Het verschil tussen
het Oude en het Nieuwe Verbond

door

E.W. Hiebendaal



Toen God met Abraham het oude verbond sloot, werden er dieren geslacht en door midden gehouwen. Een verbond werd in IsraŽl steeds met het storten van bloed gesloten. Jer. 34 spreekt van twee mensen, die voor Gods aangezicht een verbond, maakten, waarbij een kalf in tweeŽn werd gehouwen en men tussen de stukken doorging. Als na ruim 400 jaar slavernij in Egypte Mozes met het zaad van Abraham in de woestijn is, herhaalt God dit verbond met hen, zeggende: "Dit is het bloed des Verbonds, dat de Heer aan ulieden heeft geboden".

Er werd weer bloed vergoten van kalveren en bokken, tot God alle geboden van de Wet tot het volk had uitgesproken. Als IsraŽl al Gods geboden zou gehoorzamen en het verbond zou houden, zouden zij Gods eigendom zijn uit alle volken. Toen antwoordde het volk eenparig: "Alles wat de Heer gesproken heeft, zullen wij doen". Dit oude verbond was dus een voorwaardelijk verbond, de gehoorzaamheid van IsraŽl was de voorwaarde. Men weet hoe kort daarop IsraŽl dit verbond al heeft verbroken.

Het nieuwe verbond daarentegen is onvoorwaardelijk, en hangt alleen af van de trouw van Jehova, en daaraan behoeven wij niet te twijfelen. Na de mislukking van het oude verbond belooft God bij monde van Jeremia, hoofdstuk 31, het nieuwe verbond aan IsraŽl. Het zijn alle beloften Gods waaraan geen enkele voorwaarde is verbonden. Maar zoals het met vele beloften Gods is: in de Geest is het geschied, maar in de tijd moet het nog komen. Het is zelfs nu nog toekomst.

Waar het betreffende het oude verbond steeds klonk: GIJ ZULT, zie b.v. Deut. 26 en 27, waar bijna elk vers begint met: GIJ ZULT, GIJ ZULT, daar is de aanhef betreffende het nieuwe verbond steeds: IK ZAL. IK ZAL hun ongerechtigheid vergeven en hun zonden niet meer gedenken. IK ZAL met hen een verbond des vredes maken, een aionisch verbond. IK ZAL hun een plaats geven, hen vermeerderen en Mijn heiligdom aionisch te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn. IK ZAL Mijn Thora in hun binnenste leggen. IK ZAL hen maken tot een roem en tot een sieraad bij alle natiŽn. IK ZAL hen enerlei hart geven, en een nieuwe geest in hun binnenste, en enerlei weg om de Heer te vrezen, alle de dagen hun ten goede, mitsgaders hun kinderen na hen. (Opdat zij allen ťťn zijn. Joh. 17).

IK ZAL Mij over hen verblijden als Ik hen weldoe. IK ZAL ze getrouwelijk in dit land planten. IK ZAL maken dat zij in Mijn inzettingen zullen wandelen en Mijn rechten zullen bewaren en doen. IK ZAL hen stellen tot een aionische heerlijkheid, tot een vreugde van geslacht tot geslacht.

"Dan zullen de volken die om u heen overgebleven zijn, weten dat IK de Heer ben". (Opdat de wereld gelove, Joh. 17). IsraŽl is dan immers Gods eerstgeboren volkenzoon! Wat vanzelf inhoudt dat er ook later geboren volkenzonen zullen zijn. In de toekomende eeuw zal IsraŽl glanzen, als donkerheid de andere volken nog bedekt. Waardoor koningen tot hun licht zullen gaan, want de Heer zal IsraŽl tot een aionisch Licht zijn.

In het oude verbond was het verbondsmiddel een dier; die dieren moesten sterven om het verbond in te wijden, van kracht te maken. Want waar een verbond is, daar is het noodzaak dat de dood van de verbondmaker tussen kome. Dit beloofde nieuwe verbond met IsraŽl moest dus noodzakelijk ingesteld worden vlak voor 's Heren dood bij het laatste Pascha. Daarom is Hij de nieuwe Verbondsmiddelaar, om, nadat de dood geschiedt tot vrijkoping van de overtreders het eerste verbond, de geroepenen (IsraŽl) de aionische erfenis zouden ontvangen. Hebr. 9.

Daarom zei Christus bij het laatste Pascha: "Dit is (stelt voor) Mijn bloed, het bloed des nieuwen verbonds, hetwelk voor VELEN vergoten wordt". Dit bloed werd gestort op Golgotha.

Oud zowel als nieuw verbond betreffen alleen IsraŽl. Van IsraŽl zijn de verbonden, zegt Paulus in Rom. 9:4 (en de door God ingestelde eredienst). Christus is gestorven voor de zonden der gehele wereld, maar Zijn bloed betrof allereerst de VELEN (IsraŽl). Maar al is door de mond van Jeremia het nieuwe verbond aan IsraŽl beloofd, en door de Heer ingesteld, daarom trad het nog niet dadelijk in werking. Toen b.v. de HebreeŽnbrief geschreven werd, bestond het oude verbond nog, maar het was nabij de verdwijning.

De toen levende generatie verwachtte toen spoedig 's Heren wederkomst en met Hem het nieuwe verbond. De HebreeŽnschrijver spreekt Over: "een korte tijd en Hij Die komt zal er zijn". Ook Petrus schrijft over de laatste tijden, en Johannes zelfs over de laatste ure. Deze spoedige verwachting van het toen nabij zijnde Koninkrijk is gedurende deze, onze, bedeling onderbroken.

Voor zulk een Goddelijk werk moet het volk toch eerst in nauw verband met hun God komen, en in plaats van zeer hardnekkig, zeer gewillig worden. Hun verharding wordt verblinding, en zo moeten de zonen van het Koninkrijk wel een tijdlang buiten werking worden gesteld, waardoor de komst van het Rijk terug moest wijken.

Wanneer de HebreeŽnbrief spreekt van de Middelaar des nieuwen verbonds Jezus, dan staat er dat de aarde bewoog toen Deze (Jehova Jezus) het oude verbond met hen sloot, maar dat bij het ingaan van het nieuwe verbond ůůk de hemelen zullen bewogen worden; dat het oude verbond bewegelijk is, maar het nieuwe verbond onbewegelijk; dat Christus het eerste wegneemt om het tweede te stellen; dat Hij een betere Verbondsmiddelaar is in betere beloften bevestigd. Christus zal tijdens het nieuwe verbond met Pascha nieuw met hen eten, met een nieuw geboren volk, in een nieuwe wereldorde.

Het nieuwe verbond is het verbond van die aion, waar God IsraŽl niet meer zal verlaten en zij niet meer KUNNEN afwijken. Zo dikwijls als er staat: "zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn", staat dit in verband met het nieuwe verbond. Dŗn zijn zij eikebomen der gerechtigheid, een koninklijk priesterdom, een priesterlijk Koninkrijk, want van Sion zal de Wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem. Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet ťťn tittel of jota van de Wet voorbijgaan, tot het alles zal zijn geschied.

Men kan dus zonder aarzelen besluiten, dat het Nieuwe Testament steeds over het nieuwe verbond met het huis IsraŽls spreekt, dat zijn uitwerking zal krijgen gedurende de toekomende aion op aarde. We zien dat het een grote moeilijkheid is om de traditionele overlevering vol te houden, als zou het nieuwe verbond de Kerk, en niet IsraŽl betreffen. Of men moet zoals ook Karl Barth het nog doet, overal Kerk LEZEN, als er IsraŽl STAAT. Maar wie, of men beroemd is of eenvoudig, de Schrift zonder vooropgezette mening wil lezen, kan dit niet aanvaarden, want zů ontneemt men aan de natie IsraŽl de uitdrukkelijke, onveranderlijke, aionische beloften. Het gaat dikwijls niet om geleerdheid, maar hoe resoneert men innerlijk op het Levende Woord.

Hebr. 8:8 zegt: "Zie de dagen komen, zegt de Heer, dat Ik met het huis van IsraŽl en met het huis Juda zal afsluiten een nieuw verbond, niet het verbond dat Ik maakte met hun vaderen" grondtekst.

De Heer zal wederkeren om Zich over u (IsraŽl) te verblijden ten goede, gelijk Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft, wanneer gij de stem des Heren uws Gods zult gehoorzamen, houdende Zijn geboden en inzettingen, die in het wetboek geschreven staan, en gij u zult bekeren tot de Heer uw God.

Daarom moest IsraŽl de Wet blijven houden gedurende de Handelingentijd, toen kon de Heer en het Koninkrijk nog spoedig komen als het volk zich had bekeerd. Paulus liet zich tot tweemaal toe het hoofd kaal scheren. Hij had een gelofte gedaan (een Joods gebruik), waarbij ook offers werden gebracht, en waarvan men alles wat daarbij behoort kan lezen in Num. 6. Zulke geloften, waarbij ook dagen van afzondering in de tempel behoorden, deed men b.v. ook wanneer men verflauwde in het geloof om de een of andere reden. Dit zegt ook de griekse tekst van Jac. 5:15: "De gelofte des geloofs zal de verflauwende behouden en de Heer zal hem oprichten". Daarvan leest men ook in de psalmen: "Offer Gode lof en betaal de Allerhoogste uw gelofte". Mijn gelofte zal ik de Heer betalen in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

In diezelfde tijd behoefde de bekeerde uit de volken zich slechts te houden aan de vier hoofdzakelijke dingen. Maar toen door IsraŽls verharding het Koninkrijk terugweek, omdat, zoals Paulus ironisch zei, IsraŽl zich het eeuwige leven niet waardig achtte, toen behoefde Jood noch heiden zich meer aan enig gebod te houden. Spijs of drank, feestdag, nieuwe maan of sabbatten, het waren schaduwen van toekomende dingen, en behoren dus bij het nog toekomende Rijk.

IsraŽl is de bruid of de vrouw van Jehova. Zo zegt de Heer: "Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw toen gij Mij nawandelde in de woestijn". In die woestijn nu deed die vrouw in haar jeugd geloften die te zwaar voor haar waren om na te komen, zoals ook deze: "Al wat de Heer bevolen heeft, zullen wij doen en gehoorzamen". IsraŽl verbrak het verbond en kwam zodoende onder de vloeken van Deut. 28. Doch in Num. 30:15 staat, dat haar man die vloek ganselijk te niet maken zal nadat hij het gehoord zal hebben, en zů haar ongerechtigheid zal dragen. Die man is Jehova, Christus, Die IsraŽl ontslaan zal van de vloek die op hen rust, wegens het niet nakomen van haar gelofte. Dit maakt dus een nieuw verbond noodzakelijk, dat Christus instelde en waardoor en waarvoor Hij Zijn bloed gaf, terwijl zelfs de vrouw Hem nog ontrouw wŗs en is.

Gelukkig weten we ook uit de profetie dat de vrouw zichzelve straks zal bereiden, en gedurende het koninkrijk de bruiloft des Lams zal plaatshebben. Dan heeft de Heer iets nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal de Man omvangen. Gelukkig dan ook degenen die geroepen zijn tot de bruiloft des Lams. Het verkiezen van IsraŽl, niet alleen van IsraŽl, maar alle verkiezingen houden op als de taak volbracht is. Abraham maakte Zijn roeping en verkiezing vast: IsraŽl nog niet. God beloofde Abraham het gehele land Kanašn tot een aionisch bezit, voor hem en zijn zaad, ja, hij zal volgens Paulus, zelfs erfgenaam der wereld zijn, terwijl hij er als sterfelijk mens nog geen voetstap van heeft bezeten.

Aan IsraŽl gaf God als taak, alle mensen te brengen in Gods gemeenschap, opdat de beloften, door Hem aan Abraham gedaan, vervuld kan worden: "In u en uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde". Deze belofte is veel meer omvattend dan men algemeen gelooft, ze omvat alle volken, ook de reeds vergane volken die nooit van Christus hoorden.

Op het ogenblik is het zo, dat het Jodendom deze taak voor de nu levende volken wel ziet, het kent maar al te goed zijn wereldomvattende taak, doch het ziet nog niet, dat het om dit te kunnen volbrengen een wedergeboren volk moet zijn. En zoals wij ons naam-christendom maar al te goed kennen, dat een gedaante van godzaligheid heeft, maar de KRACHT er van mist (de waarachtige christenen uitgezonderd); zo is ook het Jodendom tot nu toe alleen maar naam-jodendom (de waarachtige gelovigen uitgezonderd).

De Heer zei: "Gijlieden moet wederom geboren worden. Voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet ingaan". Juist om tot het inzicht van onvolmaaktheid te komen, gaf God hen Zijn Wet. Zij dachten die volmaakte Wet zo maar te kunnen volbrengen, en maakten er zelfs nog een paar honderd inzettingen bij, waardoor zij Gods gebod KRACHTELOOS maakten. Zo hebben we dus tot op heden een Jodendom zonder KRACHT en een christendom zonder KRACHT.

Gods bedoeling voor IsraŽl was dat de wet een jeugdleider zou zijn, want het einde der wet is Christus tot rechtvaardigheid een ieder die gelooft. Einde is de vertaling van "telos" dat niet zozeer het einde aanduidt voor wat betreft het begrip "tijd", maar wel het bereiken van het doel. Wanneer het Zaad gekomen zou zijn, dan zou Israel van kind, slaaf, ONDER de Wet worden tot Zoon (meerderjarig) als gerechtvaardigde BOVEN de Wet staande, en in nieuwheid des geestes kunnen wandelen door het geloof VAN Christus. Dit alles werkte Paulus uit in de Galatenbrief, die niet aan Joden, maar aan bekeerden uit de volken is gericht.

Volgens historische gegevens woonden er in GalatiŽn tot 100 jaar na Christus nog geen Joden. Paulus schrijft daar aan heiden-gemeenten door hem zelf gesticht, die na de vergadering van Hand. 15 te Jeruzalem, zeer verblijd waren toen Paulus daarna hun kwam vertellen, dat zij zich alleen behoefden te houden aan de vier noodzakelijke dingen. Joden uit Jeruzalem en zelfs Petrus maakten hun daarna weer in verwarring, door hun als heiden-christenen de Wet weer op te dringen, zo zouden zij van zonen weer slaven worden. De Galaten behoefden immers niet meer door de Wet als jeugdleider tot Christus te worden geleid; zij waren van slaven hunner afgoden al tot zonen gemaakt, buiten de Wet om. Wie hun in verwarring had gebracht, zou zijn straf niet ontgaan, wie hij ook was.

De tijd waarin wij nu leven, door Paulus meerdere malen genoemd: DE BEDELING DER VERBORGENHEID, begon vůůr de verwoesting van de Tempel en IsraŽls verstrooiing, en zal ten einde zijn als IsraŽl als volk tot zijn God gaat roepen. Tijdens onze bedeling der Verborgenheid is de Wet buiten werking gesteld, niet door God afgeschaft dus, maar de wet met zijn inzettingen is buiten werking, zolang het volk IsraŽl buiten werking is, omdat de Wet van God aionisch is, dus weer in werking gedurende de aion, het a.s. Koninkrijk.

Het boek Openbaring (dat Joods is) zal straks weer aansluiten aan het ontijdig afgebroken boek der Handelingen der Apostelen. De tijd, gedurende welke de oordelen in het boek der Openbaring beschreven, plaats zullen hebben, behoren nog bij onze boze aion, die juist met deze oordelen zal worden afgesloten. Men zou om zo te zeggen van de Gemeenten die in Hand. bestaan, kunnen doorlopen naar de Joodse Gemeenten waarmede Openbaring begint. Onze tussenbedeling was van alle eeuwen en geslachten verborgen in God. Zo bestaat er ook heden geen symbolische Olijfboom plus ingeŽnte takken. Die Olijfboom is gevallen, alleen de wortel bleef; die Olijf met de op hen ingeŽnte takken zal straks tot zijn volle wasdom komen, alle volken tot een zegen, denk aan Gods belofte aan Abraham. Vandaar dat Paulus in zijn verborgenheidsbrieven spreekt van een herordening der heiligen, die een vroegere verwachting hebben. Ef. 1:12. Meer kunnen we er in deze bladzijde (die de verbonden tot onderwerp hebben) niet van zeggen.

Gedurende de oordelen onder de volken, gaat IsraŽl op de zeef, want Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren en Zijn tarwe in Zijn schuur bijeenbrengen, en het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden. De schuur is het Koninkrijk en de tarwe het wedergeboren IsraŽl. WŤl zegt Rom. 11:26 dat geheel IsraŽl dan behouden zal worden, maar Paulus haalt daar maar een halve tekst aan, denkende dat aan zijn lezers de rest van Jes. 59:20 bekend was. Daar staat nl.: "Als Verlosser komt Hij voor Sion, en voor wie zich in IsraŽl van overtreding bekeren". Het gehele IsraŽl is dus het bekeerde IsraŽl, dit is Jeschurun, hetwelk betekent: "het ISRAňL GODS, het volkomen wederherstelde en wedergeboren IsraŽl der toekomende eeuw, het overblijfsel waar alle profeten van spraken.

Het oordeel Gods over de mensheid (m.i. de culturele volken) gaat over hen, die God niet kennen en het Evangelie van onze Heer Jezus niet geloofd hebben. Het betreft alleen hen die niet WILLEN, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. Er wordt nergens gezegd dat God iemand zal veroordelen, wraak doen of zal uitroeien die niet gelooft in iets, waarvan hij nooit gehoord heeft. Zij, die in goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onverderfelijkheid zoeken, krijgen het aionische leven, Rom. 2:7.

Ik denk hier aan de Boedistische godsdiensten en andere, die nog zulk een groot deel der wereld beslaan; zij zullen m.i. de overblijvende mensen zijn, wanneer het Koninkrijk aanvangt, en dan is het ook ineens niet vreemd meer, dat IsraŽl deze van hun angst, die met hun godsdienst gepaard gaat, mag verlossen. Dat zij hun onderricht mogen geven in de Wet van God, die heilig is en goed, dat zij leidslieden worden voor blinden en leermeesters voor onmondigen, omdat zij in de Wet de belichaming der kennis en der waarheid bezitten. DIT IS DE UITWERKING VAN HET NIEUWE VERBOND!

Met al die miljoenen stakkers voor ogen gaat men b.v. Zach. 8 toch zingende lezen! Je ziet als het ware het vastgrijpen van die mannen uit alle volken van allerlei taal, die aan ťťn Joodse man zullen vragen: "Wij willen met u gaan, we hebben gehoord dat God met u is!".

En zulk een walmende vlaspit zal Christus niet uitdoven, totdat Hij het gericht tot overwinning heeft gebracht, want op Zijn Naam zullen de volken hopen, ja de volken zullen tot U lopen en de menigte der zee zal tot U gekeerd worden, zoals de Koningin van het Zuiden Salomo's wijsheid zocht, en hem geschenken bracht, zo zal dan haar rijzig en glanzend volk naar de plaats gaan van de Naam des Heren op de berg Sion, om Hem geschenken te brengen. Welk een zielehonger! Dan zullen er uit de ontkomenen gezonden worden naar die volken, die de tijding aangaande Hem niet hebben gehoord, noch Zijn heerlijkheid hebben gezien. En weer andere volken gaan op naar het licht dat over IsraŽl is opgegaan, en Koningen gaan naar hun stralende opgang.

De Volken uit het Zuiden en het Oosten hunkeren dan naar de levende God. Zo zegt de Heer: "Ook uit hen zal Ik er nemen tot priesters en levieten". Vandaar dan ook die grote Tempel, waarvan niemand de afmetingen uit Ez. 40-48 letterlijk durfde nemen, maar de Heer Zelf zei, dat het een bedehuis zou zijn voor alle volken.

Om duidelijk te zien dat de oordelen waarmede onze aion zal eindigen, plaatselijk zullen zijn, behoeft men alleen het korte hoofdstuk van Jes. 24 te lezen. Het gezuiverde IsraŽl en de verst verwijderde volken blijven er uit over. Zie hoe deze steeds tezamen worden genoemd: Jes. 42:1-17, 51:4-16. Van deze profetieŽn is m.i. nog geen woord vervuld.

Wanneer we dit wijde uitzicht gaan zien, zullen we nooit meer een Psalm zingen in de Kerk of thuis, of we zijn met ons hart in deze tijd, in IsraŽls toekomstige glorie, de tijd van het nieuwe verbond, waar bijna alle Psalmen van zingen.

In de Geest zag ook Abraham deze dag (van Christus' heerlijkheid) en is verblijd geweest. Zij zouden rusten en opstaan tot hun bestemming, aan het einde der dagen. Die opstanding was van ouds de HOPE ISRAňLS. De Messias zittende, op de troon Zijner heerlijkheid, de opgewekte koning David en zijn huis, de twaalf apostelen richtende de twaalf stammen IsraŽls. En allen die om des geloofs wil iets hebben prijsgegeven, zullen vele malen meer terugontvangen.

Aan getrouwen beloofde de Heer vijf of tien steden, misschien worden het alle wel burgemeesters in die verre kustlanden. Want Micha 2:13 ziet een hele stoet hoogwaardigheidsbekleders en de Heer aan de spits. Het is dan zo gezegd de wereldpolitie der toekomend eeuw, waar Christus de volken zal richten met een ijzeren scepter.

Niet alleen bij ís Heren wederkomst, maar ook gedurende het Koninkrijk zullen er opstandingen plaatshebben, 2 Tim. 4 zegt: "Die doden en levenden richten zal, Ťn bij Zijn verschijning Ťn in Zijn Koninkrijk".

De mannen van Ninevť zullen opstaan in het gericht met deze generatie en zullen hen veroordelen, zei de Heer, want zij bekeerden zich op de prediking van Jona, en zie, meer dan Jona is hier.

Wanneer in Sodom de krachten geschied waren die in Kapernaum geschied zijn, zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben. Daarom zal het Sodom verdragelijker zijn in de dag des gerichts dan Kapernaum. Velen zullen daar komen van het oosten en het westen, en zullen met Abraham, Izašk en Jacob aanliggen in het Koningkrijk der hemelen, en de ZONEN des Koninkrijks buitengeworpen in de buitenste duisternis. Men ziet hier dat de dag des gerichts en het Koninkrijk door de Heer als in ťťn adem worden genoemd. Bij het verschil in opstandingen behoren verschil van gerichten; zoals enkele en dubbele slagen en een eeuwig vuur; de eeuwige pijn is de aionische kolasis van de volgende aion, evenals het eeuwige leven, het leven is dat in de volgende aion aanvangt. Veelal denkt men alleen aan de heerlijkheid en de vrede van het Koninkrijk, maar zo zal het wel aanvangen bij bekeerd IsraŽl, om zich uiteindelijk door zegen en straf uit te strekken over heel de wereld.

Alle profeten spreken daarvan, maar het boek der Openbaring spreekt alleen over de aanvang van het Rijk, bij het daaropvolgende 7e vers is het beŽindigd en begint het witte troongericht en de verwijzing naar de tweede dood.

Op 21 en 22 daarna staan op een hoger niveau (mijns inziens). Van het aionisch vuur zagen we volgens Judas 7 een voorproef in de verwoesting van Sodom en Gomorra. Dus plaatselijk en tijdelijk, en voor al wat leeft ten afschuw. Jes. 33 vertelt ons iets van degenen die leven kunnen bij de aionische gloed. Zo zullen er ook velen zijn die, bevreesd voor dit onmiddellijk gericht, zich geveinsdelijk zullen onderwerpen.

Satan zal daarom nog ťťns worden losgelaten, en ook dan zal er weer een uitzuivering en oordeel volgen. Daarna is de verloren gegane scheppingsluister nog niet hersteld, er volgt dan nog een witte troongericht en een tweede dood.

In onze tijd, waar IsraŽl als volk niet bestaat (voor God) en er dus ook geen oud of nieuw verbond bestaat, werkt God meer individueel. Door de arbeid van Kerk en zending, en door het getuigenis van velen onderling, wordt in onze tussenbedeling steen voor steen toegebracht tot de bouw van een geestelijk huis, die geestelijk worden opgewekt als de Heer wederkomt. Ook zijn er die door een vroegere verwachting in Christus (Ef. 1:12 Gr.) door een onzichtbare opstanding al bij Hem zullen zijn voordat Hij wederkeert, waardoor zij met Hem geopenbaard zullen worden in heerlijkheid.

Zo groot het verschil in opstanding van gelovigen zal zijn op de aarde, zo groot, ja nog groter in rang zullen de hemelse zijn, hun glans zal verschillen als de zon en de maan en de sterren onderling. De Schrift noemt vier hemelen: de luchthemel, de middenhemel, de derde hemel en de opperhemel. Alle opstandingen zullen in rangorde zijn, want God is een God van orde.

In de eindtijd onzer aion zal IsraŽl de maat hunner Vaderen volmaken door het aannemen van een valse messias die zal komen in zijn eigen naam. Dan zal God hen worden als het vuur van de smelter en als de loog van de wasser, al smeltend en reinigend, en louterend als goud en zilver. Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jacob; maar daaruit zal hij gered worden. Christus zal komen op hun geroep, en met Hem Zijn Koninkrijk, dat ook een gerichtsdag zijn zal, een rechtzetting van levenden en doden.

De eerste opstanding in het Koninkrijk is van hen die het laatste zijn gestorven, nl. de martelaren onder de vervolging van de antichrist. Ook zullen daar de vermoorde kindertjes van Bethlehem terugkeren tot hun eigen gebied. Ook Sodom en Gomorra zullen wederkeren tot hun vorige staat, Ezech. 16:55. De straffen daar en dan zijn eeuwig, aionisch, dat is: behorende bij de aion, dus niet eindeloos.

Omdat men meende dat IsraŽl en zijn wet voorgoed hadden afgedaan, heeft men de HebreeŽnbrief in de verleden tijd vertaald, zij is echter geschreven in de tegenwoordige tijd, hoofdzakelijk als onderwijs betreffende het Oude en het Nieuwe Verbond, en wel aan Joden-christenen (zie het adres).

Wij hebben het Nieuwe Verbond van IsraŽl voor ons genomen, en daardoor is het eigenlijk een karikatuur geworden. Ook gaf God geen Wetten om nooit door Zijn volk te worden volbracht, maar als schaduw der toekomende goederen. En Christus, gekomen zijnde als Hogepriester der toekomende goederen, heeft een aionische verlossing verworven (Gr. loskoping). Daarom is Hij de Middelaar van een Nieuw, Aionisch Verbond geworden, opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden, tot loskoping van de overtredingen onder het eerste (oude) verbond, de geroepenen de beloften der aionische erfenis ontvangen zouden. En dat is IsraŽl.

De veel grotere beloften waar God in onze tussenbedeling toe roept, nl. medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods te zijn, om straks, als Zijn (Christus') medelichaam hemelen en aarde tezamen te brengen; dit onderwijs kunnen we vinden in de gevangenisbrieven van Paulus, die hij schreef na IsraŽls tijdelijke verwerping. Te weten: Efeze, Philippenzen, Colossenzen, 2 Timotheus.

E.W.H.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden