worden vermalen, vs 35 en 45. Ze moeten eenmaal dus alle weer aanwezig zijn, anders kan dit te samen niet tot zijn recht komen. Het hele beeld wordt vermalen, vs. 34.

De vraag of een rijk een der in DaniŽl 2 door metalen aangeduide is, kan naar onze mening eenvoudig worden opgelost als men in het oog houdt, dat Nebukadnezar de dingen van uit Babel bezag en dat DaniŽl de uitlegging beziet van uit IsraŽls standpunt. We moeten steeds Babel en Jeruzalem in het oog houden. Het einde is de oprichting van het koninkrijk dat aan geen ander volk zal overgelaten worden. Dit is het Koninkrijk der hemelen, dat aan IsraŽl opgericht zal worden. Elk der bedoelde wereldrijken heeft daarom iets met Babel en met Jeruzalem te maken. Wat hieraan niet beantwoordt, is niet bedoeld. Nu heeft Babel Jeruzalem bezeten, Medo-PerziŽ Babel en Jeruzalem; Griekenland Babel en Jeruzalem, het Romeinse Rijk Babel en Jeruzalem, maar het Turkse Rijk b.v. heeft wel Jeruzalem bezeten maar niet Babel. Daarom valt dit niet onder DaniŽl 2. Daarom menen we ook, dat het vijde rijk nog toekomstig is, omdat na het Romeinse rijk geen enkel ander meer aan deze kenmerken voldaan heeft. Tussen het vierde en vijfde rijk ligt de bedeling der verborgenheid waarin God de doorwerking geremd heeft. Deze verborgenheid kon zelfs DaniŽl aan de koning niet te kennen geven en kunnen wij die er in geplaatst worden, alleen scherp zien.

DaniŽl 7. In DaniŽl 7 vinden we vier rijken. De meeste uitleggers zijn hierdoor het spoor bijster geraakt en hebben gemeend, dat deze precies dezelfde waren als de vier die zij in Dan. 2 zagen. We merken hiertegenover op, dat DaniŽl deze droom en gezichten kreeg lang na de uitlegging van Dan. 2. Voor ons is het een inzicht niet in wat geschied is in de loop der tijden, maar in wat nog geschieden moet in de laatste tijden. De rijken van Dan. 7, gesymboliseerd door vier dieren, komen alle gelijk op, terwijl we in Dan. 2 een opeenvolging hebben. De moeilijkheid is: "hoe moet een en ander gecombineerd worden".

Wij zien het aldus: Nadat het vijfde rijk -- nu nog toekomstig -- er geweest is, komt er een tijd van oplossing, dooreenwoeling, wereldbeweging, een "zee" van door elkaar woelende volken en naties, talen en tongen. Op. 17:15 ; Jes. 17:12. Alles wordt dan opgelost. Daaruit rijzen nu die vier grote dieren op. Tegelijk. Immers, Dan. 7:7 zegt, dat het vierde dier, "het overige" vertrad. Voor "het overige" kan men ook "de overige" lezen. Verder zegt vs. 12: "en aangaande de overige dieren, men nam hun heerschappij weg". In de eindtijd zijn ze dus alle aanwezig. Zo blijkt, dat het hier geen opeenvolging van rijken is.

Hoe staan ze nu tot die van Dan. 2? O.i. aldus: Het eerste dier, door een leeuw gesymboliseerd, is het herleefde Babylonische rijk. Het tweede dier, door een beer gesymboliseerd, is het herleefde Medo-Perzische rijk. Het derde dier, door een luipaard gesymboliseerd, is het herleefde Grieks-Macedonische rijk. Het vierde dier dat door geen naam uitgedrukt kan worden omdat het zo groot en verschrikkelijk is, is dan het herleefde en tot eenheid geworden vierde en vijfde rijk van Dan. 2, ongeveer Pan-Europa (Griekenland valt er dan buiten). Dit verschrikkelijke en gruwelijke dier vertreedt de overige. "Die voor hetzelve geweest waren", zegt de St. V. "Voor" betekent hier: "ten oosten van" : "geweest waren", staat niet in de eigenlijke tekst, is dus inlassing van de vertalers; we kunnen dus even goed zetten: "zijn".

Het vierde rijk zal een sterke militaire en tot de tanden toe gewapende verschrikkelijke, vreesaanjagende en gruwelijke d.i. allerlei wreedheid bedrijvende macht zijn die zich boven de anderen "dieren" zal verheffen en hen zal vertreden om zodoende de wereldmacht in handen te krijgen. Het zal, volgens DaniŽl, tien hoornen, mogelijk tien koningen hebben, waardoor het geweldig kan stoten.

De Kleine Hoorn. Wat heeft dit alles nu met de mens der zonde te maken, zal men mogelijk vragen. Veel. Want Dan. 7 toont nu, dat er een andere, een kleine Hoorn opkomt, die drie der tien hoornen van het gruwelijke dier uitrukt en zodoende zich meester maakt van dat rijk, vs. 8, 23-24. "In dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen en een mond, grote dingen sprekende". Hieruit blijkt, dat het een mens is die dit doet. Als deze kleine Hoorn eindelijk wereldheerser is geworden, "zal hij woorden spreken tegen den Allerhoogste en hij zal de heiligen der hoge plaatsen (beter: Allerhoogsten) verstoren en hij zal menen de tijden en de wet te veranderen en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot ťťn tijd en tijden en een gedeelte van een tijd". Vs. 25.

In Dan. 8 wordt ons aangegeven, uit welk rijk de Kleine Hoorn opkomt. Eerst wordt de strijd getekent tussen Medo-PerziŽ, gesymboliseerd door de Ram, (zie vs. 20) en Griekenland, gesymboliseerd door de Bok met een grote hoorn, (zie vs. 21). Daarna, dat de "Hoorn" van de Bok die zich uitermate groot gemaakt had, afbrak en in zijn plaats vier aanzienlijke Hoornen kwamen naar de vier winden des hemels, vs. 8. Hierin vindt men de deeling van het Grieks-Macedonische rijk in vieren. Uit een van deze vier rijken -- welk zegt de Schrift niet -- komt dan de Kleine Hoorn op, vs. 9. Van hem staat dan:

"En hij werd groot tot aan het heer des hemels en hij wierp er sommigen van dat heer, namelijk van de sterren, ter aarde en vertrad ze; ja hij maakte zich groot tot aan de Vorst van dat heer, en van Denzelve werd weggenomen het gedurig offer en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen", vs. 10, 11.

En verder:

"Doch op het laatst huns koninkrijks (nl. van die vier koningen die ontstaan zullen), als het de afvalligen op het hoogst zullen gebracht hebben, zo zal er een Koning opstaan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande; en hij zal het wonderlijk verderven en zal geluk hebben en zal het doen; en hij zal de sterken mitsgaders het heilige volk verderven; en door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand, en hij zal zich in zijn hart verheffen en in stille rust zal hij er velen verderven en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden", vs. 23-25.

Op de afvalligen en de Kleine Hoorn zinspeelt Paulus in 2 Thess. 2:3, 4: "Want die (nl. de dag des Heren ) komt niet tenzij dat eerst de afval gekomen zij en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs".

In DaniŽl 11 vanaf vers 21 vinden we de Kleine Hoorn andermaal getekend. Hier zien we zijn opkomst als een Verachte die de koninklijke waardigheid niet waardig geacht wordt, maar die zich toch baan breekt. Hij wordt koning.

"En die Koning zal doen naar zijn welgevallen en hij zal zichzelven verheffen en groot maken boven allen god en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken en hij zal voorspoedig zijn tot dat de gramschap voleindigd zij... En op de goden (beter God) zijner vaderen zal hij geen acht geven noch op de begeerte der vrouwen (mogelijk een of andere afgod, men denke aan Salomo's vrouwen); hij zal ook op geen god acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken", vs. 36, 37.

Hierop doelt Paulus in 2 Thess. 2:4, Die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geŽerd wordt.

Uit een en ander blijkt, dat, al geeft het O.T. de namen van "Mens der zonde" en "Zoon des verderfs" niet, er heel wat over hem gezegd wordt. Hij is een politieke figuur die grote macht zal hebben. Op enkele van zijn karaktertrekken komen we terug als we hem in het N.T. nagaan. Wat we nu gaan doen.






Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden