Het Avondmaal



6. De Hoogtijden des Heren

Willen wij begrijpen, wat geschreven wordt in de EvangeliŽn en de Handelingen, dan moeten wij ons in de gedachte naar die tijd verplaatsen en rekening houden met de omstandigheden, die er bij behoren.

In de eerste plaats vergete men niet, dat ook nog gedurende Handelingen de Christen-IsraŽlieten getrouw de Hoogtijden des Heren vierden. Wij lezen over de sabbat (b.v. Hand.18:4) het Pascha en het feest der ongezuurde (Mat. 26:17; Hand. 20:6), de zeven Sabbatten (Hand. 20:7 enz.), Pinksteren (Hand. 20:16 enz.). Dat was naar de wil des Heren in die tijd, al moesten ze er geen "ijveraars" van zijn.

Hadden de Christenen der volken er deel aan? Zeker niet rechtstreeks, want de wet, waarvan deze hoogtijden deel uitmaken, was niet aan hen gegeven. Meer dan dat, het was hen uitdrukkelijk verboden het Pascha te eten, tenzij na door de besnijdenis bij IsraŽl ingelijfd te zijn (Ex. 12:43-48). Maar de gelovigen van de Volken zijn toch geestelijk besneden? Dat dit niet voldoende is, leert men uit Ezech. 44:9: gedurende het Koninkrijk zal er in het Heiligdom des Heren "geen vreemde, onbesneden van hart en onbesneden VAN VLEES" ingaan. Er wordt dus nog wel degelijk gelet op de uitwendige besnijdenis. Tegen het einde van de eerste eeuw, nadat IsraŽl voor een tijd opgehouden had Gods volk te zijn en onder de Volken verstrooid was, kwam meer en meer de gedachte op de voorgrond, dat IsraŽl als zodanig, 'eens voor al afgedaan had en de "gemeente" nu die plaats ingenomen had (1).

(1) Men vindt uit zelfs in "Doop en Avondmaal" door H.C. Voorhoeve. (Blz. 112).

Men paste al vast op die "gemeente" alle aan IsraŽl beloofde zegeningen toe, en liet hun de gerichten. Maar hoever men in deze moest gaan, zag men niet goed in. Voor God had, met IsraŽl, alle vorm, alle geopenbaarde "godsdienst" opgehouden.

Door de verwoesting van de tempel, belette Hij dan ook elk misbruik van Zijn Heiligdom. Maar sommige inzettingen en hoogtijden konden toch nog door die "Gemeente" vastgehouden worden tegen Gods wil. Dat er in betrekking tot deze dingen heel wat verwarring was gedurende de eerste eeuwen, blijkt uit de geschriften van die tijd. Daar de grote massa zich van Paulus had afgewend (wat reeds gedurende zijn leven begon, zie 2 Tim. 1:15; 4:6) en dus geen oog had voor de werkelijke Gemeente, die niets van het volk IsraŽl te erven had, ontstond er een volledige chaos. Men trachtte ook de Hoogtijden des Heren te verchristelijken en bij de "Gemeente" aan te passen.

De sabbat ging langzamerhand over in de "eerste dag der week", de heidense "dag der zon" of dag des Heren (zon). In de geschriften van de Roomse Kerk wordt openlijk bekend, dat de "Kerk" de sabbat verving door de "dag des Heren". Het Joodse Pascha vierde men ook, niet zoals de Christenen het Paasfeest nu vieren, maar ongeveer zoals IsraŽl het vierde, inbegrepen het slachten en eten van een lam.

Maar ook hier was geen eenheid. De Christenen uit AziŽ vierden het Pascha de 14e Nisan, zoals IsraŽl. De opstanding werd afzonderlijk herdacht, drie dagen later, dus gewoonlijk NIET OP EEN ZONDAG. In al de kerken, buiten AziŽ hield men de Pascha maaltijd op Zaterdagavond, en verbond men er het opstandingsfeest mee, dat dan 's Zondags gevierd werd. Wij hebben dit alles reeds vroeger nagegaan en hebben daartoe uittreksels gegeven van de geschriften van de eerste eeuw, zodat de lezer zelf oordelen kan.

Wij hebben gezien, dat de Christenen van de eerste eeuwen het Pascha op een dergelijke wijze vierden. Het maal des Heren maakte dus deel uit van het Pascha. Het was geen nieuwe instelling. De Christenen van de eerste eeuw deden verkeerd zich een feest toe te eigenen voor IsraŽl alleen was, maar zij vergisten zich niet in de wijze van het vieren van het feest. Zij volgden hierin de Apostelen, die ook op Joodse wijze het Pascha vierden. In elk geval werd het "avondmaal" niet afgescheiden van het "Pascha". Beiden vormden een geheel.

Men heeft er soms op gewezen, dat er staat (b.v. in Luk. 22:20 en 1 Kor. 11:25): "na de maaltijd" en heeft daarmee willen beweren, dat die beker dus geen deel uitmaakte van het Pascha. Maar wat doet men dan met het breken des broods, dat vůůr de beker kwam en waarvan niet gezegd wordt "na de maaltijd", maar wel, "terwijl zij aten"? De beker volgde op het eten van het niet-rituele maal, maar maakte niet te min deel uit van het Pascha als een geheel genomen. Wij hebben dat reeds behandeld.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden