Hoofdstuk 18
|
| 1 |
En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen Israel. |
| 2 |
En hij legde krijgsvolk in alle vaste steden van Juda, en legde bezettingen in het land van Juda, en in de steden van Efraim, die zijn vader Asa ingenomen had. |
| 3 |
En de HEERE was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Baals niet. |
| 4 |
Maar hij zocht den God zijns vaders, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van Israel. |
| 5 |
En de HEERE bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en gans Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte. |
| 6 |
En zijn hart verhief zich in de wegen des HEEREN; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit Juda weg. |
| 7 |
In het derde jaar nu zijner regering zond hij tot zijn vorsten, tot Ben-chail, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nathaneel, en tot Michaja, opdat men zou leren in desteden van Juda. |
| 8 |
En met hen de Levieten, Semaja en Nethanja, en Zebadja, en Asael, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Tob-Adonia de Levieten, en met hen depriesters Elisama en Joram. |
| 9 |
En zij leerden in Juda, en het wetboek des HEEREN was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk. |
| 10 |
En een verschrikking des HEEREN werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Josafat. |
| 11 |
En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, enzeven duizend en zevenhonderd bokken. |
| 12 |
Alzo nam Josafat toe, en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en schatsteden. |
| 13 |
En hij had veel werks in de steden van Juda, en krijgslieden, kloeke helden in Jeruzalem. |
| 14 |
Dit nu is hun telling, naar de huizen hunner vaderen. In Juda waren oversten der duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden. |
| 15 |
Naast hem nu was de overste Johanan; en met hem waren tweehonderd tachtig duizend; |
| 16 |
En naast hem was Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig den HEERE overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend kloeke helden. |
| 17 |
En uit Benjamin was Eljada, een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren. |
| 18 |
En naast hem was Jozabad; en met hem waren honderd en tachtig duizend, ten krijge toegerust. |
| 19 |
Dezen waren in den dienst des konings; behalve degenen, die de koning in de vaste steden door gans Juda gezet had. 2 Kronieken 18 |