Moeten de Christen-Joden
de wet nog onderhouden?


AANHANGSEL No. 3


EZECHIELS TEMPEL EN TEMPELDIENST


Voor hen die de Schrift aanvaarden als volkomen geïnspireerd, doet zich dikwijls de vraag voor: moet men dit of dat letterlijk of figuurlijk verstaan? Dit is in het bijzonder het geval met hetgeen Ezechiël schrijft over Tempel en tempeldienst. Over de grenzen van de letterlijke uitleg handelen we in ons werk DE OPENBARING GODS (1). Vooral als het profetieën en visioenen betreft moet men heel voorzichtig te werk gaan en onderzoeken welke aanduidingen de Schrift (in de grondtekst) ons levert om iets hetzij letterlijk, hetzij figuurlijk op te vatten. In beide gevallen moeten we kunnen steunen op duidelijke aanwijzingen en moet onze opvatting passen in een synthese van alle schriftgegevens, dus niet in strijd zijn met andere schriftgegevens.

Nu blijkt het echter dat er bij hen die het geheel eens zijn met bovenstaande opmerkingen, toch een radicaal verschil van mening kan bestaan. Het is dan ook steeds nuttig ernstig rekening te houden met de argumenten van iemand die tot een andere conclusie is gekomen. Zo kan men er toe gebracht worden eigen zienswijze ofwel te verbeteren, ofwel op te geven, ofwel te versterken.

In verband met de Tempel en de tempeldienst van Ezechiël willen we daarom de redenen onderzoeken die Dr. G.Ch. Aalders er toe gebracht hebben een symbolische betekenis te aanvaarden. (2) Laat ons vooreerst Ezech. 37:21-28 behandelen.

Na een onderzoek van dit schriftdeel, besluit Dr. Aalders te recht dat we hier niet te doen hebben met een profetie die haar vervulling kan hebben gevonden bij de eerste komst van Jezus Christus op aarde. Zo besluit hij dan: “Er is geen keus: of men moet aannemen dat in het duizendjarig rijk ook weer een tempeldienst wezen zal, of men moet toegeven dat hier naar een andere dan de letterlijke verklaring moet worden omgezien”. (blz. 157)

Voor hem schijnt dan de keuze tussen deze twee oplossingen zeer eenvoudig, want hij meent dat er “voor wie de Heilige Schrift in haar geheel ten volle en zonder enig voorbehoud als gezaghebbend aanvaardt en zich voor haar getuigenis buigt, geen ogenblik van twijfel kan bestaan, dat er van geen tempel of tempeldienst in het rijk van Christus meer sprake kan zijn”. (blz. 158) In het offer aan het kruis zou, volgens hem, de onherroepelijke afschaffing van tempel, tempeldienst en heel het O.T. ceremonieel liggen. De Heilige Schrift zelf zou daarom aanleiding geven een zinnebeeldige uitlegging te doen aanvaarden.

In ons voorgaande opstel hebben we echter trachten aan te tonen dat de gehele Schrift juist veel beter tot haar recht komt als men inziet dat het O.T. ceremonieel niet afgeschaft is. Het O.T. spreekt van inzettingen die nog in de gehele toekomende aioon van kracht zullen zijn; de Here zelf bevestigt dit en Paulus bewijst door daden dat het 'n leugen was als de “valse broeders” beweerden dat hij niet getrouw de inzettingen der Wet hield. Ons besluit is dus dat de Heilige Schrift ons dwingt een letterlijke uitleg te aanvaarden van Ezech. 37:21-28.

We komen nu tot de negen laatste hoofdstukken van Ezechiël.

Dr. Aalders herinnert er de lezer aan dat het een visioen betreft (Ezech. 40:1, 2; 43:2,3). Dus ligt het, volgens hem, 't meest voor de hand de hier gegeven goddelijke openbaring zinnebeeldig te verstaan, want “het is de aard en de eigenschap van visioenen dat zij symbolen, zinnebeelden te aanschouwen geven”. (blz. 180) Daarbij verwijst hij naar Jes. 6:1-7; Jer. 1:13; Jer. 24; Amos 7:1-9; 8:1, 2; 9:1; Ezech. 37:1-14. De vraag is dus, volgens hem, niet: “zijn er ook aanwijzingen dat wij van de letterlijke zin mogen afwijken?”, maar omgekeerd: “zijn er ook redenen om van de zinnebeeldige zin af te wijken?”

De redenering van Dr. Aalders is dus zeer eenvoudig:

  1. Het is de aard en de eigenschap van visioenen dat zij symbolen zijn.
  2. Wat Ezechiël schrijft betreft visioenen.
  3. Dus moet men het heel waarschijnlijk als symbolisch opvatten.

Doch de zwakheid van dit syllogisme ligt in de eerste praemisse. Inderdaad, het object van een visioen kan ofwel iets abstracts betreffen (b.v. een toestand, een gedachte, een begrip), ofwel iets concreets (b.v. een kledingstuk, een gebouw). Abstracte dingen kunnen op twee wijzen tot het bewustzijn van de “ziener” komen: 1e. door een zinnebeeldige voorstelling door middel van concrete dingen, of 2e. door een omschrijving door middel van woorden. (Zo b.v. het gezicht van de dorre doodsbeenderen en de uitleg van dit symbool in Ezech. 37:1-14). Als het object een concreet ding is, dan “ziet” hij het min of meer zoals het werkelijk is (3). of “hoort” hij er de beschrijving van.

Meestal “ziet” de profeet niet rechtstreeks een concreet ding, doch geeft de woorden Gods weer betreffende dat ding. Een goed voorbeeld hiervan is de profetie aangaande Tyrus: “Die zullen de muren van Tyrus verderven, en hare torens afbreken; ja, Ik zal haar stof van haar wegvaren, en zal haar tot een gladde steenrots maken” Ez. 26:4). Dit werd volkomen letterlijke wijze vervuld. (4) Al komt het rechtstreeks “zien” van een concreet ding minder voor dan het zien van een symbolische voorstelling, toch mag men niet zeggen dat het de aard en de eigenschap van visioenen is dat zij symbolen zijn. Natuurlijk kan het “geziene” concrete object een symbolische betekenis hebben. Doch dit belet niet dat dit object een fysische werkelijkheid is of zal worden.

We besluiten dus dat er geen goede reden bestaat om bij een “gezicht Gods” bij voorkeur aan een symbool te denken. De tekst zelf, of de context, moet uitmaken hoe we het moeten opvatten.

Dr. Aalders geeft toe dat nagenoeg alle Joodse verklaarders en de christelijke exegeten welke “chiliastische” opvattingen zijn toegedaan, de letterlijke opvatting hebben aanvaard. Deze menen inderdaad dat er ene zeer goede reden bestaat om de letterlijke zin te aanvaarden: de beschrijving van Tempel en tempeldienst wordt in alle details gegeven. “Allerlei minutieuze bijzonderheden worden opgegeven” (afmetingen, inrichting, hoeveelheden, enz.) blz. 182.

Dit argument is zo sterk, dat Dr. Aalders er meerdere bladzijden aan wijdt om aan de gevolgtrekking van een letterlijke uitleg trachten te ontkomen. Hij zegt dan dat een symbool ook in details kan worden uitgewerkt. (Ez. 16; 17 en 23)

Hierop kunnen we antwoorden dat er in die delen wel enkele bijzonderheden vermeld worden, doch dat deze niet te vergelijken zijn met die van de negen laatste hoofdstukken en dat het in die plaatsen niet gaat over een gezicht van een symbool. In Ezech. 16 ziet Ezechiël Jeruzalem niet, in Ezech. 17 ziet hij geen arend en wijnstok, in Ezech. 23 ziet hij Ohola en Oholiba niet. De symbolen worden met woorden omschreven en het was nodig dit in enkele details te doen. Doch in de laatste hoofdstukken laat God een gebouw zien tot in de minste details, met al de afmetingen en geeft de Here hem in alle details inlichtingen aangaande de tempeldienst en de verdeling van het land. Nergens is er een aanwijzing dat het slechts een symbolische voorstelling is, en er wordt dan ook niets gezegd, zoals in de vorige gevallen, over de betekenis van hetgeen voor Dr. Aalders slechts een symbool is.

Alles doet ons hier dus wel degelijk denken aan een geestelijke visie van een toekomende fysische werkelijkheid. En we twijfelen er niet aan dat, indien Dr. Aalders niet overtuigd was geweest dat het N.T. ons leert dat alle schaduwen afgeschaft zijn bij het kruis, hij een letterlijke uitleg zou aanvaard hebben.

Verwijzende naar onze studie over het onderhouden van de Wet van Mozes, is de hoofdvraag: moet men de traditionele zienswijze aangaande Israël. Kerk en Paulus' onderwijs niet op radicale wijze herzien? Van het antwoord op die vraag zal dan afhangen hoe we Ezechiël moeten uitleggen.

Men moet het zeer op prijs stellen dat Dr. Aalders zich als volgt uitdrukt: “Wij herinneren nog eens aan de stelregel, die bij de verklaring van de profetieën gelden moeten, dat wat van Israël kan verklaard worden, niet op de Nieuwe Bedeling moet worden toegepast, althans niet rechtstreeks, tenzij dan dat de Heilige Schrift ons zelf daarvoor een bepaalde aanwijzing geeft”. (blz. 133) Doch dan moet men ook de uitleg van het N.T. geheel herzien. De tegenwoordige uitleg is inderdaad juist zo zeer beïnvloed door de gedachte der eerste eeuwen dat Israël als Gods bijzonder volk, als heilige natie (1 Petr. 2:9) voor goed vervangen werd door de “Kerk”. Wil men aan Israël laten wat van en voor Israël is, dan moet men alles herzien en vooral Paulus trachten te begrijpen. Ten slotte meent Dr. Aalders dat deze laatste hoofdstukken zelf aanwijzingen bevatten dat ze niet letterlijk kunnen opgevat worden.


Vooreerst “positieve” aanduidingen.

  1. “Om te beginnen lezen we in Ezech. 40:2 dat de profeet, in de gezichten Gods', d.w.z. in visionaire toestand, gebracht werd in het land Israëls; dat was dus niet het werkelijke land Israëls.” (blz. 187)

    Waarom zou het niet het werkelijke land geweest zijn? Het kenschetsende van de geest en van een “gezicht Gods” is dat ze niet gebonden zijn aan tijd of ruimte. Wanneer de Here Nathanaël “zag”, toen deze (voor het zintuiglijke oog onzichtbaar) onder de vijgenboom was, zag hij de werkelijke Nathanaël. Als God aan de geest van een profeet tijdelijk zijn volle vermogen geeft, dan “ziet” de profeet de werkelijkheid (buiten ruimte en tijd) misschien veel beter dan men ze met het fysische oog zou kunnen kennen. Niets belet ons te aanvaarden dat Ezechiël de toekomstige werkelijke Tempel zag. Dat de “zeer hoge berg” de tempelberg zou moeten zijn (die niet zeer hoog is, zoals Dr Aalders opmerkt) zien we niet in.

  2. De theophanie, die in Ezech. 43:l-4 beschreven wordt, kan, volgens Dr. Aalders, niet als een realiteit verstaan worden, want “God kan in werkelijkheid niet zichtbaar zijn voor 's mensen oog”. (blz. 187)

    Maar was deze verschijning niet Christus in heerlijkheid? Reeds in Ezech. 1:28 ziet Ezechiël “de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des Heren”. Toen viel hij op zijn aangezicht, zoals Daniël in Dan. 8:17. Deze laatste werd door het verschijnend Wezen aangeraakt en kon dan rechtop staan. Zo wordt ook Ezechiël door de Geest opgericht opdat hij des Heren heerlijkheid zou kunnen aanschouwen.

  3. Dr. Aalders schrijft: “Opvallend is, dat in Ezech. 44:9 gesproken wordt van de vreemde, die ,onbesneden is van hart en onbesneden van vlees', waarbij het vooropgaan van het ,onbesneden hart' alweer een waardevolle aanwijzing geeft, dat het hier niet gaat om een vleselijke ceremonie, maar om een geestelijke hoedanigheid”. (blz. 188)

    In de toekomende aioon hebben we te doen met Joden die in Christus geloven en dus “besneden van hart” zijn. Dat is het bijzonderste en moet vooraf gaan. Doch het uitwendige teken blijft bestaan: “besneden van vlees”. Juist de vermelding van dit teken bewijst dat er dan nog schaduwen der geestelijke werkelijkheden bestaan. De vreemde, die beide onbesneden van hart en onbesneden van vlees is, mag niet in het heiligdom gaan. (Ezech. 44:9)

  4. Volgens Dr. Aalders is er geen sprake van een hogepriester. Het “gewone” priesterschap zou worden toegekend, als beloning aan de “kinderen van Zadok” (Ezech. 40:46; 44:15-31; 48:11) die reeds vroeger het hogepriesterschap erfelijk bezaten (1 Kon. 2:35) . Volgens Dr. Aalders zou dit een “degradatie” geweest zijn, geen “beloning”. Overigens, waarom “beloning”, vermits de Zadokieten ook deel hadden (volgens Dr. Aalders) aan de algemene afval onder Israël? (blz. 188).

    Maar in 1 Kon. 2:35 wordt het woord “priester” gebruikt al betreft het een “hogepriester”. In Ezechiël kan “priester” dus ook voor “hogepriester” gebruikt zijn. En is het niet duidelijk dat de Levieten, in het algemeen, wel van de Here geweken waren (Ezech. 44:10), maar dat tussen de Levieten (Ezech. 40:46) de kinderen van Zadok getrouw bleven (Ezech. 44 : 15)? De Zadokieten hadden dus geen deel aan de algemene afval.

  5. Dr. Aalders schrijft, in verband met de verdeling van het land (Ezech. 48): “Hoe zich iemand kan voorstellen dat een dergelijke verdeling reëel zou kunnen wezen, is mij een raadsel... Noch met de natuurlijke gesteldheid van de bodem, noch met de onderscheiden grootte van de verschillende stammen, noch met historisch geworden toestanden en vroeger verkregen rechten wordt ook maar enigszins rekening gehouden”. (blz. 189).

    Als men er rekening mee houdt dat in het Koninkrijk op aarde alles geheel anders zal zijn dan in onze aioon, alles opnieuw begint (zie Aanhangsel No. 2), dan verdwijnen die moeilijkheden. Waarom zou het gebied van de Vorst, de Levieten en priesters niet groter zijn? Waarom zou de stad juist op de plaats van het oude Jeruzalem moeten liggen?

  6. Volgens Dr. Aalders zal niemand Ezech. 47:1-12 letterlijk willen aanvaarden. Natuurlijk niet op de wijze waarop Dr. Aalders zich die stroom schijnt voor te stellen, namelijk alsof de hoeveelheid water snel vermeerdert, hoe verder men gaat. Doch de Schrift spreekt niet over de hoeveelheid water die voortvloeit, doch alleen over de diepte van het water. Is b.v. het meer Genezaret op sommige plaatsen niet dieper dan de Jordaan?

  7. Verder meent Dr. Aalders dat er in de details een aantal trekjes gevonden worden, die niet voor praktische uitvoering in aanmerking zouden kunnen komen:

    De afmeting van de scheidingsmuur is ruim 3 meter in de hoogte en in de breedte (Ezech. 40:5). Wederom zeggen wij: waarom niet? De meeste muren waarvan men in het Nabije-Oosten de overblijfselen gevonden heeft, waren zeer dik. Zo had in het koningspaleis te Persepolis, de troonzaal van Darius marmeren muren 3.25 meter dik. Volgens de reconstructie van de tempel van Salomo door Watzinger (Denkmäler Palestinas) waren de stenen muren 2 tot 3 meter dik, terwijl toch het “heilige” slechts een oppervlakte van ongeveer 10 op 20 meter had. We mogen niet steeds denken aan de verhoudingen van onze woningen.

    Dat dezelfde getallen steeds weer voorkomen en een symbolische betekenis kunnen hebben is zeer juist. Doch dat wil toch niet zeggen dat daarom die Tempel niet kan bestaan. Was de gehele tabernakel van het O.T. geen symboliek, al bestond hij werkelijk?


Ten slotte vermeldt Dr. Aalders ook “negatieve” aanwijzingen:

  1. Het is geen volledig “bouwbestek” , zelfs het te gebruiken bouwmateriaal wordt niet genoemd. Inderdaad, dat behoeft ook niet. Zij die de Tempel zullen bouwen, zullen ook alle verdere inlichtingen krijgen.

  2. Er is geen bevel dat de Tempel zo moest gebouwd worden. Maar Ezechiël ziet hem reeds gebouwd.

  3. Waarom hebben Ezechiëls volksgenoten geen poging gedaan, na de terugkeer uit de ballingschap, om Ezech. 40-48 tot reële uitvoering te brengen? We zouden zeggen: omdat ze de profetie letterlijk opgevat hebben en daarom wisten dat de Tempel van Ezechiël eerst later moest komen.

  4. “Bij verschillende profetische visioenen wordt de betekenis terstond verklaard” (blz. 191). “Doch bij Ezechiëls herstellingsvisioen ontbreekt een dergelijke verklaring” (blz. 192).

Hieruit zouden we nu juist moeten besluiten dat het geen zuivere symboliek is doch ook werkelijkheid. Maar neen: “Hier hebben wij ons te wenden tot het N.T. waarin van tal van Oud-Testamentische symbolen een verklaring wordt gegeven”.

Maar die O.T. symbolen hebben ook werkelijk bestaan. Ook een werkelijke toekomstige Tempel en tempel dienst zal een symbolische betekenis hebben, die we inderdaad in het N.T. kunnen vinden.

Het feit dat er een symbolische betekenis aan Ezechiëls Tempel gehecht is belet dus niet dat die Tempel eenmaal zal bestaan. In het verleden wezen de offers naar de komst van het Lam. In de toekomst kunnen ze terugwijzen naar het volbrachte Offer. Men ziet dus uit dit alles dat er geen enkele afdoende aanwijzing is dat de laatste hoofdstukken niet letterlijk kunnen opgevat worden en het is wel kenschetsend dat nagenoeg alle Joodse verklaarders geen bezwaren hadden tegen die opvatting.

Dr. Aalders zoekt, zonder er in te slagen, aan de volgende moeilijkheid te ontsnappen: de details wijzen op een letterlijke uitleg, doch dit is onmogelijk want (volgens hem) leert het N.T. dat de schaduwen der Wet afgeschaft zijn door het kruis. Om tot een oplossing te komen moet men de moed hebben de gehele uitleg der Schrift te herzien in verband met Israëls uitverkiezing, inzien dat Israëls tijdelijke verwerping eerst begint einde Handelingen en eindigt korte tijd voor de wederkomst des Heren, en dat de schaduwen nuttig blijven voor velen tot op het einde der toekomende aioon. (5) Daarbij moet men ook het onderwijs van de Apostel Paulus opnieuw onderzoeken. Het is nodig volkomen consequent te zijn, op radicale wijze alles te herzien. Met nieuwe lappen een oud kleed trachten te herstellen kan alleen tot meerdere verwarring aanleiding geven. En de Schrift alleen moet onze Norm zijn, niet de menselijke overlevering, al moge deze nog zo oud zijn.


Voetnoten

[1] Uitgevers-Maatschappij Holland. 62

[2] Zie Het Herstel van Israël volgens het Oude Testament. Dit boek is vooral gericht tegen de beschouwingen van Ds. A.M. Berkhoff.

[3] In de parapsychologie spreekt men dan van “helderziendheid”, “cryptoscopie” of “cryptaesthesie”. Een klassiek voorbeeld is dat van Swedenborg, die van uit Göteborg, de brand van stockholm zag (1756).

[4] Zie Hoofdstuk XXI van De Openbaring Gods, Uitgevers Mij Holland, 1954.

[5] Zie het Aanhangsel No. 2.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden