De Heilige Schriften

IV. Overzicht en Structuren van de “Psalmen”



De derde groep wordt gevormd door de Psalmen of Geschriften. Meer dan enig ander deel heeft deze groep geleden onder de verandering in volgorde. De verschillende boeken zijn thans verstrooid door de Profeten heen, vooral tussen de Vorige en Latere. In de Hebr. Schrift is de volgorde deze:

A1 Psalmen (Lofzangen). De ijdelheid om 's Heren voornemen tegen te gaan. De eindelijke triomf.

B1 Spreuken (Regels). Raadgeving aaneen heerser. Aan het eind een rechtvaardige koning en een deugdzame huisvrouw.

C1 Job. “Het einde des Heren”. Satan verslagen. Het overblijfsel van Israël getypeerd.

D1 Hooglied. Gelezen OD het Pascha (Farao de verdrukker). De Bruid.

E1 Ruth. Gelezen op Pinksteren. De vreemdelinge.

F1 Klaagliederen. “Hoe”. Gelezen op de 9de van Abib. Israëls falen. Men lette op het 11-voud van de 5 hoofdstukken: 22-22-66-22-22 verzen.

E2 Prediker. Gelezen op het Loofhuttenfeest. “IJdelheid”. “Het einde der zaak” 12:13, 14.

D2 Esther. Gelezen op het Purimfeest (Haman de vijand van de Joden). De koningin.

C2 Daniël. God is Rechter. Antichristus verslagen. Bevrijding van Israël.

B2 Ezra-Nehemia. Burgerlijk en godsdienstig bestuur, vooruitziende naar Messias' regering.

A2 Kronieken. Het dienstbaar zijn van alle dingen aan de uitwerking van Gods voornemen.


Vinden we in de eerste twee delen, Wet en Profeten, de samenvatting van Gods uitwerkende raad t.o.v. Israël en het Koninkrijk op aarde, in de Psalmen (Hebr. de Geschriften) wordt ons de innerlijke werking en oorzaak van de afval getekend en Gods alles heersende macht geopenbaard. Alles wordt dienstbaar gemaakt aan 's Heren glorie en de uiteindelijke zegening van de mensen.

Het verschil tussen de Profeten en de Psalmen wordt geïllustreerd door de parallel plaatsen in Samuël - Koningen en Kronieken. Sam.-Kon. verhalen de geschiedenis, bezien vanuit menselijk standpunt. We zouden dit de buitenlijn kunnen noemen, het exoterische verhaal (d.i. het naar buiten gekeerde verhaal). In Kronieken hebben we dezelfde geschiedenis, nu bezien van Goddelijk standpunt en zien we de verborgen werkingen en Gods alles beheersend macht. Dit is de binnenlijn, het esoterische verhaal (d.i. naar binnen gekeerde). Men vergelijke:

  • 1 Sam. 31:4 en 1 Kron. 10:13,14.
  • 2 Sam. 5:1-3 en 1 Kron. 11:1-3.
  • 2 Sam. 24:1 en 1 Kron. 21:1.
  • 1 Kon. 2:46 en 2 Kron. 1:1.
  • 1 Kon. 14:20 en 2 Kron. 13:20.
  • 1 Kon. 14:25 en 2 Kron. 12:2.
  • 1 Kon. 22:31-33 en 2 Kron. 18:30-32.

De Psalmen (Geschriften) geven ons het innerlijke leven van het volk, de innerlijke gevoelens van het hart, de innerlijke oorzaak van het bederf, de innerlijke verborgenheid van hun bewaring. De Psalmen zijn in drie groepen te plaatsen. De binnengroep vormen de 5 Megillooth of Kleine Rollen.

We krijgen dus:

  1. Psalmen, Spreuken, Job.
  2. Hooglied Ruth, Klaagliederen, Prediker, Esther.
  3. Daniël, Ezra-Nehemia, Kronieken.

Het geheel is een bewijs van Gods genade, werkend te midden van de zonde.

Men lette er op, dat de Klaagliederen geen tegenhanger hebben. Tegenover F in de structuur staat geen andere F. Zo zijn er slechts 11 Geschriften. Het getal 11 wijst op een onvolkomenheid. Er ontbreekt een “Boek”. Hierin ligt een symbool. Tegenover de Klaagliederen zal de Heere eenmaal aan het klagende Israël met zijn treuruitroep van het “HOE” (waarmee het Boek begint) tot aanvulling geven de Evangeliën, waar als “HIJ” staat de Messias, Die Machtig en barmhartig is om alle nood te vervullen en alle klagen te doen ophouden. Zo bewijst de structuur reeds, dat Israëls Boek der Hebr. Schriften een aanvulling nodig heeft. Het 11-tal van de “Psalmen” kan alleen volkomen worden door een twaalfde, dat de volkomenheid brengt: de Evangeliën. De 11 broeder-geschriften van de Psalmen missen de twaalfde, waarin de meerdere Jozef-broeder geopenbaard wordt.



I. HET EERSTE BOEK


DE PSALMEN (LOFZANGEN)
Het woord Psalm betekent Lof of Lofzang. In het Hebr. is er geen uiterlijke indeling. Toch is die gemakkelijk aan te brengen en vallen de Lofzangen uiteen in 5 boeken, zoals de Wet. We hebben dan:

AI Het Genesis-boek, Ps. 1-41. Betreffende de mens. Gods raad over hem. Alle zegeningen besloten in gehoorzaamheid, 1:1, zie Gen. 1:28. Gehoorzaamheid is 's mensen boom des levens 1:3, Gen. 2:16. Ongehoorzaamheid brengt verstoring. Ps. 2 Gen. 3. Deze kan alleen hersteld worden door de Zoon des mensen in Zijn verzoenend werk als Zaad der Vrouw, Ps. 8, Gen. 3:15. Het boek eindigt met een zegening en een dubbel “Amen”.

BI Het Exodus-boek, Ps. 42-72. Betreffende Israël als volk. Gods raad over Israël, Israëls ondergang. Verlosser en verlossing Ex. 15:13, Ps. 68:4. Het begint met Israëls roepen om bevrijding en besluit met Israëls Koning, heersend over de bevrijde natie. Slot: een :zegening en een dubbel “Amen”.

C Leviticus-boek, Ps. 73-89. Betreffende het Heiligdom. Gods raad over het Heiligdom in zijn betrekking tot de mens en tot Jehovah. Het Heiligdom en de schaar der O.T. gelovigen komt bijna in elke psalm voor. Slot: een zegening en een dubbel “Amen”.

BII Het Numeri-boek, Ps. 90-106. Betreffende Israël en de Volken der aarde. Gods raad over de aarde. Geen hoop en rust buiten en zonder Jehovah. Figuren en vergelijkingen: deze wereld als een woestijn. Begin: Gebed van Mozes (de man der woestijn) Ps. 90. Eind: Overzicht van Israëls opstanden in de woestijn, Ps. 106.Rust alleen in de toekomst, 96-100. Slot: zegening en Amen, Hallelu-Jah !

AII Het Deuteronomium-boek, Ps. 107-150. Betreffende God en Zijn Woord. Gods raad over Zijn Woord. Alle zegeningen voor de mens (Boek I) en Israël (Boek II) en de aarde (Boek III) en de Volken (Boek IV) vervat in de woorden Gods. Deut. 8:3. Ongehoorzaamheid aan 's Heren woord was de oorzaak van 's mensen moeite en ellende, Israëls verstrooiing, 's Heiligdoms verwoesting, 's aardrijks ellende. De zegen komt door inschrijving van het Woord in het hart, Ps. 119. Begin: Ps. 107:20: Hij zendt Zijn Woord uit en heelde hen. Einde: 5 psalmen, voor elk Boek één, elk beginnend en eindigend met: Hallelu-Jah. !



1. Het Genesis-boek. De Mens.

AI       A1 Ps. 1-8 De mens en de Zoon des mensen (8:4).

A2 Ps. 9-15 De mens van de aarde (de Antichristus) (10:18).

A3 Ps. 16-41 De mens Jezus Christus.


A1 Ps. 1-8 De mens en de Zoon des mensen.

A1 B1   D1 1 De mens gezegend. De Wet des Heren zijn vermaak.

E1 2 De opstandige mens. Vergeefse raadslag tegen Gods Zoon, door Wien alleen de universele heerschappij hersteld kan worden, vs. 12, Hebr. 1:5.

C1 Vijanden van buiten

      F1 3 Gebed met het oog op deze opstand (Morgen) Jehovah mijn schild.

G1 4 Gebed met het oog op deze opstand (Nacht). Hoe lang, vs. 2.

C2 F2 5 Gebed met het oog op deze opstand. (Morgen) Jehovah mijn Koning.

G2 6 Gebed met het oog op deze opstand. (Nacht) Hoe lang, vs. 3.

      B2     D2 7 De mens gezegend. Vertrouwen, in de Here zijn heil.

E2 8 De opstandige onderworpen. De Zoon des mensen verheven, heerschappij over de aarde.


A2 Ps. 9-15 De mens van de aarde.

A2    H1 9 (Ha) 10 (Hb) De mens van de aarde. De Antichristus. Zijn dagen, wijze van doen en einde. De tijden der benauwdheid, 9:9; 10:1. De grote verdrukking. Deze twee psalmen vormen één geheel.

I1 J1 11 Gebed met het oog op deze tijden van benauwdheid.

K1 12 De ijdelheid van de mens.

I2 J2 13 Gebed met het oog op deze tijden van benauwdheid.

K2 14 De ontaarding van de mens

H2 15 De volkomen mens. Zijn wijze van doen en blijvende zegening. Dit leidt tot A3.


A3 Ps. 16-41. De mens Jezus Christus.

A3 L1           O1 16 Zijn plaats van lijden innemend. Jehovah bepaalt zijn lot.

P1 17 Gebed en beroep op de Heere met het oog op Ps. 16. (O1).

Q1 18 Antwoord op het gebed van Ps. 17. Belofte van bevrijding en overwinning.

M1     R1 19 Zijn volk erkent Gods heerlijkheid in schepping en openbaring.

S1 20 Hun gebed, waar zij in Messias hun eigen redding zien.

T1 21 Hun verhoging door Messias' verhoging.

N1     U1 22 De goede Herder in de dood. (Joh. 10:11) Verzoening de basis van alle zegening.

V1 23 De grote Herder in de opstanding. Heb. 13:20. 0pstanding de basis van de tegenwoordige zegening.

W1 24 De grote Herder in de heerlijkheid, 1 Petr. 5:4. De Toekomst de basis van alle toekomstige zegening.

     L2          O2 25 Gebed met verwijzing naar Ps. 16. Het “pad” en de “weg”. Zie vs. 4, 8-10, 12 Ps. 16:11 (O1).

P2 26 Gebed met verwijzing naar Ps. 17 (P1).

Q2 27 (Qa) 28 (Qb) Gebed met verwijzing naar Ps. 18 (Ql). Antwoord van Jehovah als zijn Rots en Bevrijder.

M2    R2 29 De lof van zijn volk voor Gods heerlijkheid in de schepping.

S2 30 (Sa) 31 (Sb) 32 (Sc) 33 (Sd) Hun lof, waar zij het antwoord zien op Ps. 20. Ps 33 is het eerste “nieuwe lied” in de psalmen.

T2 34 Hun verheffing in Messias' verheffing. Als in T1, Ps. 21.

N2    U2 35 (Ua) 36 (Ub) Gebed en lof met verwijzing naar de verzoening als basis van alle zegening. Zie Ps. 22.

V2 37 Onderwijzing t.o.v. de tegenwoordige zegening. Zie Ps. 23.

W2 38 (Wa) 39 (Wb) 40 (Wc) 41 (Wd) Gebed en lof met verwijzing naar de toekomstige zegening, 41:12. 't Goddelijk antwoord op Ps. 24:3.



2. Het Exodus-boek. Israël.


BI       A1 Ps. 42-49 Israëls neergang.

A2 Ps. 50-60 Over Israëls Verlosser.

A3 Ps. 61-72 Over Israëls verlossing.


A1 Ps. 42-49. Over Israëls neergang.

A1    B1 42 (Ba) 43 (Bb) Neergang en verdrukking beseft, 42:9; 43:2 Geen hulp van de mens. Geroep en tranen, zoals in Exodus (2:23; 3:7-9; 6:9).

C1 D1 44 De roep om hulp, tot de Bevrijder en Losser, vs. 22-26.

E1 45 De Bevrijder geprezen.Antwoord op de roep.

C2 D2 46 De hulp van de Bevrijder. (Zie 48:8).

E2 47 (Ea) 48 (Eb) De Bevrijder geprezen. (48:8 en 44:1).

B2 49 Neergang en behoefte aan verlossing beseft. Geen hulp van de mens, alleen van God vs. 15.


A2 Ps. 50-60. Israëls Verlosser.

A2     F1 50 God spreekt tot Zijn volk. Hij verbreekt het zwijgen als in Ex. 3:4. Zie Hebr. 12:25, 26.

G1 51 Overtreding. Beleden en vergeven.

G2 52 (Ga) 53 (Gb) 54 (Gc) 55 (Gd) Overtreders Niet belijdend. Verdelgd.

F2 56 (Fa) 57 (Fb) 58 (Fe) 59 (Fd) 60 (Fe) Gods volk spreekt tot Hem van Israëls Verlosser en Zijn werk. Voorzegging van dood en opstanding.


A3 Ps. 61-72. Israëls verlossing.

A3    H1 J1 61 (Ja) 62 (Jb) 63 (Je) 64 (Jd) Israël wacht op verlossing “van de einde der aarde”, wat alleen het werk Gods is, 64:9.

K1 65 Sion wacht op zijn zegen.

L1 66 (La) 67 (Lb) Lof beloofd. De benauwdheid herdacht 66:10-12.

I1 68 Het antwoord op 61-67. God staat op. Geloofd zij God vs. 35.

H2 J2 69 De Koning wacht op verlossing, vs. 14 uit lijden, schande en leed. (Het schuldoffer).

K2 70 De Koning wacht op Zijn verlossing. Haast u.

L2 71 Lof beloofd, vs. 22-24. De benauwdheid herdacht, vs. 20.

I2 72 Het antwoord. De Koning regeert. “Geloofd zij de Heere God”, vs 18. Dit was Zijn begeerte, 2 Sam. 23:5. Het verloste volk gezegend en een zegen voor alle volken.



3. Het Leviticus-boek. Het Heiligdom.


C        A1 PS.73-83. Het Heiligdom in betr. tot de mens.

A2 Ps. 84-89. Het Heiligdom in betr. tot Jehovah.


A1 Ps. 73-83 Het Heiligdom in betr. tot de mens.

A1    B1 73 Het gevolg van buiten het Heiligdoms te zijn. Bezigheid van het hart met anderen. Daarop gevolgde verwarring.

C1 74 De vijand van het Heiligdom.

D1 75 Gods Gezalfde in het Heiligdom.

E1 76 Verdelging van de vijanden van het Heiligdom.

B2 77 (Ba) 78 (Bb) het gevolg van buiten het Heiligdom te zijn. Bezigheid van het hart met zichzelf. 78 is onderwijzing op 73 en 77 en leert, hoe Jehovah Silo verliet (vs. 60) en niet Jozef verkoor vs. 67, maar Sion vs. 68, 69 en David vs. 70-72.

C2 79 De vijand in het Heiligdom.

D2 80 (Da) 81 (Db) 82 (De) God in het Heiligdom.

E2 83 Verdelging van de vijanden van het Heiligdom.


A2 Ps. 84-89. Het Heiligdom in betr. tot Jehovah.

A2      F1 84 (Fa) 85 (Fb) De zegen van tot het Heiligdom te mogen naderen.

G1 86 Gebed voor God (in het Heiligdom).

F2 87 De zegen van de bewoners van Sion.

G2 88 Gebed voor God. Onderwijzing.

F3 89 De zegen van hen, “die het geklank kennen”, vs. 15. God in de vergadering Zijner heiligen, vs. 7. Onderwijzing over Gods weg in het Heiligdom en betreffende het gehele boek.



4. Het Numeri-boek. De aarde en de Volken.


Voor-psalm 90 De rust. Verloren en nodig.

BII     A1 91-94 De rust voor de aarde verlangd. Geen hoop daarop tot de Boze ophoudt van verstoring.

A2 95-100 De rust voor de aarde vooruitgezien. Het centrale vers is Ps. 96:11. De reden, Ps. 96:11.

A3 101-105 De rust voor de aarde bezongen. Jehovah's troon in de hemelen. Zijn Koninkrijk over alles, Ps. 103:19.

Na-psalm 106 De rust. Hoe verloren en gewaardeerd.


A1 PS. 91-94 De rust voor de aarde verlangd.

A1     B1 91 Rust alleen in Jehovah in een omkomende wereld. De verborgen plaats des Allerhoogsten de enige plaats van veiligheid.

C1 92 Gebed voor de Sabbat (die komen zal, Heb. 4:9), wanneer alle werkers der ongerechtigheid uitgeweid zullen worden, vs. 7, 9, en de rechtvaardige zal bloeien, vs. 12. Jehovah hun Rots en Toevlucht, vs. 15.

B2 93 Rust alleen in Jehovah. Zijn troon zal, wanneer eenmaal gevestigd, de plaats der veiligheid zijn.

C2 94 Gebed om rust tot Jehovah, de Rechter der aarde, om alle werkers der ongerechtigheid te verdelgen, vs. 4, 16, 23, en de rechtvaardigen rust te geven, vs. 13-15, in Jehovah, hun Rots en Toevlucht, vs. 22.


A2 Ps. 95-100 De rust voor de aarde vooruitgezien

A2    D1 95 Lof met het oog op de vooruitgeziene rust. Zijn volk en de schapen Zijner weide vs. 7. “Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof”, vs. 2. Reden: “Jehovah is een groot God”, vs. 3.

E1 F1 96 Opwekking om een “nieuw gezang” te zingen, want Hij komt. Oordeel.

G1 97 Het nieuwe gezang: “De Heere regeert”,

E2 F2 98 Opwekking om een “nieuw gezang” te zingen, want Hij komt.

G3 99 Het nieuwe gezang: “De Heere regeert.”

D2 100 Lof met het oog op de vooruitgeziene rust. Zijn volk en de schapen Zijner weide, vs. 2. “Komt voor Zijn aangezicht met vrolijk gezang”, vs. 2. R.eden: “De Heere is God”, vs. 3.


A3 Ps. 101-105 De rust voor de aarde bezongen.

A3    H1 101 Het komende Koninkrijk. De beginselen: Goedertierenheid en recht, vs. 1. De goddeloze verdelgd, vs. 5, 8,

J1 102 De Koning in Zijn vernedering en toekomende heerlijkheid als onvergankelijk Schepper, vs. 12, 24-27, Al het andere vergaat, vs. 27.

H2 1103 Het komende Koninkrijk. De goedertierenheden en oordelen, vs. 4, 6, 17, 19.

J2 104 De Koning in Zijn toekomende heerlijkheid als onvergankelijk Schepper vs. 23. Al het andere vergaat, vs. 27-29.

H3 105 Het komende Koninkrijk. Rustend op het verbond, vs. 8-12, 42-45, van goedertierenheid en oordeel, vs. 5-7.



5. Het Deuteronomium-boek. Gods Woord het enige goed.


AII A1 107 Bevrijding door het genezende woord.

B1 C1 E1 108 (Ea) 109 (Eb) 110 (Ee), De vernedering, bevrijding en verheffing van de ware David, 108:6.

F1 111 (Fa) 112 (Fb) 113 (Fe) Lofprijzingen. Drie Hallelu-Jah psalmen. De eerste twee beginnend en de derde eindigend met: Hallelu-Jah. 111: Lof voor Jehovah's werken, 112 voor Zijn wegen, 113 voor Hemzelf.

D1         G1 114 (Ga) 115 (Gb) Bevrijding van Egypte en Egypte's afgoden.

H1 116 (Ha1), 117 (Ha2), 118 (Ha3) Lofprijzingen

Drie psalmen, de eerste twee eindigend met Hallelu-Jah, en de derde zowel beginnend als eindigend met Hallelu-Jah, althans in het Hebreeuws, (in onze Vertaling met: Looft den Heere).

A2 119 Levendmaking en onderhouding door het openbarende Woord.

B2    D2        G2 120 (Ga1) - 134 (Ga15) Bevrijding van Sanherib, type van Israëls toekomstige verlossing. (15 psalmen, gerangschikt in 5 drietallen).

H2 135 (Ha1) 136 (Ha2). Lofprijzing. Twee psalmen aan elkaar verbonden door een gecombineerde structuur.

  G3 137 Bevrijding van de gevangenen van Saherib.

H3 138 Lofprijzing.

  G4 139 Bevrijding van een boos hart, Ez. 36:26; Jer.31:33.

H4 140 (Ha1) - 144 (Ha5) Gebed en Lofprijzing.

    C2   E2 145 De ware David, Die de lofprijzingen van Zijn Volk leidt, 144:9.

F2 146 (Fa1) - 150 (Fa5) Lofprijzing. Vijf Hallelu-Jah psalmen, elk beginnend en eindigend met: “Hallelu-Jah”.




II. DE ANDERE BOEKEN


SPREUKEN
Spreuken bestaat uit een reeks van regels, die tot leiddraad dienen voor de wandel in deze wereld. Het zijn regels voor het dagelijks leven. De Here waarschuwt tegen de gevaren, waarmee het pad van Zijn aardse volk omringd is en wijst hun de weg der wijsheid.

Structuur:

1:1-6 inleiding.

A1 1:6-9:18 “De woorden van de wijze.” Voor Salomo. Voor een vorst en een koning. Tweede persoon (Mijn zoon, gij, uw, enz.). De Moeder.

B1 C1 10:1 - 19:19 Spreuken voor Salomo. Voor allen. Derde persoon (Hij, zijn, hem, zij, hen).

D1 19:20 - 24:34 Spreuken voor Salomo. Voor een vorst en een koning. Tweede persoon (Mijn zoon, gij, u).

B2 C2 25:1 - 26:28 Spreuken van Salomo. Voor allen. Opgeschreven door de mannen van Hiskia. Derde persoon (Hij, hem, zijn).

D2 27:1 - 29:27 Spreuken voor Salomo. Voor een vorst en een koning. Tweede persoon (Mijn zoon, gij, u).

A2 30:1 - 31:31 “De woorden van Agur” en “de woorden van Lemuël” Voor Salomo, voor een vorst en een koning (Mijn zoon, gij). De “Moeder”.

Het boek maakt geen aanspraak op eenheid van auteurschap, d.w.z., het is niet door één schrijver geschreven, het is een verzameling van spreuken, die niet uitsluitend van Salomo zijn. Hoewel er in sommige delen wijsheid wordt gegeven van algemene strekking, vinden we in andere waarschuwingen en raadgevingen voor een particulier persoon, niet voor alle soorten en toestanden van mensen. Er zijn 4 personen aan het woord: Salomo, de Wijze, Agur, Lemuël Er zijn spreuken voor en van Salomo. De “Wijze” is Salomo's leermeester.


JOB
Job betekent: Beproefde, Gekwelde. Hij was de zoon van Issaschar, Gen 46:13 en tijdgenoot van Mozes. Hij was een concreet (daadwerkelijk) voorbeeld van het werk van de “Vijand”. In het boek wordt het probleem van het lijden besproken. De eerste 3 vrienden bezien Job's zaak verkeerd, de vierde, Elihu, laat de oplossing aan God over. De Here geeft die te Zijner tijd. Job's laatste is beter dan zijn eerste, 42:12.

Structuur:

A1 1:1-5 Inleiding. Historie.

B1 1:6 - 2:10 Satans aanval. Job van alles beroofd.

C1 2:11-13 De 3 vrienden. Hun aankomst.

D1 3:1 - 31:40 Job en zijn vrienden.

E 32:1 - 37:24 Optreden van Elihu: de Middelaar.

D2 38:1 - 42:6 Job en Jehovah.

C2 42:7-9 Satans nederlaag. De 3 vrienden. Hun vertrek.

B2 42:10-13 Satans nederlaag. Job dubbel gezegend.

A2 112:14-17 Besluit. Historie.


HOOGLIED
In het Hebreeuws heet dit boek: Lied der liederen. Het beschrijft de liefde van Jehovah voor Israël, als Bruid. We kunnen dit punt hier niet uitwerken, maar wijzen terloops op het feit, dat de Bruid geen verborgenheid was, wat met het Lichaam van Christus wel het geval is. Dat was nl. tot op Paulus' tijd in God verborgen. (Ef. 3:9, Col. 1:26).

Structuur.

A1 1:1-11 Inleiding. Sulamith door Salomo meegevoerd van haar tehuis en haar geliefde (de herder) naar de koninklijke tenten, die in de nabijheid tot zomerverblijf waren opgericht.

B1 C1 1:12-2:7 Sulamith en haar geliefde bij elkaar.

D1 2:8 - 3:5 Sulamith en haar geliefde gescheiden.

B2 C2 3:6 - 5:1 Sulamith en haar geliefde bij elkaar.

D2 5:2 - 8:4 Sulamith en haar geliefde gescheiden

A2 8:5-14 Besluit Sulamith keert terug van Salomo naar haar tehuis met haar geliefde (de herder).

Niet Salomo is de ware bruidegom van Sulamith, maar de op de achtergrond blijvende herder, type van Christus. Eerst onder de Meerdere dan die herder wordt de bruiloft des Lams gevierd. Israël heeft zich dan toebereid en is bevrijd van de verleidingen, waardoor het afgeweken is.


RUTH
Ruth betekent: Schoonheid. In dit boek wordt Gods liefde geschetst tot de vreemdelingen, die Hij zegent door Zijn Volk. Ruth is met Rachab en Bathsebah het drietal heidense vrouwen, dat in het geslachtsregister van Christus is opgenomen.

Structuur:

A1 1:1-18 Elimelechs gezin. Neergang.

B1 1:14-22 Medeleven met Naomi in rouw.

C1 2:1-23 Boaz en Ruth.

C2 3:1 - 4:13 Ruth en Boaz.

B2 4:14-17 Medeleven met Naomi in vreugde.

A2 4:18-22 Elimelechs gezin. Opgang.


KLAAGLIEDEREN
De Hebreeuwse titel is: "Hoe!" naar het eerste woord van het boek. Dit is zowel een vraag als een uitroep. Het grote thema is Gods grote oordeel. Het Boek bevat 5 klaagzangen over de verwoesting van Jeruzalem.

Structuur:

AI A1 1:1-7 Oordelen (Letter Aleph tot Zaïn).

B1  D1 1:7-11 Sions belijdenis (Cheth tot Kaph).

E1 1:12-13 Roep tot de voorbijgangers (Lamed tot Mem).

       D2 1:14-18 Sion. Belijdenis (Nun tot Tsaddi).

E2 1:18-19 Roep tot de voorbijgangers (Koph).

   C1 1:20-22 Gebed (Resh tot Tau).


AII A2 2:1-13 De Rechter (Aleph - Mem).

B2  D3 2:14 Sion. Zonde: onbeleden (Nun).

E3 2:15-17 Beschuldiging van de voorbijgangers (Samech - Pe).

   C2 2:18-22 Gebed (Tsaddi - Tau).


AIII A3 3:1-21 De Rechter (Aleph - Zaïn).

B3      E4 3:22-36 Overdenking van Jehovah's barmhartigheden. (Cheth - Lamed).

       D4 3:37-51 Sion. Zonde: beleden (Mem - Pe).

   C3 3:52-66 Gebed (Tsaddi - Tau).


AIV A4 4:1-12 Oordelen (Aleph - Lamed).

B4  D5 4:13-20 Sion. Belijdenis. (Mem - Resh).

E5 4:21-22 Vergelding van Jehovah (Shin - Tau).

    C4 5:1-22 Gebed.



PREDIKER
Prediker betekent in het Hebreeuws: "Verzamelaar", "Samenroeper", strikt genomen: "Verzamelaarster, Samenroepster"; het Hebreeuws heeft althans de vrouwelijke vorm. Het is geen eigennaam, maar een soortnaam, d.i. gewoon zelfstandig naamwoord. Het is afgeleid van een werkwoord, dat vergaderen, verzamelen betekent. Het doel van de samenroeping was: Gods wegen te beschouwen en te rechtvaardigen in verband tot Zijn woorden.

Structuur:

A1 1:1 Inleiding.

B1 1:2 - 6:9 Het voornaamste goed. Wat het niet is.

B2 6:10 - 12:12 Het voornaamste goed. Wat het is.

A2 12:13-14 Besluit.


ESTHER
Esther betekent: "Ster". We leren uit het boek, hoe God waakt over Zijn volk, als het in de macht van zijn vijanden is. Hij is de Leidende Ster, Die schijnt in het donker van de vijandelijke nacht. Door de eenvoudigste middelen doet Hij alle aanslagen te niet.

Structuur:

A1 1:1 Ahasveros. Regering. Uitgestrektheid van het Rijk.


B1 D1 1:2 - 2:20 Ahasveras. Op zijn troon.

E1 F1 2:21-23 Mordechaï. Ontdekking van de aanslag van Bigtan en Teres.

G 3:1-15 Haman. Zijn aanslag.

      F2 4:1-3 Mordechaï. Bekendmaking van Hamans aanslag.

    C1 4:4 - 5:14 Esther. Haar tussenkomst.


B2 D2 6:1 Ahasveros. Te bed.

E2 H1 6:2-3 Mordechaï. 's Konings vraag.

I 6:4-9. Haman. 's Konings vraag.

      H2 6:10-11 Mordechaï. 's Konings bevel.

   C2 7:1 Esther. Haar maaltijd.


B3 D3 7:2 Ahasveras. Aan Esthers tafel.

E3 J1 7:2 De Koning. Zijn vraag en belofte.

K 7:3-4 Esther. Bede om het leven.

      J2 7:5-10 De Koning. Zijn vraag en toorn.

    C3 8:1 Esther. Haar koninklijke gift.


B4 D4 8:1-2 Ahasveros. Op zijn troon.

E4 L1 8:3-6 Esther. Bede voor haar volk.

M 8:7-17 De Koning. Zijn bevel.

     L2 9:1-28 Esther. Bede voor haar volk. .

   C4 9:29-32 Esther. Haar koninklijk gezag


A2 10:1-3 Ahasveros. Uitgestrektheid van het Rijk.


DANIEL
Daniël betekent: God is Rechter. Daniël handelt vooral over de tijden der Heidenen, aan wie Israël onderworpen is. We zien Gods oordeel over Israël, uitgevoerd door de Volken, en Zijn oordeel over de Volken, vanwege het Israël uit haat aangedane leed. Eindelijk wordt het Rijk, het Koninkrijk der hemelen, d.i. het van uit de hemelen toebereide Koninkrijk op aarde, opgericht, 2:44; 7:27.

Bezien de andere profeten Israëls toekomst meer vanuit Israël, Daniël beziet die meer van buiten af. Een deel is in het Chaldeeuws geschreven, n.l. hfdst. 2:4 - 7:28. Bij hfdst. 8:1 begint het Hebreeuws weer. Het historisch deel van de gang van de tijden der Heidenen is in “heidense” taal; het bevat de overheersing van Israël. Het profetische deel is in het Hebreeuws, terwijl het wijst op de tijd van het einde van die heerschappij en de gebeurtenissen, die er toe leiden om het Koninkrijk weder aan Israël op te richten. (Hand. 1:6).

Daniël is de onderbouw van De Openbaring. Het gaat uitsluitend over Israël, over Daniëls volk: “Uw volk”. De “Kerk” komt er niet in voor, evenmin als in het overige van het O.T. Wat de vervulling betreft, zijn we nog niet eens tot Daniël 7 genaderd. De sleutel èn voor De Openbaring èn voor de naaste toekomst ligt in Dan. 2.

Structuur:

A1 1:1-21 Ballingschap van Juda. Historie. Gebeurtenissen, verbonden met het begin er van.

B1 2:1-49 De droom van Nebukadnezar. Het begin en de duur van de tijden der Heidenen.

C1 3:1-30 Daniëls vrienden. De brandende oven. Bevrijding door een engel.

D1 4:1-37 De eerste koning van Babel. Nebukadnezars droom van de grote boom. Zijn tijdelijke afzetting.

D2 5:1-31 De laatste koning van Babel. Belsazar. Gezicht van de hand. Finale afzetting.

C2 6:1-28 Daniël zelf. De kuil van de leeuwen. Bevrijding door een engel.

B2 7:1 - 8:27 De droom en het gezicht van Daniël. Het einde van de heerschappij der Heidenen.

A2 9:1 - 12:13 De verwoestingen van Jeruzalem. Profetische aankondigingen, verbonden met het eind er van.


EZHA-NEHEMIA
Ezra betekent: “Hij helpt”, Nehemia: “Trooster van (d.i. aangesteld door) Jah (afgekorte vorm van Jehovah)”. Ezra-Nehemia vormen feitelijk één geheel, zoals blijken zal uit de bouw. Toch is van elk boek een afzonderlijke structuur te geven. Korte samenvatting:

A1 Ezra: Herbouw van de tempel te Jeruzalem.

A2 Nehemia: Herbouw van de muren van Jeruzalem.

Structuur van A1 Ezra. Herbouw van de tempel.

A1 B1 1:1-4 (N1) Het volk. Bevrijding.

C1 1:5 - 2:70 (O1) Terugkeer onder Zerubbabel.

D1 3:1-6 (P1) Het altaar. Opbouw en feest.

D2 3:7 - 6:22 (Q2) De tempel. Opbouw en feest.

C2 7:1 - 8:36 (02) Terugkeer onder Ezra.

     B2 9:1 - 10:44 (N2) Het Volk. Inwijding. Hervorming.

Structuur van A2: Nehemia. Herbouw van de muren.

A2 E1 1:1 - 6:19 (J1) De muur. Herbouw. Wanorde overwonnen.

F1 H1 7:1-4 (M1) Jeruzalem. Bevelvoering er over.

I1 7:5-73 (01) Terugkeer onder Zerubbabel.

G1 7:73 - 8:18 (P1) Feest van de 7de maand (426 v. Chr.).

G2 9:1 - 10:39 (N2) Feest van de 7de maand (404 v. Chr.).

F2 H2 11:1-36 (M2) Jeruzalem. Landvoogden er in.

I2 12:1-26 (M2.) Terugkeer onder EZra.

     E2 12:27 - 13:31 (J2) De muur. Inwijding. Wanorde overwonnen.

Om Ezra - Nehemia te begrijpen, moet men de twee boeken in elkaar schuiven, m. a. w. de overeenkomende feiten eerst naast elkaar plaatsen en daaruit een geheel opbouwen. Aldus:


Ezra
Nehemia
1:1 - 6:19 De muur. Herbouw. Uitwendige wanorde overwonnen.
!:1-4 Het volk. Bevrijding
7:1-4 De toestand van de stad. Weinig volk. Huizen niet herbouwd.
1:5 De terugkeer onder Zerubbabel.
7:5-73 De terugkeer onder Zerubbabel.
2:70 Tempel nog verwoest. Feest van de 7de maand (426 v. Chr.)
7:73 - 8:18 Feest van de 7de maand (426 v. Chr.).
3:1-13 De tempel. Fundering gelegd.
4:1- 6:15 De tempel gebouwd.
6:16-22 Inwijding van de tempel.
7:1- 8:36 Terugkeer onder Ezra.
9:1-4 Feest van de 7e maand (404 v. Chr.).
9:1-37 Feest van de 7e maand (404 v. Chr.)
9:5 Scheiding van het volk. Ezra's gebed.
9:38 Scheiding van het volk. Der Levieten gebed.
10:1-44 Vreemde vrouwen weggezonden. Verbond gemaakt.
10:1-39 Vreemde vrouwen weggezonden. Verbond gemaakt.
11:1 - 12:26 Landvoogden in Jeruzalem.
12:27-47 Inwijding van de muur.
13:1-31 Reformatie van het Volk.



Nu kunnen we de structuur van Ezra - Nehemia als één geheel geven. De historische en chronologische (tijdrekenkundige) volgorde van de gebeurtenissen is deze:

A1 A2 J1 Neh. 1:1- 6:19 (E1) De muur. Herbouw. Enz.

K1 M1 Neh. 7:1-4 (H1) Jeruzalem. Bevelvoering er over.

N1 Ezra 1:1-4 (B1) Het Volk. Bevrijding.

L1 O1 Neh. 7:5-73 (I1) Terugkeer onder Zerubbabel. Ezra 1:5 - 2:70 (O1)

P1 Neh. 7:73 - 8:18 (G1) Ezra 3:1-7 (D1) Feest van de 7e maand (426 v. Chr.).

Q1 Ezra 3:8-13 (D2) De tempel. Fundering.

Q2 Ezra 4:1 - 6:22 (D2) De tempel. Opbouw, inwijding.

L2 O2 Ezra 7:1 - 8:36 (G2) Terugkeer onder Ezra.

P2 Neh.9:1-3 (G2) Ezra 9:1-4 (B2) Feest van de 7e maand (404 v. Chr.).

K2      N2 Neh. 9:4 - 10:39 (G2) Ezra 9:5 - 10:44 (B2) Het Volk. Scheiding.

      M2 Neh. 11:1 - 12:26 (F2) Jeruzalem. Landvoogden er in.

J2 Neh. 12:27 - 13:31 (E2) De muur. Inwijding. Enz.


De letters tussen haakjes verwijzen naar de structuren, die we hierboven van Ezra en Nehemia afzonderlijk gaven.


KRONIEKEN
In het Hebreeuws heet dit boek: Woorden der dagen. We hebben, zoals we reeds eerder opmerkten, hier geen herhaling van Sam.-Kon., maar een commentaar, een nadere toelichting, over de gebeurtenissen, zoals de Here ze ziet. We zien uit dit boek, hoe God alles in handen heeft.

Structuur:

A1 1 Kron. 1:1 - 9:1 Tot de Ballingschap. Geslachtslijnen.

B1 1 Kron. 9:2-44 Na de terugkeer

A2 1 Kron. 10:1 - 2 Kron. 36:21 Tot de Ballingschap Historie.

B2 2 Kron. 36:22-23 Na de terugkeer.


 




Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden