Het Anti-Goddelijk Trio

--        Satan       --
De Mens der zonde
De   Valse   Profeet


SATAN

IV. DE MORGENSTER.

Jesaja 14.

Tijd en omstandigheden. Nu nemen we Jesaja 14. Naar ons inzicht vinden we Satan ook hier besproken. We lieten Ez. 28 voorop gaan omdat dit èn nauwer aansloot bij Gen. 3 door het noemen van de hof van Eden èn een breed overzicht geeft van Satans begin en einde voor zover de profeet dit mocht zien. We kregen er een heel overzicht door. Hiermee is Jesaja 14 gemakkelijker te benaderen. Dit geeft andere Bijzonderheden en staat meer stil bij een deel van Satans lot, nl. als hij in de afgrond komt (Openb. 20). We geven eerst de structuur. We moeten echter opmerken, dat dit deel feitelijk met Jesaja 13 één geheel vormt.

K | L | 14 :1-3. Profetie. Israëls herstel.

M | c1 | 14: 4-8. De verdrukker houdt op.

     d1 | 14 :9-11. Hoon van de doden.

        c2 | 14 :12-15. De verdrukker gevallen.

     d2 | 14 :16-20. Hoon van de levenden.

N | 14 :21,22 Ontvolking.

O | 14 :22. Verwoesting.



Elk van de delen correspondeert met een deel uit Jes. 13. Dit handelt over Babels verwoesting. Het reikt echter ver heen over de inneming door de Meden en Perzen en spreekt over de dag des Heren , vs. 9 die nog toekomstig is (zie Op. 1:9, 10. Jesaja 13:10, 11). Nimmer is Babel omgekeerd als Sodom en gomorra, 13:19. Dat is eerst als het met vuur verbrand wordt door het Beest en zijn vorsten, Openbaring 17 :16. Jes. 13:20-22 is nog onvervuld.

Nu gaat hoofdstuk 14 verder met de profetie, dat God Zich over Israël zal ontfermen en het weer in zijn land zal zetten, waarbij dan de vreemdeling zich tot hen zal vervoegen en hen zal aan hangen, vs. 1. De volken zullen hen in hun land brengen, vs. 2. Dan zal Israël hen erfelijk bezitten in het land des Heren tot knechten en tot maagden, zij zullen gevangen houden die hen gevangen hielden en heersen over hun drijvers, vs.2. Dat is vanzelf alles toekomstig, Jesaja 49:23, 60:9-14, 61:5. En eerst dan, ten dage als de Here hun rust zal hebben gegeven, van smart en van beroering, en van de harde dienstbaarheid, dan zullen zij deze spreuk opnemen tegen de Koning van Babel:

"Hoe houdt de drijver op, hou houdt de goudene op. De Here heeft de stok der goddelozen gebroken, de scepter der heersers, die de volken plaagde in verbolgenheid met een plaag zonder ophouden; die in toorn over de heidenen heerstte, die wordt vervolgd zonder dat het iemand afweren kan. De ganse aarde rust, zij is stil, zij maken groot geschal met gejuich, ook verheugen zich de dennen over u en de ceders van Libanon, zeggende: Sinds gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op die ons afhouwe", vs. 4-8.

Enkele aantekeningen: Voor "spreuk" kan men lezen: "uiting, weergave wat in het gemoed leeft" (zie Num. 23:7, 18, 24:3, 15, 20, 21, 23 Mich. 2:4, Hab. 2:6, Job. 27:1, 29:1). Voor "goudene" kan men, als men aanneemt, dat de Hebr. R eigenlijk een D moest zijn --- ze gelijken veel op elkaar --- lezen: "de verdrukking", wat in deze zin logischer is te noemen. Voor "de stok der goddelozen" kan men als men het meervoud goddelozen opvat als een intensiteitsmeervoud, d.w.z. een meervoudsvorm die eigenlijk sterk de goddeloosheid wil uitdrukken, lezen: "de stok des goddelozen". Bedoeld is dan de Koning van Babel. Zo ook voor: "de schepter der heersers": "de schepter des heersers. Dit vraagt het vervolg want in: "die de volken plaagde" staat plaagde in het enkelvoud en ziet dus terug op één goddelozen en heerser. Zo ook met: "die over de heidenen heerste". Ook hier de enkelvoudsvorm. Voor: "die wordt vervolgd zonder dat het iemand afweren kan" is te lezen: "die vervolgde met een niet sparende vervolging". Vers 8 betekent vanzelf, dat de drijver nu geen hout meer afkapte voor krijgsdoeleinden en de bomen verder liet staan. Zij worden sprekende ingevoerd, zinnebeeld dat de mens zich er over verheugde nu ook het geboomte bleef staan.

Hiermee is men enigszins georieënteerd (op de hoogte gesteld) onder welke omstandigheden en op welke wijze Israël zich eens zal uiten. Men ziet tevens, dat dit veel verder reikt dan Nebukadnezar. Het is nog geheel onvervuld en heeft eerst plaats in de toekomst. Met de "Koning van Babel" kan dus niet Nebukadnezar aangegeven zijn. Het moet een ander zijn. Sommigen menen, dat het de Antichristus is; anderen, dat het de toekomstige koning van Babel in de eindtijd is. We geloven, dat beide onjuist is en zullen dit hier eerst aantonen.

De Antichristus --- men bedoelt het eerste Beest van Openbaring 13, de Antichrist is eigenlijk het tweede --- zal met tien koningen tegen Babel, de grote Hoer oprukken en het verbranden, Openbaring 17. Hij kan het niet zijn want hij komt niet in de sheool maar in de vuurpoel. De toekomstige koning van Babel in de eindtijd is het ook niet, want hij is een der zeven hoofden van Openbaring 13 en hem treft geen apart lot buiten de anderen. Zo gaan beide niet op.

De hoon der doden. Vs. 9-11 geeft de hoon van de doden weer.

"De hel (sheool) van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, de bokken der aarde, zij doet al de koningen der Heidenen van hun tronen opstaan. Die altegader zullen antwoorden en tot u zeggen: Gij zijt ook krank geworden gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden. Uw hoovaardij is in de hel (sheool) nedergestort met het geklank uwer luiten, de maden zullen onder u gestrooid worden en de wormen zullen u bedekken".

De profeet stelt in deze woorden zinnebeeldig de ontvangst van de "Koning van Babel" voor in de "hel". De "hel" is de sheool, de hades, de grote verblijfplaats van de doden. We zien, hoe hij zinnebeeldig met schimp ontvangen wordt. Evenals op aarde een vorst tegemoet wordt gegaan, zo zien we dat hier. De doden, hebr.: de rephaim, mogelijk de grote reuzen van Deut. 2:11, 20; 3:11, 33. Joz. 12:4, 13:12, 15:8; 17:15; 18:16 en andere tijden (zie Jes. 26:14: overleden Hebr. Rephaim en 26 overledenen) worden met de bokken der aarde --- eenmaal de trotsche, zelfzuchtige, harde heersers op aarde alsook de overige koningen opgewerkt om de Koning van Babel te ontvangen. De koningen van de Heidenen worden nog op hun tronen gezien, wat zinnebeeldig hun praalgraf uitdrukt en hun koninklijke eretekenen die met hen mee ten grave zijn gebracht. Zij allen ontvangen de "Koning" met schimp en hoon en zeggen: "Gij zij ook krank, d.i. zwak, mat, geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden". Ook hij is in de Sheool gekomen. Al zijn hovaardigheid ligt ter neer, al zijn heerlijkheid is vergaan; de muziek die hem vervrolijken moest, heeft opgehouden en nu is hij in een plaats waar de maden en wormen heerschappij voeren en de doden doorgraven en verteren.

We zeiden reeds dat dit veel verder reikt dan Nebukadnezar. Het kan naar we reeds aanwezen, niet op de mens der zonde slaan. Deze toch is het (eerste) Beest van Openbaring 13 en dit wordt bij ‘s Heren wederkomst in de poel des vuurs geworpen, Openbaring 19:20. Het komt niet in de sheool of hades.

Dit is wel het geval met Satan. Hij immers wordt in de afgrond gesloten, Openbaring 20:3. De afgrond is de Hades. Christus is in de afgrond geweest, Romeinen 10:7. Dit is de Sheool, Handelingen 2:27 en 31. En in die Hades, het rijk der doden, wordt nu ook Satan geworpen na vooraf gebonden te zijn. Daarna wordt de afgrond boven hem verzegeld, Openbaring 20:3. Het inkomen daarin nu ziet Jesaja en hij laat hem, in dichterlijke verbeelding, ontvangen door hen die reeds daarin zijn. Nu moet Satan die het geweld des doods heeft gehad onder de doden vertoeven; duizend jaar zit hij daat. Hij is niet dood, maar wordt bij de doden gebonden gehouden; zelf zwak en machteloos gemaakt, vertoeft hij daar bij hen die hij eenmaal ten grave deed nederdalen. De hoon en spot wordt niet ten onrechte gehoord.

Satans uitwerping en binding. In vs. 12-15 wordt ons nog verder de toekomst van Satan beschreven. Daarin is de beschrijving van zijn val verweven. "Hoe zijt gij uit de hemel gevallen". Dit kan niet van een mens gezegd worden. Geen mens is ooit nog uit de hemel gevallen of zal daaruit vallen, want geen natuurlijk mens is ooit in de hemel opgeklommen. Men kan eerst door uitopstanding naar het overhemelse varen en door opstanding en verandering in een punt des tijds naar het Vaderhuis in de hemelen. Maar geen zal ooit uit een van beide sferen uitgeworpen worden. Van Satan staat wel dat hij uit de hemel geworpen wordt. Ook Christus heeft dit voorzien, als we tenminste Lukas 10:18. "Ik zag de Satan als een bliksem uit de hemel vallen" op zijn toekomstige uitwerping mogen toepassen.

Die uitwerping geschiedt, als Michaël tegen hem krijgt. Dan is de afloop deze: "En de grote Draak is geworpen, namelijk de Oude Slang welke genaamd wordt Duivel en Satan die de gehele wereld verleidt, hij is (zeg ik) geworpen op de aarde en zijn engelen zijn met hem geworpen". Dan wordt Jesaja 14:12 werkelijkheid en is het:

"Hoe zijt gij uit de hemel gevallen". En ook de volgende verzen: "O Morgenster, gij zoon des Dageraads! Hoe zijt gij ter aarde nedergekomen, gij die de Heiden krenktet en zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden. Ja, in de hel (sheool) zult gij nedergestoten worden, aan de zijden van de kuil".

De naam "Morgenster" komt alleen hier voor. We zeiden reeds, dat sommige uitleggers menen, dat hiermee de afnemende maansikkel bedoeld is. Het kan alleen de àfnemende sikkel zijn, omdat de wassende maan alleen ‘s afvond of in de voornacht aan de hemel staat. In het Hebr. Is het één woord. Het woord "ster" komt er in het geheel niet in voor. Toch komt het ons aannemelijker voor hier aan de morgenster te denken. De afnemende maansikkel is geen verheven beeld om de schoonheid van Satan te beschrijven. Ook de bijvoeging "zoon des dageraads" wijst daar o.i. op. De morgenster kondigt niet alleen de morgen aan, de dageraad brengt hem als ‘t ware voort. Vanzelf, van de aarde uit bezien. Dat is niet het geval met de maansikkel. Deze staat reeds de gehele nacht of de nanacht aan de hemel en kan zeer moeilijk "zoon des dageraads" heten. Veel beter: "zoon des nachts". We geloven daarom dat de Staten Vertaling juist is.

Niet alleen Satan heet "Morgenster". Ook Christus draagt die naam. In Open. 22:16 zegt Hij zelf: "Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster". En 2 Petr. 1:19 zegt tot een groep gelovigen : "En wij hebben het profetische woord dat zeer vast (Gr.:vaster) is en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt (als op een licht schijnende in een duister plaats --- nl. in de duistere tegenwoordige wereld --- totdat de dag aanlichte --- dit is dan de toekomende eeuw --- en de Morgenster --- Christus --- opga) in uw harten". Men leze: het middengedeelte als een tussenzin. De Morgenster gaat niet op in de harten, maar men moet in zijn hart acht nemen op het profetische woord.

Het is opmerkelijk dat èn Satan èn Christus de naam "Morgenster" dragen. Echter --- Christus heeft meerdere namen met anderen gemeen. Hij heet ook "Satan" d.i. Tegenstander (Num. 23) Hij heet Engel des Heren en des Verbonds. Hij noemt zichzelf een mens, Hij heet Zoon des mensen evenals Ezechiël (want Mensenkind is in het Hebr.: zoon des mensen) Hij heet God, Satan heet God dezer eeuw, enz. Zo deelt Hij meerdere namen met zondige schepselen. Ook die van Morgenster. Zijn meerderheid wordt hier aangegeven door het woord, "de" ; Hij is dè Morgenster, d.i. bij uitnemendheid.

Sommige uitleggers willen voor "Morgenster" wat anders lezen. Zij zeggen dat het een gebiedende wijs is van het werkwoord "huilen" en er dus moet staan: "Huil gij zoon des dageraads". Nu is het waar dat de vormen van beide woorden gelijk zijn, maar het is geheel tegen de zin ingaande hier te lezen : "huil". Men probeere slechts: "Hoe zijt gij uit de hemel gevallen. Huil, zoon des dageraads. Hoe zijt gij ter aarde nedergekomen, gij die de Heidenen krenktet". Dit klopt niet. Het woord "huil" is niet op zijn plaats. Het is pure inlegkunde dat hier te plaatsen. Zij die dit voorstaan, willen in de Morgenster niet Satan zien maar een toekomstig "Koning van Babel". Al aangenomen dat het moest zijn "Huil, zoon des dageraads", dan nog moet de laatste term verklaard worden en uit het geheel bewezen, dat het hier een letterlijke koning van Babel betreft.

Voor ons staat de zaak anders. Geen enkel menselijk wezen in de Schrift heeft ooit geuit wat deze zoon des dageraads wenst. De wereldveroveraars hebben wel de wereld willen beheersen, maar zelfs Nebukadnezar, de koning van Babel, komt in zijn droom niet verder dan een hoge boom die tot aan de hemel reikt, en die gezien wordt tot aan het einde der ganse aarde, Dan. 4:11. De mens is tevreden met de aarde. Hij komt niet verder omdat hij als natuurlijk wezen in het aardse staat. De koning van Babel van Jesaja 14 gaat veel, veel verder. Hij wil niet alleen tot aan de hemel reiken, maar zijn troon boven de sterren Gods verhogen. Hij wil boven de wolken klimmen, ja de Allerhoogste gelijk worden. Over het uit de hemel vallen, spraken we reeds. Dat is ook met geen mens het geval geweest, merkten we op. Wie dus bij de letter van Jesaja 14:14 blijft staan en zegt: dit betreft de koning van Babel, moet dezelfde letter van vs. 12 en 13 verkrachten. Beter is het meerdere, het getuigenis van deze verzen, ook het meerdere te laten en in de koning van Babel de opperkoning Satan te zien. Dan komt men tot een veel beter geheel.

Nog een enkel woord over vers 12. De nederwerping van Satan wordt in twee trekken beschreven: hij valt uit de hemel en wordt ter aarde nedergehouwen. Dit wijst op twee zijden van één zaak: van uit de aarde bezien, is het een vallen, vanuit de hemel bezien een nederhouwen. Jes. 14 zinspeelt hier op Openbaring 12:7. Daarin zien we Michaël tegen de Draak krijgen. Hij wordt overwonnen, vers 8 en op de aarde geworpen, vers 9. De voltooide tijd die we in Jes. 14 vinden, is de profetisch voltooide. In werkelijkheid moet het nog plaats hebben.

Men zou kunnen vragen: Hoe kan Satan, een geestelijk wezen --- hij heet immers "geest" om Efeze 2:2 --- plaatselijk zijn. We antwoorden hierop dit: men heeft een verkeerde voorstelling van geesten. Men meent veelal, dat ze overal tegenwoordig zijn. We achten dit beslist onjuist. Een redelijk geestelijk wezen heeft als schepsel een zekere vorm en is daarmee plaatselijk. Het heet geen geest omdat het overal tegenwoordig is, maar omdat het een andere bestaanswijze heeft: het kan verschijnen en verdwijnen. Engelen heten ook geesten (Ps. 104), maar niettemin hebben ze toch wel een lichaam. Echter, geen aards, stoffelijk, maar een geestelijk. Zo menen we ook, dat Satan een lichaam heeft, geen aards stoffelijk, maar van een andere soort. We komen hierop nog nader terug.

Satans zonde. In vers 13 en 14 vinden we Satans zonde beschreven. 1 Tim. 3:6 spreekt over in het oordeel des duivels vallen. Dit kan geschieden met een die opgeblazen wordt. Dat is: "hoogmoedig". Hierin ligt een aanwijzing welke Satans eerste zonde geweest is. In Jesaja 14 vinden we die uitgewerkt. Satan was niet tevreden met het wandelen te midden van de vurige stenen, op Gods heilige berg, Ez. 28. Hij wilde ten hemel opklimmen en zijn troon hoger maken dan de sterren Gods. De sterren zijn de engelen. Job. 38:7 zegt: "toen de morgensterren tezamen vrolijk zongen en al de kinderen (zonen) Gods juichten". (Voor "morgensterren" staat in het Hebr. "sterren des morgens", hier wordt dus wel het woord "sterren" gebruikt). Satan nu wilde boven hen verhoogd worden.

Nu moeten we toegeven dat hij in wezen boven de engelen stond. Als zodanig is er dus iets voor zijn voornemen te zeggen. Alleen, het was Gods tijd er nog niet voor. God had hem die plaats wel gegeven als hij slechts op Hem had gewacht. Eerst moest hij wandelen op Gods heilige berg en dienen in Zijn heiligdommen (Ez. 28) Hij wilde echter nu al opstijgen naar de berg der samenkomst in het noorden. Dit is een figuurlijke term, evenals de andere in deze verzen (opklimmen, sterren, samenkomst), het ook zijn; hij wijst op een bepaald centrum waar God Zijn tegenwoordigheid in de hemelen het meest openbaart. De cherubs waren de vertegenwoordigers van Zijn troon op aarde. Satan weet dat Hij ook een troon in de hemelen heeft en dat Hij daar Zijn tegenwoordigheid luisterrijker openbaart. Daarheen wil hij nu opstijgen, daar, in het Noorden, wil hij in de samenkomst der goden Gods komen. Daar immers staat God in de vergadering Gods, Ps. 82:1. Daar zijn de kinderen (Hebr.: zonen) der sterken, Ps. 89:1, daar is de raad der heiligen, vs. 8. Maar ook dat is hem nog niet genoeg: hij wil nog verder en de Allerhoogste gelijk worden!

Hier vinden we in opklimmende reeks het proces van de zonde in Satan. Begonnen met hovaardij, vs 11. Omdat zijn hart zich over zijn schoonheid verhief (Ez. 28:17), wil hij eerst ten hemel opklimmen, dan zich boven de engelen verhogen, in de vergadering Gods komen en eindelijk aan God de Allerhoogste gelijk worden.

De zonde van hoogmoed begon met niet te blijven in de sfeer waarin hij geplaatst was. Hij wilde zichzelf verhogen. Daaruit vloeide een tweede voort: Hij wilde de grens tussen Schepper en schepsel uitwissen: "hij wilde God gelijk worden". Hier gaat de afhankelijkheid te loor. Niemand kan God gelijk worden; Hij is boven allen. Satan was echter zo grenzenloos hoogmoedig dat hij zich dat toch voornam. Hiermee randde hij Gods majesteit en troon aan: hij de dienaar, wil de heerser worden; van overdekkende cherub op aarde, wil hij gebieder worden op de troon der Majesteit in de hemelen.

Men denke zich de gang van zaken nogmaals in. Satan was een voortreffelijk wezen op aarde. Hij was op Gods heilige berg in Eden (Ez. 28). Daar stond hij te midden van de schoonste pracht der oorspronkelijke schepping, welker toppunt hij was. Hij was het schoonste wezen. Dit vervoerde hem tot hoogmoed. Hij wilde hoger op. Hij zag waarschijnlijk engelen neerkomen en opvaren, hij sprak met hen en hoorde dat zij een plaats van samenkomst hadden in het noorden die op een berg geleek. Hij vernam, dat daar rijksgroten waren die goden genoemd werden. Nu ontwaakte in zijn hart een hoger begeerte: daar ook te kunnen komen. Op zichzelf was daar niets tegen: God had hem zeker verhoogd als hij hier op aarde zijn taak volbracht had. Hij was in wezen óf hoger dan die vorsten óf kon althans als huns gelijke optreden. Maar --- hij had Gods tijd moeten afwachten. Evenals een vorstenzoon moet wachten totdat hij meerderjarig is om met de rijksgroten te verkeren en in alle zaken des rijks ingeleid en ingewijd te worden, had ook Satan dit moeten doen en willen; hij was nu nog slechts op aarde waar God een troon had. Hoewel hij geschapen was na de engelen (want hij behoorde tot de aarde en toen deze nederzonk op haar grondvesten, waren zij er reeds, Job. 38:6,7), had hij toch hoger bestemming: zij waren en zijn troonboden, hij was troonoverschaduwer. Echter, de tijd voor een hogere bestemming was nog niet aangebroken; hij was nog dienaar op aarde. Dit nu heeft hij niet kunnen verdragen, hij moest en zou hoger en wilde zelfs Gods plaats innemen.

Mislukking. Tegenstelling. Is dit gelukt? Satan heeft wel de grenzen overschreden. Uit Job 1 en 2 weten we, dat hij in de vergadering der zonen Gods kwam, Ef. 2 noemt hem de overste van de macht der lucht. Hieruit zou af te leiden zijn, dat God hem betrekkelijk zijn begeerte heeft doen verkrijgen: hij kon zich in hogere sferen verplaatsen. Maar, wie zich verhoogt, zal vernederd worden. Toen Satan zag, dat het toch niet werd zoals hij wilde, toen hij zag dat God Zich niet van Zijn troon liet verdringen, toen mogelijk de cherubs ook hem hadden afgeweerd, toen begon hij God te lasteren. (Ez. 28:16, 18 koophandel: laster) dit ontstak een vuur in hem dat hem langzaam verteert: evenals de zon zichzelf letterlijk opbrandt, zo geschiedt dit met Satan figuurlijk. Het duurt echter lang. Eenmaal vordt hij uit de hemel op aarde geworpen, hij wordt gebonden en in de afgrond geworpen en daar zal hij aan de zijden van de kuil nedergestoten neerliggen temidden der doden. Echter als een levendbegravene. Wormen zullen om hem heen wroeten, maden zullen hem bedekken, krank, d.i. verzwakt zal hij het moeten verdragen, dat hij door hen doorwoeld en dooreten wordt. Van Herodus staat, dat hij levend van de wormen gegeten werd. Hij stierf al spoedig, Hand. 12:23. Satan wordt duizend jaar met maden overdekt. Welk een diepe vernedering, welk een zware straf. Maar --- onrechtvaardig is ze niet. Hij kan nu zelf zien wat voor onheil hij heeft aangericht.

We maken hier drie tussenopmerkingen.

  • Welk een tegenstelling is er tussen hem, de overdekkende cherub die een taak op aarde kreeg maar die niet vervulde en Hem Die door de Vader uitgezonden was om het onheil, mede door Satan veroorzaakt, te herstellen. Christus heeft Zich volkomen aan Gods wil onderworpen. Hij heeft Zich diep vernederd, tot de dood, ja de dood des kruises, maar week niet af van de opdracht Hem gegeven. Hij heeft Gods wil volbracht en daarmee een wereldheil bewerkt, dat het onheil verre overtreft. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem gezet in Zijn Rechterhand. Dit als eerste opmerking.

  • De tweede is deze. Satan wilde de Allerhoogste gelijk worden en zich daarmee ongetwijfeld zetten op de troon van Christus. Dit was echter onbereikbaar voor hem. Aan Gods rechterhand zal Satan nimmer plaats nemen, omdat dit hem niet bereid is. Maar wel zal daar zetelen het Lichaam van Christus. Zoals Deze gezet is aan Gods rechterhand, Ef. 1:20, zo wordt het Lichaam daar mede gezet, Ef. 2:6. Dit alles wordt nu uit genade geschonken.

  • De derde is: God wederstaat de hovaardigen. De hele wereldgeschiedenis vanaf Satans val is Gods wederstand tegen de hoogmoedige cherub. Deze worsteling is nog niet ten einde. Zijn kop is nog niet vermorzeld. Dit verhindert echter niet, dat God naar Zijn eigen voornemen en genade roept en de eeuwen uitwerkt. We kunnen dit veilig aan Hem overlaten, ondanks Satans woede en lastering. God heeft Zijn troon behouden en werkt het plan uit naar de raad van Zijn wil.

Satans toekomstige werk en lot. In vs. 16-20 horen we de levenden honen. Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten zeggen:

"Is dat die man die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven, die de wereld als een woestijn stelde en haar steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet losgaan naar huis toe? Al de koningen der Heidenen, zij allen liggen neder met eere, een iegelijk in zijn huis. Maar gij zijt verworpen van uw graf als een gruwelijke scheut, als een kleed der gedooden die met het zwaard doorstoken zijn, als zij die nederdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam. Gij zult bij dezelven niet gevoegd worden in de begrafenis, want gij hebt uw land verdorven en uw volk gedood; het zaad der boosdoeners zal in eeuwigheid niet genoemd worden".

Aan deze "Koning van Babel" wordt elk graf ontzegd. Hij ligt niet neer in "zijn huis", in een graftombe of mausoleum; hij is als een in de strijd gedode die niet begraven wordt, als een verworpen scheut, als een inrein kleed dat men ver in een of andere put werpt, als zulke die na hun dood in een steengroeve worden geworpen en met stenen worden bedekt, als een vertreden dood lichaam. Alle begrafenis wordt hem dus ontzegd.

Men lette er op, dat het gaat over de wijze van begraven, over de eer een luisterrijke begrafenis te hebben ontvangen voor een koning van Babel die in de sheool te vinden is. Het behoeft niet in te sluiten, dat hij dood is. Hij mist de eer van een koningsbegrafenis. Daar gaat het over. Vorsten worden met koninklijke eer begraven; hem de koning van Babel is deze ontzegd.

De profetie openbaart hier niet alles. Ze zegt niet wat Openbaring 20 leert, n.l. op welke wijze hij in de afgrond wordt gesloten. Vs. 9-11 zeggen wel, dat het zonder begrafenis is, maar niet hoe het wel is.

Dit alles kan niet gelden van Nebukadnezar. Deze is ongetwijfeld met alle pracht en praal begraven; hem is ongetwijfeld een grootse begrafenis ten deel gevallen. Het kan ook niet gelden van het Beest, want dit komt niet in de sheool maar in de vuurpoel. Het betreft ook niet een toekomstig koning van Babel uit de eindtijd, want allen die met het Beest krijg voeren tegen het Lam, worden gedood. Openbaring 19:21. Nergens staat dat één van hun of een ander koning van Babel is. Zo rest dus maar een conclusie: Deze koning van Babel is Satan zelf.

Ook het andere wat er staat, geldt voor Satan. Deze zal eenmaal de aarde beroeren en de koninkrijken doen beven. Men denke aan het "Wee de aarde en de zee (grondtekst), want de duivel is tot u afgekomen", Openbaring 12:12.

Van hem staat nog iets: "hij laat zijn gevangenen niet naar huis gaan". Men kan dit letterlijk nemen met het oog op de toekomst. We geloven dat er diepere zin in ligt en het betekent, dat hij die het geweld des doods heeft, het graf gesloten houdt en zij die er eenmaal in zijn gekomen niet weer laat gaan. Hij sluit ze allen op in de Hades, de Dood of de Zee. Alle doden zijn zijn gevangenen. Ze kunnen eerst door het ingrijpen van Christus uit hun graven uitkomen. Dit zal wel niet allemaal tegelijk zijn, maar Hij heeft toch de sleutels van Hades en Dood, Openbaring 1:18.

Satans gedaante. Is al het gezegde van vs. 17:20 nog toekomstig, vs. 16 is het ook. Eenmaal zal men Satan aanschouwen. "Die u zien, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten". Dan zal men hem aandachtig gadeslaan, aanschouwen, en hem de woorden toevoegen die men hier in Jesaja vindt.

Wanneer zal dit zijn? Vers 15 geeft hierop o.i. het antwoord: als hij in de Hades neergestoten is. Dus als hij gebonden is en in de afgrond ingesloten, Openbaring 20:2,3 Zeer waarschijnlijk zal men hem dan toch kunnen zien. Hij is "aan de zijden van de kuil", een put die verzegeld wordt evenals de leeuwenkuil van Daniël (6:18). Met dit verschil, dat Satan zichtbaar blijft, Gebonden als hij is en verzegeld als de put is, kan hij er niet uit. Dan zal men zeggen: "Is dit de man die de aarde beroerde?"

Voor "man" staat in Jesaja 14:16 een woord dat in Jesaja 12:9 en 5:15 vertaald is door: "aanzienlijk man". Daar staat het in tegenstelling met "de gemene man", de gewone doorsnee, niet regerende mens. Het wijst dus een man van rang aan, een aanzienlijke. Het wordt hier gebruikt om satans voormalige positie aan te geven.

Het heeft nog iets anders in: het wijst er ook op, dat Satan een mensvormige gedaante heeft. Engelen worden steeds als "mannen" gezien, zie b.v. Gen. 19:2. 5, 16 en Hand. 1;10. Gabriël, waarschijnlijk een aartsengel, heet een man, Dan. 9:21. Hier staat weer hetzelfde woord "man" als in Jesaja 14. We geloven dat al die hemelwezens de mensvormige gedaante hebben, omdat ook zij geschapen zijn naar het beeld van de Eerstgeborene van de creaturen, Christus, en Deze ook mensvormig is. Ze hebben vanzelf geen aards menselijk lichaam, maar hun hemels lichaam is mensvormig. Satan heeft ook een mensvormige gedaante. Die heeft Eva gezien als engel des lichts en daardoor is ze verleid.

Als hij op aarde wordt geworpen, zal hij zeer waarschijnlijk ook in mensengedaante gezien worden. Hij mag dan de natuur van een draak, een slang, een duivel hebben, de vorm is een menselijke. En als mensvormig wezen wordt hij gegrepen en gebonden.

Door velen, waaronder ook veel kerkelijk-gelovigen, is vaak om aan te tonen, dat men het getal 1000 in Openbaring 20 niet letterlijk kan en moet nemen, gewezen op Openbaring 20:1: het binden van Satan met een grote keten. Dit kan niet, zegt men. Satan, een geestelijk wezen is met geen keten te binden. En evenmin als dit nu letterlijk is, is het getal 1000 letterlijk te nemen.

In het licht van Jes. 14, van de "man" met de mensvormige gedaante, willen we opmerken, dat deze weerleggers van de letterlijke opvatting in dezen, nog wel eens bedrogen konden uitkomen en het nog niet bewezen (wel beweerd) is, dat Satan, de "man", met geen letterlijke keten gebonden kan worden. De engel, een reëel wezen, kon wel eens een letterlijke keten slaan om de mensvormige gestalte van de Morgenster en hem daarmee gebonden in de afgrond werpen. Men spotte niet met Gods woord. Als men Satan ziet als een vormelijk wezen, kan het zeer wel, dat hij, mede door het werpen uit de hemel, een meer aards lichaam verkrijgt, dat grofstoffelijk is en met een letterlijke keten gebonden kan worden. God kan zeer wel Zijn Woord ook hier letterlijk bewaarheden. Men roepe niet te hard, dat dit niet kan. Als men in Jes. 14 Satan ziet, moet men ook geloven, dat hij eenmaal in de Hades komt, in een kuil. Hiermee is zijn vormelijk, ja aards lichaam reeds bewezen. ‘t Is beter de Schrift, waar mogelijk, letterlijk te nemen, dan de opinie van het verstand des vleses te aanvaarden. De Schrift heeft het laatste woord.

De Hoge. Tot slot bespreken we nog Jes. 24:21 : "En het zal geschieden te dien dage, dat de Here bezoeking doen zal over de heerscharen des Hogen in de hoogte en over de koningen des aardbodems op den aardbodem". Sommige vertalingen zetten: "de heerscharen der hogen". Het Hebr. heeft echter het enkelvoud zoals de St. V. We geloven dat hier met de "Hoge" Satan bedoeld wordt en deze tekst parallel loopt met Ef. 2:2 : "de Overste van de macht der lucht". God zal eenmaal bezoeking doen over zijn heer, evenals over de koningen des aardbodems.

Wat zal dan hun lot zijn? Dit vinden we in vs. 22 "en zij zullen samen vergaderd worden gelijk de gevangenen, in een put en zij zullen besloten worden in een gevangenis, maar na vele dagen zullen zij weder bezocht worden". Satans heerscharen, zijn engelen, overheden en machten, komen in een put. Hun wacht hetzelfde oordeel als hem. Zoals hij en zijn engelen eenmaal in het aionische vuur komen. Mt. 25, zo komen zij ook in een put, evenals hij. (Jes. 14 en 24). Dit is het eindoordeel en de eindoplossing nog niet: na vele dagen worden zij weder bezocht, d.i. waarschijnlijk wordt het hemelse heerleger met Satan ontbonden, Openbaring 20, en de koningen van de aardbodem opgewerkt om voor de witte troon te verschijnen.

Hiermee besluiten we het O.T. in deze. Veel werd er ons reeds over Satan in gegeven : zijn schepping, zonde en toekomst. We gaan nu over tot het N.T.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden