Levend Water

Gemeenschap met God

door
Otis Q. Sellers







De mens is rekenschap verschuldigd aan God en de mens moet God rekenschap geven van zichzelf. Maar er zijn ontelbaar velen, die door het leven gaan zonder gemeenschap te hebben met God. De eerste maal, dat zij met Hem te maken zullen hebben, wanneer zij geen andere keus hebben dan voor de oordeelstroon van God te verschijnen. Hun verantwoording voor God had in der minne geschikt kunnen zijn, maar zij hebben verkozen te wachten tot die dag, waarop niets vastgesteld kan worden dan hun schulden boete. Dat de zaken tussen God en de mensen geregeld zouden worden vůůr de oordeelsdag was het onderwijs van Jezus Christus in Zijn woorden:

Wees vriendelijk jegens uw tegenpartij, tijdig, terwijl gij nog met hem onderweg zijt, opdat uw tegenpartij u niet aan den rechter overlevere en gij in de gevangenis wordt geworpen. Matth. 5:25.

Zij, die deze regels lezen behoren misschien tot degenen, die de wijsheid beseffen om nu gemeenschap te hebben met God. Zij beseffen dan het gevaar Hem niet te erkennen, voelen, dat God niet buiten hun levens gesloten mag worden, en verlangen er oprecht naar Hem de eerste plaats te geven in hun leven. Niettemin wordt het, wanneer de onderzoekende stralen van Gods waarheid op hen gericht worden, duidelijk, dat zij nooit ook maar iets te doen hebben gehad met God. Zij menen het goed, maar dank zij de verwarring hebben zij zich ingelaten met kerken, met mensen en met moraal, doch zij hebben zich nooit ingelaten met God.

Deze droevige toestand is teweeg gebracht door onwetendheid - onwetendheid over de weg, waarin God handelt met de mens en de mens met God. Als regel hebben zij het als iets vanzelfsprekends aangenomen, dat God met de mensen handelt door kerken, en de mens met God door godsdienst, en daar zij begeren, dat dit waar zal zijn, weigeren zij ook maar te denken aan de Goddelijke openbaring, die de grondslag aangeeft, waarop God handelt met de mensen en de mensen met God. Dit wordt in de Schrift genoemd "de weg van KaÔn opgaan" (Jud. 11). KaÔn zocht te handelen met God naar zijn eigen wensen in deze aangelegenheid, echter om te ontdekken, dat zijn aanbieding verworpen werd.

Aan de ingang van bepaalde handelshuizen kan men een bordje vinden "Alleen Groothandel". Deze twee woorden verklaren de manier van handeldrijven. Als deze mensen trouw zijn aan hun gevestigde principes. zullen zij niet op een andere manier handeldrijven. Niemand zal hun het recht betwisten om zo te doen, maar menigeen zal het recht van God betwisten door te zeggen, hoe Hij handelt met de mensen en zal er op staan op een andere manier zaken met Hem te doen dan Hij vastgesteld heeft. In feite staan sommigen er op, dat God ŗ contant handelt en zij menen, dat Zijn zegeningen gekocht kunnen worden. Anderen geloven, dat Zijn manier van zaken doen er een van krediet geven is en wij met Hem kunnen handelen volgens een uitbetalingssysteem. Zijn gunst verkrijgend door een regelmatige waarneming van godsdienstige plichten. Dit is echter niet het onderwijs van de Schriften en wij moeten de grootste aandacht schenken aan wat God gezegd heeft aangaande de manier van handelen met degene, die tot Hem komt. Dit willen wij nu doen.


AANGAANDE HET EVANGELIE.
Een zeer besliste verhindering om het Woord Gods te verstaan en ten volle de waarheid te waarderen, die het openbaart, is, dat vele belangrijke woorden geen indruk meer op ons maken. Deze woorden zijn meestal eenvoudig, bekend en voortdurend in gebruik, maar zij delen niets mee aan velen van hen. die ze lezen of horen.

Dit is het geval met het woord evangelie. Het is een der meest gewone en algemeen gebruikte woorden onder belijdende Christenmensen. Langdurige vertrouwdheid daarmee schijnt velen ertoe te brengen er met een licht schouderophalen aan voorbij te lopen. Wanneer zij er in de Schrift op stoten, glijden zij er over heen als iemand, die onder het wandelen plotseling een eindje vooruitschiet, doordat hij op een bevroren stukje van de weg uitglijdt. Er zijn er velen, die zonder aarzeling zullen proberen te zeggen, wat het evangelie is, maar soms schijnt het, dat zij er geen duidelijk begrip van hebben, wat het woord evangelie betekent. Het zou goed voor ons zijn wanneer we op het woord evangelie stootten alsof het een hinderpaal was, waar we niet overheen konden komen zonder dat we het zorgvuldig beschouwd hadden en er de kracht en waarde van begrepen hadden met het oog op de achtergrond en de samenhang, waarin het gevonden wordt.

Het woord evangelie moet ten volle begrepen worden door allen, die gemeenschap zoeken met God, precies zoals de woorden contant, krediet, groothandel en kleinhandel begrepen moeten worden bij het in contact komen met bepaalde firma's.

Sommige vertalers trachten de moeilijkheid, dat het woord evangelie voor velen betekenisloos is geworden. te overwinnen door het gebruik van zulke termen als goed nieuws, blijde boodschap, in de hoop, dat de gedachten der lezers behoorlijk getroffen zullen worden door dit belangrijke woord. Deze pogingen verdienen aanbeveling, maar voor het doel van deze studie zal het het beste zijn terug te gaan tot de allereerste betekenis van het woord evangelie in het Grieks, en boodschap te gebruiken. Dit is de fundamentele gedachte in het Griekse woord.

Voordat iemand tracht met God in gemeenschap te komen, zijn er drie uitdrukkingen, die goed begrepen moeten worden. Terwille van de nauwkeurigheid zullen de Griekse woorden gegeven worden, dan hun betekenis in onze taal.

  • Ten eerste het woord evangelion. Dit wordt gewoonlijk onvertaald overgenomen, maar het betekent boodschap.

  • Ten tweede het woord logos. Dit wordt gewoonlijk vertaald met woord, maar waar de samenhang dit aangeeft, betekent het een boodschap. Zie Hand. 10:36 als een voorbeeld. Het spreekt van de overtuiging, die uitsluitend gegrond is op het horen en niet op gezicht of kennis.

Met deze twee woorden voor ogen kunnen wij onze studie voortzetten en enige verklaringen van Paulus in zijn brief aan de Romeinen beschouwen.


AFGEZONDERD TOT DE BOODSCHAP.
In het openingsvers verklaart de Apostel, dat hij afgezonderd is tot de boodschap van God (Rom. 1:1). Met deze korte woorden geeft hij het woord Gods weer met betrekking tot zijn leven, dat daarop een stempel zette vanaf de dag, dat hij de Heer ontmoette op de weg naar Damaskus tot de dag, dat hij te Rome terechtgesteld werd. Hij was afgesneden van al het andere om de boodschap van God te ontvangen, te begrijpen, te geloven en te verkondigen. Zijn leven vond zijn middelpunt niet in de mensen, maar in een boodschap, die aan de mensen verkondigd moest worden. Hij was er om deze boodschap te geloven en te verkondigen zonder enige gedachte aan het mogelijk resultaat. Zijn plicht was het te verkondigen. De gevolgen van deze verkondiging waren voor des Heren rekening.


BELOOFD IN DE SCHRIFTEN.
In het nu volgende verklaart Paulus ons, dat deze boodschap tevoren beloofd was door Zijn profeten in de Heilige Schriften. Met deze woorden richt hij onze aandacht op het feit, dat er onder de vele dingen in het Oude Testament beloofd, een belofte was van een boodschap. De belangrijkheid daarvan is zelden beseft. Er zijn er velen, die weten dat de profeten een Koning beloofden, een Koninkrijk en een regering in rechtvaardigheid. Zij weten, dat het Oude Testament een Zaligmaker beloofde, maar slechts weinigen van hen weten, dat er ook een middel beloofd is, waardoor de mensen deel konden krijgen aan deze dingen. Het Oude Testament beloofde, dat er een boodschap zou zijn, ja, een boodschap van God.

Alles waar God maar voor gezorgd heeft, zou van geen waarde zijn voor de mens, als er niet gezorgd was voor een middel voor de mens om deze dingen aan te grijpen. Neem bv. de dood van Christus en zie alles wat mogelijk is gemaakt voor de mens in Zijn dood. Zijn dood zou niets mťťr voor ons betekenen dan de dood van ieder ander mens, als God niet gezorgd had voor een middel, waardoor wij de weldaden konden aangrijpen, die mogelijk gemaakt zijn door het Kruis. Het middel is Gods boodschap aangaande het Kruis en deze voorziet het geloof van een greep, waardoor het de zegeningen aan kan grijpen die door Zijn offer verworven zijn.

Wanneer God zich inlaat met de mens is het uitsluitend door middel van een boodschap en zonder een boodschap kan geen mens tot God komen. De mens die niet heeft gehoord, niet heeft geloofd en niet heeft gehandeld volgens Gods bood~ schap heeft geen gemeenschap met God. Het enige "genademiddel" voor de mens is een boodschap te geloven. Dit geldt evengoed t.o.v. de voortgang van het christelijk leven als van het begin. De rechtvaardigen leven door geloof, d.w.z. door te geloven, en zij leven nergens anders door. Door een boodschap te geloven komen wij in aanraking met God, wij komen met Hem in gemeenschap en wij ontvangen zegeningen van Hem. Al de handelingen van de mens met God moeten gegrond zijn op geloof, want zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. Allen, die tot Hem komen, moeten geloven en er is geen andere weg mogelijk voor wie ook om te geloven dan door het geloven van een boodschap. Geloof is het geloven van een boodschap en niemand heeft geloof beoefend tenzij hij een boodschap heeft gehoord en geloofd.

De lezer zal terstond de belangrijke plaats beseffen, die boodschappen in ons dagelijks leven hebben. Er zijn boodschappen, die per post komen, per telefoon of telegraaf. Sommigen worden persoonlijk overgebracht. Bepaalde boodschappen brengen goed nieuws en andere brengen slecht nieuws. Wij zien uit naar boodschappen, die nooit komen en wij wachten geduldig op boodschappen, die beloofd zijn. Wij geloven sommige boodschappen, en weigeren anderen te geloven; handelen volgens sommige en weigeren of blijven in gebreke op andere te reageren.

Laten wij nooit vergeten, dat Gods Woord als geheel een boodschap is, die handelt over vele dingen. Elk onderwerp daarin vormt een afzonderlijke boodschap. Sommige van deze boodschappen zijn universeel en sommigen zijn beperkt tot een zeker volk. Onze verhouding tot God begint, wanneer wij de boodschap geloven, die Hij gegeven heeft aangaande Zijn Zoon en ons nieuw leven in Christus moet beheerst worden door de taak van ontdekken, geloven en handelen volgens iedere boodschap van God. We beginnen door geloof en moeten voortgaan in geloof, gelijk geschreven staat "De rechtvaardige zal uit geloof leven."

Wij zullen hier echter niet de veelvoudige boodschappen in het Woord van God beschouwen, want het gaat nu over de meest belangrijke boodschap, die ene, waartoe Paulus afgezonderd is, die beloofd werd in het Oude Testament en die, zoals Paulus verklaart, is:


AANGAANDE ZIJN ZOON JEZUS CHRISTUS ONZE HEER.
Deze boodschap is van God, wat betreft zijn bron en gaat over de Heer Jezus Christus wat betreft zijn inhoud. Daarom predikt de man, die niet de boodschap verkondigt, die God aangaande Zijn Zoon heeft gegeven, het evangelie niet. Het is het voorrecht van de boodschapper om net zoveel verschillende wegen te vinden om zijn boodschap aan te bieden als hij kan, maar toch is aan de ware boodschapper een eigen boodschap ter verkondiging gegeven en iedere afwijking van deze boodschap is een onverantwoorde aanmatiging van zijn kant. Er ligt geen geestelijke waarde in iemand, die zijn levensgeschiedenis vertelt. Dit is een opvallende trek geworden in de tegenwoordige evangelieverkondiging. In feite is het zo belangrijk geworden onder een zekere soort van evangelisten, dat iemand, die geen geschiedenis kan doen van een luguber verleden, niet bevoegd wordt geacht als evangelist. Maar Gods boodschap betreft niet u en mij, ook niet wat Christus voor ons gedaan heeft. Hij betreft de Heer Jezus Christus. Het is het verhaal, dat God gegeven heeft van Zijn Zoon. Het is niet het verhaal van Gods handelingen met mij, hoe kostbaar deze ook voor mij mogen zijn en hoeveel deugd het mij ook doet om ze te vertellen. De verlosten des Heren moeten dat doen en wij moeten met onze mond de Heer Jezus Christus belijden. Maar toch zijn deze belijdenissen niet Gods boodschap aangaande Zijn Zoon.

Indien iemand in contact wil komen met God, moet hij vooral in gedachten houden, dat wij nu in het bezit zijn van een boodschap van God aangaande Christus. Daarom is onze meest belangrijke daad in betrekking tot God: Zijn boodschap te geloven. De massa der mensheid dwaalt door te denken, dat God de mens een of ander groot werk te doen heeft gegeven. Toen de discipelen vroegen, wat zij moesten doen, opdat zij de werken Gods zouden werken, kwam Zijn antwoord klaar en duidelijk:

Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft. Johannes 6:29.

God heeft de mens niet een of ander groot werk te doen gegeven, een of ander ritueel, dat hij moet vervullen of een of andere opdracht, die hij moet volbrengen. Hij heeft de mens een grote boodschap te geloven gegeven. Van ons wordt niet gevraagd om in de hemel op te klimmen en Christus te overreden naar de aarde af te dalen, noch om af te dalen in de afgrond om Christus uit de doden op te brengen. Jezus Christus is reeds van de hemel nedergedaald op de aarde. Hij ging in de dood en kwam er weer uit. We behoeven Hem niet te overreden voor ons te leven of voor ons te sterven. Zijn werk is volbracht en behoeft niet herhaald te worden. Er is ons nu een boodschap gebracht. Deze is in onze harten en op onze lippen. Onze persoonlijke aanvaarding of verwerping van die goddelijke boodschap is volgens Gods verklaring hetgeen onze bestemming beslist.

Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld; wie niet geloofd heeft is reeds geoordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de naam van de eniggeboren Zoon van God. Johannes 3:18.

Zo beseffen wij de belangrijkheid van Gods boodschap. Zonder een boodschap kunnen wij Christus niet aangrijpen. Zijn komst naar de aarde, Zijn dood aan het Kruis, Zijn afdoening van de zondekwestie mogen voldongen feiten zijn, zonder een boodschap van God aangaande deze dingen kunnen wij nooit deelgenoot worden van de weldaden, voortgekomen uit Zijn werk. Zij zijn niet te koop. Zij kunnen niet door werken verkregen worden. Zij worden de mensen alleen verleend op grond van hun geloof en zonder een boodschap kan niemand geloven.

Een algemene fout onder hen die God kennen is een gebrek aan waardering van de vele weldaden, die Hij in liefde voor ons heeft gereedgemaakt. Dit geldt vooral het feit, dat wij nu een boodschap hebben, die het ons mogelijk maakt te geloven en volgens welke wij kunnen handelen. Dit was niet altijd zo en onze waardering van het feit, dat Gods Woord tot ons gekomen is zou nog toenemen, indien we de Bijbelse openbaringen van Gods handelingen met het menselijk geslacht in overweging zouden nemen.

De bijbelse geschiedenis van Adam tot Abraham toont, dat de mensheid als geheel zonder boodschap was, behalve de boodschap van het geweten. Enkele mensen als Adam, Abel, Henoch, Methusalah en Noach ontvingen boodschappen van God, die zij geloofden, volgens welke zij handelden. Toen God sprak van "het zaad (nakomelingschap) der vrouw" zag Adam in deze verklaring een boodschap. Hij geloofde die en reageerde erop door zijn vrouw Eva te noemen, omdat zij de moeder van alle levenden was. Noach ontving een waarschuwingsboodschap van God, hij geloofde die en handelde dienovereenkomstig, met het resultaat, dat zijn ganse huis bewaard werd. Maar dit waren speciale gevallen, die deze mensen gelegenheid gaven geloofsmannen te worden, maar de massa der mensheid was zonder enige directe boodschap van God.


DE BOODSCHAP AAN ABRAHAM.
Op Zijn tijd verkoos God Abraham om een overweldigende boodschap te ontvangen. De boodschap werd door Jehovah persoonlijk overgebracht, en was niet voor Abraham alleen maar ook voor zijn nakomelingen (zaad) na hem. Dat de woorden van God aan Abraham een boodschap (evangelie) waren blijkt duidelijk uit Galaten 3:8.

En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: in u zullen alle volken gezegend worden.

Toen de tijd verder ging, werden er vele kostbare toevoegingen gemaakt bij de oorspronkelijke boodschap. IsraŽl was als volk nooit zonder een boodschap om te geloven en in overeenstemming daarmee te handelen. Hun falen lag altijd in hun gebrek aan geloof - hun in gebreke blijven om God op Zijn woord te nemen en dienovereenkomstig te handelen. Daarom was de boodschap, die het gepredikt werd, vaak zonder nut, daar hij niet gemengd was met geloof bij degenen, die hem vernamen. Toen zij God verzochten, werden zij uitgenodigd terug te keren en God hechtte er veel gewicht aan, dat zulk een uitnodiging werd gedaan. Dit is met geen ander volk zo geweest.

Vanaf Genesis 12 gedurende de hele verdere O.T. geschiedenis waren de Heidenen zonder een boodschap, behalve die van het geweten. Zij konden een volk van gehoorzaamheid zijn, maar niet een volk van geloof. Aan IsraŽl alleen waren de Godswoorden toevertrouwd (Rom. 3:2). Aan IsraŽl alleen behoorden de beloften (Rom. 9:4). Daar geloof komt door het gehoor en het gehoor door het Woord van God, had alleen IsraŽl de gelegenheid een volk van geloof te worden. Dit heeft hen een grote voorsprong gegeven en de Heiden duidelijk achtergesteld.

Hierin kwam geen verandering, toen de Heer op aarde verscheen. Velen geloven in hun onwetendheid, dat Hij bij Zijn geboorte gezonden werd voor de gehele wereld en dat Hem een boodschap vergezelde, die alle mensen uitnodigde te ontvangen en zo de zegeningen te verkrijgen die in Hem waren. Maar zij, die dit geloven, doen dat uit onwetendheid aangaande Zijn eigen verklaring over de uitgestrektheid van Zijn dienst, of anders uit onwilligheid om te geloven wat Hij gezegd heeft over Zijn eigen zending. Dit kan men duidelijk zien in het verhaal, dat wij hebben over Zijn manier van doen met de Syrofeniciese vrouw zoals blijkt uit Matth. 15:21-28 en Marcus 7:24-30.

Deze vrouw was een Heidense en zij vroeg de Heer of Hij de duivel uit haar dochter wilde werpen. Zij verlangde te handelen met de Heer, maar had geen grond waarop zij met Hem in aanraking kon komen. God handelt met individuen alleen door geloof, maar deze vrouw had geen boodschap van God en dus was geloof van haar kant onmogelijk. Geloof komt door het gehoor en gehoor door het woord (de boodschap) van God, en het ontbrak deze vrouw juist aan een boodschap. Inderdaad was de Heer op aarde met onbegrensde macht om te genezen. Hij genas de meest onwaardige in IsraŽl en de nood van deze vrouw was even groot als van wie ook in IsraŽl. De Heer was wel in staat haar nood te lenigen, maar zij had geen uitnodiging en geen boodschap. Als ze handelt met Christus moet ze geloof tonen en dat was in haar geval niet mogelijk. Waar kon deze vrouw geloof verkrijgen? Waar kon ze tonen, dat ze Gods Woord had aangenomen of aannam en in overeenstemming daarmee handelde? God had geen boodschap gezonden aan zulk een als zij.

Ieder mens, die geld nodig heeft, kan met een cheque naar de bank gaan en deze tegen geld inwisselen, mits hij de cheque heeft. Deze Heidense vrouw kwam tot de Ene, in wie alle zegeningen Gods waren gedeponeerd, maar ze kwam zonder enige aanspraak tot Hem. Zij had de behoefte en de bereidheid, maar niet de cheque.

De eerste verklaring van de Heer in antwoord op haar smeekbede was, dat Hij slechts gezonden was "tot de verloren schapen van het huis IsraŽl". Haar verdere smeken om hulp leidde tot de verklaring "Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen".

Deze verklaring was hard, maar het was de waarheid en moest uitgesproken worden. Toch zag de Syrofeniciese daarin een boodschap, direct tot haar gericht. Hij had haar een hond genoemd. Hier was de gelegenheid geloof uit te oefenen - God bij Zijn woord te nemen en in overeenstemming daarmee te denken of te handelen. Ze nam de plaats van de hond in door te zeggen "Zeker, Heer", maar zij eiste dan ook de portie van de hond op door er bij te voegen "de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel hunner meesters vallen". Ze had kunnen tegenspreken, ze had kunnen redeneren, en ze had Zijn verklaring kunnen verwerpen. Maar ze deed niets van dit alles. Ze nam Hem bij Zijn woord, met het resultaat dat Hij haar geloof prees en haar verzoek inwilligde. De geestelijke lessen, die we uit het verhaal van de handelingen des Heeren met de Syrofeniciese vrouw kunnen trekken, zijn:

  1. dat God zich alleen met de mens inlaat volgens het beginsel van geloof,
  2. dat er geen geloof kan zijn zonder een boodschap en
  3. dat de boodschap in een enkel woord vervat kan zijn.

Denk met het oog hierop welk een gelegenheid de mensen hebben in verband met de verklaring "Christus stierf voor de goddelozen'.


CORNELIUS DE HOOFDMAN OVER HONDERD.
De waarheden, die we hier voor ogen hebben, worden beklemtoond en geÔllustreerd in het geval van Cornelius, zoals vermeld in Hand. 10. Deze Romeinse hoofdman, die een Heiden was, had geen andere boodschap van God dan die van het geweten. Hierop reageerde hij en het resultaat was, dat hij een vroom, Godvrezend en biddend man werd. Hij was zo een man van gehoorzaamheid en niet van geloof. Hij vreesde God en was rechtvaardig. Hij mag misschien door aanraking met IsraŽl enige kennis verkregen hebben van de heilige rollen van het O.T. Zo ja, dan wist hij, dat God van het zaad van Abraham gezegd had: "Ik zal zegenen, die u zegenen". Dit was een belofte, die op ieder van toepassing was en in overeenstemming daarmee gaf Cornelius "vele aalmoezen" aan het volk (IsraŽl)". Zo was hij in zijn gemeenschap met God precies zo ver gegaan als een Heiden in zijn dagen kon gaan. Wie handelt met God moet in geloof komen, want zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. Cornelius had geen gelegenheid zich van geloof te voorzien. d.w.z. de boodschap van God te geloven.

Maar uit het verhaal, dat tot onze lering gegeven is, blijkt duidelijk, dat God hesluit dat aan deze man de gelegenheid gegeven zal worden de munt van Zijn Koninkrijk te verkrijgen. Hem zullen boodschappen te geloven gegeven worden en als hij gebruik maakt van de gelegenheid, zal hij geloof hebben. Hij had van zijn middelen aan het volk Gods gegeven, maar nu zal God aan Cornelius geven. En de gift is een boodschap.

Een boodschapper (engel) van God verschijnt aan Cornelius om hem op te dragen mannen naar Joppe te zenden, naar Simon Petrus te vragen, die hem zal vertellen, wat hij moet doen. Als dit plaats vindt, is Cornelius in het bezit van een boodschap van God. Hij verheugt zich nu in een groot voorrecht, maar staat daarmee voor een grote verantwoordelijkheid. Indien hij nu in gebreke blijft, zal iedere verdere gelegenheid tot geloof afhankelijk zijn van Gods genade. Er is geen enkele zekerheid, dat zich een tweede gelegenheid zal voordoen.

Men kan zich gemakkelijk de vreugde en voldoening indenken, die over Cornelius kwam, toen hij besefte, dat hij in bezit was' van een boodschap van God. Indien hij volgens deze handelde, zouden de goddelijke beloningen stellig overvloedig zijn. Maar welk goed zou de boodschap hem doen, indien hij zich verheugde in zijn ervaring, trots was op het feit, dat God tot hem gesproken had en Zijn wil jegens hem geopenbaard had, indien hij niet in overeenstemming daarmee handelde. Hij zou ontbloot zijn van geloof en zodoende zonder enig middel om tot God te naderen. Maar Cornelius faalde niet. Zijn vreugde werd getemperd door een gevoel van zware verantwoordelijkheid. Hij nam God bij Zijn woord en handelde dienvolgens. Bovendien trachtte hij niet verder te gaan dan de opdracht luidde. De boodschap zei: "Zend mannen" en geen persoonlijke ijver was geoorloofd, die hem er toe zou brengen in eigen persoon te gaan. In eigen persoon gegaan zijn, zou dezelfde resultaten gebracht hebben, maar hij zou minder geloof bezeten hebben, als hij dat gedaan had. Buiten twijfel schrijft God geloof toe aan de mensen. Indien niet, dan zouden zulke woorden als "Groot is uw geloof" en "0, gij kleingelovigen" zinloos zijn.

Anderzijds was het, toen Petrus naar het huis van Cornelius ging, een geloofsdaad van zijn kant, want hij handelde ook overeenkomstig een boodschap. Lees Hand. 10:9-17. Deze boodschap was wel afstotend voor Petrus, toen hij voor 't eerst gegeven werd, maar hij kwam niet in opstand tegen God. Toen hij het huis van Cornelius bereikte, sprak hij hen niet van een groot werk, dat zij moesten doen, een ritueel, dat ze moesten volbrengen of een opdracht. Hij verkondigde hen een heerlijke boodschap, die ze moesten geloven. En toen hij nog sprak, wist God, die de harten kent, dat zij de boodschap geloofden en gaf hen de Heilige Geest.


DE BOODSCHAP IS DE KRACHT VAN GOD.
Na zijn uitspraak dat de boodschap Zijn Zoon Jezus Christus onze Heer aangaat, verklaart Paulus, dat hij bereid is de boodschap te verkondigen aan hen die te Rome zijn, verklarende dat hij zich niet schaamt voor de boodschap van Christus, want deze (de boodschap) is een kracht Gods tot zaligheid een ieder, die gelooft. Rom. 1:26.

Daar de boodschap de kracht Gods tot behoud is, zijn we zonder boodschap machteloos. Op vele plaatsen zien we grote torens, die dikke draden dragen die de grote steden binnengaan en wij weten, dat deze dienen voor licht, motoren en iedere vorm van elektriciteitsgebruik. Maar dit alles is buiten bedrijf en nutteloos zonder de elektrische stroom. Evenzo is al het werk Gods buiten bedrijf met betrekking tot ons, tot wij de boodschap horen en geloven, die de kracht Gods is tot zaligheid.


HIJ OPENBAART EEN RECHTVAARDIGHEID.
In de boodschap, die Paulus verkondigde, is een rechtvaardigheid van God geopenbaard of tentoongesteld. Rom. 1:17. Dingen, die ten toon gesteld worden, worden als regel aan het publiek aangeboden. Dit is zo van de rechtvaardigheid, waar Paulus van spreekt. Zijn verklaring brengt ons er toe vier grote waarheden te beschouwen, die getoond worden in het Woord van God.

  1. God verlangt rechtvaardigheid van hen, die in Zijn tegenwoordigheid willen komen. Moge God in genade deze waarheid prenten in het hart van iedere lezer van deze regels. Hij is te rein van ogen om ongerechtigheid te zien: daarom moeten allen, die Hem willen zien, in het bezit zijn van een rimpelloze rechtvaardigheid. Het geweten getuigt daarvan bij alle mensen en vele van hun pogingen zijn daarop gericht om iets voort te brengen, dat hen aanvaardbaar zal maken voor de driemaal heilige God. Zoals bij Adam en Eva wordt des mensen kennis van zijn naaktheid gevolgd door pogingen van hemzelf om die te bedekken. Maar evenmin als Adams schootsvel, zullen zijn pogingen zijn zonden bedekken voor het oog van God. Laten we dit feit eerlijk in de ogen zien. De mens bezit de rechtvaardigheid niet die God eist.

  2. Wat de mens ook doet, hij kan de rechtvaardigheid niet voortbrengen, die God vereist. Hij mag lid worden van een kerk, rituele gebruiken vervullen, deelnemen aan opdrachten en volmaakt godsdienstig zijn, maar de Goddelijke verklaring, dat allen gezondigd hebben en der heerlijkheid Gods derven, zal van hem blijven gelden. Zonde, waar ook gevonden, kan alleen betaald worden met de wraak Gods. Laten wij dit feit eerlijk onder de ogen zien: de mens kan de rechtvaardigheid niet voortbrengen die God verlangt.

  3. Indien God een gebod maakt, dat de mens niet kan vervullen, dan zal hij de vervulling van Zijn eigen geboden mogelijk maken. Als een of andere last, die Hij de mensen oplegt, te zwaar is, dan zal Hij die dragen. Hij zeide IsraŽl het land niet te beplanten in het zevende jaar. Dit scheen een onverdraaglijk gebod, want het vereiste dat het land in het zesde jaar genoeg voortbracht voor het zesde jaar, het zevende en een deel van het achtste tot de oogst. Dit gebod was zo zwaar, dat God de last daarvan op Zich nam door te beloven, dat er het zesde jaar zo'n overvloedige oogst zou zijn, dat die voldoende zou zijn voor drie jaar. Zo maakte Hij de vervulling van Zijn eigen geboden mogelijk.

    Zo is het ook met het gebod van rechtvaardigheid in hen, die in Zijn tegenwoordigheid willen komen. Daar de mens niet in staat is deze rechtvaardigheid voort te brengen, heeft God die voor de mens gereed gemaakt.

  4. In de boodschap van God is een rechtvaardigheid geopenbaard of tentoongesteld. Laten daarom alle mensen deze rechtvaardigheid beschouwen als door God aangeboden om hun diepste behoeften te vervullen. Laat hen dit gewaad der rechtvaardigheid onderzoeken om te zien of het hen behoorlijk kleedt om in de tegenwoordigheid Gods te verschijnen. Deze rechtvaardigheid houdt rekening met de diepste behoefte van het menselijk geslacht, de zwartste zonde en de grootste schuld. Het is de rechtvaardigheid Gods. Deze staat niet in betrekking tot de wet, daar zij zonder de wet is. Deze is voor allen en op allen, die geloven. Het brengt de zondaar een rechtvaardigheid, waarop God geen vlek of rimpel kan ontdekken.

    Bezit de lezer deze rechtvaardigheid? Indien niet, laat hij dan Gods gemeenschap zoeken. Dit kan, indien hij de boodschap wil geloven, die God gaf van Zijn Zoon.

Want wat zegt de Schrift? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Nu wordt degene die werkt, het loon niet toegerekend naar genade, doch naar verdienste. Degene echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op, Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid. Rom. 4:3-5.

OTIS Q. SELLERS.



In het Amerikaanse tijdschrift "The Word of Truth", Vol. 9 Ė No. 2, publiceerde de Redacteur Otis Q. Sellers een artikel "Dealing with God", dat met welwillende toestemming van de schrijver vertaald werd overgenomen onder de titel "Gemeenschap met God" in het Nederlandse maandblad "Uit de Schriften", Jan. - Febr. 1947.



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden