De Wet voor IsraŽl
ook na het Kruis

door

E.W. Hiebendaal



De MozaÔsche Wet met al zijn geboden en inzettingen is een Joodse aangelegenheid. Deze wet is eeuwig, d.i. behorende bij de eeuw. Zij is in onze tussentijd door God buiten werking gesteld, Ef. 2:15 (IsraŽl was er niet), maar niet afgeschaft. Zodra IsraŽl weer Gods volk zal zijn, zal ook Gods wet weer voor hen gelden. En voor het a.s. Koninkrijk op aarde heet het: wie dan ťťn van de kleinste dezer geboden ontbindt, en de mensen zo leert, zal daar zeer klein heten, doch wie ze doet en leert, zal groot wezen in het Koninkrijk der hemelen, Matt. 5:19.

Eeuwige inzettingen betreffen niet alleen de grote gebeurtenissen in IsraŽls bestaan, zoals de hoogtijden: Pasen is eeuwig, Ex. 12:14; Pinksteren is eeuwig, Lev. 23:15-21; de grote Verzoendag is eeuwig, Lev. 16:29; het Loofhuttenfeest is eeuwig, Lev. 23:34-43, maar nog wel meer 20 kleine onderdelen. Zodat de Wet van IsraŽls bestaan als het ware een geheel enige leefwijze maakte, die streng was, maar ook mild, omdat Gods wetten heilig en goed zijn.

Een wedergeborene zei: "Hoe lief heb ik Uw wet, zij is mijn betrachting de ganse dag"; en streng, omdat op vele overtredingen zelf de doodstraf stond. Ieder die zich b.v. op grote Verzoendag niet zou verootmoedigen, of werk zou doen "hem zal Ik doen omkomen uit het midden zijns volks", Lev. 23:30. Het is dus wel duidelijk, dat het volk IsraŽl, om de wet geheel naar Gods wil te kunnen volbrengen, in zijn land moet zijn, met zijn tempel als middelpunt. Anders zou God deze volle gehoorzaamheid niet kunnen eisen en belonen, en de ongehoorzaamheid straffen.

De Thora kan alleen binnen de grenzen van een Thoraland naar Gods wil worden volbracht. Vandaar dat God hen daarvoor ook de ruimte zal geven, opdat allen binnen de grenzen van hun land kunnen wonen. Van de Nijl tot de Eufraat heeft God aan Abraham beloofd. Ja, misschien wel van zee tot zee, Ps. 72, het gebied tussen de 5 zeeŽn.... de navel der aarde.

En een tempelpaleis in het midden, zo groot, dat het onze bevatting te boven gaat, Ez. 4O-46. De wet gaat niet voorbij dan door vervulling, zelfs brandspijs en slachtoffers zal men brengen al de dagen, Jer. 33:18, Jes. 56:7, 60:7. Alleen door Gods rechtvaardige wetten wordt het recht op aarde hersteld. Het is alsof de Heer na IsraŽls toekomstige bekering weer opnieuw met hen begint, alsof onze bedeling dan een cirkelgang is geweest.

Van onze beschaving zal trouwens niet veel zijn overgebleven, puinhopen. Als tegenspraak zal men wijzen op Hebr. 10:18: "Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde". Maar nu is Hij eenmaal geopenbaard om de zonde teniet te doen door Zijns zelfs offerande. Neen, geen werkelijke offerande, zoals Christus eens voor al was, zal er ooit meer nodig zijn, wel offeranden ter nagedachtenis. De HebreeŽnbrief geeft daarvan zelf het bewijs. In onze vertaling is zij in de verleden tijd geschreven, alsof alles van de wet toen tot het verleden behoorde, maar de Leidse vertaling, Obbink en Voorhoeve, vertalen de brief in de tegenwoordige tijd, geschreven aan Joden-christenen, en dan ziet men, vooral in hoofdstuk 9, dat de tempel met offerdienst en al, toen nog ten volle voor hen in werking was.

Dat was dus na het Kruis, zoals de toekomende eeuw ook na het kruis is. Wat verdwijnt, is het "Oude Verbond", maar de wet is eeuwig, het Oude Verbond niet, want dit is al vervangen door het Nieuwe Verbond. Christus zei bij het laatste Paasmaal (het opheffen van de derde beker der dankzegging) "dit is het bloed van het Nieuwe Verbond, dat voor u vergoten wordt" en de verbonden zijn volgens Rom. 9:4 van IsraŽl.

Met het verbondsvolk verdwenen dus ook de Verbonden. Maar zie... de dagen komen, zegt de Here, dat Ik met het huis van IsraŽl en Juda het Nieuwe Verbond zal afsluiten, Hebr. 8:18 grondtekst. Als de Heer wederkomt, breekt de zevende maand van Lev. 23:24 aan, met de drie laatste Hoogtijden des Heren:

  1. het feest des geklanks, der bazuinen;
  2. de grote Verzoendag, als de Hogepriester zal uittreden;
  3. het loofhutten, het grootste der feesten.

Wanneer wij dan zouden mogen behoren tot de leden Zijns Lichaams, zullen wij verschijnen met Hem in heerlijkheid, Kol. 3:4, dan gaat Ps. 24:7-10 en Ps. 118:19-29 in jubelende vervulling, ook de priesters zullen dan roepen: "Gezegend" is Hij, die komt in de Naam des Heren".


Het voorhangsel.

Algemeen gelooft men dat het scheuren van het voorhangsel betekende dat de wet en de inzettingen van toen af ophielden te bestaan. Maar het scheuren had met de wet als zodanig niets te maken. De betekenis daarvan leert ons de schrijver van de HebreeŽnbrief. In het heilige der heiligen was Gods Troon. Maar de IsraŽliet kon niet verder komen dan de voorhof. Was hij een priester, dan mocht hij in het Heilige dienst doen. Achter het voorhangsel ging alleen de Hogepriester, eenmaal per jaar, niet zonder bloed, en in een vooraf gemaakte duisternis door de wierook, die men er tevoren moest inbrengen. Het voorhangsel maakte dus scheiding tussen God en het volk. Nu noemt de Hebr. schrijver het vlees van Christus het voorhangsel. Zou de weg, de verse en levende weg tot God openbaar worden, dan moest dat scheuren, dan moest Christus sterven, gelijk zinnebeeldig het voorhangsel van de tempel scheurde bij Zijn dood: "En Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest. En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeŽn, van boven naar beneden", Marc. 15:37.

De nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is Zijn vlees, Hebr. 10:20. De Schrift vermeldt niet, of die scheur in de voorhang daar bleef tot 40 jaren later de tempel werd verwoest, maar zolang IsraŽl als volk bestemd, bleven ook Joden-christenen trouw aan tempel en synagoge. Er waren ook vooreerst geen christenen uit de volken, want in Hand. 11:19 lezen wij dat de Joden-christenen tot niemand het woord spraken, dan alleen tot Joden. Kwamen er dan door de uitzending van Paulus en Barnabas ook velen uit de volken tot bekering, dan blijkt dat Paulus onder de volken het evangelie brengt zonder de wet, wat vanzelf dan een strubbeling brengt, Gal. 2:2, en later 't apostelconvent van Hand. 15 noodzakelijk maakt.

Al waren dus de gelovigen uit de volken naar de geest IsraŽls goederen deelachtig (vandaar de symbolische inplanting op de Olijfboom), naar het vlees mochten zij niet samengaan. Vandaar het bevel van Paulus aan alle gemeenten om apart te blijven, 1 Cor. 7:17, 20. Misschien zijn toen de huisgemeenten ontstaan, voor die uit de volken. Er wordt althans in Rom. 16:4 gesproken van gemeenten der volken. Br. Nymfas heeft te Laodicea een gemeente in zijn huis, Col 4:15. Archippus ook, Fil 2 en ook een huisgemeente in 1 Cor. 16:19. Dit waren alle Joodse gemeenten, Hand. 20:28, 1 Cor. 1 en 2 Cor. 1, 1 Cor. 10:32 en 12:16 en 22, 15:9, Gal. 1:13, 14, 1 Tess. 2:14 en 2 Tess. 1:4.

Waarom moesten gedurende de Handelingentijd de Joden-christenen van de heiden- christenen gescheiden blijven? Misschien omdat uit de 4 "totdats" uit Mattheus blijkt, dat het Koninkrijk nabij was en IsraŽl in het Koninkrijk ook alleen zal wonen. Ik meen dat het ook zo kan zijn: Johannes de Doper had al gezegd: Wie de bruid heeft, is de bruidegom.

En de Heer Zelf zeide, dat Zijn discipelen zouden treuren als de bruidegom bij hen niet meer zou zijn. Nu was de wederkomst van de Heer aanstaande, dus moest de bruid (IsraŽl) worden toebereid. Maar aan het einde van de 2e Cor. brief schrijft Paulus, te vrezen dat de bruid als geheel zich niet zal laten bereiden, maar onwillig blijft. Want, zegt hij, ik ben naijverig op u met een naijver Gods, want ik heb u aan een man verloofd, om u als een reine maagd aan Christus voor te stellen. Doch ik vrees, dat, gelijk de slang Eva verleidde door haar arglistigheid, zo ook uw zinnen bedorven en afgeweken zijn van de eenvoudigheid jegens Christus, 11:2, 3. En zo kwam de grote omweg.

Maar wij keren terug tot de wet, die de Joden-christenen bleven onderhouden, Hand. 5:12. De apostelen bleven eendrachtig tekenen en wonderen doen in de galerij van Salomo, Hand. 5:10. Toen zij door de nijdige hogepriester in de gevangenis geworpen werden, verloste hen een engel, die hen weer naar de tempel terugstuurde. Hand. 10:28. Petrus zeide tot Cornelius gij weet dat het een Joodse man ongeoorloofd is, zich te voegen bij een vreemde, Hand. 13:14. En in de synagoge gegaan zijnde op de dag des sabbats, zaten zij neder en werden gevraagd uit het wetboek te lezen.

  • Hand. 16:3. En hij nam en besneed hem om der Joden wil.
  • Hand. 18:18. Paulus scheert zijn hoofd omdat hij een gelofte heeft gedaan, daarbij behoorde het brengen van offers, zie 25:24.
  • Hand. 20:7. Paulus vergaderde op een der sabbatten, grondtekst, om brood te breken. Het was een der zeven sabbatten tussen Pasen en Pinkster, vers 16 wordt de Pinkster dan ook genoemd.
  • Hand. 21:20. Vele duizenden Joden, die in Christus geloofden waren ijveraars der wet.
  • Hand. 21:24. Paulus bewijst door zich het hoofd te laten scheren en de voorgeschreven offers voor zich en nog 4 andere mannen te bekostigen, dat ook hijzelf wandelt in de onderhouding der wet.
  • Hand. 25:8. Paulus verantwoordt zich: ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen de tempel iets gezondigd.
  • Hand. 28:17. Ik heb niets gedaan tegen de vaderlijke gebruiken.
  • 1 Cor. 11:5. Iedere vrouw, die blootshoofd bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, het hoofd moet gedekt blijven om der engelen wil.
  • 1 Cor. 14:39. Dat de vrouw in de gemeente zwijge, zij moet onderdanig zijn, zoals de wet zegt.


De brief aan de GalatiŽrs.

Deze wordt, meen ik, steeds gelezen als een verzet tegen de wet van Paulus. De brief is gericht tot gem. in Z. Galaten, misschien op de 2e reis te Troas geschreven, toen Paulus naar het apostel convent te Jeruzalem op reis ging. De GalatiŽrs waren afstammelingen van de GalliŽrs, dus geen Joden. Men moet vooral opletten, dat Paulus met wij en ons de Joden bedoelt, en met gij en u de GalatiŽrs. Oppervlakkig gelezen lijkt het alsof Paulus de wet geheel als een afgedane zaak beschouwde, maar hij stelt zich teweer.

De door hen gestichte gemeenten uit de volken hebben zich door Joden-broeders uit Jeruzalem laten verleiden de wet te houden, en dat is fout, en hij begint dus op krachtige toon hun te zeggen "indien iemand u een evangelie verkondigt, Gal. 1:8, 9 ...De verordeningen van Jeruzalemse convent worden in de brief niet genoemd.

Juist daar stelde men de volken vrij van de wet. Dat zij niet vervuld worden, is een sterk bewijs, dat Paulus deze brief schreef voor hij naar Jeruzalem ging. Had hij deze brief na Handelingen 15 geschreven, dan had hij de besluiten van het Concilie als wapen gebruikt. Voor IsraŽl nu stond het zo: de wet diende niet om het heil te verwerven, integendeel, hij bracht vloek en dood. Als een tuchtmeester leidde de wet hen tot Christus, opdat de rechtvaardiging zou komen door het geloof in Hem, Gal. 3:24.

De wet had het doel om de zonde (door de overtredingen der wet) te doen uitkomen en geeft het inzicht, dat alleen rechtvaardiging mogelijk is door toerekening van Christus' gerechtigheid. Zo houdt de belofte, die rust op het geloof van Christus zijn kracht. Maar de IsraŽliet zou eerst de beschikking van deze belofte krijgen, als het zaad gekomen was. Dan eerst zal hij van kind, dat onder de leiding stond van de tuchtmeester (de wet), worden tot zoon, tot die tijd stond hij gelijk met een slaaf van zijn wet, zoals de volken slaven waren van hun afgoden.

De GalatiŽrs waren van slaven tot zonen geworden, buiten de wet om; hij, de heiden, is nooit het kind, dat de tuchtmeester of jeugdleider nodig heeft. Als nu een tot zoon geworden heiden de wet van IsraŽl gaat volgen, is dit absurd. Tot Christus hoeft hij niet meer geleid te worden (het doel der wet) omdat hij Christus reeds gevonden heeft. Nog eens: de wet is een Joodse aangelegenheid. Het einde der wet is Christus.

Einde is de vertaling van telos, dat niet zozeer het einde aanduidt voor wat betreft het begrip "tijd" maar wel het bereiken van het doel. Zo is Christus dan het einddoel der wet. Als een omtuining was die wet, zonder welke het Joodse volk in het heidendom zou zijn ondergegaan. Door de wet kreeg IsraŽl een samenleving, die het geheel apart van de andere volken stelde. Maar om die wet te kunnen volbrengen, miste zij datgene, wat de Heer Jezus zo juist heeft samengevat in Zijn woorden tot Nicodemus: Gijlieden moet wedergeboren worden. De wet was een zware last voor hen die leefden zonder de hulp van de Heilige Geest. Maar indien zij door de Geest geleid worden, zijn zij zonen Gods, dan wordt de mens, is hij Jood of heiden uit de GalatiŽrs, besneden of onbesneden, man of vrouw, gerechtvaardigd door het geloof van Christus, zijn wij met Hem vereenzelvigd, mede gekruisigd, mede gestorven, mede opgewekt, Gal. 2:20, Rom 6:6.

Op de een of andere wijze herhaalt God geestelijk in ons wat Hij op Golgotha in Christus heeft gedaan. Verder vertelt Paulus in de brief, hoe hij zich eens openlijk tegen Petrus heeft verzet. Dat ging toen ook over de wet. De afspraak was vanaf het begin, dat de twaalven tot de Joden (de besnijdenis) zouden gaan, alleen Paulus tot de volken. Natuurlijk heeft Paulus steeds onder de volken levende, met hen gegeten en gedronken, doch zich stipt houdende aan de voorschriften der wet. En wat volgens Lev. 11 onrein was, of afgodenoffers, die verboden waren, Ex. 34:15, werden door zijn bekeerlingen vanzelf niet meer gebruikt. Dus wanneer Petrus enige tijd onder de gelovigen der volken vertoeft, is het geen fout, wanneer hij met hen eet. Hij was ook bij Cornelius enige dagen gebleven.

Daarover berispen hem ook de broeders uit de besnijdenis. Hand. 11:2, 3. Maar het verkeerde van Petrus was, dat hij deze gelovige uit de volken tot proselieten wilde maken en deed alsof de besnedenen toch een streepje voor hadden. Ja, zich zelfs terugtrok en zich voor de omgang met hen schaamde, toen er enige ijveraars der wet uit Jeruzalem kwamen. Dat was huichelachtig. Vandaar Paulusí: indien gij een Jood zijt, leeft naar de wijze der volken (voordat zijn vriendjes kwamen) en niet naar die der Joden, hoe noodzaakt gij de volken naar Joodse wijze te leven?

En dan brengt hij Petrus nog eens goed aan 't verstand dat hij en de ijveraars der wet geen haar beter zijn dan de leden van zijn gemeente. Wij moeten allen, Jood of heiden, door het geloof van Christus gerechtvaardigd worden zonder de werken der wet, Gal. 2:14-21. Zonder werken der wet, dat is buiten of apart van de werken der wet, maar daarom was die wet er wel. Christus spijzigde 5000 mannen "zonder de vrouwen en kinderen". Maar daarom waren deze er wel. Geen musje valt van het dak zonder de wil des Vaders. Maar daarom is God er wel.

Ja, bewijst het juist. In het kort, Petrus heeft het goed begrepen en schaart zich op het concilie aan de zijde van Paulus. Na IsraŽls tijdelijke terzijdezetting is dus de wet buiten werking gesteld en wel door een nieuwe openbaring Gods aan Pauus in de gevangenis, Ef. 2:6, 7. Wij, christenen uit de volken, hebben voor onze wandel een andere regel, o.m. "wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij beproeft, welke de goede en welbehagelijke wil Gods zij". "Wandelt als kinderen des lichts, want de vrucht des lichts is in alle goedheid en gerechtigheid, beproevende wat de Heer welbehagelijk is". "Daarom weest niet onverstandig, maar verstaat welke de wil des Heren is". Beproeven, verstaan, wat de wil van God is?

Dat maakt onze taak niet lichter. Het is gemakkelijker te leven naar een voorgeschreven wet, dan naar Gods wil, zonder dat die wil ons in bijzonderheden gezegd wordt. Wij zullen het kunnen en verstaan en doen, als wij zullen gaan geloven en beleven wat Paulus beleefde: "niet ik, maar Christus leeft in mij". Ook als wij gaan ontdekken, dat zoveel in onze bijbel niet aan ons, maar aan IsraŽl beloofd is, vraagt men: "Maar wat blijft er dan voor ons over?". Datgene, dat voor ons is, is veel meer, of is de Zegenaar niet veel meer dan gezegend worden? Was er voor onze bedeling al een verscheidenheid van blinken op de aarde beloofd, zie Dan. 12:3 en Matt. 14:43. En ook nog een groter verscheidenheid van blinken in de verschillende hemelen, 1 Cor. 15:40-49.

De Ef. brief spreekt van een mede levend gemaakt, mede opgewekt en mede gezet zijn in de hemelse gewesten, ja bovenhemelse. Van medeburgers in het allerheiligste en leden der familie Gods, en dat voor de volken. Ef. 2:19 en Col. 1:12 enz. Vandaar het tot driemaal toe herhaalde: Tot prijs Zijner heerlijkheid!

E.W.H.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden